Kamertjeszonde

Part 36

Chapter 364,143 wordsPublic domain

Het „huis”—een, twee, driehoog—was op de hand van Georgine. Er was eene vreemdsoortige, wel-aandoenlijke toenadering tusschen de uitgestootenen, band van hààt tegenover de buitenwereld. Mij kenden ze niet. Om bij elkander te blijven—na het advies van den correcten advocaat, om te vechten voor de kinderen—deden wij vies-listig, als wijze, voorzichtige joodjes. Overdag bleef ik weg, at in de gaarkeuken om geld te besparen, werkte op het kamertje van Scherp en tegen den avond, tegen tien uur, als ’n dief, rondkijkend of ’k niet bespied werd, of ’r geen spionnen stonden, schoof ’k langs den huizenkant naar de Ruysdaelkade. Daar keek ik in elke deur-nis of ’r niemand loerde, liep het huis voorbij, keek in de verder gelegen portiekjes en éérst dàn nam ik het midden der kade, floot heel zachtjes het refrein uit Lohengrin: „Nie sollst du mich befragen”... ’r Kwam een schaduw achter de tulle gordijnen, de schaduw verdween en voorzichtig trok het koord de deur open. In ’t portaal luisterde ik of ’r niemand in de gangen was, deê m’n laarzen uit en op m’n kousen, voet voor voet, ophoudend als ’n tree kraakte, sloop ik naar boven, de gang door, de kamer in. Zoo ging het avond aan avond. Juffrouw Perron vermoedde alles, ’s morgens mocht ze niet binnenkomen, ’s avonds moest ze twéé vorken, twéé messen, van àlles twéé geven—maar ze hád geen, wìlde geen „bewijzen”. Voor de rechtbank zou ze een ééd kunnen doen. Nooit zag ze het minste. Het was gerechtelijk in orde. We deeën het zooals fatsoenlijke menschen het doen. Wij gaven niemand aanstoot. Ik was de heer. De betalende. Zij de mintienee. De heer kwam voor de bijslaap, ontbeet, ging schuw heen voor de buitenwereld (de heer z’n naam, de heer z’n stand, de heer z’n reputatie). De mintienee, die zoo gek was, verliefd op haar mijnheer te zijn, bracht dagen in trage verveling door, uitziend naar den avond. Het was maatschappelijk en règle. Bourgeoisie-gehoereer. Bourgeoisie-ontucht. Een lichaam tegen betaling van kamerhuur, natje en droogje.

De avonden werden van angstig nachtuilenbeweeg. Buiten het zachte gefluit, de schaduw achter de tullen gordijnen, het trap-opsluipen, het fluisteren in de kamer. Als de alkoofdeuren dicht waren konden we schuchter spreken. In bed, tegen het beschot van de achterkamer, dùrfden we niet, dempten de stemmen onder de dekens, schrikte de donkerte der kamer van een niet ingehouden kusgeluid, van het gekraak van ’n bedveer. Het waren nachten van wakker-liggen, beluistring der geluiden-buiten. Als een deur dichtsloeg schrikte Georgine, gespannen van luistring. Voetstappen op de eenzame kade deden ons liggen met inhouden van adem. Als we tòch verrast werden? Als de màn er was? Wat dan? Wat dàn? En in het nauwe, slechte, éénpersoonsbed verwoelden we de uren tot de morgen ’n loomen, doffen slaap gaf. Het maakte ons kapot. Zij zag er wit uit, met kringen van zwakte onder de oogen. Ik lag overdag in ’t kamertje van Scherp, moe, lustloos, òp, met groote wanhoop-van-leven.

Toen kwam dè dag, de dag dien ’k nooit vergeet.

’s Morgens half tien werd ’k wakker gemaakt door stemmen naast an.

Madame Veuve Perron was aan ’t praten met hare dochter Amélie, met haar zoon Charles. Kaatje en Toosje speelden in de gang. Ik hoorde ongeveer dit gesprek:

Veuve Perron: Kom binne!

