Kamertjeszonde

Part 9

Chapter 93,890 wordsPublic domain

.... „Schei uit met je meziek!” brult een verstandig man van de gaanderij. Dat geeft afleiding. ’t Schellinkje wordt onrustig. Bij de laatste regels van het behaaglijk vers stampen ze.... Klòp klòp klòp klòp! tot er eene plotselinge stilte komt door ’t overgaan van ’t schelletje. De voorstelling begint. Twee muzikale clowns, Duitschers. Ze hebben en doen het gewone gedoetje, witte gezichten, groot-roode monden, platvoeten, naast een stoel neerzitten met een smak op den grond, oorvijgen.... muziek.... Om niet aan te zien, om zoo weg te loopen. Welk een gruwelijke, jammerlijke, gedwongen, knechtsche vernedering voor de menschen die ’t doen, voor de andren die ’t uit verveling slikken. Het Nieuws lijkt eenigszins op het uiterlijk leven zulker clowns. Ik zeg dit niet uit aardigheid, niet om de goeie menschen, die zoo’n krant volschrijven, ook maar het minst onaangenaam te zijn. Ik geloof dat alle kranten zoowat hetzelfde zijn. Maar het Nieuws is in dit opzicht bijzonder gaaf, het Nieuws is het zuiverst spiegelbeeld van een vegeteerend, passieloos, geduld natie-tje. Wanneer twee muzikale clowns aan ’t hannesen zijn, kun je zonder inspanning, met zekere mate van tevredenheid ’n hoofdartikel lezen. De muziek Tètéttè.... hindert je niet. ’t Hoort er bij:....

WAT IS WAARHEID?

„Het is leerzaam, verschillende menschen te hooren over een en hetzelfde feit. Geen redenaar of hij kan u verhalen van hoorders, die hem „Vader” lieten zeggen, terwijl het woord „Moeder” door hem was uitgesproken. Zwart heeft de een gezien, terwijl de ander, die er ook zelf bij is geweest, bij het heil van zijn ziel volhoudt, dat het wit is geweest. Iedereen kan hiervan voorbeelden aanhalen, en het loont de moeite te onderzoeken waaraan dat verschillend hooren en zien van dezelfde gebeurtenis, dat verschillend waarnemen van hetzelfde voorval te wijten is.

„Vooreerst dienen wij de dwaling af te leggen, dat wij onbevooroordeeld zouden zijn. Dat er neutrale menschen zouden rondwandelen op aarde is een verzinsel....................... .............................................................”

Zeker zou ik bij ’t neerschrijven dezer Herinneringen, die ik publiceeren zal—ja zéker, ik schrijf ze geenszins om mezelf nou is gemeen-geniepig wijs te maken dat ’k ze opzout voor m’n erfgenamen—nee, nee, néé: ’k wil er bij grijnslachen én glimlachen èn strak-lachen en kettersch vloeken als ze door de wereld rollen—, zeker zou ik niet zoolang geeuwen over advertenties en gehoofdartikel, waarbij allicht aan pogen naar „grappigheid” gedacht wordt, ware het niet dat ik dien avond voor het eerst van mijn leven werkelijk eene bladzijde làs en het geteem zonderling passend vond om me af te leiden van de stuitende vertooning op de planken (stuitend om het jammerlijk stuk brood dat die „kunstenaars” dreef tot getrouwe nabootsing van zielszieken of minderwaardigheidstypen), zonderling passend voor dit fatsoenlijk dorpjesvolk, zonderling passend voor eene klasse zonder idealen. O, in een bui van opstandigheid, als muziek tjingelt en je nog wat wacht op een café-chantant-vrouw voor je teruggaat naar je kamertje, om alleen, alléén in de wereld verder te arbeiden bij je pijp—is zoo’n hoofdartikel van een wél vet, lomp, stinkend burgermans-bedrog. Wat ’n màn die zoo iets te overdenken geeft. Die zit nooit scheef op de bril van z’n plee, die krabt zich niet in gezelschap als ’n vloo ’m prikt op z’n bilvlak, die bepeutert niet de knoopjes van z’n gulp, die is wel wijs, die kènt hét leven.

Eindelijk.

