Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 25

Chapter 253,378 wordsPublic domain

_God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen: "Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten." En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je heele geloof gebleven?_

Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, één behendig den tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in _Edeling_ de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep lieve kleinkinderen aan m'n knieën kwam spelen.... Handel ik eigenlijk niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk te verzetten?..."--Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: [p.273] zie toe Edeling, hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.--En wel wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen, waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk véél meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, _dan ware juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel heeft_.--Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan, waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch--en dat is Jan Edeling--klein te krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden Edeling--_langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan binnengaan_ --hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en naïefs en meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge--en hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een menschbeelding eigenlijk bestaat!--juist omdat zijn argumenten zóó zijn als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het _moeten_ argumenten zijn van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om _aardige greepjes_ in dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage zóó slecht zijn, dat ze niet leesbaar ware, omdat: _een man als Blankaart_ dergelijke argumenten niet geven _kan_.--

Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op een brief van _tante Hofland_, waarin [p.274] deze op háár manier hem _Saartje's_ vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond van het feit, dat _Saartje_ uit eigen beweging haar huis verlaten heeft, het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:

Mejuffrouw!

Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner volk."[26] Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen Sukkelaar[27] te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan. Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde, hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen komen, want ik ben wat poestig,[28] ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels[29] zwaaien.

[p.275] Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd verkwanseld[30] hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult wèl doen.[31]

Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik. Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet. Paulus, van Paulus[32] moet je afblijven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."[33] O hel kwam de vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent[34] dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.[35] -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Wat weet zoo een luie zuipzak[36]van Gods woord? Had hij liever voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.

[p.276] Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er valt evel ook niet veel op te roemen. _Jij Saartje aan den Duivel overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch niet bekomen kan_. -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan: Jij hebt het haar moede gemaakt. _Trekken, zul je_,--_ja! al aan een aschkar_. Wel, je bent eene overheerlijke tante! _Je bent nu immers veel te oud om nog eens te trouwen_; wat zal je met jouw geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak[37] het kind uw goed, zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.

Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij gecursiveerde zinnen.--Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht tegen de schrijfsters --dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk is, zij hem tè mooi hebben gezien--op oneerlijke wijze te hebben bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, nòg meer na-druk?" vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n plaats is.

Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen, --die gij immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar aan, geen kriezel.

Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken) somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij [p.277] toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed verbruid, en om peper moet,[38] omdat hij zijn korentje groen at,[39] is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest gaan opsluiten.

Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap schendt; met zijne eeden speelt; met één woord, een allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.

Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij _Blankaart_ dit stukje in den mond legden, de figuur van _R_. over wien ik het reeds in mijn inleiding had, voor den geest gestaan en _diens prototype uit Betje Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven."_ Zij althans spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft. Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.--En nu stappen wij van _Blankaart's_ brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de eene--Betje Wolff--een dame, en de andere--Aagje Deken--een dienstbode was, zich zoo hebben kunnen inleven in de vóór alles krachtig-mannelijke persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige èn toch zoo zachte ziel uit de hunne [p.278] hebben te voorschijn gebracht. Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. _Genie_, zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan "levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf--ik wees u erop--hebben hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om, zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn het _dichtgevouwen_ dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder inzicht kunnen dragen, als het zaad van het _onbegrepene_ niet gedurende uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te _onthouden. Draag het in u om._ Want beproefde ik, het gewelddadig en vóór den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je wierp, werd geboren, als--de aarde het doet.--

NOTEN:

[25] Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van Prof. Knappert.)

[26] Daar begint de bijtende ironie al: _juffrouw Hofland_ is oud en leelijk, zooals je verderop zien zult.

[27] "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief aan Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel ten beste gaven.

[28] Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer beteekenen: in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een nijdige kat.)

[29] Konkels = oorvegen.

[30] Verspild.

[31] _Tante Hofland_ had namelijk in haar brief beweerd, dat de Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!

[32] "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn man en Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat _tante Hofland_ diens woorden citeert.

[33] Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar gierig.

[34] Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de schrijfsters!

[35] Een _regel_ puntjes beteekent overal, dat er een stukje tekst is overgeslagen.

[36] "Broer" Benjamin.

[37] Ontmaak, enz. = onterf haar.

[38] "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v. bij de O.I. Compagnie (Knappert).

[39] "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is, gezegd van lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: van de hand in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062) (Knappert.)

* * * * *

HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN [p.279]

III

_Jan Edeling_ wordt--in tegenstelling met _Abraham Blankaart_--door zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot, een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich, gelijk _Blankaart_, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn zwager, den geestelijke _Everard Redelijk_, dat hij in het huwelijk van _Hendrik_ en _Saartje_ heeft toegestemd. Ook _Redelijk_, zeer verlicht en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk _Edeling_ daartoe pogen te overreden).

Waarde Broeder!

Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,[40] gij hebt gelijk: maar ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij ééns begreep, om lief noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder den arm, zijne pupil voor onzen [p.280] Hendrik ten huwelijk gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!

Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen kinderen te zeggen.

Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist omdat die lekkers[41] mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw, had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende, _Meffert Luim_ te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.

Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad; maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen overloopen.

Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat geven; _maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg._ Nu, ik groet u van harte en blijf

Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.