Charles: Dààààg tabak-Amélie!

Amélie: Schei nou uit met je aardighede, snotneus! O mama ik voel me zoo beroerd.

Veuve Perron: Wat hèb je dan?

Amélie: Wéér bloed opgegeve.

Charles: Jij zal te zwaar leven met je tabak.

Amélie:... En zoo’n ròtsmaak als ’k ’r van in me mond heb, mama... Zoo’n schrikkelijke rotsmaak.

Veuve Perron: Je ziet ’r toch goed uit, niewaar Charles?

Charles: ’k Zeg toch al dat ze te zwaar leeft. Sophie maakt zich niet kapot voor d’r assurantie.

Amélie: Ik voel me zoo licht, zoo hoe-zal-’k-’t-zegge... En dan die rótsmaak... Bloedopgeve is niks... maar die rótsmaak...

Veuve Perron: Je moest elke morge op je nuchtere maag ’n glas port met ’n geklutst ei drinke.

Charles: Dat moet je hààr zegge. Ze geeft ’n rooie cent voor d’r zelf uit!

Amélie: Daar heb jij dan toch niet over te klage. Heb ’k je niet pas vijf en twintig gulde gegeve?

Charles: Gelèènd, hè?—van jóú neem ’k niks an.

Amélie: Hij neemt niks an! Hij neemt niks an! Wat geef jij ooit terùg?

Charles: Wat ik léén dat krijg je terug!... Ik mot geen cente van jòùw fluim van ’n kerel hebbe... Ik leg niet op me rug om me kost te verdiene.

Amélie: Daar zou jij ook ’n smoel voor hebbe!

Charles: Mijn gat zou zich nog altijd sjeneere als ’t jòùw gezicht had! Hohoho! Hohoho!...

Amélie: Stik voor mijn part!... Wat heb ’k met jóú te make!

Veuve Perron: Laat ’r nou met rust, Charles.—Waarom mot ’r altijd mòt zijn... En praat niet zoo hard voor Georgine.

Amélie: Mag je hier niet meer prate?—’t Is toch nou geen tijd om op je bed te legge.

Veuve Perron: Suscht nou! ’k Glóóf dat d’r heer d’r is.

Amélie: D’r heer! D’r heer! Zeg maar d’r makkro!

Veuve Perron: Hé! Hé! Praat wat zachies—’t Mot ’n heele nette heer zijn. Zij is razend met ’m. Cente heeft-ie niet. Mot je ook cente hebbe om gelukkig te zijn? Had je vader cente?

Amélie: Late we dáár nou niet over spreke mama! ’n Kat die je niet knijpt schreeuwt niet... Als ù maar weet dat hij zich door háár laat onderhoue...

Charles: Ach je lùlt!

Amélie: Lùl ik? Hoor u dat mama?: hij zegt da ’k lúl!... Ik zeg je, da’k weet dat hij geleefd heeft van wat d’r man uit Amerika elke week zond en van wat zij met zinge verdiende.

Charles: En àls-ie ’t doet? Wat gaat ’t jóú dan an? Jij voert toch ook geen verdommenis uit! Waarom júllie alleen?

Amélie: Ja, jòù zou zoo’n baantje wel bevalle, hè? Zoo’n baantje van kutvreter!

Charles: Als ’k me kans maar schoon zag! Hohoho! hohoho!...

Veuve Perron: Scheie jullie toch uit met jullie kinderachtig gekwebbel! D’r is niks van an, kind. Georgine het me verteld dat hij veel geld verdient, zooveel as-die maar wil.

Amélie: Dat liegt ze.

Veuve Perron: In ellek geval heb ik veertien dage vooruit gekrege en kan ’k met de week opzegge.

Amélie: Ik heb mevrouw Stengevis gesproken mama—u weet wel, die ’t jongste kind twee jaar gehad heeft, en die heeft me schàndelijke dinge verteld. Ze mot zóò de hoer hebbe gespeeld met Jan en alleman dat j’r versteld van staat. En wat ’n schooier van ’n kerel om van hààr te leve en van de cente van d’r man in Amerika!

