Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 26

Chapter 263,778 wordsPublic domain

In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die [p.281] man zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen" zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt, want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als Edeling zou staan. Het _kan_ zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de oorzaak weet--in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet kent--en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien, heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van _Edeling_ af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten elkander--in dit artikel tenminste--raken, _Cootje Brunier_ bekijken. Immers, vertegenwoordigen _Edeling_ en _Blankaart_ het Hollandsch-stoere [p.282] element in den roman, _Cootje_ doet 't het opgeprikte saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een petit-maître, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan, den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed hart" en "goede gronden" heeft, zooals _Edeling_ en _Blankaart_ van hem getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten toegeven. _Cootje Brunier_ is de broer van _Letje_, de vriendin en het medecommensalesje van _Saartje_ bij _Mevrouw Buigzaam_. Als zoodanig komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van _Saartje_, die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn, schrijft hij haar het volgend briefje:

Mon Ange![42]

't Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen, weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam, en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chère[43], wat wilde ik zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik adoreer[44] u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chère âme de ma vie![45] O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour applaudisseeren[46]. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij denkt zeker te subliem[47] om u daaraan te bekreunen; en 't is waarschijnlijk, dat ik eerlang een [p.283] beter ambt zal krijgen. En vérité, mon amie,[48] men heeft bekwame jongelieden noodig, en men kent mijne mérites.[49]

Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik coiffeer en kleede mij comme il faut.[50] _'t Is waar, dat uwe conquête_[51] _vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?_ Mijn hart wil dat ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chère, alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,

J. Brunier.

Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand, onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer leven dan wij....

Ik zou een zekere zijde van _Saartjes_ persoonlijkheid: haar zeer gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte. Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin _Anna Willis_ leest--_want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets_--moet ge eens op dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid bloot. Ik [p.284] zei immers: Saartje heeft wel iets van een kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:

Vriend Jacob!

Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet mocht vleien met eenig antwoord op uwe _missive_?" Want zoo noemt gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben. ....................................................................[52] Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te kunnen krijgen.

Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke gedachten in u te doen oprijzen? _Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn aandacht_. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij mij hierover nooit meer spreekt;--zelfs verbied ik u, mij voor deze gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit geval poogt wijzer te worden, _en wat beter uw eigen waarde te berekenen_." ........................................................................ Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik, begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.[53] Spreek dus nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit [p.285] opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen noemen, uwe genegen vriendin,

S. B.

Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is--en weinigen kunnen dat--iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en _hem aan te toonen_ dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen van zulk een handelwijze als _geesteswerkzaamheid_ en laat haar _zedelijke_ waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de argument_looze_ bewering, die ons door toon en onbewuste woordenschikking de _absolute zekerheid_ van haar waarheid geeft! Is het bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, _zulk_ eene bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om 't zóó eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch inzicht, proeven wij ook in _Saartjes_ woorden. O, ongetwijfeld naar aanleiding van een beuzeling, maar wat doet dàt er toe! Zij laat merken, dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste geringschatting weer onmiddellijk óver hem heenziend. En niet alleen de nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een vrij laag en vrij klein plan _geschiedt altijd in een kunstwerk_. En kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn. Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan [p.286] bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?! Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer uitingen _zonder hen te bewijzen_. En zij is in dit opzicht met een van die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren, tévens hen onwankelbaar gelooven is.

* * * * *

Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen worden. Over _Pieternelletje Degelijk_, dat prachttype van een ouderwetsche meid; over juffrouw _Hartog_, die kostelijk-typische en innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en braven _Helmers_; over _Lotje Rien du Tout_[54], dat prachtbeeld van onbenulligheid; over _Stijntje Doorzicht_, die verpersoonlijking van aangeboren wijsheid en deugd; over _Anna Willis_, de min of meer verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van _Saartje_. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over _Mevr. Buigzaam_ en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel [p.287] tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij sentimenteele menschen ten tooneele brengt.

* * * * *

In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van _R_. en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te beëindigen.--

NOTEN:

[40] Pastoorsche = vrouw van den pastoor, zooals chirurgijnsche = vrouw van den chirurgijn. Hier is pastoor natuurlijk niet den titel van een R.K. geestelijke, wat wij er alleen onder verstaan, maar een geestelijk herder in 't algemeen. (Deze "pastoor" is Luthersch).

