Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 27

Chapter 273,702 wordsPublic domain

Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.

Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor Blankaart moeten bukken.--Overleg deze dingetjes zoo [p.293] eens in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa, hoe de zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft; dat heb je immers _bij bevinding_ hertje. Wij moeten haar houden, kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet, liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen reden daartoe: _ik heb mijn deeltje aan u_; dat heb ik, och ja! Ik bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw eigendom.

De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart; zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient; (slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen--gij begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen bedoelt?--met "de tale Kanaäns".... Maar dan daarop als de vuistslag van een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat, voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst. Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek neemt en hem door elkaar rammelt, hem méésleùrt, om de misdaad te doen, waarvoor hij geen moed heeft.

Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.

Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij[58] is uit: wij moeten haar nu nog plukken, en dan--de heele [p.294] wereld is voor ons open. Zij moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O dat is een bullebak voor u en mij,

_Die gij kent_.

Maar dàn verandert zij weer, die helsche kameleon, de oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn van geringheid en omveiligend godsbetrouwen. Dàn schrijft zij aan _Hofland_ dit briefje, dit meesterstuk van huichelarij:

Lieve vriendinne!

Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: _de conscientie is de klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den brand van de hel_. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.

Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.

Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.

O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel [p.295] niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge nu dìt boek niet lezen zult, wàt zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge nu hièrvan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit geven? Maar neen-----_Ik vertrouw, ik wéét, dat gij het lezen zult!_

NOTEN:

[55] een man van mijn smaak.

[56] "een Azers deel." Vergel. _Genesis_ 49: 20: "Azer, zijn brood is vet en hij levert koninklijke lekkernijen." (Knappert).

[57] "een Enakskind," een reus. Vergel. _Numeri_ 13: 28 en 33 (Knappert.)

[58] fretterij = jagen met de fret. Zij wil leggen: gevingen is onze prooi nu, enz.

* * * * *

JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.296]

I.

Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vóóral zékere Jaren met ons menschen volvoeren, is een zéér ingewikkelde figuur, zóó ingewikkeld.... Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd en dan weer achtergelaten--zoodat degeen die voor ons stond, dàn terzijde, dan àchter ons henengaat--we zouden onze verlegenheidsglimlach, ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zéér betreuren. Want inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai schouwspel lijken, bij zooveel weeldeglans en stralend licht en tegenover en naast zoo schoone en zeker-zich-bewegende gestalten als de Jaren, zóó houterig, zóó bang voor botsing, zóó angstig voor 'n verkeerd gebaar te treuzelen, als wij menschen doen: een glimlach, een buiging van uw partner, ach, ge meendet er een vriendelijkheidsbetuiging jegens u in te zien?... Neen, neen, die hoorden zoo bij het ceremonieel van den dans; bet geheel daarvan, dat we nog altijd niet in onze arme hoofden hebben, ware zeker niet zoo volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die buiging [p.297] geweest, maar--voor u waren zij niet bestemd! Een hand wordt u toegestoken, ge meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n stillen doch terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die handbeweging behoorde tot het zéér diepzinnig ceremonieel van den dans ... op den handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem ooit krijgt! Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach van de Jaren dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij 't _geheel_ van den dans, waaraan gij _deelneemt_, niet fraaier? Welnu dan! En nu spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, van 't zekere van hun _terugwijken_. Want daar ge jong zijt, lieve vrienden, hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach der Jaren dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en vooral nog spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik straks schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo zeldzaam is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk ingewikkelden dans,--zooals ik reeds meende te zeggen--dat een zelfde figuur zònder maar ook mèt een kleine wijziging terugkeert en 't is dus zeer wel mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, dien ge de eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het feit, dat ik de Meester's prachtige _Geertje_ hier behandelen mag, dàt is zulk een handdruk van een van de kinderen van den Tijd, ééns gemist, maar nu gekregen. En mag ik u nu vertellen hoé dat gebeuren kon?...

* * * * *

Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood--en ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen, bezitten die keur daaruit: _Herdrukken uit de Kroniek_?--dat hij mij opdroeg twee werken te recenseeren in _De Kroniek_. Een daarvan was _Geertje_.--"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer was, het was bij hem thuis, "dat boek," op _Geertje_ wijzend, "en de schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte [p.298] èn dat die glimlach wel degelijk voor mij was bestèmd, misschien vindt ge dat gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op wonderbaarlijke wijze voor langen tijd _zekerheid in 't gaan: zelfvertrouwen_ geeft. Toch was dit _niet_ overdreven. Als gij Tak hadt gekend--en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zóó'n man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?--èn gij wist als ik dat _Geertje_ een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven werken der heele hollandsche literatuur is--en dit zult gij weldra inzien--dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest gevoelen die van dièn man diè opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen hen te zijn, met héél zijn hart ... ja, dat was nog eens een ménsch.... Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei, beteekenis-voller zou zijn en mìj rijper zou vinden. Het eerste en het tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden [p.299] en duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden, dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in _De Kroniek_, d.w.z. voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen! Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen sterken kunne. Geeft hij dan de _gelegenheid_, de ander _geve hem_ de daardoor _mogelijk geworden, juist voltrokken daad_.... Doch hoe dàt nu verloope, dat de bespreking van _Geertje_ een innerlijke gebeurtenis voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander gelijkwaardig boek ook zou zijn, dàt zult ge nu wel begrepen hebben.

