Part 30
Tegen half negen begon ik te schrijven. Schoonmama had veel zin in Wereldvrede van Couperus, Georgine bladerde voor de vierde of vijfde maal in Kloos. Het gas suisde. Het klokje tikte. De koffie pruttelde. Wèlbekende burgermansgezelligheid èn huiselijkheid. Het had veel van een litterair avondje. Schoonmama sloeg met mudjes-handen Couperus om, twintig, dèrtig bladzijden tegelijk. Dan làs ze ’n endje, knipperde slaperig achteruit, schokte met ’n kleinen schrik rechtop, sjokte met de mollige mudjeshanden ’n hoofdstuk verder, làs, làs met ’n soezerig welwillend kijken van oud vrouwtje dat den bijbel beslaapt. Na ’n kwartier kón ze niet meer, werden de kamerstilte, het koffie-gepruttel, het gasgesuis, het klokkegetik haar te machtig. Maar ze geneerde zich voor schoonzoon, nam ’n aanloop voor haar dutje... „’t Is toch wel héél mooi,” zei ze, wijs-knipperend naar de lamp kijkend: „héél mooi,” héél mooi... Wat is ’t hier stil, hè?” En in dien sluwen overgang, als in bepeinzing der lectuur, leunde ze achteruit, tukte, met ’t hoofd slap-wiegelend, tot de lorgnet afviel, aan ’t kettinkje bengelde. Na ’n paar minuten snurkte ze hàrdop. Georgine keek me angstig aan, wetend dat ik geen geluiden kon velen bij ’t werk, maar schoonmama werd met een schrik wakker, zei suf slaperig... „Heb ’k geslàpe?... ’k Dacht da’k sliep—” en vervolgde Couperus, die voor schoonmama’s geknipt is, telkens weder omslaand met mudjeshanden, zoekend een hoofdstuk van spanning tot ze ganschelijk wegknuffelde in zacht snurkend slaapgeknikkel.
Georgine las Klóós. Wèrkelijk het was een litterair avondje, Kloos en Couperus, bestudeerd door mijn vrouw en mijn schoonmama. Van Eeden ontbrak nog om het heelemaal modern te hebben. Georgine las Klóós, terwijl schoonmama met Wereldvrede in haar schoot vrindelijk snurkte. Georgine wóú Kloos begrijpen, meespreken over verzen àls over verzen gesproken werd. Kloos hanteerde haar. Ze wou ìn hem komen, las, herlas, voelde wel een ènkel gezegde van volle openheid, maar wàt een vers was stond nog buiten haar teer-vrouwelijk-huismoedertjes-doen. Móói vond ze De ledige stoel—van hoe-heet-die-kerel-ook-weer—, móói vond ze De twee broeders voor Bommel van Bilderdijk, vóóral in gedeelten als:
„„Zijn naam””—„o Meld hem!”—„„Van der Zaan”” Gerechte Hemel! hoe! Mijn bróéder!—Heb ik wel verstaan? Mijn God, waar kwam ik toe!” Daar valt hij, zwijmende, als versteend, Den Spanjaard op het hart; Zijn armen klemmen om zijn borst; En deze staat verward.”
In een van mijn „Bloemlezingen” had ze het gevonden. Bij het slot:
„Hij sprak. Het flikkert van den wal, En eer men ’t buldren hoort, Heeft de eigen kogel uit één slang Hun beider borst doorboord.”
kreeg ze rooie oogen. Dát was nou een gedicht. Dát pakte haar. Maar die Klòòs, die vertelde niet; dat was allemaal zoo hoogdravend, zoo sentimenteel. Of ’k ook niet vond dat Bij de wieg van Jan van Beers goddelijk was? Dat kon je je vóórstellen. Dat was ten minste waar:...
„Doch spoedig worstelt gij door al den rouw, Die uwe jeugd bedreigt, en wordt dan vrouw En moeder—Moeder! o dat woord klinkt schoon, Niet waar?... Dat is gelijk een hemeltoon”...
Als in een „vers” niks gebeurde was ’t geen vers. Maar mijn stille geglimlach irriteerde haar. Wéér las ze. En die póging zèlf voelde ik als iets hóógvrouwelijks, als een zeer mooi gebaar, als een lief tasten naar de schemering waarin ik voor hààr stond. Zachtkens zoende ik haar op de oogen, wat schoonmama snurkend goedkeurde, het geluid van Kloos ging door ’t kamertje en Wereldvrede wiegde op schoon mama’s schoot...
