Part 8
„WelEdele Heer—da’s me beroemde ouwe—WelEdele Heer. Deze is alleen dienend u te confirmeeren, dat ik niet langer gebruik zal maken van uw gastvrijheid. Ik zal voortaan mijn leven inrichten zooals ik het wil. Ik woon samen met mijn vriend Alfred Spier, waarheen U mij gelieve te adresseeren de hemden, de onderbroeken, kousen en flanelletjes, die in de kast van mijn kamer liggen. Van uw bezoeken verzoek ik verschoond te blijven. Als moeder mij wil opzoeken moet ze tweemaal tegen het raam kloppen. Anders wordt hier niet opengedaan. Van den procuratiehouder heb ik twintig gulden geleend. Wilt zoo beleefd zijn die seffens terug te betalen. In den handel ga ik nooit meer en u verlang ik nooit meer—tweemaal nooit, dat klinkt niet, hè?—nooit meer te zien, daar ik nimmer vergeten zal, dat u het eerste bedrijf van mijn treurspel verscheurd heeft. Geef u tante Roosje in overweging een nacht in het Toevluchtsoord te gaan logeeren. Daar vindt ze een hoop menschen die goeden raad noodig hebben. Dag ouwe beste moeder! Van jóú hou ik.
„Aanvaard, WelEdele Heer, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting.
Uw dienstwillige dienaar Mozes Aäron Scherpenzaal.”
„Zoo kun j’m niet wegdoen,” lach ik.
„Zoo dóé ik ’m weg. Goeie kantoorstijl niet? Nou gooi ’k ’m ook dadelijk op de post.”
„Ga liever slapen. Schrijf morgen met een frisch hoofd!”
„Nee! Morgen komt ’r niks van. Waar is de bus?”
„Om ’t hoek-ie. Doe ’t nou niet overijld!”
„Zoo is die goed, uitstekend. ’k Kom direkt terug.”
Weg is-ie. ’k Lig soezerig, na-grinnekend om den mallen brief. Bons! Daar is-ie weer.—„Nou ga ’k maffen!”—„Na-a-acht!”—Ik hoor z’n geregeld, rustig ademhalen tegen het zeil van de kanapee, hoor de vogels wild, druk fluiten, probeer mij iets te herinneren van den avond. Er ligt me wat koffiehuisdrukte, wat gonzig rumoer bij. Dan wil ik aan Georgine denken, aan Georgine. Maar ’k ben te moe. Ik kan er niet toe komen.... hoe ze er uitziet.... hoe d’r oogen zijn.... hoe d’r neus is. Ik wéét ’t niet meer. D’r haar zit zoo. Maar d’r gezicht? D’r haar zit met golfies.... Maar d’r neùs..... Wat kraait die haan! Nou lekker slapen met je hoofd in de deuk van je kussen.... Steene heeft ze in d’r oore.... groen en wit.... zèker valsche.... Wat lekker nou..... Wat was die Duif bezope.... bezope....
VII.
VOORSTELLING.
Ik houd van haar.
Het is geen gróót-mooie verliefdheid, geen hartstocht.
Ik hòùd van haar.
Maandag, Dinsdag, Woensdag—hetzelfde. In gezelschap, in koffiehuizen praten over dit, over dat, het brengen naar huis—een hand en de ouwe vragen: Zie ik je morgen?—morgen?—morgen?
Ik houd van haar. Ik weet niet waarom. Ik kan niet zeggen wat aan haar is, kàn niet vaststellen het goede—het goede—het zeer goede—, de rust die ik bij haar gevoel. Ook wil ik dat niet. Dwaas meen ik te mogen noemen degenen, die eene genegenheid trachten te benaderen, die onnaspeurlijks willen ontleden, alsof het intellektueel hoofd grondsteen van alle mysterie is. Ik weet niets. Gij weet niets. Hij weet niets. Wij weten niets. Gij weet niets. Zij weten niets. Als ik andren toch ontleed, verplaats ik mijn leven in hun uiterlijke omstandigheden, maak ik de dingen onderworpen aan mijn zien, mijn voelen, mijn hooren der dingen. Zij zijn zoo niet.
Ik houd van haar.
Morgen, overmorgen kan het uit zijn.
