Part 28
„Daar gaat ’n dominee, ’n pastoor en ’n rabbi voorbij,” zei Busse, uit den toon.—„Ja, hoe vreemd als ’t zoo ineens stil is,” beweerde juffrouw Henriette Rons: „dat breekt de gezelligheid eer je ’t weet.”—„Dat komt omdat jullie niet drinke,” zei vader: „schenk jij nog is in, Alfred—je kùnt ze drinke... als ik zeg dat je ze drinke kunt, dan kùn je ze drinke... Wanneer is ze in huis gekomme, Marie? was dat niet in ’70?”—„Zoowat om en om den Fransch-Duitschen oorlog,” bevestigde moeder.—Juffrouw Henriette Rons nam nog wat eendeboutenwit. Ze was lang, mager, ’n vrouw van ’n jaar of vijfendertig, ouwelijk, met ’n jongemeisjes-vlecht. De vlecht gaf de eeuwige jeugd aan. Busse trok ’n flesch open wat Tilly een zenuwachtig gilletje dee geven. „Wat ben jij schrikachtig,” zei ik.—„Ik kan ’t niet hòòre.”—„Goed dat je hier ’t schìèten niet zoo hooren kunt,” zei Jules: „dan zou je anders spreke.” Coba drukte op ’t schelknopje. Da en Antje kwamen afruimen, Da met een messenmand, Antje met een bordenbak. Dan werden er schoone borden wit met blauwen rand gegeven, kwam er een reuzenstuk kalfsvleesch met gehakt gevuld, dat Gerda wou gaan voorsnijden. Maar pa moest ’t eerst zien en de ouwe, vochtige genoeglijkheid glansde in z’n oogen, omdat Jeannette en Busse èn Henriette, protesteerden òf in verbazing waren over zóó’n pràchtig stuk vleesch. Antje, broos in heur paars japonnetje, lei nieuwe vorken en messen op de leggers. Da zette rooden wijn op tafel.—„Waar heeft die Gèr ’t voorsnijjen geleerd!”—„Ja, dat doet ze héél goed. Me man snijdt altijd ’t gevogelte. Maar me dochter Gerda, die snijdt ’t vleesch. Me man snijdt ’t te dik.”—„’n Mooie borst...”—„O onze slager heeft zulk mooi vleesch.”—„Dat vin ik nou zoo’n prèttig gezicht,” zei Busse: „om naar kalfsvleesch te kijken dat voorgesnejen wordt.”—„Hè, wat ’n uitval!”—„Nou, tòch waar. Zulke breeje, witte reepen vin ’k gezellig... ’t Snijjen is haast gezelliger als ’t eten.”—Het gesprek snikte vervelend op dat onderwerp voort. „Nou ik éét ’t liever.” zei Jeannette.—„Ik zeg ook niet, da’k niet graag éét, maar ’t snijjen mag ’k gráág zien.”—„Weet je wel, Marie,”—zei tante met iets stemmigs-berustend: „hoe Herman”—dat was haar overleden man—„... voorsneed”...—„Ja, die snee pràchtig voor,” zei vader: „die maakte van ’t slechtste vleesch ’n mooie schotel.”—„Dìè had u moeten zien voorsnijjen,” lei moeder aan Busse uit: „als dìè ’n kip of ’n fazant voorsneed, zocht-ie nooit naar de geledingen en als-ie klaar was, lag ’r alleen ’n káál been op de schaal”.—„En hoe-die huzarensla assaissoneerde,” zei tante droomerig, zonder ’n zwéém van sentimentaliteit: „als die ’m opmaakte, meneer Busse, dan was ’t ’n lúst om te zien—, net ’n Engelsch tuintje—allemaal práchtige figuren van eigeel en bieten en augurken, niewaar, Marie?... Zóó mooi zie je ’t zelfs bij Witzenburg niet”... „Ja, da’s ’n hééle gaaf,” zei Busse: „ik màg ’t wel zoo’n mooi opgemaakte schotel. Daar krijg je meer appétit van. Hoe zou dat kommen? Gek, hè?... Een haring met wat groen er om is lekkerder dan zoo een versch uit ’t vat... En ’n taart... Wat is dat niet aangenaam met confituurvakjes en ingelegde vruchten... Ik heb er al is meer over nagedacht hoe dat komt... Hóé komt ’t dat ’t oog er zooveel an doet?”