Part 34
„Kerel, wèès nou toch practisch,” zei Dirk, Guus was uit de stad. Hij èn Karel kwamen ’n avondje verpraten, dat wil zeggen ’n avondje nà elf uur. „Hóór je, Alf?”—riep Georgine.—„Jawel, jawel.”—„Je kunt nou eenmaal niet alles theoretisch doen,” beredeneerde Dirk achter z’n biertje: „je kunt wel ziekelijk droomen, maar van droomen eet je niet en mèt droomen worden jullie àllemaal nog ongelukkig.”—„Jawel! jawel!”, zei ik onverschillig.—„O zoo,” meende Karel: „toen ik geen engagement had ben ik sigaren gaan maken! Jij met je eeuwig: jawel!”—„Jawel! Jawel!” herhaalde ik.—„Wor nou is ernstig, Alf.”—„O, ik ben akelig, volkomen ernstig.”—„Of jij rèdènèèrt”—hield Dirk aan—„of jij redeneert als Brugman, je moet met de praktijk rekening houen... Jij zegt dat de man-met-het-kontrakt niet zoo dwaas zal zijn z’n vrouw òp te eischen, nou ze niet meer van ’m houdt en ’n ànderen man genomen heeft—dat is kul! Kul! God, kerel wees toch niet zoo volslagen idioot. Je móét en je móét naar ’n advocaat.”...—„Ach loop heen!”—„Met de politie kan-ie Georgine èn de kinderen laten weghalen—Ja, de kinderen!”—„O, got, Alf, de kinderen”—„Ik ga naar geen advocaat” zei ik voor de zesde maal: „Ik dóé ’t nìèt. Denk je da’k zoo fielterig ben om ’n vrouw en kinderen te pròcèdèèrèn?... Is ’r dan nog ’n menschenmarkt!... Zijn jullie getikt! Is ’n vrouw eigendom!... Zijn levende, ademende kinderen, die straks d’r èìgen denken hebben eigendom?... Is ’r geen vrije wil?... Is ’r geen liefde?... Ik verdòm ’t!... Ik pròcedèèr niet. Wat hebben ze te maken met mijn huwelijk! Is huwelijk uit- of inwendigs?... Denken jullie dan is na!... Maar dènk dan toch is na! Zijn onze twee vrije willen allemansgoed?... Is liefde ’n ding dat anderen, anderen met ruwe knobbelknuisten te doorknejen hebben?... Ik verdòm ’t!... Ik neem geen advocaat!”...
„Allemaal kul,” zei Dirk verstandig-bot: „hou jij die redeneering tot den commissaris van politie, als-ie Georgine en de kinderen naar d’r man terugbrengt.”
„En zijn ’t niet zijn kinderen?” vroeg Karel, met ’n oogknippen als:—„wat zeg je dáártegen?”
„Nee ’t zijn háár kinderen,” ontkende ik woest: „stel jij ’n vrouw gelijk met ’n stuk land waarin je maar zaait?”
„Goed en wel”—zei Dirk: „je móét ’n advocaat nemen. Laten we annemen dàt d’r man in de stad is, dat hij gaat rechten, dat hij wettelijk je pooten bindt. De rotte wetten zijn ’r nou eenmaal! Wees jij ’n Don Quichote!”...
„Ach lieve Alf, luister toch naar goeie raad!... Wees niet zoo eigenzinnig... Mot ik me kinderen kwijt raken?... Ach lieve engel láát je toch rajen”...
„Nee! Nee! Nee!... Genegenheid verdedigen met advocaten, deurwaarders, exploten, vonnissen!... Laat ze stikken in d’r stratenhorizon! Moeten we nóg eens praten over het huwelijk! Is ’t niet bedonderd genòèg dat we vastzitten aan ’t wettenzoodje, dat ’n vrouw eigendom is zooals ’n akker, vruchten aan den man-zaaier heeft op te leveren zooals ’n akker, voor de rest liggen blijft voor ’t geen ze is! Ja, al schud jij nog zoo je kop, Dirk, ’t kan me geen bliksem schelen. Ik word elken dag ’n tikje wijzer. ’t Is om te vloeken dat je met je beetje levensgeluk machteloos staat, met handen-en-voeten-gebonden aan de wetten-van-het-bezit!”...
