Kamertjeszonde

Part 31

Chapter 313,858 wordsPublic domain

„Huilè! Huilè! Jij, huilè! Trane die ’k an me kont veeg, komedietrane! Gemeene patser om je hande van me af te trekke!... Om me in de steek te late met me kind, om me te late vrete van me èìge verdienste!... Ja, ráák me is an! Raak me is an! Je ooge krab ’k uit je smoel dat je de eerste maande niet kan optreje!... Blijf van me lijf, Dirrek... Bemoei je d’r godverdomme niet mee!... Zoo’n judas!... Zoo’n màkkero!... Gemakkelijk, hè, je te late voere door die ouwe hoer en mijn zèven jaar te late opdraaie voor ’t kind!... Je ben niet waard met strònt gesmete te worden, vuile verdommeling!... Zóó denk ik over je! Zóó!”—En in de paroxysme van haar woede, die ze niet heelemaal te uiten dòrst door luiduit, gillend schreeuwen, spuwde ze hem een slijmkwal tegen z’n zwart-deftige pels.

„God-ver-dom-me!” brulde Meijer heesch, z’n geganteerde vuist opdreigend;... „vuile hóér!”...

Dirk greep hem bij z’n arm. Verwoed rukte Meijer zich los. Met ’n scherpe klàk viel de hooge hoed op den grond.

„La-me los, Dirrek! Godverdomme la-me los!...”

„Wees jìj nou verstandiger!”

„Toe nou! In Godsnaam, Meijer!”

„Mot ze me spóége, dat kreng, dat varreke! Ben ìk de herrie begonne?...”

„Jij vùì-lik! Jij vùìlik!”—drensde Duif, uitraspend de woorden in zenuw-woede-op-toeval-af—„Jij vùì-lik—durf jij je smoel nog open doen?—Ga is bij je kind as je dúrref.—Kijk d’r is in d’r ooge!—Heb ik ’t vrete niet uit me bek gespaard?—Heb ik d’r kleere niet gekocht, d’r grootgebracht?—Wat wou jìj... Wat wou jij?—Me vuil is nog te goed voor jou!—Denk je dat ik van jóú nog wat mot?—’k Vreet liever me nageboorte!—Van jòù? Van jòù?—Màkkero! Màkkero!... Bij Mast zitte en flesse wijn bij je vrete zuipe, hè?—Je mòt me is anrake!... Puh! Puh!”—Hijgend, nog altijd ingehouden-krijschend, spuwde ze weer naar hem, zonder te raken.

„Toe nou Duif! Jezus denk toch an je kind!...”

„Laat ’m nou door! Wat geve die verwijte.”

„... Laat-ie dan z’n smoel houe! Laat-ie dan z’n smoel houe!...” uitraspte Duif, opgewonden, buiten bezinning...: „wat doe ’k die mán, wat dóé ’k ’m!... Wat-wil die kerel van me!... Die vuile sodemieter!... Die lazersteen!... Die flikker! Die kèrel! Die kèèèèèrel!”

„Verrék jij maar!”—heeschte Meijer, driftig fluisterend, met diepe ademhijgingen na elk zinnetje... „had’r an mij gelate!... ’k Zal jóú onderhoue, hè?... Dat jij alles verzuipt!... Dronken hoer!... Heb je me beste jaren niet verpèst!... Heb je Stien niet gehoue om ’r voordeel van te trekke!... Heb ik ’r niet wille grootbrenge?... Z’is beter zóó... God hoort me!... God zal me vloeken!... Jij had ’r ’n lèl, ’n hoer van gemaakt... zooals jij zelf ’n hoer ben!.... zooals je zèlf ben!.... Zeg dat ze opdondert, Dirrek, anders pak ’k ’r in d’r strot!”

„God, Meijer, hou je toch in!”

„Schame jullie je niet!”

„Ja, bij God, da’s ’n schànde!”

„.... Raak me is an! Raak me is an!.... ’t Is mijn huis, vuile makkero!.... Kom is an me lijf!.... Kom is an me!.... Oe!.... Oe!.... Oe! Die kèè-rel!.... Die kèèèèèrel!.... Oe! Oe! Oe!”