Ik weet het niet. Het komt mij voor dat ik zoo wel eens meer van iets of iemand gehouden heb. Er is niets in mij ondersteboven. Ik werk den geheelen dag. ’s Avonds kom ik dáár of dáár, zie haar in het oude kringetje—een bloem van haar hoed, of haar oogen in-eens. Dan dènk ik met iets heel kalms: daar is ze, daar heb je haar. Ben ik te vroeg dan is er iets, iets dat geen verdriet veroorzaakt, geen grooten spijt geeft, iets dat alleen een harmonie verbreekt. Ik ken méér van die oogenblikken van verstoord, wankelend evenwicht in mijn leven. Ik kan ze wel tellen, tèllen in de wazen mijner herinneringen.
Dien morgen op de duinen. De zee in de verre verte. Nòg verder nevel. De duinen, groen en bruin èn groen, inklotsend op elkander in den nevel. De wolken vaal. Wat zeemeeuwen. Een heel groote-meeuw scheerend op den wind.
De helmen wuiven. Ik hoor het ritsen, hoor het kalme gewaas van de zee. Bijna voel ik me gelukkig, bijna, door de stilte, den nevel, het groen, het bruin, het helmengewir, het gewaas van de zee. Maar benee over den weg loopt een man, zwartjes tusschen het groen, met twee honden aan een touw. Je kijkt hem na tot hij weg is; hij den hoek om, de honden den hoek om. Even blijft hèt weg. Hèt. Je denkt aan den man, aan zijn honden. Twee puckjes. Puckjes. Je kijkt naar je laars die op ’t zand drukt, naar.... de.... koperen.... pinnetjes.... De wind waait strak tegen je hoofd. Je hoort weer de zee, het gewir van de helmen. Je ziet de duinen, plomp en log in den nevel, de zee grijs in den nevel, de meeuwen mat drijvend in den nevel. Je voelt het lieve leven der dingen—je weet dat die man wèg is, wèg met zijn puckjes, dat er een groote teerwonderlijke strooming is uit jezelf.... uit.... je.... zelf.... naar de kuif-knorrende helmen, de schaduwglooiingen van bruin en groen, de nevelvlakte van zee. Het koude zand klamt tegen de palm van je steunende hand. En dàn, dàn, met eene lichtelijke-opjuiching, terwijl je ònbewogen gehurkt blijft, onderga je plotseling een groot geluk, een onmeetbaar, wijd-uit-deinend geluk, geluk van teer-lila, kartelend-violet, geluk dat niet schokt, niet verbaast.
Of toen:
Dien avond. Toen je wandelde langs den Amstel, heel eind weg.... en neerzat in ’t gras bij het water.... Maan vaagde achter wolken.... witte wolkranden, vinnig-wit, als marmer in zonlicht.... Wolken dreven haastig, opgestuwd, loopend, lóópend.... Water kirde tegen riet, tegen walkluiten in het donker. Dan wàs de maan er weer, in melkwit tusschen groezel-wolkjes, zag je de boomen aan de overzijde als legers in nacht met wuivende vanen, zàg je de doezlige reflectiestreep in golfjesgewiegel met een zilver maantje dat in het water bolde, te glijden scheen, zàg je de biezen, de knikklende waterplanten—je knieën, je handen, wit tegen zwart.... Dan was ze wèèr weg, achter ’n wolk, ’n roetzwarte—zat je te soezen waar ze nu was, óf ze nog komen zou—of dat een gròòte wolk was—of je wèèr zou zien aan de overzij het gepluim van zwarte vanen, het golfjesgewiegel met bollend maantje—of je nog làng wachten moest—in het donker—of ze haast kwám—of ze misschien wegbleef.—Nee—Nee—Daar kwam ze—Dáár was geschemer, dáár weg-zilverde het zwart, dreven roetvlokken over een transparant.... Daar wàs ze.... Kwam er al gauw een andre wolk?—Nog niet.—Je zag er geen.—Het kon wel lang duren.—Je kon zoo even blijven zitten, met je handen om je knieën bij de lichtgeul, bij het sikkeltje in het water, bij de golfjes, bij de biezen, in de stilte.... in.... de.... stilte..... met aan weerszijden de scheemring.... het donker.... aan de overzij de drommen van zwarte menschen en wuivende vanen.... Hé, wat was dat zacht-aangenaam, meegaand-vrindelijk, góéd.... góéd.... Hoe voelde je nu alles.... het harmonieus verband van licht, stilte, schaduwen, fluisteringen.... En wàs het er weer. Hét; de enorm-schoone wisselwerking, die zachtekens, rustig-sterk, uit je klein, hulpeloos lichaam groeide naar het spraaklooze zwart, naar het luidlooze licht, naar het water en je voeling gaf van een niet broos, niet versterfbaar geluk.