Charles: Allemaal gelul! Kwaadsprekerij.

Amélie: En weet u waarom ’k hier gekomme ben, mama?

Veuve Perron: Nee, dat weet ik natuurlijk niet.

Amélie: Gisteravond waren Sophie en d’r man bij ons...

Charles: O, je assurantie-zwager?

Amélie: Hou nou is èffen op—je maakt me misselijk, zeg!... en toen kwam ’t gesprek op wat hier an huis gebeurt, en toen zei de man van Sophie dat-ie niet wou dat ze hier an huis kwam, zoolang hier ’n getrouwde vrouw met ’n anderen man leefde—god-allemachtig: ’n vrouw met twéé kindere!—Waar haalt ze de brutaliteit vandaan?—Toen zei mijn man da’k ook niet meer naar u toe mocht... God, mama, u heb toch altijd uw kamers fatsoenlijk kunne verhure an artiste: wil u dan met geweld uw goeie naam wegsmijte?... Strakkies heb u kans van schandaal voor uw deur als die diamantsmaus op komt zette!... Ik zeg u da’k níét meer bij u kom eten en Sophie ook niet. Wij wille niet met die hoer an ’n zelfde tafel zitte...

Charles: Godverdomme wat ’n kak! De dames wille niet meer komme dineere voor ’n kwartje! Nou zijn we gesjogte, mama!

Veuve Perron (schuchter): Wat kan ’t jullie nou schele? Ik heb de kamer an Georgine verhuurd en ’r gebeurt, voor zoover ik weet, niks ònfatsoenlijks. Is Georgine netjes of niet, Charles?

Charles: Wel ja! Ik kan die verdomde kak niet uitstaan. Zij hóúdt van d’r minteneur en jullie niet. Da’s ’t onderscheid en verder ontloope jullie mekaar geen flikker!

Amélie: Ik ben ’n vrije meid en als ’k morge de dag met Van Balen wil trouwe dan tróúwt-ie me! Ik stel me niet op gelijke lijn met dat schepsel. Wat zeg u, mama? Verbeel je!

Veuve Perron: Ja, dáár heeft Amélie nou weer gelijk in.

Amélie:... En als Sophie en ik u met moeite in uw huur tegemoet komme, mama, dan wille we toch ook ’n woordje meeprate over ’t verhure van de kamers. U zou ’r wel ’n rendeevoe van kenne make.

Veuve Perron (schuchter): Wat ben je overdreve! Georgine betaalt me goed. Ik heb veertien dage vooruit. Ze klaagt niet over de kost en... én... ze is toch ’t kind van me ouwe vriendin. Hebbe jullie niet met ’r schoolgegaan als kleine kindere?

Amélie: Vroegere vriendin! God, mama, wat ’n gekles! Heb-u zóóveel vrindschap van die juffrouw Casper ondervonde? Geld leene en geld leene. U mot nóg geld van d’r hebbe van voor tien jaar. Van zóó’n partijtrekken snap ik de kloote.

Veuve Perron: Ja, da’s waar.

Amélie: En u weet drómmels goed, dat die vent nòù bij d’r is. Strakkies heb u ’t zelf gezegd.

Veuve Perron: Heb ik dat gezegd? Hoe kàn ik dat gezegd hebbe? Hoe wòù ik dat gezegd hebbe? Ze gaat ’s avonds naar bed en meer weet ik niet.

Amélie: Waarom loope de kindere dan alleen op de gang?

Veuve Perron: D’r staat ’n éénpersoonsbed in de alkoof.—Nou? Nou?

Amélie (proestend): Goddorie die vin ’k goed! Slapen ze op ’t bed van Charles?

Veuve Perron: Hou toch ’n beetje je bek!

Amélie: Nou ga ik is an ’t beschot luistere.