„Gelijk een bloem bij avond nauw beweegt, Maar in de windlooze atmosfeer zich heft, Klaar-schijnend op het kristallyn der lucht, Rees Afrodite vóór ’t onmeetlijk ruim Van licht, dat om haar was, één reine eindloosheid, En danste zacht, maar danste niet, bewogen Maar even door het beven van haar ziel, En wat daar schoonst in school”...
Ik leerde haar, voor zoover ik het zelf wist, hóé te lezen, maar zij werd boos.—„Nou zoen je me, omdat je me uitlacht!”—„Wel nee, ik vin ’t juist allemaal zoo frisch van je... zoo éérlijk... hoe zal ’k ’t je zeggen... zoo kinderlijk...”—„’k Vin ’r niks kinderlijks an!”—„Dat weet je zèlf niet, Mol!”—„’k Merk wel dat je spot... Je keek moeder ook zoo...”—„Wàtte? Watte? Heb ik gesnurkt?”, kwam schoonmama wakker, Wereldvrede opnemend.
„Welnèe,” lachte ik terwijl zij het laatste hoofdstuk begon.
„Dat heb u gàùw geleze”, lachte ook Georgine: „schei u nóú maar uit. Alf is klaar.”
„Als ’k ’s àvonds lees”, lei schoonmama uit: „krijg ’k altijd soo’n slaap... hoe sou ’k nou an soo ’n slaap komme, hè? ’n Móói boek, hè? Vin je niet, hè? D’r komme passages in, precies as ’t nieuwe testament... Wat lache jullie nou?... Is ’t nou sóó gek wa’k zeg?... As je nou lees: „Sulle wij die wonde plek van ons land ooit kenne balsemen? Of sal het toch van daar altijd blijfe voortkankere?”—Nou, as je dàt lees... is dat niet precies ’t nieuwe... Hè wat ’n onsin van jóú om soo te lache!”
„Maar moe!... Lach-nou nìèt! ’k Zou er ’t óúwe testament ook bijhale!”
„’t Ouwe testament is niks dan flàùwe kul.—Daar spreek ’k niet van!—’t Ouwe Testament! Adam en Eva dat ware de eerste mense, niewaar?—Waar sijn díé vandaan gekomme? Allemaal flàùwe, èrreg flàùwe kul. Daar komt nooit geen mens achter!—Krijg je geen brieve van Isaac?”
„Nee.”
„Sendt-ie je geen geld meer?”
„Néé. Late-we nou maar over wat ànders prate... Kaartje make, Alf?”, zei Georgine onrustig.
„Ga eens bij Ka kijke, Georgine, ’k hoor ’r zoo hoeste,” zei ik.
„O niks—’n kou—warrem houe,” adviseerde schoonma: „’n hééle gewone hoest.”
We begonnen een kaartje, dat bij de eerste ronde al gestoord werd. Juffrouw Doedelaar kwam nòg eens klagen. Al zesmaal had ze nou gevraagd om d’r handdoek en d’r servet en wàt of daar nou mee gebeurd was.
„Gut, juffrouw, mot u me daar om komme lastig valle, terwijl me moeder hier is?” zei Georgine vinnig.
„Nou jáwel,” pruttelde juffrouw Doedelaar: „maar aan àlle geduld komt ’n end. Wèke lang vraag ik d’r om. Wèke lang. En ’s morgens kan ’k hier nooit terech. U begrijpt da’k niet sóóveel handdoeke en servette heb”...
„In elk geval,” zei ik uit m’n humeur: „heb u d’r nòù niet om te vrage.”
„Seker—u heef gelijk, meneer, maar de juffrouw scharrelt tèlkes met ’t goed dat in de wasch mot”...
„Wát schárrel ik?” viel Georgine uit, zéér verontwaardigd.
„Goed. Goed. Kom u morgen maar terug,” zei ik weer.
„As ik ’t dan maar krìjg,” brompruttelde juffrouw Doedelaar: „pàs ’n tafellaken met ’n gat ’r in... en twee koppiesdoeke stuk...”
„’t Zìjn me d’r koppiesdoeke na,” zei Georgine ruzieachtig.
„En u mishandelt ’t goed,” bruiste juffrouw Doedelaar in eens rood-van-kwaadheid op: „Da’s geen manier! Da’s geen manier! Zoo kan je alles runiweere... En nou mòt ’k morrege me handdoek en me servet hebbe!... Is me dat ’n geval! Is me dàt ’n geval!...”