Of toen:
Je zat voor het raam, keek naar het weiland met koeien. Achter in een bocht, werden de huisjes belicht, kalkachtig wit, tegen het groen van de wei. De zon speelde zoo wat. Schaduwen kropen in lange lijnen over de pluizing van gras. Licht draafde er achter. Wat de koeien deden kon je wel hooren. Gras scheurde rasperig tegen de tongen. Als nu die hond niet meer blafte. Die hond van den bakker. Die hond die buitengesloten was en kermachtig jankte. Zou je ’m geen trap geven? Hoor. Hoor. Wat prikkelt dat. Wat sláát dat de stilte van wei en groen. Ging niet de schel over? Jawel. Pieng. Pieng. De hond moest nu binnen wezen. O, wel mooi nu de stilte. Geen enkel afleidend geluid. Alles egaal. De tongen scheuren het gras zachjes, zachjes. De schaduwlijnen schuiven over de wei. De geveltjes verschieten van kalkachtig-wit tot stil-grijs. O, wat is hèt nu verheugend, van een zacht inwikkelenden weemoed, van een luchtig-stille ziele-drijving naar het land, naar de luchten....
Ik hóú van haar.
Wanneer ik naast haar zit, luister ik naar de stemmen van dìè én van dìè, hoor hoe zij zelf praat, lacht, zie aan één trek van haar gelaat, dat ze iets zegt—zóó maar, lach om wat díé zegt of díé, drink van mijn glas, praat over dit wat gebeurd is, dàt wat ik gelezen heb,—maar telkens, telkens—o, het is wel zeer zonderling—heb ik momenten van al het geleef om mij henen te voelen als iets gekkerigs, iets dat niet zoo behoort, klinken de woorden gedempt als achter dikke muren, dringt zich de visie op van een ander—die ik toch òòk ben—van een ander, naast me, achter me, om me, in me, die gehurkt zit in eene vriendelijk-zachte sfeer, die nìèts meemaakt van het gepraat, gelach, gekijk, geleef, die verwonderd-blij aan de zee rust, op de duinen—, aan den Amstel, bij zwakkelend maanlicht—, bij de wei.... heel in de verte huisjes van kalkachtig wit; die alles ondergaat, géén bepaald verlangen heeft, geen drift, geen zorgen, geen passie. Als zij wat zegt luister ik met mijn verstand, wik het. Als zij aardigs praat, beoordeel ik, zou het dáár met een anderen klemtoon gezegd hebben—zóó niet, nee, niet bepaald zóó—en ik làch, zooals anderen lachen, achter een muur.
Soms dènk ik: wat doe je nu grof—wat hèb je daar aan—wat neem je ’n suiker in je koffie—hoe kun je zoo laat ’s avonds èten—wat draag je ’n aardige kant—wat staat-die je lief:—dat dènk ik, dènk ik, dènk ik—, maar dan is die ànder, achter, voor, naast mij van een heel rustig ademhalen, van een stille overgeving, van een volkomen onderworpen vrindelijken weemoed, zooals bij de zee, bij den Amstel, bij den Amstel, bij de wei.
Ik hou van haar.
Misschien is zóó de liefde van ’n oud man.
Dagen zijn evenwichtiger.
Elke dag heeft een rustplek, een klein thuis.
Ik weet niet òf dit liefde is.
O, neen, ik weet het niet.
Het is alles zònderling, wijd, vèr.