„Nou,” lachte Dirk: „jij dòèt nog al als ’n machteloos mensch! God zal me kraken! Jij brengt jé zuivere vrije liefde in praktijk! Wat wil je meer?”
Op dat woord „vrije liefde” viel ik aan als een stier op een rooie lap. Máánden had ik over de verhouding van Georgine en mij nagedacht, maanden getobd om uit den warwinkel van „theorietjes” te komen.
„Nou nog eens voor ’t laatst, Dirk,” zei ik ernstig: „nog eens voor het àllerlaatst zal ik je mijn meening zeggen. Wie op dit oogenblik van „vrije liefde” praat, zwetst, kletst, wauwelt den gruwelijksten onzin”...
„Argumenten!”—viel hij in de rede.
„Die zul je hebben en plenty! Wat Georgine en ik gedaan hebben is een zuiver revolutionnaire daad geweest tègen de drukkende huwelijkswetten. En we móésten wel. We móésten. We móésten. Dáár valt niet tegen te redeneeren. Maar geloof jij dat er één liefde vrij kan zijn als het fondament van de tegenwoordige maatschappij modderkluit blijft? Als ik denk aan de misselijkheden, de ploertigheden, de patserigheden, waarmee Georgine en ik dagelijks te maken hebben—zij duizendmaal meer dan ik!—geloof jij dan dat er iets, ook maar iets, iets vrij’s is aan ons hokken in dit of dat kamertje? Vrije liefde is een zeepbel, een nonsenspraatje, een van die slappe, kwalachtige burgerlijke idealen, waarover ongetrouwde juffrouwen op theekransjes leuteren. Daaraan heb ik nóóit, nóóit geloofd. Maar jè vrije liefde, je wèrkelijk vrije liefde krijg je eerst als de vrouw èn de man maatschappelijk zelfstandig kunnen leven, de vrouw ònàfhànkelijk van den man, beiden los van het Bezit, èn als de huwelijkswetten zóó vereenvoudigd worden, dat de wil van den man òf die van de vrouw voldoende is om het „kontrakt”—je kontrakt!—te verbreken. Laat me nou even uitpraten. ’k Ben er dàdelijk!—De vrije liefde komt eerst mèt de overwinning der socialisten na eeuwen. Want je krijgt géén zuivere verhouding tusschen man en vrouw dan op zuivere economische basis. Daarom is het burgerlijk geleuter over vrije liefde èn het geknoei van „vrije vrouwen” èn hét wurmen van honderd en een vereenigingen voor „rechten en belangen van de vrouw” werk van achterlijke dames, knoeiers, suffers, burgerlijke wereld-verbeteraars. Willen we ons beetje levensgeluk niet heelemaal vertrappen, dan móéten we wel—als ’t nóódig is voor het huwelijk—anarchistisch, krachtig anarchistisch optreden—maar voor een duurzame verbetering voor een ieder bestaat maar één middel: sluit je aan bij de socialisten met de beste taktiek—sluit je aan bij de nieuwe levensbeschouwing die de verouderde voortbrengingswijze aan den dijk zet!—De rest, ’t prullig debatteeren over de rechten van de vrouw, ’t blaadjes uitgeven voor de vrouw, ’t afzonderlijk ageeren voor de vrouw is geen cent waard, verzwakt, versnipperd. Er is maar één weg, een koninklijke weg, één weg en dien gaan Georgine en ik. En als ik ’t zou kúnnen, zou ik ’t van de daken schrééuwen, van de daken schreeuwen: Het socialisme is de éénige weg naar het zuivere huwelijk, de éénige, de éénige!”...
„Nou! Nou!” stuitte Dirk mijn wijzen woordenvloed: „wàcht dan met schreeuwen tòt je op de daken ben. De buren zullen denken dat ’r ruzie is!”...
Wij lachten, redeneerden voort, tot diep in den nacht. Maar op een gegeven oogenblik begon Georgine te huilen, maakte een eind aan het dor gepraat dat wonder veel begon te gelijken op het gesprek dat ik lang geleden met Scherp in de Bar had, vóór ik trouwde. Om háár gerust te stellen—de angst voor den man met-het-kontrakt achtervolgde haar—belóófde ik ten slotte te gaan hooren bij een advocaat zonder me tot iets te verbinden. Aldus geschiedde, dat den volgenden namiddag een onderhoud plaats had, dat men zou kunnen noemen een kluchtige „verhandeling”, waarin ik de niais-rol speelde. Ik geef het zoo weer:
Hoe ik vernam dat ik niets van het huwelijk wist.