—„... Da’s net ’t zelfde,” meende vader, prettig ingeknuffeld in z’n stoel,—„of je eet in ’n opgeruimde of in ’n slordige kamer”.—„Ja, dat wéét ik wel,” hield Busse vol: „maar hòè kómt ’t... ’t Is ’n feit, maar wat is de óórzaak?”—„... Nog al logisch,” zei Jules: „je hebt geen trèk om te eten in ’n slordige kamer.”—„... Jàwel, jàwel,” zei Busse zèker: „dàt weten we allemaal—maar wàt zou de óórzaak zijn? Als ’k dit glas neerzet dan weet je dat mijn hand ’t doet. Maar hoe kun je nu verklaren dat dit kalfsvleesch er zooveel bèter uitziet en zooveel meer trek geeft, omdat er figuurtjes van dril om liggen èn omdat er pieterselie of hoe heet dat goed bij is?... Zie je, zóó redeneer ik... Hoe komt dat nou?”—„Omdat jij ’n glaasje te veel òp heb,” zei z’n vrouw kalmpjes-grappig. En dat gaf ’n algemeen gelach.—„... Schenk jij je nog maar is gerust in, Busse,” zei vader: „de vrouwen zijn altijd zoo.”—„Mooi, geef u maar af op de vrouwen,” knikte Henriette, sentimenteel vriendelijk—„maar zònder de vrouwen zouen de mannen ’t héélemaal niet kunnen stellen.”—„O zoo,” zei Gerda, boven het kalfsvleesch.—„Daar kunnen alleen de vrijgezellen over oordeelen,” knipoogde Busse: „getrouwde mannen worden altijd eenzijdig... één-zijdig... één-zijdig... niewaar meneer, hahaha!... Wat zegt onze schrijver?”...—„Ik zeg niks.”—„Hij zegt niks. Wie weinig zegt, heeft weinig te verantwoorden.”—„Meneer heeft galànte avonturen,” zei vader glimlachend: „op zijn jaren was ik ook zoo...”—„Nou, nou, nou... niet van die gekheden, ouwe Don-Juan,” zei moeder, kribbig.—„Zóó, zóó heeft neef-ie avonturen,” vroeg Jeannette: „Schuine! Schuine!... Wat is dat ’n geméén boek van je, dat Een hartstocht!”...”—„Meneer schrijft boeken,” zei vader, „die ’k voor z’n eigen zusters moet wegsluiten.”—„Maar we lezen ze toch!” hellachte Coba.—„Wie zegt dat ik galante avonturen heb?”—„O! O-o-o! Nou durft-ie nog vragen naar den bekenden weg,” lachte Gerda geheimzinnig.—„Ja, wie was die blonde vrouw, die gróóte móóie vrouw, waarmee je ’n paar dagen geleden door de Kalverstraat heb geloopen?” drong Coba, spottend, aan: „was dàt geen galant avontuur?”—„Je ben met ’r binnengegaan in ’n Bodega.”—„En je liep zóó druk met ’r te prate, dat-je geen bekenden wou groeten.”—„Ik?”—„Ja-jij.”—„Wie zegt dat?”—„Ja, dàt zeggen we niet.”—„Iemand heeft je gezien.”—„Dan klètst die iemand,” zei ik gepiqueerd.—„Hoor je, meneer Busse?” zei Gerda.—„O—is meneer Busse de zegsman?”—zei ik kalm.—„’k Heb ’r niets kwaads mee bedoeld,”—verontschuldigde zich Busse: „’t kwam ’r terloops uit... Ik had u zien loopen, toen ’k in Amsterdam voor zaken was en dat zei ik zoo tegen uw mama... en zonder ’r bij te denken, zei ik mét een dame... Da’s alles... En daar fantaseeren uw zusters bij”...—„Ja, daar fantaseeren wij net bij!... Ben je èrreg verliefd?” plaagde Gerda.—„Als je maar geen dòmheden doet,” vermaande vader: „’n hofmakerij voor ’n jongen man, da’s heel aardig—maar geen dòmheden...”—„Bijvoorbeeld door te trouwen,” lachte Busse grof.