Zacht frou-frou van kleeren aan de andere zij van ’t beschot.

Charles: Toe, schei nou uit met je geneuk! Jullie scheppe hier de peentjes op alsof je wònder wat inbrengt. Jij ben toch ook maar de betaalde hoer van Van Balen!

Veuve Perron: Nóú, nou, nòù, Charles!

Charles: Wel ja, wat bliksem!

Veuve Perron: Stil. Daar is Leentje van boven.

Geklop aan de andere deur.

Veuve Perron: Binne!

Leentje Plas (schreeuwerig): Kijk ik is.... Zoo Amélie, bè-jij daar? Wat zit je al vroeg in je zij!.... Kijk ik me is ’n schelvissies gekocht hebbe!.... Wat denk je da’k ’r voor betaald heb?

Charles: Vier schelvissies.... ’t Zijn magere hoor!.... Twee dubbeltjes bij mekaar.

Leentje Plas: Ben je besodemieterd! Twee dubbeltjes!.... Zulleke schelvisse als jij, god zal me krake: Hahaha! Hàhaha-a-a!

Veuve Perron: Daar mag je vijf en zeventig cente voor betaald hebbe.

Leentje Plas: Nee. Geen cent meer as vijftig cent of ’k mag hier dood blijve zitte.

Charles: Wat mot jij met víér heele schelvisse doen, Leen? Wille jullie je ’n beroerte vrete?

Leentje Plas: Daar doen we twéé dage mee. Om twaalf uur maggie ’n boterhammetje met lèver bij me komme hale as je zóét ben, hoor! Hahaha!

Charles: Leen kan jij zien wat ’n mannetjes en wat ’n vrouwtjesschelvis is?

Leentje Plas: Ach, verrek! Ze hebbe àllemaal pikkies! Hahaha! Hàhaha!

Charles: Nee! ’n Wijf-ie drijft met d’r buik bòven as ze dood is! Hohoho!

Leentje Plas: Háhaha! Háhaha.... Dan ben ik ook ... hàhaha! ... dan ben ik ... hàhaha! ... dan ben ik ’s nachts in me bed ook ’n dooie schelvisch! Hàhàhà! Hàhàhà!

Veuve Perron: Hou toch ’n beetje je gemak. Georgine slaapt nog!

Leentje Plas: Slaapt ze nog? Wacht ’k zal ’r is optrommele. O nee, hè? Da’s waar òòk!

Amélie: Ziet u wel, mama, da’k gelijk heb. Juffrouw Plas weet ’t óók al.

Leentje Plas: Wat heb jij nóú weer, zijje madam?

Amélie: Mijn man en die van Sophie wille niet meer dat we hier an huis komme, zoolang mama die Georgine logeert. Zeg nou is je opinie, juffrouw Plas. Zal niet elkeen ’r schande van spreke die ’t hoort—je kamer verhure an ’n getrouwde vrouw met twee kindere die ’t met ’n ander houdt?

Leentje Plas: Wou jij hebbe dat alle getrouwde vrouwe, die ’t lekker vinde om is met ’n ander naar bed te gaan, op ’t politieburo moste slape? Háhàhà! Nee, díé is goed! Wat steekt ’r voor schande in? Bèn jij belazerd! Wat hebbe die kerels van jullie ’n kouwe kak op d’r lijf!

Amélie: Wees u nou asjeblief niet zoo ordinair.

Leentje Plas: ’n Drol an me hiel! Wat jij, Charles! Wat gaat jouw Georgine an! Als elk zich bemoeit met z’n eige vuil komme d’r geen groote hoope!

Amélie: Nou, mama, ik heb ’t u gezegd. Wij geve u niet meer an de huur, als u ... als u ... enfin u wéét ’t.... Is dàt schoon water?.... ’k Heb weer zoo’n rotsmaak in me mond.

Charles: Wij late ons geen wette voorschrijve—ben jij bedonderd!