Haar ingehouden galmen braakten over in vette strotbrullingen. Voor de deur viel ze op den grond, de handen krampachtig vastgewroet in de haren. Haar oogen glansden wijd-open. Uit den vierkant-verrimpelden vleezigen mond rauwde het gorgelend strotgebrul, dat in de halfdonkere kamer als dierlijk gejammer rondkrijschte.

„Hòù dan toch je bèk, Duif”, smeekte Dirk, gedempt: „denk toch an de bùre!” Z’n sterke armen schudden haar heen en weer.

„Ze heeft ’n toeval,” zei Meijer, stroef, die haar van ouds kende.

De juffrouw van boven klopte juist an, duwde de deur tegen den vleeschklomp op den grond, wrong zich door de deurkier, knielde meê.

„Ach gotogot!.... Het de stumper ’n toeval!.... Ach Jeesis!.... Ze hield ook zooveel van die Stíén!.... Ach gotogot!”....

Ze snoot haar neus van aandoening in haar paars schort, begon Duif in de handen te kloppen.

„Late we d’r bij òns brenge,” zei Dirk.

Met hun vieren droegen ze Duif naar de voorkamer, waar het rauw gekrijsch zwakker weerklonk.

Ik ging licht-bevend naar de bedstee, keek naar het waswit doodehoofdje, vermarmerd in ’t slappe kussen, schoof de gebloemde gordijnen voor het schemervierkant. En gaande naar de voorkamer trapte ik tegen den hoogen hoed op den grond.

Thuis wachtte Georgine, ongerust, erg nerveus om Ka, die naast Netje in de gangbedstee, bezweet, hoogrood te woelen lag, telkens benauwde hoestbuien had. Doedelaar en z’n vrouw waren dadelijk na mijn vertrek begonnen met sarren. Den heelen avond hadden ze gezongen, lawaai gemaakt.

„Dat zal ’k ze mòrgen wel inpeperen,” dreigde ik.—„Ik ben zoo ongerust! Zoo ongerust! De hond benede heeft strakkies zoo akelig gehuild.”—„Klee je nu maar uit....”—„En die dood van Stientje!....—Als God mij nou eens stràfte, Alf, voor m’n slecht gedrag!....—„Wèllek slecht gedrag? Heb je je iets te verwijten?”—

„Ben ’k dan geen slèchte-vrouw!” huilde ze greiend-nerveus.

„Slècht? Slècht? Wàt slecht?”

„Da’k met jou lééf.... ’n Getrouwde vróúw met twee kindere!.... Als God me is in me Kaatje stráfte!....

„Kom!.... Schei uit met je gekheidjes!.... D’r valt nìks te straffe!.... Je ben volkòmen eerbaar! Wat zit je te prakkizeeren? Moet ik je tèlkens weer uitpraten de stomheid van andere menschen?.... Mozes was ’n kwibus toen-die zich zoo’n zòtte voorstelling maakte van ’n God met tien gebodjes!.... Maak je maar niks angstig. Morgen zal ’k ’n dokter halen, hè?.... En wat zeg je van de scène bij Duif?—Schrikkelijk, hè?”

„Ja, vreeselijk.—Hoor je Ka hóéste? Zou ’k er bij ons in de alkoof neme?”

„Doe dat liever morgen.... Anders vat ze nog kou. Licht uitdraaie? Leg je?”

In bed begon ze nóg eens, tobbend, ongerust, opgeschrikt door Stientjes dood.

„Weet je wàt ’k goddelijk zou vinde, Alf?” vroeg ze zacht-pratend onder de dekens, de volle warmte van haar jong lichaam tegen mij aan.

„.... Nee, wàt?” vertrouwelijk-fluisterde ik.

„.... Als ’k vannacht dòòd bleef in je arme”....

„Zoo. Héél aardig”.... zei ik toonloos, met de plotselinge visie van het lijkje—één lijkje.

„.... Dood te gaan in jouw arme, terwijl je nog van me houd....,” klonk het diep-moedeloos.

„Heb je nog méér onzin?”

„.... En dan jij over mij an ’t huile, schrikkelijk huile.... Wat zou me dat goed doen....”

„.... Egoïst!”....