Driftig nakakelend sloeg ze de glazen voordeur dicht.
„Wat ’n vàlderappus,” zei schoonmamma.
„Dat komt nou alléén, Alf,” zei Georgine, wit van boosheid: „dat je ze van de maand niet héélemaal heb betaald. Nou krijge ze praats!”
Beneden hoorden we een twistend bromgesprek.
„Ze hebbe rùzie,” meende Georgine.
„Sst... Sust!” zei schoonmama, luistergraag.
De vrouw was het geschil beneden aan ’t uitleggen. Doedelaar vond ’t ongetwijfeld zóó erg, dat-ie z’n stem in hysterische woede uitzette... „Nou en wij mòète oens goet terug!... Zijn die lui oben heelemaal belazerd!... Iemand zijn goet ruiniere... en telkens stroent met ze... Laat hij erst betale en dan praats hebbe!...”
„Zeker dronken,” meende ik.
„Sust, sust!”—susten de twee vrouwen, verzot om te hóóren.
„... En die kakkie over dat schoonhoue van die plee... en telkens die emmer mit vuil voor die tuindeur... en dat spektakel van laatst met die Sienger-machien... Sind die Leute bedoendert!... Iek ben zijn knechtje niet... Iek ben wel zoo goet mijnheer als hij!... En jij laat jou nieks meer zegge... Nieks meer! Nieks meer!”
„’k Zou ’m morge de huur opzegge,” raadde schoonmama aan.
„Ach wel nee,” zei ik kregel, met een benauwde krop in m’n keel: „wel nee... Late we dòòrspele... Als die vuilik wat te zeggen heeft, kan-ie hier kommen... Ik ben niet verplicht af te luisteren wat-ie beneden vertelt. Als Georgine die handdoek en die servet op tijd had teruggegeven...”
„Jawel!... Nou krijg ik weer de schuld!... Trek maar de partij van vreemde mense... Heb jij die servet niet verschroeid met ’t glas van de lamp?...”
„Was dat dan voor jóú ’n reden...” verweet ik.
„Krijge júllie d’r nou geen rusie om,” vroeg schoonmama, zenuwachtig. ’n Schoonmama is een erg aangenaam ding.
„Bemoei u d’r niet mee!” adviseerde Georgine, haar kaarten opnemend: „In elk geval zulle de kindere niet meer sáme slape!... Klaveren!... Is me dat ’n huis!... Vanmorge lag d’r weer ’n plek hondepies van die vent bòve... Ruite heer!... Zóó’n plas... Dáár bij ’t kastje... en op ’t brood was ’n haar van d’r... Die vieze moffin!...”
Beneden zoemde stemgebrom, niet meer verstaanbaar. Ik begon te neurien... „To-ré-a-dor-en-ga-á-à-à-ààrde... To-ré-ádor!... Tor-é-a-dor!...”
„Wat ’n sar ben jij,” lachte Georgine, terwijl ik voortneuriede, immens-triestig. Zimmerschmerz-kamertjesklamheid. We maakten onze twééde ronde, wéér gestoord door Dirk, die met een bons kwam binnenvallen.
„Wat zie jij d’r uit!” riep ik.
„Wat is ’r?”
„Jezis, ik ben kapot! kapòt!” schreeuwde hij.
„Wat is ’r dan?”
„Stientje legt op sterve!”
„Ach got!”
„Stientje van Duif?”
„Wat zeg je, Stien?” Het was een koor van angststemmen.
„Ga je even mee, Alf?” vroeg hij.
„Ik ga òok mee,” zei Georgine.
„Neé. Je blijft thuis!”
„Nee, Georgine, ga jij niet mee. We moeten d’r vader nog zoeke!”
„Kan ik dan niet zoolang bij Duif gaan?”
„Ach nee kind, wat heb je ’r mee noodig!”
Ze wóú mee en er moest héél wat geredeneerd worden, voor ’t haar uit ’t hoofd gepraat was. Ik moest beloven voor twaalf uur thuis te zijn.
„Da’s óok ’n mislukt kaaretje,” meende schoonmama—Kloos opnemend...