Veuve Perron: Stil nou, Charles, maak nou geen onnoodige ruzie.

Leentje Plas: Kom-ie strakkies je boterhammetje hale, Sjarles?

Charles: Ja, èngel.

Leentje Plas: Goed, schat.

Charles: Dag, rozeknop!

Leentje Plas: Verrèk! Rozeknop! Zeg liever blomkool! Háhaha! Hàhaha! Rozeknop! ’n Rozeknop in me aars! Hàhàhà!

Georgine werd wakker van ’t gelach. Haar oogen, groot in het witte gezicht, keken slaapdronken rond.

„Dag Alf! Da-à-àg....”

„Suscht! Suscht voor de mense in de andere kamer.”

„O ja.”

Ze stond op, kleedde zich half aan, liep naar achter om water te halen. Met ’t hoofd in ’t kussen, moe, toch-glimlachend, luisterde ik weer.

Leentje Plas: Zoo, Sorsien! Bè-je al op! Amélie wou je goeie morrege segge.

Amélie: Dag Georgien. Hoe maak jij ’t?

Georgine: Bèst en met jou?

Amélie: Beroerd. ’k Geef bloed op.

Georgine: Tètètètè. Maggie wel mee oppasse. Je ziet ’r anders góéd uit.

Amélie: Jij ook. Je bent dik geworden. Stengevis heeft gister je man gesproke.

Georgine: Ze wist toch niet da’k hier woon?

Amélie: Wel nee. ’k Ga effen mee naar je kamer, zèg.

Georgine: Nee. De boel is niet opgeruimd.

Amélie (scharrelend): Wat kan mij dat schele, ’k heb wel is meer slaapkamers gezien.

Georgine: Nee, je kan nou niet binnekomme.... ’t Is zoo vies ... strakkìès.

Amélie: ’k Zal niet rondkijke.

Leentje Plas: Goddoome wat sta jij de mense toch te belazere! Ze heeft nog niks anders gedaan dan kwaad van je spreke, Sorsien! ’k Kan dat gemier goddoome niet ankijke!

Georgine: Wát voor kwaad?

Amélie: Ach, dat liegt ze.

Leentje Plas: ’k Geef je zóó ’n slag in je smoel als je ’t wéér zegt, gepoeierd schijthuis!.... ’k Zal je strakkies wel alles vertelle Sorsien.... Is me dat ’n flapdrol van ’n meid! Jij ben me ’n sekreet hoor! Jassus!

De deur flapte dicht. Er was even stilte terwijl het water in de kan liep. Dan weer de stemmen:

Amélie: Mama hoe kan u dat ordinaire schepsel toch in godsnaam ontvangen. Geen wòòrd heb ik in je nadeel gezegd, Georgien—geen woord.

Georgine: Of ’r wat meer of wat minder over me gekletst wordt, daar geef ik niet dàt om! Laat u wat worst en wat eiere hale, juffrouw Perron? Haal u d’r maar zes en ’n stukkie kaas.

Veuve Perron: Kan je me nog an ’n daalder hellepe, Georgine?

Charles: Mama heeft de sleutel van d’r brandkast gisteravond bij Van Laar, nee ’t was bij Riche, verlore!

Georgine: Hè wat ’n mop! Hahaha! ’k Zal even ’n daalder hale. Nee Amélie, ’k kan je nou niet hebbe. Strakkies. Dag!

Amélie: Dag! De complimenten!

Georgine: An wie?

Amélie: An ... an ... nou as je zeker iemand is tegenkomt....