„.... Jij zou wel weer ’n àndere vrouw vinde.... Wees nou niet kwaad, liefje.... Ik zou ’t zoo héérlijk vinde.... in jóúw arme ... en jij over me treure ... ’n tijdlang ... en dikwijls gaan naar me graf met bloeme ... wat héérlijk ... wat héé-éé-éér-lijk ... niks meer te make hebbe met die vìèze wereld ... niks met die mense benede ... niks met de mense buiten ... niks met me màn ... niks met àlles.... Als ’t zoo donker is, voel ’k jou als ’t éénigst ... en wat kan ’r héérlijker zijn dan bij dat eenigst inslapen, zooals ’k nou leg ... nooit meer wakker worde, nooit meer al die vijànden zien ... nooit meer ... nooit meer....”

Ze kroop weekwarm tot me op, inslurpend het grijsloome van ’t stil-liggen in nachtdonker.

„Voel je niet? Voel je niet?”—, vroeg ze vleiend, bijna stem van een angstig kind.

„Ja ja,” zei ik fluisterend, héél zacht, héél voorzichtig-fluisterend, pogend te antwoorden, klankjes-zeggend—om ònafgeleid achter de voelbaar-droge oogleden te denken aan háár genegenheid die de mijne óvergroeid scheen. Want, vaag-melankoliek, als een zwaar-droevige aanwuiving, meende ik te voelen dat hààr doods-visie van een gelukkig, naïef, burgerlijk-sentimenteel verlangen was—, de mijne nog geen berustenden vorm had; dat ik voor hààr wereldcentrum geworden was, doodsgedachte in haar armen, hier in de alkoof benauwenis, als eene schrijning van wanhoop in m’n moe hoofd rondwaarde. Te liggen in ’n alkoof als Stientje, als marmerkindje in grauwen kamerschemer.... En ik trachtte, luisterend naar Georgine’s adembeweeg, óók een vorm te vinden, ’n vorm van dood. Maar moede menschen kùnnen dat niet. Helwakkere levensvreugde is noodig voor krachtig berusten in sterven. In ’n alkoof, ’s nachts, met ’n barbiertje onder je, òòk in ’n alkoof, ’n barbiertje, ’n doodskoppig barbiertje, kun je niet, kùn-je-niet, gáápt zwarte duizel-leegte met witwassen hoofdje op peluw van zwarte haren. O néé. O alsjeblief néé. Bij dàg er over denken, bùìten, bij den Amstel, bij watergeklots, blarengesuis ... en dan zèker zijn—zeker—stèrk-zèker....

„Hoor je Ka hoeste?”

„Ga nou slape, kind!”

„Leg jij met je oogen òpen of toe?” vroeg zij weer.

„Wáárom vraag je dat?”, schrikte ik.

„Ik weet ’t niet.... Ik lag al dien tijd met m’n oogen open te kijken naar jòù—zònder dat ik je zag—en tòch dat ik je zag—gèk, hè? Gèk!”

„Ik lag met m’n oogen toe.”

„.... Dan zie je allebei éven veel, hè?.... Gèk is toch alles.... Heb je an mij liggen denken?”

„Ja....”

„Zou ’k opstaan om Ka dicht te dekke?”

„Nee. Blijf nou rustig.... ’t Zal wel niks zijn.”

Maar ’t wàs wat. De dokter, mijn ouwe „vrind” Bax, die me gratis helpt omdat ’k „artist” ben—Merde!—beklopte ’t borstje, Ka zat op mijn schoot te huilen.

„O! O! Oooo!.... Niet doen!.... Mamma! Mamma!.... Niet an me komme!”

„O, wat ’n kinderachtige meid,” suste Bax vrindelijk.

„O, mamma!.... Màmma!.... Hij wil me snijje!.... O mamma!....”

„Welnèe, snoet,” zei ’k lachend, ’t bloot lichaampje vasthoudend.

„Niet kloppe!.... Oome laat-ie niet kloppe!”

„Geef ’t ’r even in d’r hande, Bax. Ze is bàng voor je hamer. Kijk nou eens, domme meid.... ’t Is ’n hamertje.... Sla mij nou maar is.... Boem! Zie je wel dat ’t geen pijn doet?.... Nou zal ik is bij je kloppe.... Klop, klop, klop is Kaatje thuis?.... Mamma heeft geen brood in huis.... Binne! Binne!”

„Hè, wat ’n onzin!” lachte Georgine.

„Wat ben jij ’n huisvader geworde!” zei Bax, die met lachend-verliefde oogjes méér naar Georgine dan naar ’t kind keek.