Daar hebt je háár. Ze is in groen satijn met witte kanten. Mooie armen heeft ze, mooie schouders. Ze doet als een française, slaat de korte rokken vlug weg, lacht, kijkt rond, voelt zich volkomen thuis. Nee. Dat is zij niet. D’r gezicht is ànders, met gròòte oogen, rooie lippen. Nou zingt ze....

„Zangeres in vriendenkringen, Is mijn leven hoogst frapant, Ik zing Hollandsch, Duitsch en Engelsch, Reizend steeds van land tot land, Minnend al d’artistenvrienden, ’t Zij een keizer of een vorst, Of een kranig officier Of een flinken adelborst. In Chicago, Londen, Moscou Overal een ideaal, Want mijn liefde kent geen grenzen Zij is internationaal! Want mijn liefde kent geen grenzen Zij is internationaal”....

Ik voel me ongelukkig, jammerlijk ongelukkig. De woorden drensen op me toe, kleverig muf. Het is alsof een kast opengaat, waarin maandenlang vermot, beschimmeld goed heeft gelegen. God, God, hoe hopeloos! Waarom zit ik hier?.... Wat is dat alles ònaangenaam.... Rotte liedjes en deuntjes voor een geil bourgeois publiek.... Wat doe ik hier? Die vrouw vind ’k beroerd, misselijk, zou ’k wel willen uitfluiten. Voor die vrouw voel ik groote minachting dat ze er lùst in heeft zulke wezenloosheden te galmen met een geglimlach hier en een liefdoen daar, met ’n berekend laten kijken van haar rosen pantalon, omdat ’t er zoo bijbehoort, omdat de mannen zoo’n heete lol hebben als ze ’n stuk van ’n vrouwenbroek zien. Voor díé vrouw ben ik hier gekomen, ik die pedant ben, mezelf vóél, ik die iets moois in een vrouw zoek, ik, die een avond zoo krankzinnig geweest ben om met haar te spreken over verzen, over Vondel nog wel, over Gorter nog wel. Nou is ’t uit. Goed uit.... „Want mijn liefde kent geen grenzen, zij is internationaal”.... Daar spring je bij op. Dat vin je hopeloos, hopeloos, hopeloos. Dat zijn liedjes voor idioten. ’n Bouquet geven! ’n Bouquet geven! Rozen met pareldruppels over ’t voetlicht. Ik ’n bouquet geven! Ik komen om haar „succes”, haar kuiten, haar pantalon te zien! ’t Is om bij te huilen van triestigheid, dat ze niet vóélt dat elk van haar beschaafd-wulpsche gebaren voor dit publiek je pijn doen, je hinderen, je vijandig maken.

Ze hééft succes, komt terug, ziet me, lacht. Ik blijf strak, trotsch. Hier ben ik, ik, zij ’n chanteuse die lol in haar bordeelvak heeft. Hìèr ben ik haar vijand. Hier doet ze me niks, vin ’k haar léélijk met brandrige oogen, ploertig van doen. Lachend, altijd-lachend begint ze weer, kijkt me an, koketteerend, en haar woorden bekruipen mij klam als natte wurmen een droge huid, geven de sensatie van iets zeer hinderlijks, zeer antipathieks.

„Trouwloos zijt gij alle mannen.... Gloof mij allen hier wat ik zeg, Al de mannen bij elkander, Zij zijn allen even slecht! Al applaudiseert ge nog zoo allen, Geen van u kan mij bevallen Want de mannen, ja de mannen Trouwloos zijt gij allen.”— — — — —

Bravo! Bravòòòò!

Mijn buurman slaat z’n knuistige handen op elkaar. Die zit met een zwaren verlang-grijns. Die heeft ’r schik in. Bij elk couplet lacht-ie met schuddend nagerochel. Zoo’n verdomd áárdige, lekkere meid, die-die wel is ’n punt zou willen zetten! Ugùgùg! Ugùgùg!

„Heeren, ’k zal u eens wat vertellen, ’k Meen daar toch geen woordje van, ’k Wilde u maar even kwellen, ’k Zie toch graag een mooien man. Daarom ge hoeft u niet te geneeren Luid voor mij te applaudiseeren Want de mannen, ja de mannen Trouweloos, zijn zij níét allen!”....