Een dik uur zochten we de stad af. Meijer was nergens te vinden, bij Mast niet, in de Quelle niet, in De groote Slok niet, bij Suisse niet.—„Late we naar Duif gaan,” zei Dirk: „je zult ’m van avond nèrgens vinde. Voorstelling heeft-ie niet. Gòd weet waar die met z’n getrouwde vrouw uithangt.”—„Nee. We móéte ’m hebbe”—„We moete! We moete!... Me geduld is op.”—„Hij zal wel èrgens zitte.”—„’t Is over elve.”—„Weet je niet waar die getrouwde vrouw woont?”—„Die ’s ook goed van je, zèg, nee dìè is verdomd goed!... Bel jij maar is an en vraag om ménéér te spreke!”, lachte Dirk.—„Ik geneer me ’r niks voor.”—„Onzin.”—Zulle we nog is kijke bij Kras?”—„Daar komt-ie nóóit.”—„’n Geringe moeite... Is die dààr niet, dan gaan we naar Duif.”
Vóór was-ie niet. Achter, zoekend, tafeltje na tafeltje, zagen we hem zitten, gelukkig—, in gezelschap van de ouwe dame, die hem „mentineerde” zooals Duif ’t noemde en van den man dezer dame als facheux troisième. Dirk riep hem even weg van zijn halve gebraden eendebout. Hij schrikte. Zijn mond werd spits-klein in het geverfd gelaat.
„... Wat zè-je! Wat zè-je! ’k Ga dadelijk mee—’k Zal me even excuseere”...
Met z’n servet veegde hij het eendeboutenvet van z’n mond, praatte radjes met de dame, wier ouwelijk-sentimenteel gezicht spijtig vertrok. Zij wees met ’n glimlach van zou-je-niet-eerst-afeten? naar de halve eendebout. De meneer spreidde z’n handen in vragend gevouw, maar Meijer schudde driftigjes ’t hoofd, wees op ons, boog een paar maal, trok z’n pels aan.
„Wel godverdomme, Dirrek, is ’t zóó erg?”
„Bàr erreg.”
„En nou woue die mense me nog niet eens late gaan—Zij, die dame, was jarig.—Ik had geen lust de reden te zegge—begrijp je? Begrijp je? Dat geeft allemaal nutteloos gedonderjaag... Is ’t zoo èrreg?... ’t Zal wel overdrijving zijn, hè?... ’k Zou om den dood niet wille dat mijn kind...”
Bij het „mijn” schoot z’n stem met lichte pathos de hoogte in. Het tooneel liet hem niet los.
„... De dokter heeft ’t opgegeve.”
„... Wèlke dokter?” vroeg hij gejaagd.
„Smid.”
„Smid?... Opgegeve? Wat zeg je me daar?... Ben je goddoome gèk! Opgegeven?... mijn éngel van een kind!... Voor veertien dagen zag ’k ’r nog gezond en wel”...
„Hartkwaal Meijer... De laatste maande was ze al niet goed.”
„We zulle ’n aapie neme, hè? God, God, mijn èngel van ’n meid!... En is Duif d’r ook?”
„Natuurlijk,” zei Dirk.
„Da’s vervloekt spijtig... Dat serpent... Dat kreng!... Maar bij een sterfbed niewaar! Bij een sterfbed!... De dood doet je àlles vergete... Opgegeve?... Opgegeve!... Wel afschùwelijk—Afschuwelijk—Hallo!... Ben jij vrij?... Zit goddoome niet te slape kerel!... Vlug rijje naar... naar... Geef jij ’t adres is op, Dirrek!”
Hij zat naast Dirk op de achterbank. Van uit het schemerdonker onder mijn hoedrand, zat ik hem aan te kijken, telkens als we voorbij een lantaarnpaal reden. Op het bruin geverfd haar spiegelzwartte de glimmende, hooge hoed. De pelskraag sloot om zijn gladgeschoren, mager gezicht. Hij zag er gentlemanlike uit in z’n dure pels, die „de dame” hem gegeven had. ’n Zoete vrouwen-odeur ging van hem uit, mal van contrast met ’t stalluchtje van het rijtuigje. Soms zag ’k hem minuten lang niet, dan plonsde hij op uit den donkeren hoek, welgedaan in z’n pels, gedistingeerd onder z’n glimhoed. Z’n oogen waren tot bezorgde droomoogjes verkleind. Zoolang we op asfalt reden, praatte hij, informeerde hij, tot de rammelende straatkeien en ’t glasgerinkel het gesprek overbeukten.