„En klop jij mij nou is.... Zie je wel, dat ’t geen pijn doet?”

Bax stak de gehoorbuizen der stetoscoop in de ooren, beluisterde het borstje van voor en achter.

„.... Net wat ’k dacht.... Eene longetje wat aangedaan.... Goed warm houen.... Mag niet uit d’r bedje komme.... En trouw poeiertjes slikke, hóór brave meid?”

„En niet naar school?” blij-lachte ’t kind.

„Nee, zoetjes in bed blijve.”

„Hè, ja,” zei ze verheugd, met blinkschittering der blauwe oogjes: „.... ik lèkker ziek en Netje niet!”

Ik liet Bax uit, informeerde nog even in de keuken. En ’r kwam ’n stukje gesprek, bijna te alledaags van bruutheid.

„Is dat kind van jòù, Spier?”

„Nee.”

„Zóó. Mooie meid, zeg.... Verdòmd-knappe meid. Scharrel je al lang met ’r?”

„Ik scharrel niet. ’t Is mijn vróúw.”

„God, neem me niet kwalijk.... Wannéér ben jij getrouwd? Ik heb geen communicatie gekregen....”

„Ik ben niet op ’t stadhuis getrouwd....”

„Verrèk dan!.... Zeg dat dan dàdelijk!.... Nee jij ben ’n goeie!.... Die laat iemand excuus maken!.... Van wie heeft ze dat kind?”

„Van haar man in Amerika.”

„Wat ben jij dan ’n gevaarlijke stiekemert!.... Jawel!.... Scharrelen met ’n getrouwde vrouw! Brand je vingers maar niet, ouwe jongen!.... Als je ’t is uitmaakt, schrijf mij dan ’n briefje, zeg!”....

„.... Ik hou niet van zulke grappen, Bax.... al betáál ik je niet.

„.... Neem me niet kwalijk! Pardon mijneer!.... Moet je dat zoo ernstig opnemen?”...

„Ik neem nooit iets ernstig op. Kom je morgen terug?”

„Natuurlijk.”

„Wat ’n plòèrt,” zei Georgine toen ’k binnenkwam; „ik heb staan luisteren.”

„Dat zou ’k voortaan maar niet meer doen.”

„’k Was zoo ongerust.... ’k Wou hooren of die soms iets èrgs van Ka zei.... ’k Wil die vent niet meer hier hebbe....”

„Of je dìè neemt of ’n ander; wàt is ’t verschil?”, glimlachte ik, „ze denken nu eenmaal zoo. Om ’t plat te zeggen: aan ’n vrouw die met ’n man uit genegenheid lééft, zooals jij, meenen ze állemaal wat te kunnen doen—Lach ’r om! Voel je zelf hóóger dan dat véé. Basta. En hoe gaat ’t met de kleine Ka?”

Ze lag op een geïmproviseerd bed op vier stoelen in ònze alkoof. ’s Middags had ik haar verbed.

„Lèkker ziek, hè, oome?”

„Nou, wàt lekker!”

„Toe, Alf—hou in Godsnaam op!”

„Willst du dass ich das Kind bànge mache?” zei ik wéér in mijn schoonste Duitsch.

„Vin je ’t prettig in de alkoof, Ka?”

„Nou wàtte! Netje mag hier niet komme, wél?”

„Nee. Netje mag hier niet komme.”

„Ze het me geknepe vanmorrege, oome”...

„Je mag niet klikke.”

„Nou-ou às ze me knij-ijpt!”

„Dan zal jij ’r ook wel wat hebbe gedaan.”

„Nietes... Zij liet ’n poepie... Enne toen zei ik, à jassus-kind wat stink jij... Nou-òù en toen het ze me geknepe.”

„Nou da’s láng niet mooi van Netje.”

„Wat gezellig, hè oome, da’k u en mamma kan zien legge, hè?”

„Asjeblief.”

„As ’k nou wakker wor zeg ’k: goeie morrege... goeie mórrege, hè?”

„Precies.”

„Kijk zoo: góéie morrege mamma, góéie morrege oome.”

Hel van zilverklank sprak het stemmetje door de kamer. Haar oogjes schitterden van koorts, de wangetjes bolden purperrood.

„Héérlijk! Dòlletjes... Zal ’k nou is zinge?”