Ik was opgestaan, keek door de tulle gordijnen naar de regenachtige straat, naar de stinkgracht, naar de waskaarsen-fabriek. Georgine lei de kachel aan. In melankolieke ziening der dingen, ’t voorhoofd tegen ’t gordijn, soesde ik lang. Roetachtig, log, vaal van vormen in de grauwe regenlucht, hijgde de platte fabriek haar traag-bruine walmen. De hooge pijp-schoorsteen braakte rookrige kwallen; uit een zijpijp met hortende rukken siste de stoomdamp. Over het opene veld lagen de glimmende tonnen, zwaar van natte vetbuiken, op de binnenplaats spatte het water uit klakkende goten. Het overhaal-pontje stroef aan den ketting bewoog. Alles was loom-van-triestigheid. Roetbonkingen dwaalden het dak om, tonnen buikten in plassen.... Nou had je ’n man op de plaats.... Kijkt-ie is trappen in ’t water....—als-ie maar hééle schoenen heeft—anders natte kousen—natte voeten—z’n buis wordt zwart—kijk ’m nou staan, nou stáán.... Wat mot-ie? Ja, wat mòt-ie? Zoo nat. Zoo nat. Wat is dat allemaal nat. Wat is die plaats nat. Wat zijn die dakpannen nat. Wat zijn die tonnen nat.—Wat doet-ie nou?.... Hij mot ’n ton hebben.—Nee, hij mot in de schuit wezen.—Wat gaat-ie in de schuit doen?—Wat doet-ie?—Nou strijkt-ie z’n broek af.—Koud, om zoo te zitte.—Kijk de regen spettren in ’t water—’n tip van z’n hemd.—Wat is die schuit nat.—Zit-ie zoo maar in ’t water?—Doe je ook niet voor je pleizier.—Nou trekt-ie z’n broek op.—Z’n eene bretel—z’n andre bretel—gek—komiek.—Nou weer over de plaats.—Wat trapt-ie in plassen.—Voorbij de dakgoot.—Deur open—Deur open.—Deur dicht.—Niks meer.—Wat kruipt dat allemaal uit de aarde op, uit de natte, zwarte, vertrapte aarde.—De fabriek kruipt uit de aarde, de schoorsteen, de tonnen—alles kruipt uit de aarde, uit de nàtte, zwarte ààrde, uit ’t zwarte, gore water, uit de aarde èn ’t water.—Wat is ’t allemaal nát—allemaal zwàrt.—De grond is nat—de steenen zijn zwart,—de daken zijn nat—de schoorsteen is nat—de rook is nat—de tonnen zijn nat—’t overhaalpontje is nat.—Wat ’n nat Beest... Kijk dat Beest hijgen.—O wat is alles zwart en nat.—Wat spet de regen in de sloot.—Wat tikkelt ’t in de regenplassen op straat.—Wat ’n zwarte modder.—Wat ’n natte lantarenpaal.—Wat ’n natte takken.—Wat loopt die goot—tèk-tèk-tèk-tèk—O—wat slaat ’t nat en zwart terug—wat kletst ’t aan tegen je oogen, tegen je warme lijf—wat dompt ’t je in stilkijken—wat smeult ’t in je op als nat-brandende, stikkende spaanders—wat bekruipt ’t je met zwarte inertie.... Wat is ’t allemaal dierlijk, leelijk nàt, nàt—hoe komt ’t zoo nàt....

„Alf!”

„Ja-a.”

„Wat is ’r?”

„Niks.”

„Waar denk je an?”

„An niks.”

„Je denkt wèl an wat.”—Haar handen vuil van ’t kachelanmaken, slaat ze hartstochtelijk om mijn hals: „Waar dàcht je an? Waar dènk je an?”

„An niks, Mol.”

„Da’s niet waar. Da’s níét waar! Je hebt verdriet. Je wil van me af! Je wil van me af!.... Wij zijn je te veel!”

„Wie, wij?”

„Ik. De kindere. Ach toe, zèg dat ’t niet waar is.”

„Lieve snoet, ’t weer maakt je triestig. Ik dacht an niks bijzonders.”

„Dat zèg je maar. Dat zèg je maar. Ach ik heb zoo’n meelij met jou, maar ’k kan ’r toch niks an doen.”