„Hoe laat was de dokter ’r?”
„Tien uur.”
„Maar met goeie versterkende middele... is ’r toch wel wat te doen, hè?”
„Niks... Ze kàn misschien al dood zijn.”
„Wat zè-je! Bè-je godverdomme krankzinnig, Dirrek!”
„’k Zou me maar op alles voorbereide... Als ’r ’n tweede benauwdheid gekomme is...”
„Maar die ìs niet gekomme... Zoo zwaar zal God mij niet straffe!... Mijn arreme Stien... Mijn éénig kind!”
Uit den zak van z’n pels kreeg-ie ’n zakdoek, snoot z’n neus. Het was opmerkelijk hoe in-vàlsch èn tòch hoe geméénd z’n smart was. Hij zat zich waarschijnlijk volkomen te goeder trouw de eigen smart als een te leeren, te intoneeren rol voor te stellen, trachtte in de „stemming” te komen, daar de overgang van een halve gebraden eendebout met witte wijn naar ’n sterfbed zelfs hèm te sterk was.
„Ja—ja,” zei Dirk, die mogelijk ook dat valsche voelde.
„... Veertien dage gelede ging ze nog voorbij Mast en kwam binneloope... ’k Heb d’r nog van me gebakke aardappels late proeve... Pa zegt ze: ik speel over veertien dage bij Van Lier... En nou zoo ziek!... Nee-éé. Nee-éé-éé! God zal niet mijn eenigste bezitting wegneme!... Stien is de eenige die van me houdt. Míjn kind!... Mijn dochter... Wille jullie geloove dat-ze ’n hart van goud heeft—dat-ze honderdmaal tegen me zei: pà, van al ’t kwaad dat ma van u vertelt geloof ik geen woord, ik hou alleen van u!... Zoo’n èngel! Zóó’n èngel!... Dat kind is m’n alles, da’s nou n’n liefste op aarde.—Als jullie wiste hoe ’k om dat kind geleje heb—wat ’n smart ik heb uitgesta aa-aan...” Ratatata...
Het rijtuig schobberde over de keien van het Rembrandtplein.
In de Utrechtschestraat begon-ie weer.
„Wàt voor hartkwaal heeft ze?”
„Rhumatiek.”
„Wat zè-je?... Rhumatiek?... Je zult zien dat ze ’r van opkomt... Mijn schatje... Mìjn ooge had ze, hè?... En wat ze verdomd goed Veltman en Frenkel en Frits Bouwmeester kon nadoen, hè? Dat heb ik ’r geleerd... En nou zoo ziek!... Waarom neemt God mij niet weg als ’r iemand moet worde weggenomen?... Ik ben een groote en sterke man.—Ik kan tegen lijje, niewaar?—Ik heb alles van ’t leven genote.—Maar zoo’n èngeltje, zoo’n hart! Van dat kind hield ’k toch zóó, hè!... Zoo innig-veel...”
Het was precies of ’k hem op ’t tooneel hoorde—zin voor zin—woord voor woord.
„Ja ’t was ’n lief kind,” zei Dirk—: „werkelijk ’n door en door goed kind.”
„Goed, meneer!” stoof het geluid van Meijer op: „gòèd, meneer? Niet d’r gelijkenis op de wereld!... Als ’k ’r is ’n kwartje gaf—je begrijpt: méér dorst ’k ’r niet geve voor ’t keelgat van d’r moeder—vroeg ze nòg of ’k ’t wel misse kon... En wat ’n móóie ooge, he!... Wat ’n goddelijke ooge voor ’n meisje van die leeftijd... Wat ’n ooge van ’n engeltje!... Heb je óóit zùlke ooge gezien?... En ik die an niks dacht—ik die daar rustig zat te soupeere met meneer en mevrouw Van Burksen en van god en de wereld geen kwaad wist... Wat ’n toestande... of je midden in ’n drama”...”
Ratatatatata...
We reden over het Frederiksplein naar de Pijp. Wel probeerde Dirk nog wat te schreeuwe, maar ’t keiengerommel maakte ’t gesprek onaangenaam-hard. Soezend keek ik naar den man over me, die, geheimzinnig, télkens met z’n dure pels en z’n hoogen hoed uit ’t rijtuig donker opleefde, weer onzichtbaar werd,—tèlkens een was mom met droomoogjes,—donker—wèèr het mom—wèèr het rijtuigdonker—’t rinkelend glaslawaai, ’t gerommel benee, ’t geschok van de koets om ons zwijgen, om onze drie onbewogen levens.