—„Jan,” zei z’n vrouw en ’t hondenwit van zijn oogen kroop schuw tot in ’t grijs van de hare—„Hoeveel liefdes heb jij al in Amsterdam versleten?” informeerde Coba, nestig.—„Nou, nóú, nóú, dat zijn geen gesprekken voor meisjes,” zei moeder: „Bel Antje eens.”—Antje ging met ’t kalfsvleesch rond. Da presenteerde fijn-gehakte sla.—„Maar hoe lààt is ’t nou,” vroeg Henriette: „wat jammer dat ’r hier geen klok is.”—„’k Zal me horloge an de gaskroon hangen,” zei Busse: „Precies veertien minuten voor twaalf, op de seconde af. Bij fietswedstrijden neem ’k ’r wel eens den tijd mee op.”—„We kunnen de klok buiten hooren slaan,” zei vader.
Wèèr bij het klikken van borden en vorken matte een stilte. Maar de schijnvroolijkheid van Busse en Jeannette, de lieve belangstelling van Henriette in àlles wat gesproken werd, het gewild vragen-en-antwoorden der anderen, doortetterde de rood-schemering der kamer, die in rustige afwachting der klokkeslagen stond. Ik zelf werd stiller nog, moe van ’t vele gepraat, van ’t òngewoon stemmengegons. Er waren momenten van doezelig, lichtschuw-doorleven der dingen—witte tafelmatheid, glansstriemen op borden, zilverraketsels, kristalsprankels. De looper van blauwig rulpapier frommelde de witte tafelvlakte over. Lichtgroene wijnglazen kelkten naast felrood van róóden wijn... En wéér had ik de sensatie van ’t zoò in díé rangschikking, in díé verhouding tot de gebogen omringende hoofden méér gezien te hebben, als iets léégs, iets van verflauwende herinnering, iets, ongewild-opschemerend uit langgeleden dagen, iets dat zich opblaast tot lèven, er kil-wijd van áf staat... ’t Kalfsvleesch smaakte wel lèkker—en ’r zei iemand: „wél zèker.”—Co zei ’t.—Co had „wèl zeker” gezegd—en nou dee ’k ’n stukje dril op m’n vork en ’t glibberde er weer af—nou nòg eens—wat ’n làst kan je met ’n stukkie dril hebben—en wat ’t mooi van kleur is ’n stukkie dril—licht bruin doorschijnend met uitvloeiende randen, ’n stukkie dril,—nou is ’t ’r op—nee, nou glijdt ’t weer af, ’n stukkie dril.—En die man làcht... ja dàt is die kèrel, die ploert... wat is dat allemaal gèk,—hopeloos, kránkzinnig, radeloos-gèk... die vorreke... die op en neer spieglende dingen... ’t uittappelen van rood, róód uit ’n zwarte flesch... die tulle gordijnen met zwart ’r achter... ’t horloge, tik-tik, tik-tik, vlak bij, aan de gaskroon... en even wat antwoorden náást je...”—... Wat zeg u?”—„... Geef u mij de augurkjes is an...”—„... O de augurkjes—asjeblief...”—... asjeblief... asjeblief... de augurkjes... de augurkjes... wat ’n radeloos-krankzinnige weerstand van de dingen, wat ’n zacht geglimmer—, mat aanpuilen van rood, groen, blauw, geel op de vlakte van glanzende blokjes... Als ’t niet dwáás stond... hevig-ridicuul, zou je kunnen achteroverhokken in je stoel, klààr lachen, tot stikkens toe, schateren-op-schreien-af om de hopeloos-gekke fluistering van schalen—wit met blauw—, vorken, messen, lepels, amandelen, rozijnen, vla’s, om de zwijgenis der kamer, der groene wanden, der Delftsche borden, om de zwarte, dikke wereldduisternis, waarin dit feestelijk-lichte vierkant te leven scheen. Werelddroefenisjes achter kalfsvleesch met sla en augurkjes. En ’n stukkie dril. Heel mal. Van een zéér bijzondere vurig-laaiende malheid. Maar de benauwenis van die grenzenlooze, radelooze malheid, gloeide zóó in me op dat ik praten móést:... „Hou jij óók zoo van kalfsvleesch, Til?”