Gegeven een advocaat. Gewone mise-en-scène, correct, veelwetend.
Ik, onnoozel, niais, wat je in boeren-hollandsch ’n dweper noemt.
Ik: (het geval breedelijk uitleggend—de advocaat breedelijk luisterend)
....!....?....??...!!!!!....?....?....?....?....?....?....?
De advocaat:—U is zeer onvoorzichtig geweest.
Ik:—Waarom?
De advocaat:—Ik zou u in de eerste plaats den raad willen geven u zoo spoedig mogelijk te retireeren.
Ik:—Te retireeren?
De advocaat:—’t Kan uw bedoeling toch zeker niet zijn, wat men noemt, te blijven hàngen aan die juffrouw, niet waar?
Ik:—Ik bemin de dame in kwestie, wil haar natuurlijk voor mij behouden.
De advocaat:—Jawel. Dat neem ik aan. Maar u komt om raad. En nu is mijn eerste advies dat het voor iemand van uw stand heel gevaarlijk is een liaison zóó te laten inwortelen. Dat noemen wij collage. Of wil u de dame trouwen?
Ik:—Ik heb haar getrouwd.
De advocaat:—Waarde heer, laten we ons niet van woordspelingen bedienen. De wet kent maar één huwelijk. Ik licht u over die wetten in. Voor iemand met uw reputatie als auteur...
Ik:—Laat u dàt rusten. Letterkundigjes zoo als er in Holland vijftig in het dozijn gaan, hebben geen meerdere reputatie dan ’n schoenlapper of ’n bakker.
De advocaat:—Mag ik voleindigen, waarde heer?... Voor iemand met ùw reputatie kan ’t toch niet gewènscht zijn met een gewezen chanteuse te trouwen, met de gescheiden vrouw van ’n diamantslijper. Ik vermoed dat uw ouders...
Ik:—Waarde heer, laten wij voet bij stuk houden en eens recht zakelijk spreken over de Wet. Mijn vrouw beweert dat haar vorige man nog „rechten” op haar en de kinderen heeft. Is dat waar?
De advocaat:—Waarde heer, u maakt op mij den indruk dit geval niet au serieux te behandelen. U spot er mee. Hoe heet die man?
Ik:—Isaac Davidson.
De advocaat:—En de dame?
Ik:—Georgine Casper.
De advocaat:—Het zal dus worden Davidson contra Casper, tenzij de dame zelf redenen heeft haar man aan te vallen. In dàt geval zou de zaak voor mij gemakkelijker zijn en zou ’t natuurlijk Casper contra Davidson zijn. Heeft hij haar ooit geslagen?
Ik:—Nee.
De advocaat:—Heeft hij haar kwaadwillig verlaten?
Ik:—Nee.
De advocaat:—Heeft hij haar in bijzijn van getuigen gescholden, beleedigd?
Ik:—Nee.
De advocaat:—Heeft hij overspel gepleegd?
Ik:—Natuurlijk.
De advocaat:—Zijn daar bewijzen van?
Ik:—Nee.
De advocaat:—Leg u mij dat eens uit. Misschien vind ik bewijzen.
Ik:—’n Man die jaren van z’n vrouw weg is scharrelt àltijd òf in bordeelen òf met hoeren van den publieken weg.
De advocaat:—Waarde heer, dat zijn vermoedens. Ik geef toe dat ’n man... Maar judiciair beteekent dat niets. De man zal dus aanvallen, tenzij hij mogelijk, te oordeelen naar uw afschildering, een zoodanig karakter heeft, dat er met hem te pràten valt—ik bedoel dat hij op zekere voorwaarden zijn vrouw toestaat hèm aan te vallen waardoor zij de kinderen behouden kan...
Ik: ... Dat ik u in de rede val: waarom spreekt u van de kinderen? Zijn die niet van de vrouw?
De advocaat: (hartelijk lachend)... U is werkelijk grappig. De kinderen zijn van den man. Natuurlijk van den vader.
Ik:—Waarom?
De advocaat:—De wet kent alleen vaders. ’n Man is eigenaar van z’n kinderen.
Ik:—En van z’n onechte kinderen?
De advocaat:—Die kent de wet niet. Onechte kinderen behooren aan de moeder. ’n Vrouw heeft geen bezittingen wanneer zij in gemeenschap van goederen gehuwd is.
Ik:—Géén bezittingen?
De advocaat:—Nee. Davidson kan alles van z’n vrouw, haar koffers, haar goederen laten weghalen—tenzij de kamer op ùw naam gehuurd is.
Ik:—Heb ìk óók rechten op de bezittingen, op de koffers, op de goederen van mijn vrouw?
De advocaat:—Uw vrouw?... Uw vrouw?... O ja!... Nee!... Zooals u lééft, heeft uw vrouw eigen rechten.
Ik:—Welke rechten heeft dan de wettelijk gehuwde vrouw?
De advocaat:—Haar man moet haar en haar kinderen onderhouden, mag geen overspel plegen—en zoo voorts.—Maar in het algemeen kent de wet alleen vaders, vaders, vàders. Bijvoorbeeld, waarde heer—Davidson kan uw „vrouw”—u ziet ik spreek in uw termen—dwingen in zijn woning terug te keeren en als zij of u of ’n ander niet op eerste aanvrage de kinderen uitlevert, kan zij of u of die ander een zware straf ondergaan wegens onttrekking van minderjarigen aan het vaderlijk gezag...
Ik:—gezag?
De advocaat:—gezàg.
Ik:—gezag??
De advocaat:—aan het vàderlijk gezag.
Ik:—En als de dame in kwestie van mij een kind had?
De advocaat:—Dan bestaat, zooals gezegd, het vaderlijk gezag niet.
Ik:—Staat dat allemaal in ’n huwelijkskontrakt?
De advocaat:—Als u wilt: jà.
Ik:—Als de menschen dan niet vóélen, welke logica is er dan in dit alles?
De advocaat:—Mag ik nu ook eens vragen om voet bij stuk te houden?—Als Davidson wìl en de mogelijkheid is niet uitgesloten dàt hij wil—dan kan hij u en de dame aanklagen en u een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden doen ondergaan. Zoo is de wet.
Ik:—Is zóó de wet?
De advocaat:—Ofschoon weinig fatsoenlijke advocaten van dat artikel gebruik maken.
Ik:—Dat valt mee.
De advocaat:—En denk u er aan dat wanneer hij echtscheiding gaat pleiten, uw dame alleen wettig domicilie heeft bij haar man. Er is geen verplichting een exploot aan haar persoonlijk te beteekenen. Alle stukken kùnnen door den man ontvangen worden. Het is volstrekt niet zeldzaam dat een vrouw die op reis is, bij haar thuiskomst in de krant leest dat zij van tafel en bed gescheiden is. De wet kent alleen den man [3].
Ik:—Dus een vrouw die in dezen tijd „wettelijk” trouwt, versjaggert haar lichaam, haar kinderen, haar eigendommen, haar vrijen wil aan een man?
De advocaat: ..... Dat zijn wat sterk-gekleurde uitdrukkingen. Wie in het huwelijksbootje stapt moet rijpelijk overwegen.
Ik: .... Huwelijksbootje?.... Rijpelijk....
De advocaat:—Ja, ja.
Ik:—Maar ’k meende te weten....
De advocaat:—Waarde heer, u weet absoluut niets van het huwelijk. U zit in ’n leelijke strik waar wij u moeten uithelpen.
Ik:—Zit ik in ’n leelijke strik? Wéét ik nìèts van het huwelijk?
De advocaat:—Absoluut niets.
Ik:—Vin u ’t leven geen gekke boel?
De advocaat (vrindelijk):—Ik vin u een weinig geëxalteerd. Als we ons nu tot het geval bepaalden?
Ik:—Met genoegen. Het geval. Het geval. Ik wist niet dat de regel Servi et feminae inepti ad dicendum testimonium van vóór Christus nòg bestond.
De advocaat:—Die bestaat ook niet meer.
Ik:—O, O. Mag ik nog ’n paar vragen doen, waarde heer?
De advocaat.—Wat wou u weten?
Ik:—Denkt u dat wat ze ziel noemen bij ’n vrouw ànders is dan bij ’n man?
De advocaat:—Waarde heer, er wachten meerdere cliënten in de wachtkamer. Op ’n andere keer, wanneer ik meer tijd heb, wil ik wel eens met u over de vrouwenkwestie—u is zeker feminist?—debatteeren—maar nu dienen we ons tot het geval te beperken....
Ik:—Nog een páár inlichtingen. Tusschen haakjes met feministerij hou ’k me niet bezig.—Ik begin te begrijpen dat de vrouw onder brave curateele staat: ’k heb ’n achterneef—die is ook idioot.—Dus ik heb niets in te brengen in ons geval?
De advocaat:—U?.... U?.... Van u is geen spràke. Als Davidson vúíl tegen u wil optreden, laat hij u ’n tijdje brommen.
Ik:—Dus ik, de man die de genegenheid van de vrouw, ook die van het oudste kind heb,—ben ’n quantité négligeable?
De advocaat:—Precies. Maar laten we nu eindelijk eens practisch worden. U wilt dus per se aan de zij van de dame blijven en het geval niet beschouwen als ’n jeugdig uitstapje?—Als u zich bijtijds retireert krijgt u geen vrouw (misschíén ’n vrouw met twee kinderen) op uw dak....
Ik:—Mijn dak is voorzien van een borstwering opdat er geen bloedschuld op mij kome, wanneer er iemand afvalt [4].
De advocaat:—Héél aardig. Heel aardig gezegd. Dat kunt u in een uwer boeken te pas brengen. U wilt dus ridderlijk aan de zij van de dame blijven. Dan raad ik u het vonnis bij verstek te laten gaan: nìèt op te treden voor de kinderen.
Ik:—??
De advocaat:—Dat u voor de vrouw wilt zorgen ... à la bonne heure ... ik zou ’t niet doen ... maar dat u—permiteer mij als raadsman met véél levensondervinding, de uitdrukking—dat u óók de kinderen wilt behouden—is ’n dwáásheid, is jeugdige overmoed. Als u na ’n jaar of na ’n paar jaar die liaison verbreken wilt om die of die reden, zit u met de kinderen opgescheept!.... Kinderen waarvoor u dan ’n moreele verplichting hebt aangegaan. We zullen dus èlk idee om voor de kinderen op te treden laten schieten.
Ik:—Waarde heer: ik stel u nóg eens de feiten, dat ik raad verlang om de vrouw èn de kinderen te behouden. Laten wij dus van dàt idee en van niets anders uitgaan.
De advocaat:—Mij wel. Ik meende u vrindschappelijk te moeten wijzen op.... Mag ik nu vragen of de eischer eventueel bewijzen zal hebben van het overspel?
Ik:—Natuurlijk. Wij hebben maanden lang samengeleefd op één kamer.
De advocaat:—Jawel. Maar zijn er getùìgen dat u er ’s nachts gebleven is?
Ik:—De barbier en z’n vrouw.
De advocaat:—Zijn die te bewerken om d’r mond te houden, zoolang ze niet onder eede gevraagd worden?
Ik:—Dàt geloof ik niet en dat wil ik niet.
De advocaat:—U móét meewerken anders is u de kinderen positief kwijt, let wel kwijt. Wat ik tot nu toe hoor doet me gelooven dat de zaak reddeloos verloren is. Alleen door handigheid kunnen we misschien wat bereiken. Hebben de barbier en z’n vrouw behalve hun vermoedens éénige zekerheid dat u ’s nachts daar bleef? U hebt me straks verteld dat de huisdeur altijd open stond. Hoe kunnen ze dus onder eede verklaren dát u ’s nachts in de kamer van de juffrouw gelogeerd heeft? Nietwaar, dat is een punt van strategisch belang.
Ik:—Elke morgen poetste de barbiersjongen m’n laarzen.
De advocaat:—Die kunnen wel van de juffrouw geweest zijn.
Ik:—Nee. Ik heb maar één paar met scheefgeloopen hakken. Ze hebben ze me zien aantrekken.
De advocaat:—Lastig. Lastig. Hebben ze meer bewijzen—hebben ze u wel eens in bed gezien of in uw hemd?
Ik:—Eens in me hemd, toen ’k ’n agent van de Singer-naaimachine uit de deur wou smijten.
De advocaat:—Wat artisten toch ráre menschen zijn.
Ik:—’k Ben geen artist. Asjeblìèf geen artist!
De advocaat:—Zijn die barbier en z’n vrouw u goedgezind?
Ik:—Ze zouen ons kunnen vergiftigen. Dat helpt.