De deur werd opengetrokken, toen het rijtuig stilhield.
„Ben jij ’t, Dirk?” riep ’n stem.
„Ben je weer met Guus verzoend, Dirk?” vroeg ik, verbaasd. Hij scheen niet gehoord te hebben, wipte met breede sprongen de trap op. Meijer, deftig, voorzichtig, betastte de treedjes met zijn gelakte laarzen. Ik kwam achteraan.
In de achterkamer hing de lamp laag op de tafel, half-afgedraaid. Duif, in ’n vuil-bruinen ochtendjapon, zat rood-van-huilen in den armstoel, suf van oogenkijken. Op ’t nattig tafelzeil was ’n víés gewar van fleschjes, vuile kopjes. Er mufte een lucht van roet en medicijnen. Naast Duif, in de matschemering der lamp, zat ’n burgerjuffer met een zwarten omslagdoek om het hoofd.
De roode-blommetjes-gordijnen voor de bedstee waren dichtgeschoven.
Meijer met den hoed in de geglaceerde hand, kwam schuw-angstig binnen, zocht in de kamer, vroeg voor-het-eerst-éénvoudig-aarzelend in z’n doen... „Hoe is ’t met ’t kind, Anna?”
Duif antwoorde niet.
De burgerjuffrouw naast haar lei ’n mageren vinger op den mond, wees naar de bedstee.
Guus zei zachtjes:... „Dood”...
De hoed beefde in de geglaceerde hand.
Zenuwachtig-druk zette Meijer ’m op de tafel, tusschen het gewar van fleschjes en kopjes, liep op de bedstee toe, scheurde een gordijn halfweg, snikte in de stilte der kamer, waarin we allemaal stonden te huilen. Zijn zwarte pels sloot de bedstee-openheid af. Maar hij zakte op de knieën, vatte een klein, wit handje in zijn handschoenen, begon dat zoo hartstochtelijk te zoenen, dat de zoenslaagjes in de kamerbenauwdheid als zachte klukjes klonken. Van het bed was ’n tip laken te zien; tegen de achterwand een plank met ouwe hoedendoozen. Meijer, gehurkt in de builende pels, bleef roerloos liggen. Duif snikte met neusproestingen achter haar zakdoek. Guus huilde tegen Dirk an, die bot stond te kijken met z’n bril in de eene en ’n zakdoek in de andere hand. De burgerjuffrouw—van tweehoog—keek naar de bedstee, schudde làng-aanhoudend ’t hoofd.
Guus, snikkerig, groot van vrouwelijk meelijden, liep op Meijer toe. „...Kom nou, Meijer!”...
Hij snikte weer, luidòp, zoenend ’t klein marmerhandje met de dof-bleeke vingertjes.
„Ogotogot... dat scha-ààp... dat scha-ààp,” snikte hij: „dat àrreme wurm... me niet eens goeie dag gezegd... geen woordje meer... niks meer... Ogotogot!”
„... Kom nou... D’r valt niks an te doen...”, snikte Guus: „Z’is nou bij God”...
Meijer stond op, leunde tegen de bedsteeplank, droogde z’n oogen, keek naar dood meisje dat met ’t wit gezichtje, doodswitter nóg door den rossen schijn der lampekap, te rusten lag in de zwarte warring der haren. Duif en Guus snikzuchtten, wat Meijer nòg eens dee losbarsten, maar nu was hij al over zijn natuurlijk gevoel heen, lag de emotie voor hem als iets bezonkens dat in wóórden gezegd kon worden. Bijna werd ’t ’n grove monoloog... „Mijn arm kind... Mijn arm dochtertje... Nou kijk je uit den hemel op je rampzalige vader neer, die je zoo graag had wille houe!... O God—’k kan ’t haast niet gelóóve dat je dood ben!—Zeg me dat ’t niet wáár is!—Ogotogot arreme stakker, wat hé’k ’n meelij met je! En zoo in eens dood! En niemand die me gewaarschuwd heeft!—Je eigen moeder niet, kind!—Je éígen moeder, die me niet gegund heeft je oogen toe te drukke...”
„Dat líég je, godverdomme!”, kwam Duif ingehouden-woest los, „ik heb Dirrek na je toegezonde...”
„Sust!...”
„Sust, Duif!”