„Wel nee. Jij ben mijn vrouw, mijn vrouw. Niet zoo’n gezicht zetten. Vroolijk! Vroolijk! Zijn wij jònge menschen? Wij lijken wel afgeleefde ouwetjes!”

„Wees jij dan ook wat vroolijk...”

„Ben ik niet vroolijk? Wacht ’k zal is even ’n hoogstand make. D’r is te weinig bloed in m’n hersens.”

„Wat ben jij ’n gemeenert! Zóó met je bloote beenen in de hoogte! Hahaha!”

„Je ziet da’k ’m nog dóé! D’r zit nog fut in me spieren. Laat ze maar opkommen!... Ik wil de kinderen strakkies híér hebben, hoor je?”

„... De kindere? Wat begin je nou?”

„’t Kan me niet schelen. ’k Heb Ka in geen tien dagen gezien. Ze moeten met ons koffie drinken. ’k Zou zoo wel bij ze willen gaan! Wat spelen ze?”

„Keukentje... Maar Alf—hoe kom je daar nou op!... Heeft niet de advocaat...”

„Laat mij maar gaan! Laat mij maar gaan! Als ’k gekleed ben ga ’k stilletjes weg en bel weer an. Dan zeg jij an Perron dat ’r ’n heer blijft ontbijte en dan ga ’k nà ’t ontbijt weg. Mag ik niet op klaarlichten dag ’n visite bij je make? O zoo! O zoo! Trala! Hoe is me uitvinding? Ben ’k niet geboren om advocaat te worden?”

„Als je ’t maar weet.”

„Ja ik wéét ’t, Mol, dikke Mol, vette Mol! Willen w’ is dansen?”

„God, wat ben jij in eens uitgelaten...”

Met z’n viertjes zaten we te ontbijten. Ka met haar kuitje op mijn knie. Veuve Perron lief, beleefd, was al driemaal binnen geweest om me te zíén. We hadden ’n feestmaal van worst, eieren en ’n blikkie sardines, da’k was wezen koopen. Leentje Plas kwam beneden met ’n bordje warme gebakken schelvisch, goedhartig, nábabbelend, ruw-van-lach. De kinderen smulden. Ka had schelvisch, sardientjes, worst en een gebakken ei op haar bordje. En als een heerlijke, schaterende zonneplassing doorbabbelden de kinderstemmetjes de kamer, druk, schelletjes, blij-dat-ze-zoo-lekker-aten.

„Ga u nou weer weg, oome?”

„Strakkies.”

„Hou u dan niet meer van ons?”

„Ik hou zooveel van je als van taart, als van koek—als van bruidsuikers—als van chocola!—Nou? Hou ’k nou van je? Maar hou jij van mij, Ka?”

„Nou-nou,” zei ’t volle mondje.

„Hoeveel?”

„Zooveel als van—als van—als van mamma.”

„Maar hòù je veel van mamma?”

„Nou-ou!”

„En jij Toos?”

Toos kon niet praten. Haar mond was te vol.

„Wat stop jij die kindere, Alf!”

„Nou wil ik! Onze bankjes zijn nog lang niet op!... Hou je van mamma, Toos?”

„Ja, oome.”

„O mamma wil ik u is wat vertelle? Oome Sjarles die het gezegd”...

„Je mag niet klikke, Ka.”

„Nou-ou as-die zegt da’k zoo léélijk ben”...

„Dat ben je ook.”

„Niewaar, Ka.”

„Waarom magge we nou ’s morges niet binnekomme?”

„Omdat mamma slape mot.”

„Nou-ou vroeger lag u toch altijd bij mamma”...

„Zeg d’r nou Alf dat ze dat nìèt meer zegt—zoo’n kind zou alles kunnen verklappen.”

„Néé. ’k Leer ’r niet liegen.”

„Wat ’n onzin! Mot ze dan an elkeen”...

„Laat ’r maar babbele... wat hebbe jullie gespeeld, jonges?”

„Keuketje.”

„En schooltje”...

„’k Heb d’r versies geleerd, oome.”