Bravòòòò! Bravòòòò! Tweemaal wordt ze teruggeroepen. Twéémaal kijkt ze mijn kant uit, zit ik stroef, onbeweeglijk, vervreemd, haar niet kennend die chanteuse, die meid, die hoer.

Ik sta op. De rest kàn ’k niet meer zien. Kwart voor negen. Wat nou? Wat nou? Nog zoo vroeg. Endje opwandelen. Wèg uit de straten. Wèg van die mense, weg van die belabberde drukte. Op den Vijverberg—bij ’t water—ga ’k op ’n bank zitten. Lieve God welk een bizarre leegte in mijn hoofd, welk een smartelijk opkruipen van naamlooze dingen. Als ’k nu schreien kòn, luiduit snikken op die eenzame bank. De boomen rondom kuiven de massale kroppen over het glazerig water, huizen silhoeëtteeren, gasvlammen broeien beneden den walkant. Dof kijk ik voor me uit. Er gaat een soldaat met een meid. Dichtbij staan ze stil, de buiken tegen elkander, de monden vastgezogen. Zijn hand licht grijpend tusschen haar billen—, de buiken dringen op. En schommlend, dronken van verlangen, wandelen ze verder, zwart en stil onder de boomen langs het water, naar het Bosch. Lang zit ik in onzegbare smart, met starende oogen, hoofd dat niet denken wil. Het water heeft lichte zilversidderingen, het groen van het eiland donkert er boven. Dan plotsling zíé ik haar weer, zooals zij de rokken in draaiing terugsloeg van heup naar heup—en den rosen kantenbroek met de beenen er in, en ik kreun woest.

Lieve God, dat die heele bende daar nou zit in de warmte, in den sigarenwalm, in den peststank van burgerlijk pleizier, kijkend naar kunstjes, naar ’n stuk van ’n vrouwebroek, naar bloote armen en borsten. Die bende! Die snol!.... Nee niet schelden. Nou je hier zat, voelde je de dingen langzamerhand ànders, zakte de wrevel, de spijtigheid, het leege. Van wat ze gezongen had, wist je niks meer. D’r was alleen nog vaag meelij. Heel vaag. Was ’t niet stumperig dat ze onderging in dat baantje van fatsoenlijke hoer? Was de heele samenleving geen bourgeois-beul, die kocht, stal of vertrapte? Deeën de menschen niet allemaal misselijkheden voor elkander? Was ’t niet telkens de honger, de nood, die knechten maakte, hoeren, geprostitueerden? Was ’t goed, eerlijk, om nou heen te gaan, haar achter te laten in die modder? Zou je dan nooit iets doen, iets dat op een dáád geleek, iets om een ander mensch tot lèven te brengen, iets dat een offer vroeg van je egoïsme en gemakzucht? Had je geen mooie oogenblikken bij haar gehad.... tóén in het Panopticum.... tóén ze sprak.... en je in vriendlijke, rustige luistering gebogen zat.... tóén in De Slok toen je het gevóél van de zee, het duingroen, het helmengerits had.... Had ze niet tóén gezegd bij het Sarphatipark:.... „Soms heb ik een walg van het leven”.... Had ze geen kindertrekken met groote eerlijke grijsgrauwe oogen.... Je wist nou wel dat jij buiten háár kon.... Je wist ’t zéker.... Maar kon zij buiten jòù?.... Had ze ooit iemand gekend, die eerlijk was, zònder bedoelingen, een die niet na een paar dagen met voorstellen kwam om te naaien, zooas de baron met z’n oesters en champagne? Wat gaf ’t of ze dit of dàt maatschappelijk baantje had? In zulk eene verkankerde maatschappij had geen enkel arbeidend individu schuld, onderging ieder het noodlot der omstandigheden, zij zoogoed als ieder ander, was er geen sprake van „vrije wil” ten goede òf ten kwade. En al stond je mijlen van elkaar in het eigenlijk leven, het eenige leven, het leven van je hart en je hoofd, moest je elkander met sterke handen steunen in het maatschaplijke. Het bourgeois-maatschappelijke was in niets wet. Je eerlijk zuiver voelen der dingen, het éénige, ware. Anderen konden je niks opdringen. Elke zedeleer loog nu. Elke léér was valsch. Wat hadden ze niet van Christus gemaakt, de pastoors, de dominees? Was ’t niet zeer zot zoo’n gemeente in ’n kerk, met vergulde gebedenboekjes en ’n betaalden kerel op den kansel. ’n Bedelmonnik was iets. Maar ’n bakkerszoon, die van pa z’n zuurverdiende centjes gestudeerd had en nou zalfde over teksten uit Johannes of Lukas, was ’n allermisselijkst individu. Wat dee zoo’n vent gek met z’n angeleerde overtuiging naast Jezus.... Wat een erbarmelijke droefenis: Ik ben de wijnstok én gij de ranken.... gij, gij met uwes tekstengekibbel, gij met uwes dure kerken, gij met uwes innige bourgeois-maatschappelijke fatsoenlijkheden, gij met uwes dor enthousiasme, gesalarieerde extase, gij bourgeois van ’n geluklooze bourgeoisie.