„Laat ’m dan z’n smoel houe...”
„Sust! Sust!...”
„Juffrouw d’r leit ’n dooie...”, vermaande de de juffrouw van twee hoog.
Meijer hield op. Niemand snikte meer. De lamp roodde sufjes op hoofden en vormen. Boven begon ’n kind zeurig te blerren.
„U mot mijn effe ekskuseere,” zei de burgerjuffrouw, verlegen. De trap kraakte tree voor tree onder ’t gestomp van haar voeten.
„Arme, arme Stien”—begon Meijer opnieuw—„àrm ongelukkig kind.—Ik vraag je vergiffenis als ’k je iets misdaan heb—als ’k niet goed voor je geweest ben.—Bid bij God voor je ongelukkige vader.—Stakker, stakker, ’k zie je nog vóór me, an ’t tafeltje bij Mast—toen je me zag zitte... Ogotogot!”
Hij zweeg even, snotterend in een van de gebloemde bedgordijnen:... „... Arrem schaap!... Hoe ze de gebakken aardappels van me vorrek at!... En nou dóód!... doo-oo-óód!... doo-ood!... En ik niet bij d’r sterfbed—ik d’r vader—d’r vader—d’r vader—van wie ze àlles hield.—Ik, die d’r nog is ’n gelukkig uurtje bezorgd heb...”
„Kijk ’m nou huilè,” fluister-siste Duif, kwaadaardig: „jij heb nog al ’t recht om te huile... stinkende egoïst... Je hèb wat voor d’r gedáán!”
„Hou je smoel,” zei Meijer, z’n vuist ballend: „Hou je smoel bij ’n sterfbed!”
„Wat gedáán!... Wat gedáán!... Wat gedáán,” herhaalde Duif nerveus-koppig, altijd in denzelfden gedempten angstigen toon... „d’r late verrèkke... d’r late verrèkke, gemeene sodemieter met je pèls!... Mijn voor alles late opdraaie! Mijn alleen!”
„Toe nou Duif, maak nou geen hérrie,” smeek-fluisterde Guus...: „hoe kàn je dat nou doen—waar je kind leit... Wi-je wat drinke?... Toe drink nou wat?”
Duif slobberde van ’n glas, begon tegen Guus àngeleund zachtjes toeval-achtig met bedwongen hysterische gillen te snikken...
„Hè, tòè-nou Duif! Je maakt ons allemaal zoo àkelig.”
Meijer—om geen nieùwe ergernis te geven, stond stil bij de bedsteeplank, kijkend naar dood-Stientje, wier zwarte wimpers te rusten leien op ’t blauw-wit vel. Zwijgen van dood-kindje mengde zich met de stilte waarin zwààr van plompheid de vijandschap van man en vrouw bitste. Boven drensde zacht kindergeblèr.
„’k Dacht niet dat ’t zóó gauw zou weze,” zei Dirk—bàng voor die stilte.
„Ze kreeg ’n tweede benauwdheid, nòg geen kwartier later,” fluisterde Guus.
Meijer keerde zich om, snoot z’n neus breed-toeterend, nam den hoed van de tafel, streek hem op met zijn pelsmouw, inwrijvend de natte striemen, vroeg zachtjes:
„... Wánneer is de begrafenis?”
„Woensdag,” zei Guus.
„Wil je me late wete, hoe láát?”
Het verschoten tapijt betastend met de kraakjes-lachende, verlakte bottines, ging hij naar de deur, ònzeker van beweging. Maar Duif, die ’m had staan te beloeren vloog op, posteerde zich voor de deur, rauwde hem haar haat van lànge jaren toe, pogend haar stem te dempen tot doodekamer-gefluister.
„... Fluim! Fluim! Bè-je nou blij da-je van ons af ben, hè?... Bé-je gelukkig da-je weer vrij ben... Fluim! Fluim! Fluim!”
„Juffrouw, ik verzoek u—”, zei Meijer heesch: „ik verzoek u...”
„Toe nou Duif... denk toch an Stientje...”
„Hóóre zal die vuile sodemieter, die stinkende makkero met z’n fijne pels en z’n fijne hoed!... Nou ben je van ons àf, hè?... áf, hè?... àf, hè?... Nou mijn kind dood is, hè?... Nou ’t schaap je niet meer hoeft te gatlikken om ’n dubbeltje of ’n kwartje, nou...”
„La je me door, of niet?”