„Nee, snoet. D’r onder blijve.”

„Effe maar, hè? Effe?...”

„Daar was is ’n mannetje, dat was niet wijs. Dat bouwde z’n huisie al op ’t ijs; ’t Begon te dooièèèè, maar niet te vriezèèèè... Toen most ie z’n huissie ver-lie-zèèè...”

„Nou slaapies doen.”

„Ja, mamma.”

Halftien, zachtjes loopend, kwam ’k thuis. Georgine lei met nog natte oogen bij het kermisbedje ingeslapen. Kaatje sliep. Haar adem zaagde pieperig uit ’t open mondje. Voorzichtig ging ’k bij de tafel zitten. Kloos lag opengeslagen. Er naast een aantal beschreven, genummerde velletjes. Glimlachend, dàn heel ernstig begon ’k te lezen, wat nìèt voor me bestemd was. Boven ’t eerste velletje stond:

VERZEN VAN GEORGINE CASPER

in nagebootste drukletters, dan volgde deze voorbereiding op een kladje.

geprezen onderwezen vreugd verheugt jeugd vlood dood nood lood rood tooverkracht aangebracht gedacht zacht lacht verwacht verdragen wagen vragen jagen spiën gezien lien verklaard openbaard verjaard kind wind begint scheef dreef verwinnen beginnen verzinnen gezicht bericht verwant verstand fier getier wreek smeek bericht gewicht vergezicht wagen dragen benomen betoonen streven leven geven beven zweven gezworen hooren booren gloren verstiet niet winden binden krachten smachten verzachten klachten betrachten slagen behagen vragen vlagen knagen spijs wijs grijs graf af straf kleed gereed streed leed misdeed wijken gelijken rijken bezwijken gronde stonde sponde ronde monde profiteeren leeren kleeren ontspringt dwingt zingt klinkt winkt rinkt blinkt toon gewoon hoon loon koon speelen velen heelen vlijt tijd nijd snijdt spreidt krijt huid bruid luid kluit fluit ruit binnenschreidt wijd.

VERZEN VAN GEORGINE CASPER.

I.

Stikdonkere nacht, geen enkle ster. Duister, gelijk het graf, zwart mijn gedachte gelijk een nevel ondoordringbaar is mijn ziel O kon ik mijn geest die klaarheid geven tot wetenschap en poëzie doordringen O! daal! op mij neer helderheid des geestes Verscheur die wolk, die mij het genot der poëzie ontneemt.

II.

O mogt het mij toch eens gelukken Mijn best gevoel in verzen uit te drukken Een vers van schoone poëzie. Kon ik in verzen voor het menschdom strijden Aan u zeggen wat velen moeten lijden O poëzie verheven Majesteit.

Dring! tot mij door ontsluijer mijn gedachte Mijn boezem gloeit, laat langer mij niet wachten Geprezen! gij! een godheid u gewijdt.

III.

Even als de bloem die het zonnetje mint, de vlinder fladdert als dartelend kind even als de roos die heerlijk van geur bezaaid door parelendauw schitrend van kleur even als de vogel die hoog in de lucht vriendelijk tjilpt met vroolijke vlucht, bloemen en vogelen minnen de zon, wijl ’t al door haar bloeit en alles in gouden glans gloeit...

Maar deze min komt in vergelijking nog niet die ik mijn lieven Alfred aanbied.

IV.

O kon ik ù in vreugde doen leven O kon ik vroolijk zijn O kon ik rozen op uw weg doen bloeien O kon ik in liefde u voor mij doen gloeien O kon ik aan úw hart mij veilig wanen Dan zou ik staken mijne tranen.

V.

Ik heb verdriet!! mij kwelt een bitter leed ’t is in mijn hart gelijk aan een woestijn Maar zwijg arm hart en smoor uw zielekreet Vertrouw op hem! Dat geeft u zonneschijn

Wend u tot hèm Hij zal u rust weer geven terwijl weemoed en leed uw hart doorsmacht Hij kust ze weg! de smart die u het hart doet beven wijl hij toch niets dan uw geluk betracht. Donderdag Georgine.

VI.