In den trein had ik half-spijt. Wat ging ’k er doen? Leek dat nu niet precies op de malligheid van den eersten den besten, die ’t hòf maakt? Was ’t vriendschappelijk tegenover Scherp, om ’m alleen te laten? En zoo gek doen, zoo jongensachtig, zoo hoogere burgerscholierachtig, om ’n juffrouw van ’n café-chantant na te reizen naar Den Haag als ze mòrgen al terugkwam. Wat zou ze wel denken, nou je van ’n aardigheid meenens maakte, je anstelde of je niet buiten haar kon. Maar wat gaf het geredeneer. Je zát. In den Haag kon je ’r altijd ’n plooi aan geven.
Om half zes zou ze wezen in de Bodega. Door de ruiten kijken. Nee. Toch al half zes. Zeker opgehouen. Even ’n glas port nemen. Was toch niet aardig als je de reis voor háár maakte. Nou naar ’t Casino. Niemand.—„Aannemen!.... Zeg is—is juffrouw Casper hier geweest?”—„Wie zegt u?”—„Juffrouw Casper—die hier vanavond zingt.”—„Is dat zoo’n dikke met zwart haar?”—„Nee.”—„Dan weet ik ’t niet.”—„Hoe laat was de repetitie?”—„De repetitie. Die was om half vier afgeloopen.”—„Waar logeeren die dames en heeren?”—„Hier en overal. Ga u is bij Fryda.”—Toch niet aardig. Toch niet aardig. Bah, wat ’n vervélende, beroerde stad met al die menschen van beteekenis, die officiertjes, die drukte van saaie opgedirkte juffies, die soldaten, die heeren met lintjes. Nog eens kijken bij Fryda. D’r zou wel ’n portier zijn. Hè, wat ’n kerkbel!—„Logeert hier ’n juffrouw Casper?”—„Wil u effen wachten?”—Wachten op de stoep. Wat zette dat nààr in. Wat ’n misselijk stadje. Alweer zoo’n officier. Wat maakte die ’n spektakel met z’n sabeltje en spoortjes.
„Hebbu juffrouw Casper gezegd?”—„Jawel.”—„Daar weten wij hier niks van.”—„Nou da’s ’n beroerde boel.... Hoe laat eten jullie hier?”—„Om zes uur.”—„Waar moet ik wezen?”—„Hier meneer.”—Ze noemen dat in ’n hotel: Zitkamer of Leeszaal of Salle de conversation. An de lange tafel zat ’n commis-voyageur te schrijven. Voor ’t raam domineerden ’r wat. Zeker ’n reizigershotel. Wat ’n stad!—„Aannemen! Een bittertje!”—Nog twee uur vóór de voorstelling begon. Waar of ze zat? Zeker ’n ploert met veel geld tegengekommen. Vies volk die café-chantant-menschen. Altijd hadden ze wat bijzonders. Moest je daarvoor de reis maken, om je hier te vervelen, bij commis-voyageurs? Wat hadden ze ’n schik in d’r leven. ’t Leven was ook zoo lollig, hing an mekaar van commissies, centen en borrelen. Hoe kwamen ze ’t door. Hoe hadden ze niet liever lust om zich en bloc op te hangen.