„Heb jij an Toos versies geleerd? Wat ’n knappe meid.”

„Mag ze is opzegge, mamma?”

„Ja, zeg jij is op dikke To.”

„Nee-ee. Nee-ee. ’k Heb nog zoo’n hònger.”

„Laat ’r dan eerst maar ete. Wat èèt dat kind. Wat eet dat kind!”

„Ik heb óok honger, mamma.”

„Hoe komme jullie zoo te ete! Beware wat ète die kindere!”

„’s Middags krijge ze ook niet te veel. Je moet de porties vleesch is zien! Om zoo van je bord te blaze.”

„Proost, Ka.”

„Proost, oome.”

Het was de ouwe aardigheid om met de kopjes „te klinken”. Toos wou ’t dan ook.

„Proost, oome.”

„Proost, Toos.”

Met haar schelle kinderstemmetjes babbelden ze tusschen ’t eten door, tot Toos haar versje opzei.

„Nou mot u is hoore, mamma”....

„Nou dan.”

„U... u... u...”

„Hè, ze weet ’t niet meer, oome. Zal ik ’t is doen?”

„Nee. Toos moet ’t doen. Zeg maar de eerste regel.”

„D’r ware drie eendjes in ’n pontje... Nou, weet je ’t nou verder, Toosie?”

„Ja. Jà-a-a! Jà, kind,” zei Toos beleedigd en met het eiermondje begon ze:

„D’r waren is drie eendjes op ’n pontje ’t Eene dat hiette Bòntje ’t Tweede dat hiette...”

„Gontje...”

„Ja, kind. Ik weet ’t wel!...

„’t Tweede dat hiette Gòntje En ’t derde klisklasklepeldeklontje En dat vond is ’n klontje En die wou ’t niet geve an Bòntje”...

„God, god, wat ben jij toch óók ’n engel van ’n kind,” zei Georgine, Toos in eens beetpakkend en haar vertroetelend.

„Ik ben nog niet klaar, mamma!”

„Ze is nog niet klaar! Wat ben je toch dom Georgine! Hoor je dat dan niet! Ze is nog niet klaar!”

„... Enne toen... enne toen:

„En toen nam Bontje ’n steen, En gooide d’r mee naar klisklasklepeldeklontjes been Wel foei, Bóntje!” zei Gòntje Neem jij ’n steen?? En gooi je d’r mee na klisklasklepeldeklontjes been???”...

„Prachtig! Heel mooi!” En nou ikke ’n versie, hè oome?” Ja. Nòù Ka!”

Ons aankijkend met haar teerblauwe oogen, lacherig, draaiend met ’t pinkje, haar teer pinkje, zei ze háár versje, ’t versje dat ons dee denken aan de benauwde angstnachten toen ze ziek lag.

„D’r was is ’n mannetje dat was niet wijs. Dat bouwde z’n huissie al op ’t ijs ’t Begon te dooie en niet te vrìèzè Toen most-ie z’n huissie ver-lie-ze”...

„Weet je wie dat mannetje is, Ka?”

„Nou-ou.”

„Da’s oome... Dat ben ik”...

„Hè! Niewaar! Sliep uit! Sliep uit! U mag niet jokke”...

„Nee. Dat mag ’k net niet”...

„En nou ìk weer ’n versie, hè oome?”

„Ja. Nou Toos-ie. Maar ’n móói versie”...

En weer klepelde ’t falsetstemmetje, zilver van inzet, kleurig als kristal in zonlicht...

„Bom-Bam-Beiere... De poes die lus geen eiere... Wat lus ons poessie dan... Spek uit de pan... Daar wordt ’t poessie vèt van...”

„Heel mooi! Heel mooi!”

„En nou ikke, hè, mamma—Luister u nou oome”...

Maar ’r kwam ’n brief met de post, uit Den Haag, van Georgine’s moeder. Het was weer ’n typische komma-, punt- en hoofdletter-looze brief.

Den Haag.