Wat je afdwaalde.... Hoe was je op dominees en pastoors gekomen?.... Waaraan had je het eerst gedacht? An wat?.... Vreemd dat je zoo soezerig kon afdwalen.... naar dominees en pastoors.... Hoe was de tusschenweg geweest?.... O ja.... ’t Casino.... d’r broek.... de menschen, Georgine..... dominees.... ’t Casino.... Komiek.... Wat ’n mooie avond.... Wat ’n rustig zitten bij den Vijverberg....

Zóó ongeveer dacht ik die oogenblikken, ik zèlf toen nog driekwart bourgeois in mijn denken, mijn doen. O, àlles van dien tijd lijkt mij benauwd, een nachtmerrie, vloek van zoo vele geslachten die als bourgeois voor niets dan het verdomde eigen-ik geleefd hebben.

VIII.

AVOND.

„Mag ik binnen?”

„Wie-ie-ie?”

„Ikke.... Spier”....

„Lisy staat moederziel nakend.... Effen wachten.”

„Lasz ien nur herein.”

„Goeienavond, dames.”

Georgine zit voor ’n kleinen, aan weerszijden uitgeloopen spiegel. Lisy staat in haar onderlijfje.

„Jij moet niet naar mijn keike,” zegt Lisy.

„Waar heb jij gezeten?”, vraagt Georgine.

„Ik ben even weg geweest.”

„Effen. Dat noemt-ie éffen.”

„Heb je d’r zóón notitie van genomen?”

„Sie had telkens door het gaatje van den Schirm gesucht.”

„Waar ben je geweest?”

„’k Heb ’n luchie geschept. ’k Kreeg ’t zoo benauwd. Wat ’n hette, hè?”

„’k Mot daar dadelik weer optrejen. Succes gehad de eerste keer, hè?”

„Jawel.”

„Ga je weer in de zaal?”

„Nee, ’k blijf hier. ’t Is hier aardiger.”

„Wat zie jij bleek en wat heb jij ’n kringen onder je oogen!”

„Ikke?”

„Du bist ja verrückt. Hij ziet heel gut aus.”

„Geneer je toch wat, Lisy. Doe je lijfje dicht.”

„Ach was! D’r valt aan mijn nieks te keike”....

„Je mot je effen omkeeren, zeg. Ik mot me kostuum antrekken.”

„Ja dàt ies gut. Dan kan iek mijn ook umkleiden.”

Ik keer een stoel naar den muur, zuig op den knop van mijn stok. Terwijl ze praten hoor ik kleeren ritselen. Het harde satijn kraakt, krast. Als ik m’n hoofd ’n beetje omdraai, kan ik in den spiegel zien. Dat zou gemeen zijn. Nee. De kamerlucht is zoet-heet, met prikkelingen van odeur en poudre de riz. Zacht weeldegevoel komt over me—om zoo bij in te slapen—lekker je hoofd achterover te laten glijden.

„Waar zijn uw duiven?” vraag ik.

„Sind schon oben.... Vroeger heb iek ze wel in mein kleidkamer genommen, maar zij kakken zoo.”

Even in den spiegel glimpje van blooten arm.

„Maak eens dicht Lisy.”

„Atem einhalten.... Nog meer.... Nog meer.... Wat bien jij diek geworden.”

„Is-die ’r?”

„Nog nicht.... Ies das corset wohl gut geregen?”

„Harder antrekken.”

„Die wird so diek wie ’n Schwein.”

„Hè! Hè!”

