Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 24
Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot één handeling werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek effect: _'t duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er gebeurt_, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster [p.204] te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.--
Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn genoegen krijg.
Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster[15] Brechtje, moet je weten, Letje. Tartuffe[16] zou een goed woord spreken, maar de vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang. Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen zijnen God looft.
Ik kreeg, à l'ordinaire[17] eten op mijn bord. Twee schepjes groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien, dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!" zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.[18] Toen kreeg ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster Santje[19] en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn; tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn, want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af; Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"--"Die bennen in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk tegen broeders palmhouten[20] pruik) en het onweer op mijn kamer ontweken. [p.265] Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde." --"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn[21], maar ik wacht op een brief; die brief komt niet[22]. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch dat kan ik bij u even goed doen.
Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wèl doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ... enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man: _men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn arbeid_;--maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....
Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige, maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van _Saartje_ aan haar voogd, _Abraham Blankaart_, waarin zij hem-heel openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:
[p.266] Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb vóór gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met een weinig gelds (want zij geeft mij niets,--geen duit). Brecht had de stoutheid mij te vragen: "waar ga _jij_ heen?"--"Dat raakt _jou_ niet."--"Dan zal _je_ ook thuis blijven."--"Heb _jij_ 't hart en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven; en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij: "Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij eten!"--"Kliekjes," zei zij.--"Goed ik heb honger, maar wij zullen tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch wijn, jij hebt zeker den sleutel."--Ik doe niet, juffrouw Saartje (nu 'k van putten[23] sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn betalen."--"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."--"Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep was;[24] ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....
Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, hé; in dien laatsten zet van: "met de _zuster_", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een tè klein deeltje van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom, wijsheid en naïeve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij daarop met volslagen zekerheid--ik ken immers mijn Pappenheimers--zou mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!
NOTEN:
[1] Men oordeele. Een der argumenten is dit: "In Sara Burgerhart wordt gezegd aan het slot van den 69sten brief: ""De uitgeefster heeft noodig gevonden dezen brief van Charlotte Rien du Tout, als ook dien van Pieternelletje Degelijk, van de taal- en schrijffouten eenigszins te zuiveren, opdat men die zoude kunnen lezen."" Deze noot kan niet afkomstig zijn van juffrouw Deken, zelve op de regels van taal en spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide juffrouw Wolff kon zoo spreken".... Ei zoo, was juffrouw Wolff beter onderleid?... Ziehier wat Prof. Knappert daaromtrent in een noot bij zijn inleiding citeert: ""Ofschoon noch Loosjes, noch vader (Noordkerk) noch Houttuin in staat zijn geweest mij te doen begrijpen wat taalregelen zijn en ik altoos iemand noodig heb, die hen in haar, d in t, t in d of dt verandert"" _Betje_ in een brief van 9 Juni 1772."
Een andere "grond" is, dat in de voor- en naredenen van _Sara Burgerhart_ en _Wlllem Leevend_ voortdurend gesproken wordt van: _Ik, mij, mijn_, alsook van uitgeefster, inplaats van uitgeefsters. Maar ik moet zeggen, dat ik zelden een bewering heb gezien, van een meer averechts psychologisch inzicht blijk gevend dan deze! _Want juist het feit, dat de schrijfster dier voor- en naredenen zich verschreef, toont aan, dat er niets te verbergen was. Anders zou zij waarlijk wel op haar qui-vive zijn geweest_. Deze "grond" is mij dus juist een bewijs van het tegendeel van 't geen Huet beweert. Het is immers zeer natuurlijk, dat iemand, _die niets te verbergen heeft_, en ook namens een ander schrijft, zich nu en dan vergist en alleen van "Ik" spreekt. _Juist omdat het in zijn gedachtengang van zelf spreekt--en hij er geen oogenblik aan twijfelt, dat dit ook bij zijn lezers het geval zal zijn_--dat hij 't ook namens dien ander doet!