* * * * *

Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn, indien ik nu even, vóór met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de volgende redenen: Allereerst, omdat _Geertje_-zelf is: een _psychisch-romantische_ figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden gebruiken, zonder ze even te verklaren: _psyche_ beteekent: _ziel, psychisch_ dus: _wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft_. Ik bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar _ziels_eigenschappen betreft romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder "romantisch" heb leeren verstaan[1].

We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar _zielsvermogens aangaat_ een _uitzonderings_figuur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij _psychisch_-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet dadelijk iets van haar [p.300] levensloop, dus van den "inhoud" van het boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk maken en nog niet inzien, dat _alleen de wijze, waarop een mensch die lotgevallen ondergaat en erop reageert_ hem belangrijk of onbelangrijk maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar "verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal, kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zóó vaak?... Behoort het ook niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij maar liever ongelezen ter zijde leggen, óók omdat het toch, als verdicht verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och ik zeg u eerlijk: niet beneden _mijn_ aandacht. Voor mij is, in kunst, het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles. Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan _Geertje_ niet voor zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen, dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische _uitzonderings_figuur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is _Geertje_ in evolutionnair- biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". Laten wij deze bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat men _gewoonlijk_ onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij een argelooze op de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit eigen opgewekten hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. Het _meest kenmerkend gevolg_ van _verleiding_ is dan ook, dat zoodra bij de _verleide_, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en zij de [p.301] gevolgen te dragen heeft, het _berouw_ intreedt èn _haat_ tegen den _verleider_. Ten eerste wordt nu echter bij _Geertje niet_ door den man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, jawel, hij _beproeft_ het, en _hij_ meent, de plat-sluwe wellusteling, dat hij slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt misschien, maar aangewakkerd zéker, is: hare _verliefdheid_ op hem--van wier hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip heeft!--en dit _verliefd-zijn_ maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen het een en het ander nu is een enorm verschil--precies hetzelfde verschil, wat _men_ zegt (_ik_ weet het nièt) tusschen mensch en dier te bestaan.--In het eene geval, _bij Geertje_, brengt de _geëxalteerde geestelijkheid_ beroering en hartstocht _in de lichamelijkheid_; in het andere geval wordt de eene _lichamelijkheid_--van de verleide--door de andere _lichamelijkheid_--van den verleider--doordrift, en met hun beider _geestelijk-zijn_ heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs _voor goed_ is ontwaakt en _alles_ klaar ziet, zij van tevredenheid en geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zóó bewust als ik 't daar zeggen ga, maar toch zéér bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan haar lot overlaat, blìjft zij hem, ook nadat zij weet, door hem gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben, blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten slotte, toch door hèm geworden is! En zooals de eene goede daad altijd ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert--want het is een goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, _maar dan moet men ook_ [p.302] _noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het wezen is!_--zoo brengt ook _Geertjes_ daad haar éérst tot het zuivere inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde, minderwaardig is èn brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kùnnen dat Geertje zich schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van _Geertje_ hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de Liefde op aarde zijn.

Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij _Geertje_ in het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene, die het gemeen heeft met alle werkelijk gróóte kunst: _dat het uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had_. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw best, mij ter dege te begrijpen: àls ge in het leven zulk een "verleid dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk, vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; àls ge eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen "berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, [p.303] wàt zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt. En àls gij daarentegen dien verleider, dien _Heins_ in het werkelijke leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie, waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke, bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak "un petit être incomplet,"[2] zooals Loti het noemt. En intusschen, hoé verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die _Heins_, wat is hij anders, dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mógen verachten. Maar hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kùnnen oordeelen over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad, bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat wéten wij van elkanders ziel? Wie zìjn wij-zelf? Daarom kàn de ondeugd niet door [p.304] ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar ... diè wéét, die vóelt weifelloos, diè tast, ten _tijde dat hij kunstenaar is_, nimmer mis, diè heeft "hart en nieren geproefd."[3]. Nu krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem, waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat machteloos.