—„Ja, ik mag ’t wèl.”—„Die Gerda kookt lekker, hè?”—„Waar eet je in Amsterdam?”—„Dan is hier, dan is daar.”—„Staat ’t restaurant-eten niet tegen?”—„Dat schikt nog al.”—„Waarmee poes jij toch je tanden?”—„Hoe dàt zoo?”—„Ze zijn zoo mooi wit.”—„Kamfer tandpoeder is geloof ’k goed.”—„Poes je ze eenmaal of tweemaal?”—„Eenmaal.”—„Onze dokter zegt dat ’t ’s morgens niks geeft... Heb-ie dat wel is meer gehoord?”—„Nee.”—„’s Avonds moet ’t vèèl beter zijn.”—„Waarom?”—„Dat weet ik niet. De dokter zegt ’t.”—„Zoo-ó.”—„Maar wie heeft daar nu idee in?”—„Ja dat vin ik ook.”—„’s Avonds maak ik da’k zoo gauw mogelijk in bed kom... Hou jij van den avond, ’k bedoel van den nacht?”—„Jawel.”—„Ik niet. ’k Doe me deur op ’t nachtslot, kijkt de kasten na en nóg ben ik bang... Ik weet ’t niet, maar ’s nachts is alles zoo griezelig, vin je niet?... Ellek geluid... En je kan zoo niks zien...”—„Wil ik je nog is bedienen?”—„Alsjeblief...”—Mevrouw Busse was even uit de kamer geweest.—„Nee, ik zal nìèts meer eten,” weerde ze af.—„Was je niet lekker, Aal,” vroeg haar man.—„’k Heb even me handen gewasschen. ’k Was wat zenuwachtig.”—„Ben u weer héélemaal beter?”—zei ik belangstellend.—„’k Heb me ’n injectie gegeven... gauw in de voorkamer... Hè, dat maakt dadelijk een ander mensch van je,” fluisterde ze.—Haar oogen stonden grooter, strakker. Haar handen beefden van lichte ontroering.—„Is dat wel gòèd...”—„Goed. Goed!... Wat kan mij dat schelen! Da’s mijn sigaretje.”—„Hoe laat is ’t?”—„Zeven minuten.”—„Zeven en een half.”—„Dan kunnen we net an ’t dessert zijn. Co, bel jij eens.”—De meiden ruimden af, zetten dessertbordjes op tafel. Vla, gebak werden rondgediend en vader schonk zelf de glazen nog eens in. Het gesprek vlotte niet meer. Buiten klonken flauwe schoten en een enkele stoomboot op de rivier begon te toeteren. In de ouwe doezelstemming, duwend den zilveren lepel in de stijfdrillende vla, dacht ’k hoe ’t wezen zou in die àndere hel-lichte kamer op ’t Tarwenakker, of Georgine ook zóó zitten zou voor ’n witte tafel met zilverglimmers, of ze aan me dàcht, aan me dàcht. Was het wonder niet gróót—als ’r een gevoelstrooming ging—hoog door grijze luchten—van het eene leven tot het ander?—en wìè waren er nog meer, verspreid in verlichte kamers, die mij interesseerden?—Die èn die èn die... Scherp, waar zou die zijn?... Waarom was ’k maar niet met Georgine èn Scherp èn Kaatje samen? Waren dat niet dé levens die me het náást stonden, was ik deze burgerlijk-weelderige kamer niet vèr ontgroeid? Zat ik er niet als ’n vreemde, een belangstellend-vreemde, als Busse, Henriette?... ’t Déé me niks—dat lekker eten—’t dee me niks dat „gezellig” samen-zijn—zoo huiselijk—zoo feestelijk—in den familiekring.—Toch waren ’t wel goeie menschen... had moeder iets onverklaarbaar-aantrekkelijks—was vader de ouwe, de ouwe,—maar wat werden de zusters vréémd en de àndere familie... Als je bericht kreeg dat-ze dóód waren—zou ’t je wat doen?