Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 28

Chapter 283,739 wordsPublic domain

Dáárom zei ik--en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen--_kunst uitspreekt wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had!_ Hoe dikwijls, gelijk nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons, bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt--de Natuur de kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk, en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de kunstenaar toont--en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!--de edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die met vaste hand het innerlijk rotten opendekt--zoodat wij althans het geluk der waarheid hebben! Zóó komt het dan ook, dat _Geertje_, het zuivere werk van zùlk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na [p.305] voltooide lezing achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en vertroost-zijn, van nu toch ééns het Noodlot doorvoeld en begrepen te hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze genoegdoening, in dezen ééne, niet aller afzichtelijkheid in den rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vóóral de gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet liefhebben als een machtig geheel van _ont-dekte, doorzichtig-gemaakte_ menschelijkheid. Aan dit werk is het _tijdelijke_ vreemd: zoolang een deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur van het arme meisje _Geertje_ de verwezenlijking van ééne der gestalten der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan verderf, vernedering en ontbering kon brengen!

Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over _Geertje_ beëindig, even recapituleeren wat ik heb gezegd:

[p.306] Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon betreft, tot de goéde romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner elkaar beïnvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat 't, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van één tijd maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, èn door zijn noodlottigheid èn door zijn evenwichtigheid én door zijn àf-zijn in begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers schenkt.

* * * * *

En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen, veredelend werken--ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar, overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd hebben--wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in _Geertje_-zelf een figuur beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.

* * * * *

In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk is, te bewijzen.

* * * * *

JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE. [p.307]

II.

Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders--grootvader is hoofd van de dorpsschool en koster--opgevoed. En in het eerste hoofdstuk reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen. Grootmoéder, één zachtheid, één innigheid, één opgaan-in-'t-kleinkind; grootvàder: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof zegt hem in alles het _hoe_, laat hèm maar zelden onzeker omtrent het _waarom_, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met laadjes," zooals _Maandag_, een nobele figuur in ons boek, den bijbel noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de beduimelend-liefkoozende vingers [p.308] der geslachten, de glanzingen van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te verslijten....

_Geertjes_ grootvader is een streng, naar lichaam en geest _rechtlijnig_ man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet alleen, doch ook àl het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven niet, het maakt, als 't ware, van den _kronkelenden_ levensgang iets _kinderlijk-rechtlijnigs,_ en de geest van zijn belijders ontkomt natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet, als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden, is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief gemakkelijke taak heeft en kàn het dus niet zóó medelijdend, zóó vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In één woord: de dogmaticus heeft het _twijfelen en zoeken verleerd,_ een ontzettend nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte en slecht-onderhouden wegen niet. Maar àls hij struikelt, is dat naar zijn meening zijn _schuld_, dien hij moet _delgen_. Hoe zal hij dan hen begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun struikelen aan den weg wijten, ja wel eens--als Geertje!--hun trots en hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur van dezen grootvader, die [p.309] het wèl meent en eerlijk volgens zijn dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes--en niemand, maar allerminst een dogmaticus is daar zonder--zien waar worden! Wenden we ons nu van hem af en zien we naar _Geertje_. En ik durf een mooi ding te verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar, ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik _verander_, als ik naar haar zie, ik word _jonger_: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn geest verdwijnen--jelui hadt er geen! Ik _krijg_ een glimlach op mijn verstroefd gezicht--bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer af, en ìk heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even zien samensmelten van toekomst en verleden in één punt. Maar jelui Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het lééft toch nog, het is een wèrkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je, wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?... O, ook in _Geertje,_ bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende- ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit juist, wij leeren haar èn dat leven kennen, _op hetzelfde oogenblik, dat zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken, en daar 'n dienst te zoeken!_ Dat stempelt ons den indruk van dat leven des te dieper in het geheugen. _Want wij voelen ons met haar nu op een kentering van haar leven staan_. En als we straks met haar in Rotterdam zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige, rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer we haar [p.310] straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen; als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven, waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed, dan merken wij dat alles zóó goed op, dan voelen we dat alles zóó diep, omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje--om 't zoo eens uit te drukken:--in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg, Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien ook--heel eventjes slechts aangegeven--zekere psychologische eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader: (_Geertje_ is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis. Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te beginnen).

Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig ... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, _kort, met gezag_:[4]

--Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....

Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep--zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....

En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de _vlugge_ stap van het _lichte meisje_.

In de _eerste_ door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier van spreken aangeven, zóó dat wij hem hóóren, leeren wij hem reeds kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat schalk-vroolijk [p.311] afscheid van de kamer ... zou het aan mij liggen, dat ik 't ook _aandoenlijk_ vind?... Ik geloof het niet: de jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, _omdat zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen_. Als kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan, die hen met liefde beschouwt.

De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en vroolijke jonkheid voor oogen brengen.

Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.

--Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.

Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt Geertje's dartele jeugd.

Het eten stond er al.

--Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.

Toen alle drie zaten, bad hij:

--O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; [p.312] uw Koninkrijk kome: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!

Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.

Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden "met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten. Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit _bidden_ met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo, ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen, dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige in hem overheerscht. Want niemand is één ding geheel-en-al. Ieder mensch is een mengsel van _vele_ eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man--de "belichaamde vermaning," zooals _Geertje_-zelf hem ziet--die door zijn dogmatisch denken, door zijn meenen _de waarheid in pacht te hebben_, van een ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen; maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de [p.313] warm- en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in één woord zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans" bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien "niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de geloovige, die toch al, dóór zijn geloof, meent, dat die geheiligde woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking, daar de zóó volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij ze nimmer had kunnen vormen. Zóó gebruikt ook Grootvader dan de teksten als hij _bidt_. Als hij _vermaant en bestraft_--let goed op het verschil!--liggen _hoogmoed_ en _bewustzijn van eigen bravigheid_ aan zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij _bidt: nederigheid, liefdevolle overgave_, ja zelfs _onbewust bewonderen van het schoone._ Gij zult mij deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te spuwen. _Revolutionnair gevoel èn eerbiediging van het echte en mooie, waar 't zich ook uit_, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te vervolgen. Nu eerst ònzen tekst verder:

's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij [p.314] deed haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken....

Een aardig trekje dit laatste, _beeldend_, zoowel Geertje's schalke kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!

Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon--hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf--toen, bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's stoel.

--Och kind, hikte Groo'moe.

--Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.

Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.

--Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.

Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel en het eikenhouten harmonium....

Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.

Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt ontegenzeggelijk storend. Hikken, [p.315] in de beteekenis van hakkelend spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke gedachten-associaties zou doen opkomen.

Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch, die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want--en Grootvader moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:--geen papegaai is er zoo aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of vreugde doorheen. Grootmoéder moge schreien, Geertje langs de wang aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende, half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: _de ham niet zoo mooi dun te snijden als anders_. Maar met dat al is het laatste toch evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den oude geluk mee!

Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van Grootmoeder en Geertje aan:

Grootvaders _lange_ gestalte stond in de deuropening.

--... Nou Groo'moe....

--Nou kind...!

't Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo'va zeggen: