Kamertjeszonde

Part 33

Chapter 333,925 wordsPublic domain

Ze zeggen dat vaderliefde is liefde van ’n pa voor z’n (op ’t stadhuis behoorlijk geregistreerd) kind. Ik geloof en ik zeg dat er géén vaderliefde is. Gewóónlijk is vaderliefde een vorm van ijdelheid, een maatschappelijke trots op een naam, een náám. Liefde? Liefde! O liefde! Wat weten jùllie van Liefde!

Vaderliefde is ijdelheid èn stadhuis-verplichting. Waagt ’n pa z’n leven dan niet voor zijn kind? O ja. Voorzeker. Multatuli was óók ’n pa, redde zelfs z’n hondje. En ìk ken ’n meneer die ’n juffrouw uit ’n bijt haalde—èn een met zes klewanghouwen en ’n lintje—Opoffering.... Zorgen.... Opvoeding.... Toewijding.... Vaderliefde, touchant, áándóénlijk. Zie historie. Zie ónechte kinderen. Zie bordeelen.

Een man heeft geen baarmoeder, geen lange, lánge pijnen, geen melk, geen warmkoestrend lichaam. Een man is de aanmatigende bijslaper van zijn vrouw. Natuur kent geen vaderliefde. Zie beesten en ongecultiveerde volken of omgekeerd.

Er is geen vaderliefde. Er is liefde voor één kind, voor het kind, liefde die groeit, gekweekt wordt door het gewoonte-leven. Je houdt van je dagelijksche lamp, van je dagelijksche broek, van je dagelijksche schoenen. Zoo hou je in meerdere mate of leer je houen van ’t kind, dat je élken dag ziet, hoort, waarneemt, waarvan je bent gaan houen omdat het ’t kind van je vrouw is. Maar in den beginne, melieven, hield je niet van dat poepende, zuurkwijlende, rooie, haarlooze wurm. Burgerlijk-lief-sentimenteel wer je aangedaan bij ’t zien van je vrouw in d’r kraambed. Je had een gevoel van gelukkige rust na de angsten der baring. Je was blij dat zij geen pijn meer had. Maar die indringer die je vrouw zoolang misvormde, daar voelde je alleen voor omdat-ie van je vrouw, omdat je vrouw—die ’r martelpijnen om duldde ’r zielsgelukkig mee was. En je vergeleek je zelf bij ’n leeuw en z’n welpen. Jij klootje. O zoo. Zie niet Natuur. Je plaatste ’n advertentie. Eerst toen ’r leven in ’t kind kwam, toen ’t niet meer ’n kind van làst, altijd warm-nat van onderen, altijd schreeuwend, altijd storend was, eerst toen z’n oogjes glansden van goudbloeiende geheimenissen en het stemmetje sprak, vroeg, vróég—eerst tòèn is ’r liefde gekomen, liefde die je even zoo, even groot, even waar, éven waarachtig, éven natuurlijk zou gevoelen, wanneer je simpelweg ’n kind in díé jaren, ’n kind in zijn prachtigste wordingsperiode zou hebben aangenomen of wanneer—gesteld je kwaamt van verre landen—je vrouw je belogen had en je kind ’t kind van ’n ander was. En, melieven, ge weet wel dat ge àllen egoïsten zijt, dat ge àllen moeite hebt uw geslachtsdriftjes te bedwingen, dat ge àllen uren hebt gehad van begeerige óógen en alleen maatschappelijk en huiselijk geharrewar—godzaligen, christenen, diakenen, pastoortjes en-meerdere-kamfergebruikenden staan natuurlijk ver boven deze aantijgingen—den domper zette op uwe smakkers-wellustjes.

Vaderliefde, zusterliefde, broederliefde, nevenliefde, tante-en-oomes-liefde is een ding zonder overheerschend-natuurlijken band. Er is liefde voor het ontwakend kind, voor het kind in de ontwakende jaren, liefde voor het leven dat uit mysterie-windselen breekt, liefde voor de oogen, de trekken, het geluid van het kind, zooals er bij niet-groven liefde kan zijn voor een luidloos-bloeiende kamerplant.

Weet dat ik van mijn vader houd; hij van mij. Niet terug te dringen is in ònze éérste gevoelens. Weet dat ìk houd van het kind van mijn vrouw, er van spreek als mijn kind, dat het mij vader zou noemen als ik ’t zoo wilde, dat het voor mij hééft de liefde van kind tòt vader.

En om dit alles, melieven, dat in uwe hoofden moge dringen, zult ge begrijpen dat wij dienen te spreken niet van vaderliefde, maar van Gewoonte-genegenheid van een man voor één kind.

Vóór was het stil geworden. Ik schreef m’n gedachtetjes op, niet omdat ’k ze zoo merkwaardig vond, maar om te trachten een eenvoudige waarheid te definieeren. Waarschijnlijk zou ’k ’t verder uitgewerkt hebben, ware Georgine niet wakker geworden. Het spreekt vanzelf, dat ze de verspreide velletjes met mijn wijsheden over vaderliefde las. Even zat ze stil, toen me verwijtend aankijkend zei ze: „Als je van me híéld, zou je dàt niet geschreven hebbe.”

„Niet geschrèven hebbe?”

„Nee.... Want ik verlàng, àltijd en àltijd, telkens weer, ’n kind van jóú, van jou—en als jij évenveel van me hield, zou je óòk ’n kind van mij willen hebben ... ’r niet zóó over denke.”

’t Was de eerste maal dat ze over ’n kind sprak. ’t Sloeg me tot droomerig nadenken. Als zij ’t zóó voelde kòn ’t wel juist zijn. Ik voelde ’t niet. Hoe kwam dat?

„En je hóúd ook niet van me”—, vervolgde ze warm: „’k droom niet ellek oogenblik voor niks, dat je van me weggaat!”

„Krijg ’k nou ook al uitbranders voor wat jij blieft te droomen? Droom níét!”, lachte ik.

In de alkoof hoestte ’t kind, minder-droog, toch met benauwde nakreunen. In eens zwègen we.

„Mamma!”....

„Ja, snoetje!”

De hoest kraakte in ’t borstje, duurde kort. De zieke was aan ’t beteren. Koorts was er haast niet.

En ook den volgenden dag ging Ka vooruit, teerzwakjes in ’t bedje, met buien nog van kregeligheid, maar ’t gevaar leek voorbij en ’k was ’r zeer gelukkig om, gelùkkig dat mijn blonde kindje weer druk en vroolijk was en naar m’n malle verhaaltjes luisterde met limpiede kinderoogen. Er gebeurde alleen nog dit in die dagen, dat ’k ’n slordig geschreven briefje kreeg.

„Beste Alf,

Mijn moeder is gister gestorven, zonder dat ik aan ’t sterfbed was.

In haast.—Scherp.”

XX.

EEN BRIEF. IK RAADPLEEG EEN ADVOCAAT. DE FAMILIE DOEDELAAR.

Wij zaten aan de ontbijttafel, toen Frits een brief binnen bracht. Georgine werd bleek, scheurde het couvert open, las, frommelde het papier in woede saam, viel snikkend met ’t hoofd op tafel. Ik nam het propje papier, streek het glad, làs:

Philadelphia.

Lieve vrouw en kinderen.

„Ofschoon ik nog altijd niet op tijd brieven van u ontvang, zoo moet ik u toch melden, dat ik verschenen Zaterdag een brief van u ontvangen heb en wel een brief zonder envelop ik begrijp u manier van brieven zenden in de laatste tijd niet enfin dit zal zich naar ik hoop wel ophelderen gij schrijft dat weinige wat gij mij schrijft zoo koud en gevoelloos dat ik er geen begrip van heb ik ben een heele week ziek geweest ziek was ik eigenlijk niet maar ik was zoo neerslachtig en koortsachtig gejaagd dat ik niet werken kon ik ben nu wel nog niet op streek maar ik kan ten minste weder een beetje werken de docter weet niet wat het is en ik kon hem natuurlijk niet vertellen wat ik gevoelde hij vroeg mij schertsend of ik verliefd was ik vertelde hem toen dat ik getrouwd was toen zijde hij nu begrijp ik het al je moet of je vrouw gaan halen of je moet in europa blijven, natuurlijk kon ik hem daar geen antwoord op geven, doch lieve Georgine ik ben besloten als ik over veertien dagen weder geheel op streek ben om je dan te komen halen lieve Georgine, het is dan ongeveer je verjaardag en dan breng ik je meteen een mooi goud horloge mede hoor en dan gaan wij een paar dagen uit de stad en dan gaan wij te samen hier naar toe het zal je uitstekend bevallen hier dat verzeker ik je nu lieve Georgine in de hoop dat ik u later meer daar van zal schrijven omhels ik u alsmede de kinderen

je liefhebbende I. DAVIDSON.

Georgine snikte, Ka begon van angst te huilen.

„Hij is al in de stad, Georgine,” zei ’k, met ’n plotseling voelen dat dit een leugenbrief was, dat hij àlles wist, dat hij géén veertien dagen gewacht had.—„O God, néé. Maak me niet angstiger”—„O mamma ... waarom huil u nou zoo?”—„Stil Kaatje”—Ik dacht na en ’n groote woede bonsde als ’n vloedgolf in me op.—„.... Georgine.... Heb je je man geschreven ... van òns?”....—Ze bleef snikken.—„.... Hoor je me!”....—Ze antwoordde niet.—M’n vuist stompte zoo driftig op tafel dat de kopjes en bakjes rinkelden.—„.... Heb je geschrèven, ja of nee?”....—Haar oogen keken me verschrikt an.—„.... Begin jij nou ook, Alf ... jùìst da’k je zoo nóódig heb?”—„.... Geef me antwoord!”....—„.... Ik hèb ’m geschreve”....—„Je liegt! Je liegt! Je liegt!” schreeuwde ik.—„O oome!.... O mamma!”—Huilerig klonk ’t kinderstemmetje, dat me nòg sterker irriteerde.—„Stil Ka! Hou je mond!.... Waarom belieg jij me?”—„Ik lieg niet”....—„Je liegt! En máák ’t niet erger!—Versta je! Versta je!”—„O God, wat ben ’k ongelukkig! Nou gaat hij ook nog tegen me opspelen! O, o, o! Was ’k maar dood, dóód!”—„.... Dat je nòù nog liegt!”, vervolgde ik driftig: „Dat je me àl dien tijd zoo gemeen, zoo godsgruwelijk gemeen belógen heb! Wat vin ’k dat beroerd en laag van jou!.... En de brief van die màn, die hier komt, niks van jóú weet, alles van ànderen!.... En ik, die hier sta als ’n inbreker, als ’n ploert, als ’n dief!.... Heb je daarom al zijn brieven verscheurd, zoodra je ze kreeg!.... Bah! Bah! Bah!”—„Ik was zoo bà-ang—zoo schrikkelijk ba-ang.”—„Voor wie? Voor wat?”—„Voor hèm.... ’k Dorst niet schrijven”.... „Je dorst niet! Je dòrst niet? Wèl dorst je mij beliegen vier, vijf, zesmaal, da’k je gevraagd heb, of je éérlijk met díé man omging”....—„Ach God—schei nou uit! Schei nou uit! Heb je dan geen meelij met me.... Ik was zoo ba-àng. Dat kun jij niet begrijpen.... Ik was àltijd zoo ba-ang ... dat-ie me zou kommen vermoorden!.... Ach-God, lieve Alf ... vergeef ’t maar ... vergeef ... ’t... maar”...—Zij zoende mijn hand, mijn hand, die nat van heete tranen werd.—„Nou geloof ’k je nooit meer,” zei ik ontmoedigd, diep terneergeslagen, „in niks meer! Gèk, die ik was! Gèk om te meenen da’k jou opgeheven had.”

„.... O! O!”, huilde zij, hartstochtelijk-snikkend: „schei nou uit!.... ’t Leven is toch zoo náár.... Hou nou op!.... Laat me niet in de steek!”—„Wie spreekt ’r van in de steek laten?.... Wat zeg je nóú weer voor viesheden?.... ’k Zou ’r om kunnen huilen dat je me zoo belogen heb—dat je me zoo nàkend laat staan.... Als die man nóú, dàdelijk, binnenkwam ... zou ’k met m’n houding geen raad weten ... zou ’k staan als ’n gewone, scharrelende pàtser!.... En jij die weet hoe ’k liegen háát, háát, háát, dat ’r niks èrger voor me op de wereld is!....”—Zij snikte met ’t hoofd in de handen. Ka zat met angstig pruil-bakkesje.—„.... Alf!.... Alf!.... Waarom zeggie me dat alles nóú,” weende ze: „.... Wil je da’k me dan verdrink!....”

Mijn woede zakte. Kijkend door de ramen hoorde ik haar snikken, snikken als zuchten uit een grijze verte. Goor zwart lag ’t kippenhok in ’t zwart kale tuintje. Kippen kakelden, bepikten den zwarten grond. De hond van den barbier met drillende, platte, weeke tepels snuffelde rond. Aan de overzij, triestig in de fletse lucht, stompte de roode-steentjes-muur op, ramen, kozijnen èn horretjes èn roode gordijntjes èn tuindeuren....—„Ik was zoo ba-ang,” begon zij weer achter me: „zoo vreeselijk ba-ang.... Dat vat jij niet... Als ’k ’m schreef dacht ’k dat ’r ’n end zou kommen an àlles....”—„Had je dan zoo weinig vertrouwen in me....”—„Ach, ach, ik vertrouw je álles ... maar ’k ben zoo bàng voor de dingen....”—„Wèlke dingen?”—„.... Voor dè dingen ... dé dingen.... ’k Kan ’t je niet zeggen....’k Weet ’t niet.... La-me nou niet in de steek, Alf!.... ’k Ben toch góéd voor je.”—„Daar dènk ’k niet an.... Huil toch niet zoo!.... Is ’r nou zòò iets verschrikkelijks gebeurd?.... Geef me ’n zoen.... En lieg niet meer ... nóòit meer! ... nóóit meer!.... Hoor je me?”—„Nooit meer! Nooit meer!”—We zwegen even. Toen zei ik rustig, in zèkere voor-voeling: „Hij is in de stad.”—„Wel néé,” schrikte ze.—„Hij is ’r, zeg ’k je.... Die veertien dagen is niks dan ’n smoesje.”—„Geloof je?”—„Zèker.”—„Dan blijf ik hier geen minuut meer.... Hij weet ’t adres.... En die huisdeur die altijd òpen staat.... Is de voordeur op slot?” riep ze angstig.—„Als je zóó begint, ben je goed op weg! Je blijft híér. We zullen kalm afwachten....”—„Als je maar geen oogenblik van me weggaat,” smeekte ze, bleek van angst.—„Malligheid.”—„Ach toe, Alf!”—„Dwaasheid. Die man doet je niks. Die màn-mèt-het-kontrakt!.... Wil je me nog ’n boterham snijden?....”—„Hoe kún je nou eten!”—„Ik heb trek. Wat zeg jij Ka?”—„Ikke ook, oome.”—„Niet met twee hande eten, groote meid.”—„Is pappa terug, oome?”—„Je pappa....?”—„Hou je mond, nest! Je mag niet meepraten als groote mensche spreken, hoor je!”, verbood Georgine.—„Nou-ou!....”, protesteerde het kind.—„Níét zoo met ’r omgaan, Mol!... Hou je van je pappa, Ka?”—„Van pàppa?... Ja, niewaar, mamma?... ’k Mòt van me pappa houe, niewaar, mamma?”—„... Van wie hou je meer, van je pappa of van mij?”—„Van ù, oome...”—„... Wil je liever van mamma en oome weg en naar pappa toe?”—„Nee-èe. Nee-ée!... Bij ù en mamma blijve.”—„Als ’k je nou ’n prachtige pop geef,” hield ik aan: „zóó één, kijk is: zóó een: wil je dan niet liever naar je pappa en van ons wèg, hè?... Wil je dan?”—„Nee-éé!... Nee-éé! Bij u blijve!...”—„Hou nou op, Alf, anders gaat ze nog huile.”

’s Middags kwam ik terug van ’n boodschap, klopte aan de deur die op slot was. Georgine keek door ’n kier naast het gordijntje, maakte open. Haar oogen waren rood-gezwollen van huilen.—„Wat is ’r? Wàt heb je?”—„D’r is zóó’n scène geweest! Zoo’n scène... ogotogot!”—„Met wie?”—„Met dat krèng, met die Stengevis!”—„Is die hier geweest?”—„... Waarom ben je niet thuis gebleven!...”—„... Wat is ’r dan!... Dag, Toosje... Kom jij weer is met Ka spelen?”—„Nee, Toos blijft ook hier.”—„Blijft Toos hier?”, vroeg ik verrast.

„Ja. Ze blijft, ’k Wou niet meer hebben dat zij d’r meenam. ’k Heb zoo’n meelijden met jou! Zoo’n meelijden met je!... Da’k je al die last andoe!... Twee kinderen!... O, wat is ’t leven toch èrg!”—„Wil je me nou liever vertellen wat ’r gebeurd is!”—„... Vreeselijk!... Verschrikkelijk!... De politie is ’r an te pas gekomen!... Nou zie je hoe droomen uitkommen!... Jij, die in niks gelooft!... Hè’k tóén niet gedroomd van paarden van de tram die me wouen bijten!... Zoo’n schandelijke herrie!... We kunnen hier niet blijven wonen, hoor! Als je dàt maar weet!.... We moeten weg, hoor?.... ’t Is hier onmogelijk geworden...”

„Vertel ’t nou asjeblief kálm. Niet zoo opgewonden...”

Zij probeerde rustig te vertellen, maar bij momenten werd ze gejaagd, moest ’k haar wenken om kalmer te zijn.

„... Nou moet je verbeelden... Hè, ’k kan haast niet praten van zenuwen... Nou moet je verbeelden dat ze om twee uur met zoo’n opgestreken zeil komt om d’r geld... Ze most ’n week of vier of zoo iets hebben. ’k Zeg tegen d’r me man is d’r nou niet, kom van avond terug. Hé’k ’r nòg niet twee weken geleden vijf dollars gegeven?... Toen begint ze me op te spelen... Net of ’t mensch gek was. „Wèlke man, wèlke man,” zegt ze: „jij houdt ’r zoo’n bóél mannen op na.”—„Zeg is, ben jij dol, zeg ik—waar bemoei jij je mee? Is ’t je niet genoeg àls jij je cente krijgt?” Daar begint ze me te schèlde, te schèlde te gemeen om te herhalen—die koppelaarster!—en te schrééuwen! Hou je smoel, zeg ik. Denk ’n beetje an de mense?... Maar ze déé ’t ’r om, die vuilik, ze smeet ’r alles uit. Ze had gehoord dat Isaac weer naar Holland kwam en nou wou ze d’r cente.—Van wie zou ze ’t gehoord hebben? Van wie? Daar maak ’k me ongerust over? Van wíé zou ze ’t weten? Van me schoonmoeder? Of zou hij d’r zelf geschreven hebben? Wat denk je? Vin je ’t niet vreemd? Wàt dénk jij?”...

„Vertel eerst af”...

„... Ze wóú d’r cènte hebben. Ze was bang dat ze ze anders van de een en van de ander niet zou krijgen... Mensch, zeg ik: hou je fatsoen, denk toch an de bùren. D’r is vóór ’n winkel... Kom van avond, dan zal Spier je betalen!... Nee, ze ging niet weg. En weer an ’t schelden en an ’t schelden op jou, dat jij zoo’n kale rot was, dat ik te stom was om voor de duvel te danse da’k met zoo’n armoedzaaier de hoer speelde—dat waren d’r eigen woorde! Hoe vin je ’t? Wat zeg j’r van? Is ’t niet beestig! Hè?—da’k ’t zoo goed had kunnen hebben als ’k met die resident—hoe heet die vent ook weer?—die Vermeulen als huishoudster naar Indië was gegaan!... Toen wer ik woedend en schold ik háár uit... en háár man... die lummel die d’r helpt om de wasch te boenen!... En toen zij d’r bovenop!... Alles flapte ze ’r uit! Alles wat ze maar van me wist!... Want ze wist àlles, àlles... En daarvoor was ’k bang... Maar nou bèn ’k niet meer bang voor d’r!... Nou hè’k ’r ook de waarheid gezegd!... Van Barend... van die bankierszoon! Van die officier van de marine, alles schreeuwde ze hard op, expres-hardop, dat ze ’t benejen zouen hooren, dat ze ’t zouen hóóren... Dat serpent... Dat varken!... Dat me half op de verkeerde weg heeft geholpen met d’r raadgevingen!... En toen die vuilik benejen, die pestmof alles goed had afgeluisterd, toen kwam-die binnen en begon ook op te spelen, dat ’r klanten in de winkel waren, dat ’t ’n schandaal was!—Geen énkele klant was ’r! Op me woord van eer—’r was ’r niet één. Dat loog-die. Dat zoog-die uit z’n duim om binnen te kunnen komen. En toen ging die Stengevis nog is an ’t vertellen en an ’t schreeuwen en toen zei ik dat als ze me kamer niet afging, ’k ’r d’r af zou smijten. God, ’k was zoo woedend. ’k Had ’r kunnen vermoorden. Die Judas. Dat wijf. Dat kreng om alles zóó te schreeuwen dat die vuiliken benejen ’t konden hooren!... En toen die mof weer. Of ’t nou god-hier-en-daar gedaan was, dat z’n heele affaire verliep—’n affaire!—Wat heeft-ie te doen? Anderhalve klant! ’n affaire! Og ’n affaire! ’k moet lachen als ’k ’r an denk!—dat-ie van z’n huis geen hoerekast maakte! Wat zeg je dààr van? Nou wat zeg je dààr van? Zoo’n vuilik!... En z’n vrouw ’r ook bij en hèm an ’t opwarremen. God, god wat ’n schandaal!—Toen begon die Stengevis mijn partij op te nemen—heb je ooit zoo’n geschiedenis gehoord?—en de mof uit te schelden dat-ie ’r geen bliksem mee te maken had, dat ’t in alle geval mijn kamer was en dat als zij ’m gehuurd had, zij wel zou weten wat ze zou doen. Dat zal ik jou dan is late zien, zei de mof en toen zond-ie Frits om ’n agent. O Jezis, Alf! O God, Alf! Die krèngen. Om zoo tegen me op te staan als jij ’r niet ben—om me zoo de dampen an te doen. Ka en Toosie an ’t huilen toen de agent kwam. Toen zei de agent: wíé is hier de baas. Dat ben ik zei Doedelaar. Dat liegt-ie zei Stengevis: ’t is de kamer van de juffrouw. Nou toen wer ik woedend. Was ik begonnen? Had ik de herrie uitgelokt? Had ik ’r niet zesmaal verzocht om op te donderen. Nou toen zei ik—en daar heb ik nou nóg plezier van—in godsnaam, de kogel is door de kerk: „Agent, zet dat wijf van me kamer!” Toen vroeg-die eerst nog an Doedelaar of ’t goed was en Doedelaar—die man was half-krankzinnig van drift—die schreeuwde: D’r aus! D’r aus! D’r aus met de heele hoereboel!—Stengevis die was zoo wit als ’n lijk—als ’n lijk!—En weer an ’t schelden. Maar toen moest ze weg voor de agent en toen ik de deur op slot gesmeten!... O! O! wat ben ’k ’n ongelukkige vrouw!... Alles komt op één dag!... Wat ’n ellende!”