De advocaat:—Enfin het geval lijkt mij hòpeloos. Er zal misschien kunnen bedongen worden dat uw naam niet in de stukken genoemd wordt, wat voor u aangenamer is, wanneer u later eens trouwen wilt.... Ik veronderstel maar! Mijn hemel, ’t is ’n suppositie!.... Of wanneer u later de dàme in kwèstie huwen wilt. Anders zie ’k ’r weinig in. We moeten afwachten. Afwachten wat de tegenpartij doet. Wilt u niet bij verstek laten gaan, wilt u procedeeren om de kinderen, dan zult u voor kosten als anderszins ’n vier honderd gulden dienen te deponeeren.... U begrijpt ... u begrijpt ... het is geen zaak van wantrouwen ... maar ... máár.... Wilt u nog trachten wat te doen voor het behoud van de kinderen?
Ik (strak):—Alles.
De advocaat:—Dan moet u niet meer bij de dame komen tot de man wèg is. Dan kunnen we hèm misschien attakeeren.
Ik:—Niet mèèr bij mijn vrouw komen?
De advocaat:—Het is om de kinderen te doen.
Ik:—En wat nog meer?
De advocaat:—Vóóral, onder geen omstandigheden u meer vertoonen bij den barbier. De mogelijkheid bestaat dat de tegenpartij u zal bespieden als u er ’s avonds heengaat.
Ik:—Dat kàn. We kunnen verhuizen.
De advocaat:—Nee, waarde heer, niet „we”. U moet zoolang voorloopig apart gaan wonen. De dame mag u óok niet bezoeken. Denk toch eens aan flagrant délit.
Ik:—O ja.
De advocaat:—En dan afwachten, afwachten.
Ik:—Ja, afwachten, afwachten.
De advocaat:—Anders is u in ieder geval de kinderen kwijt. We moeten het teerste stroohalmpje aanvatten. Zoo. Nu zijn we wat meer practisch geworden.
Ik:—Dus in wat de wet huwelijk noemt mag ’n man stom, idioot, ziek, verslaafd aan drank, onanist, ruw zijn, mogen man en vrouw elkaar met anderen bedriegen als ze ’t maar hándig doen, wordt van liefde niet gesproken? Ook niet van vrije wil?
De advocaat:—De wet bemoeit zich alleen met maatschappelijke verhoudingen, met den rechtstoestand, met....
Ik:—En over de kinderen heeft de vrouw niets te zeggen?
De advocaat:—Als de man onwelwillend is, néé.
Ik:—Dus het matriarchaat is gereduceerd tot de speen, tot de luren, tot het bàren....
De advocaat (wijs):—Precies.
Ik:—Dan hebben bastaards ’n moeder, stadhuiskinderen ’n vader. Kijk, al mogen bastaards dan niet in de vergadering des Eeuwigen komen tot in het tiende geslacht [5]—dan zijn zij en hunne moeders te benijden—vin u niet, waarde heer?
De advocaat:—Weer héél spitsvondig. Maar houdt ù zich nu aan mijn advies, om tenminste een kánsje te hebben in deze verloren zaak.
Ik:—.... Gek!.... Gek! (opstaand en den stoel verzettend gelijk een niais doet)... Ik dàcht wat af te weten van het huwelijk....
De advocaat:—Nee u weet er hoegenaamd niets van.
Ik:—Dat zie ik.
De advocaat:—U had er niet het flauwste begrip van. Is u nu wat wijzer geworden, waarde heer?
Ik:—Ja, ik ben wijzer geworden.
Aldus was het gesprek met den correcten, welwillenden advocaat. Onderweg, met mezelf pratend, ré-dé-née-rénd, besloot ik „àlles” te doen voor Kaatje, voor Toosje. Het leek mij een wreed, grùwlijk doen in ’n man om baldadig kinderen aan eene moeder te ontnemen.
Even aanwippen bij Doedelaar om met Georgine te overleggen. Maar hòè? Wàt zou ze zeggen. Zou ze ’r niet wanhopig onder zijn? En maakte ze zich niet véél te vroeg ongerust? Zat die man nog niet rustig en wel in Amerika? Vlug liep ik het gangetje door, den winkel voorbij. De glazen voordeur was wéér op slot. Nog eens klopte ik en nòg eens. Er werd niet opengedaan. Frits, de barbiersjongen, dee de winkeldeur open, keek me bête aan.
„Zoek u de juffrouw, meneer?”