—zou ’t je wat dòèn? ’t Was gemèèn aan zoo iets te denken hier bij de dessertborden, de gevulde glazen. Hoe kwam je op de idee?—Was ’t niet stuitend van cynisme?—Als Jeannette dood ging of Tilly, of Coba.—Got, wat gèkke gedachte... Ze wáre niet dood... Als ze dood ware, was ’t tijd genoeg om te zien, te zien of ’t je wat déé... Die levendige Co... Hé-jassus, hoe kwàm je op de beroerde gedachte.... Nou ja, maar als... maar àls... Nou dan zou ’t je wél spijte... je zou zeggen: ’t was toch wel ’n gòèd kind... ja, ’t was toch wel een goed kind... en ze had tòèn nog zoo netjes gedèkt... en dat kalfsvleesch an reepies.—„Bonjour Filip!”—juichlachte Jeannette, die Busse iets aangegeven had.—„Heeft-ie ’t nòù al verloren?”, vroeg Henriette.—„’k Ben ’r ingeloope,” lachte Busse: „éérlijk ingeloope”...—„Wat heb je ’m angereikt, Jeannette?”—„De amandele!”—„De amandele? O wat ’n ezel!”—„Ik heb is ’n filepien gedaan, met...” begon tante.—„Stil,” zei vader. Er was plots ernst!—„Sust dan!”—„Sust!”—In de donkerte, buiten, bromden zwevende klokkeslaagjes.—„De kapelklok slaat.”—„Hoera! Leve ’t nieuwe jaar!”...
Pa werd omhelsd door Co en Gerda. Ik stond op, zoende ’m op de prikkelhaartjes van z’n grauwen baard, dàn moeder.—„Jonge, nog veel jàrè, hoor.”—En ’n algemeen zoenen, handen-schudden, ’n gemaakte sentimenteele, blije opwinding, ’n èrg-luidruchtige vroolijkheid, nu de lamentabel-gerekte minuten van ’t ouwe voorbij waren. Antje en Da kwamen boven, half-verlegen, half-vrijpostige handen-gevend an de heele tafel. Buiten lagen de stoombooten in lawaaiend getoeter. Dan zat ieder weer, was er een vreemde verwondering over die opwinding, ’n ingehouden-triestigheid, dat alles zoo gebléven was. Busse doorpeuterde zijn tanden, achter z’n hand. Jules zat vermoeid-bleek ’n end van de tafel af. Moeder keek naar ’n glas wijn dat Tilly bij ’t opstaan omgestooten had. Vader was opgestaan om sigaren te krijgen. ’t Nieuwe jaar zette in met eet-paffe gemelijkheid. Maar de koffie werd gebracht en ze schoven allen weer bij. Alleen Jules, onlekker, moest in de gang wat op en neer loopen.—„’k Zou nóg wel trek hebben in ’n whistje,” zei Busse.—„Nou dat zal je wel late,” zei Gerda.—„Hoe heb ik die solo gewonnen, meneer Spier?”—„Nou je hèbt ’m gewonnen... Maar als me schoonzuster op d’r boer had gelet, dan had-ie gelègen...”—„Nòù... nòù... Dat had ik nog wel eens wille zien... Hij was zwak, maar toch sterk... Ik had prachtige bijkaarten, niewaar?”—„Nou, pràchtig...”—„Ja zeker... prachtig... Wat noem-u anders pràchtig?”—„Prachtig dat noem ik ànders... Dan moet ’k minstens drie azen sec hebben....”—„Dan kunnen ze nòg afgetroefd worde....”—„Piepa, neem u ’n konjakje?”—„Nou voor van avond ééntje—’n halfje.... Da’s èchte cognac, Busse, da’s niet van die aangezette vuiligheid.... Nee, da’s èchte.... Die krijg ’k gezonden van ’n vriend uit Bordeaux met wie ’k jàren in zaken ben.... Hoe vin je die?”—En vader droogde met een zucht van welbehagen de konjak-natte snor.—„Gòèie cognak.... Bèst.... Best”—„Jules, drink jij ook ’n glaasje. Dat zal je opknappen.”—„Nee. Dank u. Ik mag geen sterke drank drinken.”—„Sterke drank èn sterke drank.... ’n Kwárt glaasje?” „Nee, dank u. Heusch niet.” Geelbleek, hoekig, met dof-omwalde oogen, hing-ie lusteloos in den luierstoel, die voor ’m gehaald was.