„Dubbel blank.”—„Wacht is even.... Blank vier....”—„Vier zes.... Hèhéhè!.... Afgesloten!”—„Hèhèhe!”—„Zakkie dad-kost je ’n dubbetje!—„Heb-u die mob wel is gehoord van die vlooienknapper?”—„Van die vlooienknapper? Nee”....—„Da’s ’n verdomde goeie”.... „Hou nou je mond”....—„Nee vertel jij ’m maar. Jij doet ’t béter dan ik.”—„Eerst nog ’n bittertje.... Schud jij de steenen.... Rebecca die wou net in d’r bed stappen, toen ze ruzie met Leip kreeg. Jij mot de kaars uitblazen zei Leipie. Als ’k mesjogge ben zei Rebecca, da’s jouw werk van iedere avond. Nou ik verdom jou, zei-hij. ’n Kwartier lang scholden ze mekaar uit. Toen werd Rebecca zoo nijdig, dat ze ’m voor vlooienknapper uitmaakte. Vlooienknapper! Vlooienknapper! Zeg dat nou nog is, zei Leipie woedend. Vlooienknapper! Heb nou nog is ’t lef! Vlooienknapper!, zij weer. Zal je je schmoel houen? Vlooienknapper! Kwaadaardig smeet-ie d’r van de trappen. Met ’n gebroke poot lee ze benejen. Zòò, zei Leipie. Vlooienknapper! Vlooienknapper! Vlooienknapper!, gilde Rebecca. Wil je je bek houen? riep Leip nog is. Vlooienknapper! Leipie holde de trap af, pakte d’r in d’r nek, smeet ’r op straat. Vlooienknapper! Vlooienknapper! Hou je je schmoel, ja of nee, schreeuwde die.—Vlooienknapper! Vlooienknapper! Vlooienknapper! Wel-verdomd zei-die. Razend sleepte die d’r bij d’r lurven naar ’t kanaal—ze woonden bij den Kanaalweg en gaf d’r ’n douw. Ze dreef eerst op d’r rokken en gilde: Vlooienknapper! Vlooienknapper! Vlooi-en-knap-perrr! Toen zonk ze langzaam. D’r hoofd was nog boven water. Vlooienknapper! Hou je nou je bek? Vlooienknap!.... D’r hoofd zonk weg. D’r handen staken nog boven ’t water uit. En toen in d’r doodstuip knapte ze nog met de nagels van d’r duimen en nog is en nog is, tot ze heelemaal zakte!”—„Héhéhé!”—„Hahaha! Hahahaha!” „Héhehehe!”—Die ’t vertelde was ’n zwarte joden commis-voyageur met ’n verwarden, dichten kroeskop, ’n zinnelijk bleek gezicht en listige oogjes. Z’n verhaal dee die voor ál de menschen in de kamer en keek rond of ze lachten. Wat ’n gezellige mense om mee te tafelen, wat zouden d’r nog ’n moppies kommen! Wat ’n dòlgezellige boel!—„Dubbel zes”....—„Zes blank”....—„Zes vier”....—„Mhot ik weer khoope!—Wat ’n pech!”—„Kén je nou makkelijker khoopen, Zak? Da’s khoope zonder betale!”—„’k Pas.”—„Zes twee.”—Watte! Was dat niet háár stem. Was ze daar niet? Dat móést ze wezen. Aangenaam, rustig gevoel nu je haar wist achter de deur. ’t Raam uitkijken. Doen alsof je niks zag.
„Hee-ee!”
„Hee!”
„Gut, ben jij hier!”
„Ik eet hier.”
„Ben je voor mij overgekommen? Hé, wat overdreven!”
„Voor jou? Wel nee. Welnée. ’k Heb hier ’n vergadering”....
„’n Vergadering?”
„.... Toen ben ik om half zes even in de Bodega geweest om te zien”....
„De Bodega? Zou ’k daar kommen?”
„Je zei zoo iets”....
„Wat ben ’k toch stom! Had ik heelemaal vergeten. De repetitie heeft zoo lang geduurd. Over vijf waren we d’r nog”....
„De bediende zei dat je om half vier”....
„Ach, wat weet dìè ’r van? Waren we d’r niet om kwart over vijven, Lisy?”
„Ja, natuurlijk, auf mein Ehrenwort.”
„Zou je me willen voorstellen?”
Ze stelt me voor aan ’n vrouw met ’n aangenaam gezicht en aan iemand, die komiek moet zijn.
„Me vriendin Lisy en onze komiek.... meneer Spier, ’n vriend van me.”
„Ja,” zegt de komiek: „we hebben gerippeteerd tot vijf uur.”
Waarom liegen ze alle drie? Zeker denken ze dat ’t zoo hoort, dat ze Georgine er ’n pleizier mee doen, dat ik zoo’n menéér ben....
„Wist je dat ik hier logeerde?”
„Nee. Ik kwam hier bij toeval.”
„Blijf je hier vannacht?”
„Dat hangt ’r van af.... van me vergadering.”
„Zanik niet met je vergadering. Wat ’n flauwsies! Je hoeft je voor hun niet te geneeren. Je komt natuurlijk kijken, hé?”
„Als ik tijd heb.”
Nou onverschillig doen.
„Meneer komt wèl,” zegt de komiek wijs.
„Mag ik ’n bittertje offreeren?”
Wat zijn de commis-voyageurs stil geworden. Ze hebben namen gehoord, smoezen over ons.