[2] "Adellijke losbol," "gewetenlooze meisjesverleider," "slachtoffer," dit alles klinkt melodramatisch. En ik laat het met voorbedachten rade zoo klinken, om mij even door u, o moderne jongelingschap, te laten uitlachen. Gij zijt er overigens in voortreffelijk gezelschap mede. Want Huet vindt, precies, geloof ik, om dezelfde reden, waarom jelui mij nu uitlacht, de beelding van deze figuur niet veel zaaks! Hij zegt: "De hooggeboren ligtmis R., die het op Saartje's bederf toelegt, is niet minder zwak van teekening dan van compositie _en heeft al de allures van een tooneelsnoodaard en professioneel belager der vrouwelijke onschuld_." Ik ben het daarmee echter volstrekt niet eens, ik vind _de figuur zelf_ goed gebeeld en goed gecomponeerd, al is _haar plaatsing in de compositie van den roman_ verre van onberispelijk. De zaak is echter, dat het in sommige tijden de mode is, op de dagdagelijksche en algemeene werkelijkheid neer te zien en alleen de uitzonderlijke gevallen en figuren aandacht waardig te keuren; in andere tijden echter, o moderne jongelingschap, acht men alleen het literatuurbeeld der algemeene werkelijkheid "echt" en alles wat naar den goeden of slechten kant uitsteekt "tooneel-matig" en "zwak," Geen van beide zienswijzen is de juiste. De juiste is: elke figuur aan de logiek van haar eigen zich blootleggenden aard te toetsen. Te vragen: is zij goed gesteld èn goed volgehouden? Maar vele critici en, vooral jeugdige, lezers worden verhinderd dit te doen en, doen zij het wel, de consequentie te aanvaarden, door een zeker verlangen, zich vooral koel-verstandelijk te toonen en niet licht-geloovig, zooals "de groote hoop." Nu, ik denk mijn meening omtrent de figuur van R. te "bewijzen," zoodra zij aan de beurt is. Maar lees in dien tusschentijd nog eens over wat ik schreef over goede en slechte romantiek. Blz. 224.
[3] De serie artikelen over _Realisme en Naturalisme_ in _Het Jonge Leven_ is hier bedoeld.
[4] Een overdrijving van de werkelijkheid.
[5] Den lezer, die belang stelt in een uitvoerige motiveering dezer stelling, verwijs ik naar mijn opstel in "De Ploeg" van Augustus en September 1911, herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_: "Over literaire critiek en Is. Querido's "Studiën."
[6] De cursiveering is van de _schrijfsters_.
[7] De cursiveering is van _mij_.
[8] Zachte en teedere vriendin!
[9] Ik ben woedend.
[10] mijn lieve.
[11] Zog staat voor zeug, een dik, schommelend vrouwspersoon. Bollebuisje is de naam voor een soort gebak, poffertje of appelbeignet (Knappert)
[12] harde oorveeg.
[13] soort van jas.
[14] flink.
[15] Zij wordt niet als dienstmeid beschouwd maar als "zuster in den Heere."
[16] De hoofdpersoon in het vermaarde tooneelstuk van dien naam van den grooten Molière. _De_ personificatie van de schurkachtigheid, valsche vroomheid en huichelarij, waarom _Saartje_ dan ook Broeder Benjamin met dien naam aanduidt!
[17] zooals gewoonlijk.
[18] De ouwe zuiplap van een Brecht moet ook weer zalverig een duit in 't zakje gooien. _Saartje_ verhoogt in niet geringe mate het komisch effect van het meegedeelde, door haar "Zuster Bregitta" te noemen.
[19] Tante Hofland.
[20] De Heer Knappert zegt hier: "Aldus naar de kleur der pruik." Zeer zeker, maar ik geloof, dat het in de allereerste plaats bedoelt, de stijfheid, het als uit-hout-gesnedene van zoo'n pruik duidelijk voor oogen te stellen. Ik herinner mij voor eenige jaren iemand ontmoet te hebben met een roodbruine pruik en, ofschoon onzen roman toen niet kennende, viel mij toen onmiddellijk de uitdrukking uit den mond: "'n pruik van mahoniehout" En toevallig: 't was ook zoo'n soortement van zielsverzorger, en dat houterige van de pruik paste geheel bij zijne niet-uit-de-plooi-komende persoonlijkheid!