„Mag ik me omdraaien?”

„Nee. Jij zit goed. Je hoorde heelemaal niet hier.”

„Gott! Geniren jullie je voor einander?”

„Trek ’t nog een beetje af.”

„So. Sitzt ganz net.”

„Klaar?”

„Keer je maar om.”

Ze is in rose baltoilet met opstaanden kraag van geel satijn. Voor het spiegeltje zet ze de oogen met zwart aan, poedert zich. Lisy is in vleeschtricot, met een nauwsluitend maillot om ’t bovenlijf.

„Wie seh iek aus?”

„Uitstekend,” zeg ik, kijk naar het aardig figuurtje.

„En ik, Alf?”

Wat zegt ze dat Alf lìèf.

„Jij.... Heel aardig.... ’k Heb ’r niet zooveel verstand van.”

Georgine blijft voor den spiegel zitten. Lisy scharrelt met armbanden en ringen. Ik kijk in ’t spiegelglas naar ’t vreemde gezicht met de geverfde oogen, lippen, ooren. Wat is ’n vrouw zoo léélijk.

„Mag iek jou schmink eens gebruiken?”

„Hier hebbie de doos.”

Lisy buigt in ’t volle licht van den gasbrander, strijkt onder de wimpers, over de wenkbrauwen. Het licht plast op het witte vleesch van haar schouders en armen, op de rondingen der opbollende borsten. ’k Vind haar zoo wel frisch met haar meisjesgezicht en haar zwarte oogen.

„Blijf je hier vannacht, Alf?” vraagt Georgine die in den spiegel mijn oogenlijn volgt.

Weer Alf. Waarom is ze zoo vrindelijk?

„Dat weet ik nog niet.”

„Toe nou.”

„’k Zal is zien.”

„Wat zit je snor miserabel. Geef de vaseline is an, Lisy.... Zit nou effen stil.... Zoo met punten.... Ziet-ie ’r zoò niet duizendmaal beter uit?”

Ik kijk naast Lisy in den spiegel, wrijf ’t goed weg met m’n zakdoek.

„’k Zie ’r uit als ’n kelner!”

„Laat nou zitten!”

„Voor geen geld,” lach ik.

„Narigheid!”

„Maak u dat voor mijn eens vast, àlsjeblief.”

Ik probeer ’t openingetje van ’t gouden slot te vinden.

„Nicht so kriebelen ien mijn nek.”

„Vraag ’t hem dan ook niet,” zegt Georgine bits.

„Maag iek iem nicht vragen um”....

„Nee. Da’s niet noodig. Ik hou niet van die kùnsten!”

„Was künste? Bist ja rein verrückt!”

„Jij zal zoo verrückt zijn! An vrinden van mij heb jij niks te vragen. Ik vraag an jouw vrinden ook niks.”

„Ja! Du bist anständig! Hahaha!”

„Daar kan jij ’n puntje an zuigen.”

„Du bist ja frech! Zal iek mal vertellen”....

„Vertel wat je wil! Jij heb hèm niet te vragen je ketting vast te maken. Dat doet de eene vriendin niet met de ander.”

„Hast Du nicht mit dem kleinen Offizier intrigirt? Du! Du! Jij heb mijn nieks te leeren!”

„Ik wil niet dat je d’r helpt, Alf!”

„Ik blijf ’r liever buiten, Georgine,” zeg ik glimlachend-verlegen.

„Der Herr ist viel zu anständig für dich!”

„Dan toch zeker ook voor jou!”

„Maken jullie nou geen ruzie om ’n kleinigheid!”

„Iek maak kein roezie.”

„Lisie! Lisie! Kom vooruit nou! ’t Doek is al neer! Vooruit! Vooruit!”

„Ja, iek kom! Iek kom!”

„Vooruit dan!”—, schreeuwt Piet achter de deur.

„Ja, iek kom!”

„Zoo’n èchte moffin,” zegt Georgine: „zoo’n typische moffin. Hé-je nou niet gemerkt dat ze je in wou palmen met d’r hoerestreken.... „Maak u dat voor mijn eens vast asjeblief”.... met zóó’n zoeten pruimenmond!.... Ze zijn allemaal valsch moffinnen.... Je kent ze geen van allen vertrouwen.... Je mot voor d’r oppassen, hoor. Ze heeft laatst in ’n hotel zes zilveren lepeltjes gemoerd. En die kerel van d’r bedriegt ze met open oogen.... Groot gelijk dat-ie ’r slaat.... Zoo’n loeder!”