Ik sta u bij!!! ik wil met u lijden al treft u zware levensstrijd in armoed wil ik mij met u verblijden ik sta u bij! kus weg de wolken van uw voorhoofd.

ik sta u bij!!! mochten zorgen u nog zoo drukken ’k ben met hart en ziel uw leven toegewijd een kus van u! dàt slechts kan mij verrukken ik sta u bij! denk ik: mijn hoofd uw schouders aangevleid. Woensdagavond.

VII.

Weer gaat een schip!!! met honderden soldaten weer gaat het schip met mannen in volle kracht, om in verre tropen te gaan strijden. Zij staan geschaard en uiten geen enkle klacht Nu gaan ze vechten, nood en ellende lijden Nu gaan ze vechten ver verwijderd van ons En de ouders moeten hun zoons verliezen En ’t moederhart breekt bij het laten van het kind. Hoe menig man gaf niet zijn leven, verkocht zijn lichaam voor des handgelds bloed’gen prijs om dat zijn arme ouders dan te geven!

VIII.

’t Is laat in den nacht Men snelt huiswaarts henen Sneeuw vlokjes dwarlend in de lugt, de kou bevangt een elkeen, een snerpende vorst. En toch een droef gezucht stil smart gekerm, gesmoorde tranen sprangen twee kindertjes bedolven onder sneeuw bevangen door de kou trachtend van elk een gave te erlangen Een kleine aalmoes kermt de vrouw. Gij arme vrouw gij zijt wel te beklagen ’k voel de smart die het u lijden doet om zoo voor uwe kindren brood te vragen. Ik lijd met u, o ween! O, tranen doen zoo goed. Dinsdagavond.

IX.

Ook ik was kind, ook ik had kinderen-illusie, Ook ik had graag ’t moois dat ’k bij and’re kind’ren zag. Doch niet lang mocht ik kinder-denken houden, ’k Was groot en slank, verdiende vroeg reeds geld.

’t Brood verdiende ik met mijne arme ouders, Die in den vreemde zochten hun bestaan, Geen thuis, geen school, was mij ooit toegewezen Als paria in woestheid opgebracht.

O, vreugdevolle kinderjaren Wat bracht gij mij blond kind voor vreugd en heil, O, gouden jeugd, vol zonnige lentedagen, Voor mij geen lente en voor mij geen heil.

En dikwijls kwamen rijke heeren, Ze vroegen aan mijn moeder mij te koop, Belust op ’t mooie, blonde kinderhoofdje, Mijn goudblond haar, mijn flinke vorm en leest.

O rijken, die armen het brood ontnemen, Uw geile zonen, die met hun kapitaal De dochtren ook trachten af te koopen Als zwarte zorg de ouders nijpend drukt.

O, maklijk valt het meisjes der hooge standen Te smalen op de diep gevallen vrouw, Voor hoer en dief u neuzen op te halen Als gij op kostschool of bij moeders pappot zit.

X.

Ik zag twee zwarte kruisen staan, Geplaatst in ongewijde aarde, Geheel alleen in schaduw hoek, Van ongewijde aarde.

Ook stonden er kruisen wit en zwart, Beschermd door muur van roode steenen, Daar rust de dood, zonder smet of blaam Door zonnegloed beschenen.

Bimbam, zoo klinkt het klokje luid Bimbam, met zwaren, loomen galm, Bimbam, o dood, in ongewijde aard, Bimbam, rust gij ook zacht en kalm?

En ’t herfstwindje ruis-suisde zacht, De blaadjes vielen teeder, Ze vlogen op gewijde aard’, Toch ook op ongewijde lagen zij neder,

Het klokje bamde steeds maar voort, ’t Kerkje tot bidde noodde, O, zoo ik innig bidden kon, ’k Bad voor elken doode.

XI.

O, Lente, groot in uwe fiere machte Als alles nog in vorst en sneeuw geboeid, En weenend bloem en vogelen wachten, Op kus van u en ’t nieuwe leven bloeit.

En als ge komt op uwe zachte schreden En ziet de aard’, in somb’re kille smart, En uwe lippen drukt op bloemen zwaar geleden, Glorie van godheid, goude Lent’ in ’t hart.

Die teere kus die bloem en vooglen doet herleven, En baden zich in zee van zonneglans, In frissche blanke dauw, en dartlend vlinder zweven, Dan, tooit ge u met gouden stralen krans.

Heil dan o lente, met uwe gouden stralen, Betoov’rend schoon zijt ge door ’t zilveren gekweel, Als blank zacht, leeuwrikken door ’t luchtruim dwalen, Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.