[41] lekker = 'n stoute jongen, 'n guit.

[42] Mijn Engel.

[43] mijn lieve.

[44] ik aanbid u.

[45] lieve ziel van mijn leven.

[46] Onze teedere liefde goedkeuren.

[47] verheven.

[48] In waarheid, mijne vriendin.

[49] mijne verdiensten.

[50] zooals 't behoort.

[51] verovering.

[52] Een regel puntjes of streepjes beteekent, dat er een stukje tekst is overgeslagen.

[53] Vermaken.

[54] De naam beteekent: "heelemaal niets".

* * * * *

HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR A. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN [p.288]

IV

Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in één woord: slecht gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende, oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich eraan wagen zou, een meisje als _Sara Burgerhart_ te ontvoeren en te pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon, geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt. Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel zeeer levenswaar maakt: _R._ leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand aan de groote [p.289] Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; _R_. wordt ons bovendien nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend, hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:

Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.

Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave meisjes. _Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon als deze meid_.--

R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om het perverse van het _verleiden_, van het _doen vallen. Daarom_ "is een lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en, indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft hij eigen gevoel niet goed ontleed: _onnoozelheid_ maakt hem niet ingetogen, maar _haar_ onnoozelheid doet dat, _omdat hij haar liefheeft_. Op deze liefde kom ik straks [p.290] nog terug. Nu wil ik even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes," als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste licht stelt:

Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een desperaat uiterste nooit komen. _Vrijheid is de prikkel der liefde:_ dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was al reden genoeg, bij een homme de mon goût[55] om haar ondragelijk te vinden. _Trouw gij haar over een maand of vier._ Zoolang, dunkt mij, zal ik haar beminnen kunnen; _en gij zult mijne genietingen nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken_.

Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen ernst. De man mòet dupeeren, mòet verleiden, mòet anderen laten vallen van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te worden en in gevaar te komen. Oók dáárom is de makkelijke verleiding van de lichtvaardige niets voor hèm. Máár hij heeft alle deze neigingen in nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!

Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd, omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons duidelijk blijkt, dat _R_. Saartje werkelijk liefheeft--ik zei u immers dat ik nog even op die liefde zou terugkomen--en ieder, die een ding of een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon ontkiemen en bestaan!--maar, zelfs die liefde buiten beschouwing gelaten, kan alleen hìj der figuur van _R_. alle deugd ontzeggen, die niet begrijpt dat _intellectueele_ deugd, zooals _R_. dien zeer zeker bezit, [p.291] nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere _zedelijke_, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. _R_. is dus, instede van één brok boosheid te zijn--wat wij immers onder een "tooneelsnoodaard" verstaan--wel degelijk een _menschelijke_ mengeling van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den laatste alleen doen _winnen_ aan levenswaarheid.

Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met name, het vreemd is, hoe Mevrouw _Buigzaam_ niet van het losbol-zijn van _R_. afweet èn _Edeling_ haar pas komt waarschuwen, als _R_. Saartje ontvoerd heeft--ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken, en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb aangetoond, den ook door Huet _zeer levenswaar_ geachten _Blankaart_ eigen is....

En nu stappen we van _R_. af en gaan even nader kennismaken met de beide fijnen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia Slimpslamp_, die m.i. de prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, máár: _personificaties_ van de _huichelarij_, alsof eerst de schrijfsters theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is, en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die theorieën twee lévende menschen te scheppen! _Mej. Suzanna Hofland_ is in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze _Cornelia_, die haar wil overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed, niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk [p.292] aanvat. Met _religieuse_ argumenten poogt zij _Hofland_ zoo te bewerken, dat deze in de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te plomp, tè ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en--daar heb je de poppen aan het dansen. Als _Broer Benjamin_ bij _Hofland_ op visite is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:

Zusje Lief!

Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! Kéa! wij zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk, en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld gebleven, en ons deel was een Azers[56] deel, vol vettigheid en vol zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om hem denk; 't is een Enaks[57] kind, groot van stature; ik ben een stinkend niet bij hem.