.... „Waarom maak je je nou zoo kwaad?”

„Nou ja! Ik kan die kunsten niet zien.... „Maak u dat voor mijn eens vast alsjeblief”.... „alsjeblief”.... En dan zoo tegen je lachen in de spiegel met d’r valsche tanden!.... Hoe von je dat ’k voordroeg?”

.... „Je belletje zit los”....

.... „Niet erg bizonder, he? As d’r iemand van me kennissen in de zaal is, voel ik me altijd gegeneerd.... Weet je wat ’k dacht, toen ’k je niet meer in de zaal zag, zeg?”

„Nou?”

„Dat je tòch naar ’n bloemenwinkel was gegaan.... Hè-’k goed gerajen?”

„Néé.—Wat ben je wanhopig-kinderachtig, Georgine.”

„’t Is om duvels te worden met jou, zoo’n hárde kop as je heb!”

„Dank je.”

„Waar ga je terwijl ik zing?”

„Dat weet ik nog niet.”

„Ga maar zoolang bij Piet in de kleekamer. Boven is toch geen plaats.”

„O. Da’s zeker om me weg te hebben?”

„Geef me handschoenen is an.”

Twee deuren verder kleedde Piet.

„Kom binnen, kom binnen!”

’t Was er vol. Piet zat te zes-en-zestigen met drie artisten. Nog een paar keken toe. In de haast werd er voorgesteld.... Her die.... Mister die....—„Vijf en twintig gulden kiet of dubbel!”—Dat gaf ’n groote stilte. Zachjes deunde de muziek, bromde ’t applaus uit de zaal. Bijna in volkomen stilte ritsden de kaarten op de tafel—„.... En veertig!”, zei Piet, die met groote oogen, anders heel rustig, speelde.—„Jij b-b-b-boft,” stotterde de kleinste.—„O, hij stottert alweer!”—„Hahaha!”—Allemaal lachten ze. Waarom begreep ik niet. Met zenuwachtige haast schudde de kleine de vette kaarten.—„Wa’s troef?”—„Klaveren.”—„Wel godverdomme! Nou trommelt-ie alwéér!”—„Troef aas!”....—Weer die zonderlinge stilte met ’t gerits van de kaarten, ’t zwakjes aanwrijven der muziek. Piet zat onbeweeglijk. Z’n oogen die tweemaal zoo groot leken, waren in staag geflikker van de eene kaart naar de andre. De athleet naast ’m keek met pijnlijke wegkrimping der oogen—’n klein endje sigaret smeulde tusschen zijn dikke lippen. De Engelsche muzikale clown rookte z’n meerschuimen pijp, spuwde op den grond, smeet kaarten bij met driftige rukjes. De kleine, zenuwachtig, rood, was telkens in bevende afwachting, van de kaarten.—„En twintig!”—„Knave of clubs!”—„Hé je ’n geen ruiten?”—„No.... Ace of hearts!”—„Godverdomme.... Wat ’n tegentippel!”—„Nom de Dieu.... Quelle chance!”—„Il gagne toujours avec son air de petit Jésus!”—„En harten heer! En harten vrouw!”—„Be quick! Be quick!”—„... K... k... k... k... an mij niet v... v... v... verdomme”...—„Kijk is hoever Lise staat, Willem?”—„Wa’s troef?”—„Ten of diamonds! How do you say that in Dutch?”.... „Nou niet lùllen! Kom uit!”—De kaarten schuren, klitten op elkaar. De muziek zoemt, soms met heel ver gestommel. De athleet hoest met ’t endje sigaret in den mond. De asch tippelt op z’n nieuwe das met de nieuwe doekspeld. De eerste slagen gaan in stilte. Klets, ’n kaart op tafel. Klets, ’n ander ’r bovenop. Tegen ’t eind, als ze ’t spel zoowat overzien, worden ze luidruchtig, komt er woede over de gezichten. Piet’s oogen schitteren, de athleet zit rechtop, de clown buigt zich voorover, de kleine wrijft de vuile vingers over z’n kaarten.—„Queen of diamonds!”—„Daar heb ik ’n heer voor!”—„Nou niet zoolang ouwe-hoeren! Smijt bij! Lisy mot haast klaar zijn!”—„Allez! Allez!”—„Merde!”—„You are a clever fellow!.... Knave of spades!.... Come on!”—„Schoppenboer.”—„Ruiten negen.... Daar gaan jullie... Troef!... Hèhèhè!.... Dat smoel van die Hein is goud waard! Hèhèhé!”—.... „V... v... v... v... errèk jij! Dat k... k... k... k... ost me ’n maand gage!”—„Uitscheijen?”—„Nou geen zes en zestig meer... Dat duurt zoo verdomd lang!.... Hebben jullie lust in ’n bankie?”—„Doe je mee, zeg?”—„Non merci. J’ai pas d’galette!”—„Ja-wel. Dat kennen we! Pot jij maar!”—Ze beginnen te banken. Piet heeft net op ’n kaart gezet, als-ie gewaarschuwd wordt.—„Piet! Pie-iet!”—„Is die lamstraal al klaar?”—„Vooruit, vooruit!”—„Eerst afbanken!”—„Nee. Leg niet te donderjagen! Zit me pruik goed?.... Gaan jullie mee?.... Neem jij mijn kaarten Willem.... ’k Zal je wel wijzen!”...