[21] _Lelie Brunier_ is ook commensaal bij de _Wed. Buigzaam_.
[22] Een brief van _Anna Willis_, over wie ik reeds in mijn inleiding sprak. Wij zullen hier ook met haar kennis maken.
[23] Zuipen, sterken drank drinken. "Het is een ouwe putter" = een ouwe drinkebroer (van Dale).
[24] Aan den drank (Knappert).
* * * * *
HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN [p.267]
II
Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het uitstekendst getypeerd _Jan Edeling_, den grimmige maar goedhartigen vader van _Hendrik Edeling_, met wien _Saartje_ trouwt. _Jan_ is het type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de man getemd door--_Abraham Blankaart_. Deze is door de schrijfsters met alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart, en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den _besten_ zin des woords, maar dan toch in _heel goeden zin_ is. De verliefdheid der schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid als die van den ouden _Jan Edeling_ te doen zijn. _En dit niet zoozeer, als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel van den roman_. [p.268] Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, wàt eigenlijk in de _Blankaart_-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan ons _kunstgenot_ toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier: ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen _Blankaart_ innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel, dat er iets _niet-geslaagds_ is. En dàt is het alsemdeeltje in het zoet van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere voorstelling van de _Blankaart_-figuur hadden, dan die ze ons gegeven hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol worden gehouden, niets van _Blankaart's_ valsche bescheidenheid, z'n parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken. Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd gezien, hadden zij den _in hun [p.269] geest aanwezigen Blankaart niet daarzonder_ gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij 't slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben. Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans "wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner overigens in-goeiïge persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan ook op die al te hooge plaats, die _Blankaart_ in de waardeering zijner mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als men _Blankaart_ afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar den _Blankaart_, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd werd; _indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en uitvoering gewaar wordt_, dàn is de figuur uitstekend geslaagd, uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker _deels_ om 't weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der menschen en, in één woord, overal op de handen gedragen te worden. _In stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk_. Hij mòet ermee te koop loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en ligt hem aan háár dank en háár erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad overbrieven--hier in letterlijken zin--aan een ander, terwijl hij dan sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het volgende: Als de "fijnen" met _tante Hofland's_ geld er van door zijn--waarover [p.270] later meer--en zij haar nood heeft geklaagd aan de door haar zoo slecht behandelde nicht _Saartje_, verzoekt deze haar voogd _Blankaart_, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r helpen kan. _Blankaart_ doet dit natuurlijk, is verrukt over de vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de _Wed. Willis_ o.m. het volgende over _tante Hofland_:
't Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan zich nog bekeeren, _en ik zal haar ook al maar helpen_; zij zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen. Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. _Zoodat ik maar zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat_. Zij vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar bezoeken.
In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil _Blankaart_ laten voelen: "Och ik help er toch al zooveel, diè kan er ook nog wel bij; zeg nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om _Saartjes_ braafheid te doen bewonderen.
Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het volgende is een àllerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op eigen goedheid pochen:
Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd: "Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn vriend; maak dat niemand op u ziet, _als een hond op een zieke koe_; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch betaamt." _Nu dat overgeslagen_.
Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen is, waarvan het werk van Wolff [p.271] en Deken wemelt en die zij, uitstekende romancières als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft gesteld, daaraan toe te voegen: "_Nu dat overgeslagen_." Jawel denken we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!
Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen, dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude _Jan Edeling_ heeft hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn zoon en _Saartje_ zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar _Blankaart's_ antwoord valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend beleid):
Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en rabbelen. Of Abraham Blankaart ook meê zou doen. En als zij dan zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.
Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig jaar ouder. Vóór ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou gebed 's avonds stipt uit Mell?[25] "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed [p.272] uit Mell lezen, omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij hebt mis.