„Is de juffrouw uitgegaan?”
„’n Dik uur geleje.”
„Wat is dàt nou, tegen etenstijd!”
„Ies mijneer Spier daar?”—, schreeuwde de barbier van beneden.
„Ja mijneer!”
Doedelaar kwam het trapje halfwege op. Z’n gezicht bleef in schemerdonker.
„Die joeffrou die ies uitgegaan, mijneer.”
„.... Uit?.... Uit?....”
„.... Met die twee kiendere.... Of u wou komme bij die vriend van u.... Hoe heet-die mijneer ook weer?.... Bij.... Bij ... ’t ies een mijneer die zoo gróót ies en zoo hard altijd praat—zoo een met een briel op....”
„.... Bij Dirk van Leeuwen?”
„Juist! Juist!.... Bij von Leeuwen.... Stoem van mij.... Iek wiest dat ’t ’n Löwe was, hèhèhè!”....
„Heeft mijn vrouw niks anders gezegd?”
„Nee—zij zei alleen maar wij ete van mieddag niet thuis, want die vrouw van die mijneer die moet jarig zijn, niewaar Friets? Heb jij ’t ook niet gehoord?”
„Ja, daar had z’n briefie van gekrege.”
„O. Dank u.”
„Mot u niet geschore worde? U ziet ’r smèrig uit.”
„Ja da’s goed. Scheer me eventjes vlug en laat Frits wat sigaren voor me gaan halen in de Van Wou. Dan kun je ’r zelf een opsteken.”
Terwijl Doedelaar me inzeepte, kreeg ’k ’n listig gevoel over me, zoo iets dat ’n joodje moet gevoelen als hij sluwtjes rotte sinaasappelen voor gàve verkoopt. Die vent en z’n vrouw moest ’k natuurlijk op mijn hand zien te krijgen, ’t Was wel liederlijk-vernederend om zoò’n individu ’n dienst te verzoeken—maar vòòr de kinderen—vòòr de kinderen—en maatschappelijk zìjn in dezen benauwden tijd was nu eenmaal rotte sinaasappelen versjaggeren.
„.... ’t Spijt me dat we weg moeten gaan, meneer Doedelaar.... Waarom zijn jullie toch zoo raar geworden?”
„Raar?.... Met uw permissie.... Wij zijn niet raar geworde.... Maar die joeffrou, die joeffrou die het mijn vrouw toch zóó affrontiert....”
„Ach kòm!”
„.... Ja mijnheer.... Met die kwestie van die servet en die handdoek ... en einmaal met een pannetje dat mijn vrouw schoon naar boven had gegeven en dat zoo schmoetzig naar beneden kwam wie ... wie ... wie drek....”
„Nou ja.—Nou ja.—Allemaal kinderachtigheden.... Je moet ’t leven niet zoo.... Apropos.... Ik wou u wel ’n dienst verzoeken ... ’n dienst, waarvoor ik ’n honderd pop over heb.... Niet zoo hoog inzeepen....” Als een goddelijke ingeving viel mij het bezit der f 99.75 te binnen.
„.... Een hoendert pop?.... Een hoendert pop?.... Dat ies geen kattepies.... Maar, als iek vrage mag ... als iek vràge mag ... met hundert goelden smijte die mense zoo niet ... als iek vrage mag....”
„Nee, d’r zit niks verdachts achter. U is een té fatsoenlijk man om iets ònnets te willen....”
„O zoo.... Dat wou iek ook zegge....”
„Nee, als u dàt dacht....”
„Wij zijn,” zei Doedelaar inzeepend en zeer brááf van stemgeluid:—„Wij zijn arme lui, aber wat wij verdiene moet....”
„Natuurlijk. Natuurlijk. Ik heb u altijd een nèt man gevonden—nee dat is zoo, zonder complimenten....”
„Iek mag wel ies ein lolletje uithale, maar alles eerlijk—alles eerlijk....”
„Jawel, jawel.... Ik geloof toch niet dat u mij anziet voor iemand, die u òneerlijk geld wil laten verdienen? Nee, ’t geld waarvan ik spreek is voor ’n uitstekend werk....”
„Dan is die zaak ien orde.... Maar nou wou iek wol wete....”
„.... Hóú u van uw dochtertje?”
„Van Netje?.... Das ies ook een vraag!”
„Hou u véél van d’r?”