Ik loop verwonderd mee. Da’s zelfs voor mij wat nieuws. Op ’t trapje komen we Lisy tegen. Piet voelt haar in ’t voorbijgaan tusschen de zweetende tricotbeenen.—„Poote thuis... du Schwein!”

„Klaar? Hàlen!”

Als-ie opkomt in z’n geruiten broek, z’n nauw vestje, heeft z’n glad gezicht al applaus. Aan de overzij staat Georgine tusschen de coulissen. Piet begint z’n voordracht. Je ziet niks van ’m zoolang ie op den voorgrond blijft. Je begrijpt niet waarom ze om ’m lachen. Telkens scharrelt hij naar den achtergrond, trekt malle gezichten boven z’n nauw vestje, steekt ’n paar vingers op naar den kant der artisten die beweeglijk samenhokken. Op een kist liggen de kaarten, met guldens en rijksdaalders in vier hoopjes. De athleet houdt „de bank.” Willem speelt voor Piet, koopt een kaart voor zooveel guldens als Piet vingers opsteekt. In den gelen schijn van het voetlicht zingt hij. Z’n „voordracht” is droog, handelt komiek-beschrijvend over „tevredenheid”....

„Er is óóóóvervloed van schulden, Nou voor de ouwe dag gespaard”....

Niks is van ’m te zien. Op den voorgrond staat hij met de handen in de zakken van z’n geruiten pantalon. Het publiek lacht. Aan een van de leege zakken draait-ie ’n punt. De kemiekert!

„Want ’n echte Nederlandsche gulden Is veertig cent een gulden waard.... En koopt men soms een vaatje boter Krijg je er een toe de helft gróóóóter, Naar recht en niet uit vet bereid, Dus slik het maar in tevréééédenheid.”

Den laatsten regel biseert-ie, dribbelt altijd komiek met ’n langzamen draai over ’t tooneel, steekt grappig z’n vijf vingers schuin bij z’n neus of achter z’n oor en zegt glimlachend, langzaam met een slikkende beweging.... „Dus.... slik het maar in... te... vreeee... denheid!”... Gerommel in de zaal. Piet vervolgt:

„Is het vrouwtje niet te sprééééken Of wel draaft ze verschrikkelijk door, Om de eendracht niet te brééééken Daar heb ik een remedie voor. Klets dan de voordeur wijdwaag open En zet het daarna op een loopen, Kom ’s nachts dan laat uit de societeit. Dan lààààcht ze van tevréééédenheid”...

neemt weer z’n komieken dribbeldraai, die de menschen doet proesten..., zingt, àchter, langzaam-blerrend... „Dan... lààààcht... ze.... van.... te... vreeee.. den... heid”—roept vlug, zachtjes tusschen de coulissen... „Zeg dan godverdomme hoe ’t staat!”—wijst tien gulden met z’n handen en zet weer genoeglijk-lachend in:

„’k Was laatst rond Neerbosch aan ’t wandlen...”