„Krijg ’k ’n bouquet van je van avond?”
Ik kijk haar verwonderd aan.
„’n Bouquet?”
„Daar kè-je me ’n dol pleizier mee doen. As je me hart wil stelen”....
„Ik hou niet van die dingen.”
„O! Hij ’s weer zwaar op de hand! Da’s nou toch zoo’n zwaar op de hande, Piet. Jammer dat jij geen dominee geworden ben!”
„Met ’n bouquet,” zegt de komiek en knipoogt glimlachend naar mijn kant: „met wat blommen doe je ze altijd pleizier. Ik steek liever ’t geld in me zak.”
„Toe nou. As je ’n jongen zendt naar de bloemenwinkel in de Hoogstraat kan d’r nog best een gemaakt worden. Wees nou is lief!”
„Nee. Ik hou niet van jouw soort lievigheid. ’k Gooi liever ’t geld in ’t water.”
„Hè, wat aardig als ’n vrouw je wat vraagt!”
„Wat heb je er an!”
„Vraag maar an Lisy wat je ’r an heb!”
„Ja, dat ies wahr,” zegt de Duitsche.
„Zou ’t vol worden?”, vraag ik ontwijkend.
„Goed. Goed,” zegt de komiek.
„Nou zul je is zien dat ik succes heb, zeg. Heb ik niet altijd succes. Piet? In Den Haag magge ze me wel. De laatste keer kwamen d’r kaartjes achter van Baron Rengers en van luitenant Bol. Heb ik ’t tweede of derde nommer, Piet?”
„’t Tweede.”
„Motten we nog niet eten?”
„Bij zessen. D’r zal wel haast opgedaan worden.”
„As u bij ons achter wil komme,” zegt de komiek, „ga u maar achterdoor en vraagt naar me.”
„Mag iedereen zoo maar komme?”
„Iedereen niet! Kan je begrijpen. Maar as vriend van Sjorsjien.”
„Nou dat vin ik wel is aardig. Nog een bittertje?”
„Je mot nooit afslaan heeft me moeder me geleerd.”
„Dames en heeren, de tafel is gedekt!”
We staan op. Georgine blijft wat achter.
„As je me geen bouquet zendt ben ik voor eeuwig kwaad.”
„Wees toch niet kinderachtig. Ik doe ’t níét. Als ik een keer iets zeg”....
„Doe ’t dan voor Lisy en Piet”....
„Nee.”
„Zoo’n rare galant als jou heb ’k nog nooit gezien!”
„Ik ben jouw galant niet. Ik hou niet van kunstjes!”
„Ansteller!”
An tafel is ’t héúsch-gezellig. Net als ik dacht. De zwarte joden-commis-voyageur met den kroeskop lanceert moppen. Zakkie, de ander, aan den overkant zit stiekem o zoo-googem af te luisteren wat ik spreek met Georgine en Lisy. Ze hebben in de gaten dat ’t „artisten” zijn, beginnen over ’t tooneel te praten. Piet laat zich door Zakkie een glas bier offreeren en brengt eenige consternatie te weeg door de vraag aan z’n buurman—’n heel nette handelaar in insectenpoeder—of-die hem de zand-sodemietertjes is wil doorgeven. „Wat zijn dat?” vraagt Zakkie.—„Weet je niet wat zand-sodemietertjes zijn? Zoo noemen we in België de aardappelen.”—„O.”—„O.”—En ze grinnikken zachjes om Piet z’n droogkemiekigheid. Madame Lisy heeft me in minder dan geen tijd honderd dingen verteld. Zij leeft met ’n man, die haar duiven, kippen en varkens dresseert. Hij schijnt haar ook te dresseeren. Na de soep weet ik al dat hij haar ranselt.—„Wenn die Schweine nur erst dressiert sind, laat ick ihn stikken, den Scheiszdreck!” Zij heeft alles in eigendom. „Geen rothen Heller ist von ihm, aber er verstaat die Dressur. Aber eine Frau zu hauen, so ein Schweinhund!” Georgine is zenuwachtig-opgewonden. Zij lacht om alles.—„Wat heb je ’n ringen an,” zeg ik. Ze draagt er drie met kleine en groote steenen.