Aldus waren de naïve gedichten mijner ingeslapen vrouw. Een allerlaatst vers was zoo begonnen:

XII.

Ziek! Is ze ziek mijn lieve kinderkopje! mijn roze knopje!! bloeide ze om me heen. O laat mij God nu klagen Hoor aan mijn stil en droef geween Het is uw schuld!, zoo klaagt thans mijn geweten Het is uw schuld! O, ik kan niet meer schreien Ik zal...

Hier was ze zeker opnieuw begonnen te schreien en naar het kinderbedje gegaan.

Naïf-mooi, dat probeeren, dat gedeeltelijk kinderlijk stamelen—en Kloos er naast. Het laatste vers was ze dien avond begonnen. De andere waren van verschillenden datum. Jawel—jawel—lief—heel gebrekkig—gevoelig—maar wààrom die regels... „Ik heb verdriet... mij kwelt een bitter leed”... waarom?... was dat verzenmakend gejòkt?... Of hád ze dingen die ze níét zei?... Goeie snoet!... Hoe heerlijk dat ze geen literaire vrouw was, géén aanstaand lid voor de Hollandsche Maatschappij, maar een vrouw!... Met een schrik sprong ik op. Georgine werd wakker. „Dag Mol, hoe is ’t met Ka?” zei ik onnoozel.

„’t Zelfde... Kom je pas binnen?” vroeg ze wantrouwig.

„Nèt.”

„Je heb toch niet me papiere”...

„Wèlke papiere?”

„Héúsch niet?... Làter mag je ’t lezen, nóú niet... Heb je heusch niet geleze?”

„Heusch niet.”

Ze lei de velletjes in Kloos, sloot haar gezamenlijke gedichten in de la van het kastje onder haar gewezen schminkdoos.

„Heb je gehuild?”

„Ikke—nee.”

„En je heb zulke dikke ooge.”

„Van de slaap.”

„Mamma! Mamma!” Schrikkerig-angstig snerpte het kinderstemmetje uit de alkoof.

„Wat is ’r schatje?”

„O, mamma! Màmma! ’k hè-zoo’n pijn, zoo’n pijn!”

„Toe-nou, niet huile! Bèn je mamma’s kindje! Niet-huile!”

„’k Hè-zoo’n pijn op me buik.”

„Da’s natuurlijk d’r borst, Georgine.—Poeiertje slikke, Ka? Lekkere poeier?”

„Neeéé! Neeéé!”

Kregel duwde zij het papiertje uit mijn handen. De poeder stoof op den grond.

„Hè! Hè!... Wat ’n stoute meid!... ’t Is maar suiker!... Proef is.”

„Nee-éé... Nee-éé!... Ik wil niet!... O mamma!... Mammaatje!... ’k Hè zoo’n pijn!”

’t Klagelijk smartstemmetje huilde tegen Georgine’s borst.

„Wi-je niet wat drinke?... Kom nou, hartje.”

„Nee-ee! Nee-ee!”

„’n Zacht eitje?”

„Nee-ee!... Niks drinke!”

„Koppie chocola?”

„Wèl chocola... niks drinke!...”

„Maak jij ’n beetje chocola klaar, Alf... en doe ’t poeiertje ’r in, hè?”

„Nee géén poewertje... ’k Lus geen poewertjes!”

In de keuken zocht ’k warm water. Maar de kachel was uit. Beneden hoorde ’k iemand scharrelen.

„Juffrouw!” riep ik zachtjes aan de trapdeur.

Geen geluid. Dan maar even naar benee.

Het was een nauw kronkeltrapje, door een gordijn van de kamer gescheiden. Met den rug naar de trap zat juffrouw Doedelaar De Rooie Duivel te lezen.

„Hm!”

Ze keerde zich verschrikt om.

„O ben ù ’t!... Is dat schrikke! Hè!”

Eenigzins verbaasd keek ik haar aan. In haar mond stak een doorrookte bruine pijp. Verlegen-grinnekerig lei ze ’m neer, blies een rookwolk weg.

„Wil u mij voor ’t kind ’n beetje heet water geven?”

„Seker. Wel-seker,” zei ze affabel: „met plesier. Is ’t kind nog niet beter?”

„Nee, nog niet.”