Ka en Toos zaten stil in ’n hoekje, beduusd door ’t gesnik van Georgine. Ik bracht haar tot kalmte, klopte den barbier op. Wit van ingehouden angst-opwinding, met blauwige zenuwtrekken onder de oogen, kwam-ie binnen. Volmaakt-rustig, uit de hoogte, met iets in m’n stem dat ’m op ’n afstand scheen te houden, zei ik: „... Meneer Doedelaar—mijn vrouw vertelt me dat ’r straks ’n kleine onaangenaamheid gebeurd is...”—„Kleine onaangenaamheid,” zei hij verrast... „kleine onaangenaamheid! Noem u dat...”—„Pardon. Ik verzoek u mij te laten uitspreken... U is te veel man van de wereld om niet te weten hoe ’t hoort. Straks is ’r ’n kleine scène geweest...”—„Iek hab die partij van die joefrou auf genommen.”—„Daar dank ik u wel zeer voor. Wil u ’r nota van nemen dat ’k u de huur opzeg tegen eind van de volgende maand”...—„Dadelijk, Alfred” viel Georgine mij in de rede—„Stil... we zullen eind van deze maand vertrekken... dan kunt u twéé maanden ontvangen... Tot zoolang zult u wel zoo beleefd willen zijn de vormen tegenover mijn vrouw geheel in acht te nemen, niewaar?”—„Natuurlijk. Wel zeker. Iek moet”...—„Pardon. Ik verlang ’r niet over te redeneeren. U heeft me góéd verstaan: volkomen de vormen in acht te nemen, tegenover deze dame, anders zou ’k verplicht zijn... Maar u is te veel man van de wereld om mij niet tout à fait te begrijpen”...—„Alle respekt voor ù mijnheer. Alle respekt. Van u zal iek altijd met lof spreken, maar die joefrou, die joefrou...”—„Permiteer me te zeggen, dat ’k nìèts benieuwd ben naar uwe opinie over mijn vrouw”...—„Laat u mijn nou ook eens uitspreke, asjeblief mijnheer”—„Ik zeg u dat u eind van de maand twee maanden huur betaald krijgt. Anders heb ik met ú niets te bepraten.”—„Ja maar, jawel mijnheer... iek wou u toch ook eens zeggen”...—„Mag ik u verzoeken?”—„Mijn goed! met die kale kakkie! Als iek mijn huur maar bekom!”

Bradend—vóórzichtig-bradend in de kaantjes van zijn drift, retireerde hij. Beneden werd hij dapper, laaide z’n barbiertjespassie op, schreeuwde hij heldhaftig dat ’t uit was, uit. Ik was in ’n te gemoedelijke stemming. Met de twee kinderen op m’n knieën speelde ’k van haken en oogen—tikke takke toge—goudpapier—tierelierelier.—„Wat ben jij ’n vreemde man,” zei Georgine, voor de zooveelste maal: „trek je je nou van niks wat an, of hoe heb ik ’t met je?”—„Malle Mol: van barbiertjes kan ’k me vandaag niks aantrekken. Ik ben minstens ’n halven dag wijsgeer. Ik heb ergens hónderd pop losgewerkt. Hónderd pop, hoor je? En geen Doedelaar is in staat ’n zoo zeldzame vreugde te bederven!”—„Heb je honderd gulden?”, vroeg zij verrast.—„Honderd! Negen en negentig gulden vijf en zeventig cent. ’k Heb ’n kwartje sigaren gekocht”—„Wat een uitkomst! D’r staat twintig gulden bij de kruidenier an de overkant èn...”—„Bederf jij nou me pleizier niet!... Nà ’t eten asjeblief!... Hoe was ’k met die mof?... Deftig, hè?... Prachtig, hè?... Net alsof ’k mezelf in ’n boek hoorde spreken... En nou geeft Ka me ’n lekker bittertje, hè?”—„Ja, pappa”...—„Mag je niet zeggen”...—„Mamma het ’t me gezegd”...—„Dan heeft mamma zich vergist”—„Hè toe, laat ’t ’r zegge... Jij ben zoo goed, zoo’n goeie engel voor ons allemaal”...—„Nee, jongens, wel?... Ik ben jullie oome, jullie oome met negen en negentig gulden vijf en zeventig cent... en wil jij je wel is niet op je hoofje krabbe, Toos!”—„Kakkie... Hoereboel”... lijsde van onder op.—„Als ’k hier wegga boor ’k ’n gaatje in de waterleiding! Dat tuig!”, zei Georgine, wraakzuchtig.