„Die heb ik van ’n kennis van me.”
„En die?”
„Die.... Dat weet ik niet meer. Díé heb ik gekocht.”
„Waar is je trouwring?”
„Bij Oome Jan.”
„Hahaha!”
„Je most me is zoo’n bracelet geven van verguldzilver. D’r liggen d’r zulleke mooie in de Wagenstraat. Niet eens zoo heel duur.”
„Daar ben ik te arm voor.”
„Maak mij dat wijs!”
„Ik heb meer beeren dan contanten.”
„Nou ja.”
„En ik hou er niet van om gevráágde dingen te geven.”
„Jezus, wat mot je met jou voorzichtig zijn!”
„Wor je daar kwaad om?”
„Jij mot nog leeren met vrouwen om te gaan. Zóó zal nooit ’n vrouw van je houen.”
„Dan maar niet, dan maar ongetrouwd.”
„Die komt over om ruzie te zoeken!”
„Ik zoek geen ruzie, Georgine.”
’k Zeg ’t waarschijnlijk eenigszins melankoliek, want op eens begint ze weer vroolijk:
„Nou zanik maar niet meer. Geef de peren is an. Lisy waar zit je man?”
„Der Scheiszdreck ist ien Amsterdam. Iek zal jou mijn Beine straks eens laten zien. Jij moet mal mijne blauwe plekken zien.”
Kwart over zeven loop ’k in de Wagenstraat. Nog een ruim uur. Het verveelt me. Alles verveelt me. Zat ik maar thuis. Wat ’n onzin, welk een volslagen krankzinnigheid om zoo iets te doen. Een vrouw die je wel mag, die je in den grond hoogstens gezellig vindt, meer niet. Is ’t geen vies gescharrel, die gekkigheid met ’n chanteuse, waaraan niks te doen is, die van onder tot boven vastzit in ’t vuil van d’r métier. Nou had je thuis kunnen zitten werken bij je lamp, jezelf opwinden tot wat goed proza voor je boek. Zal ’k gaan theedrinken bij me neef? Ach God nee! Weer geklets over thuis, over Goba en Gerda—en waarom je zoo weinig overkomt—nee, liever wandelen tot ’t acht uur is. En den laatsten trein pakken—én ’t afmaken—die „vrindschap”—én werken, werken—al waren de avonden lang en zwart—Scherp was toch bij je—daar had je wat an—an zoo’n gevoeligen, intelligenten jongen.
Om acht uur zit ik tweede rij Stalles het Nieuws te lezen. Als je je niet lekker gevoelt, moet je de advertenties van het Nieuws lezen. Dat ’s onbedaarlijk komiek. Heel burgerlijk, klompenloopend, winkeltjesversuffend Holland zie je dan. Een panorama van dienstmeiden, mannetjes met druppels an d’r neus en ’n slip van ’n rooien zakdoek uit d’r zak, kerkloopende boerinnen en vrouwen met dikke buiken die geen emotie kunnen verdragen. ’t Nieuws is een kommetje troost. D’r is geen andere krant dan het Nieuws. Het orkest speelt Hab Ich nur deine Liebe.—Daar lees je lekker bij. Rook dampt uit je mond, puf-puf.... Hab ich nur deine Liebe.... Amerikaansche tand- en nagelschuiers, waarvan de haren nooit uitvallen.... Die Treue brauch.... Particulier kapitaal beschikbaar voor de Eerste en Tweede hypo.... Ich nicht... Die Liebe... Night-Cap puike oude Schieda ... ist die Knospe nur.... Het meest doeltreffend Malthusiaansch middel, hoogst.... aus der die Treue bricht.... eenvoudig en zindelijk.... Drum sorget.... Agentschap gevraagd. Een degelijk en net persoon P.G. ... für die Knospe.... Baarmoederspuiten.... dasz sie ja schön .... gedeiht.... Wegens huwelijk van de tegenwoordige, vraagt men te Arnhem ... auf dasz sie sich.... Geen koude of natte voeten meer ... in voller Gluth.... Gedurende zeven jaar ben ik kaalhoofdig geweest, maar door aanwending van 4 flacons uwer haar.... ontwik.... kelings.... balsem.... is.... thans.... weder....”