Eén uur was de visite weg, plakten we nog wat in de voorkamer.—„Gaan jullie naar je bed, meisjes,” zei moeder.—„Zien we je morgen nog, Alf?” vroeg Coba.—Nee. Ik kan niet. Ik ga vóór twaalf terug.”—„Waarom zoo’n haast?”, vroeg vader.—„’k Moet noodzakelijk voor twaalf in Amsterdam zijn. ’k Zit zoo druk in ’t werk.”—„Hè wat ’n nàre jongen wor jij toch,” verweet Gerda: „Eens in de drie maanden komt-ie over voor ’n paar uur.”—„Ja, da’s niet aardig,” zei tante, die met haar dochters en Jules bij ons logeerde.—„We zijn niet enkel voor ons plezier op de wereld,” zei ik, ontwijkend.—„Die blonde dame trèkt ’m—dàt is ’t,” lachte Coba: „naarling—je zoo heelemaal te vervreemden!”—„Vervreemden, vervrèèmden! Als Ger jarig is—ben je niet in Januari jarig, kom ik weêr over.”—„Hartelijk ben je niet,” verweet moeder.—„Maar, moedertje, ik heb héúsch hard te werken.”—„Dat kun je hier toch ook doen.”—„Cherchez la femme,” zei vader.—„En àls dat zoo was,” vroeg ik kalm.—„O wat ’n schuine neef heb ik toch!” lachte Jeannette.—„Nou, dag Alf.”—Tante en de meisjes gingen naar boven. Pa, Ma, Jules en ik, zaten om ’t vlammend haardvuur.—Nu ’r geen jonge meisjes bij zijn, Alfred,” zei moeder, met ’n verlegen trekken om den mond: „moet ik je toch is vragen....”—„Nou, vraag dat nòù maar niet,” meende vader.—„.... We zijn toch entrenous”—„wat’s dat voor gekheid?”—„Van avond met jullie gewhist en met al dat geginnegap van de meisjes, heb ’k ’r geen gelegenheid voor gehad.—Is ’t waar dat jij ... dat jij ... ’n maitres ... heb?”—„Wie vertelt u zulke dinge?”—„We hebben ’t gehoord.”...—„Van die ploert, die hier van avond was?”—„Wie is ’n ploert?”—, vroeg vader z’n wenkbrauwen fronsend.—„.... Die Busse, natuurlijk.... Dat vin ’k ’n ellendig individu.”—„Jij heb ook zoo’n ràre smaak,” zei moeder: „maar die is ’t nìèt.... We hebben ’t van méér dan één gehoord”....—„Zoo. Informeer u dan maar verder bij dìè lui.”—„Dus is ’t wáár?”—„Zaag nu toch niet verder, Marie,” zei vader: „wat is dat ook voor ’n indiscreete vraag. Hij is òùd genoeg om te weten wat-ie doet en wijs genoeg om geen dòmheden te doen.... Wat zeg jij, Jules?”—„Zeker, zeker,” zei Jules vermoeid.—„Als je ’t hof maakt, à la bonheur, maar in godsnaam geen collage, geen dòmme dingen,” herhaalde vader.—„D’r zijn toch lieve, beschaafde meisjes genoeg,” zei moeder: „’n knappe jongen die ’n naam heeft, niewaar?.... Elk oogenblik vragen meisjes naar je of ze niet is met je kennis kunnen maken”....—„In mijn jeugd” ... begon vader gemoedelijk.—„Vertel nou maar niks van jouw jeugd, ouwe Don-Juan!”—, zei moeder grappig bits.—„In mijn jèugd” vervolgde vader:—„heb ik ’t hof gemaakt—maar in de vórmen—vóóral geen collage.—Collage dat’s ’t érgste en begin vóóral niks met getrouwde vrouwen.”—„Is ’t nu uit! Is ’t uit! Met je màlle raadgevingen! Zúlke lessen heeft-ie niet van je noodig.”—„Wat weet jij van de wereld,” repliceerde vader, gemoedelijk achter de walmen van z’n sigaar: „’n jong mensch màg iets meer doen dan ’n jong meisje—wat zeg jij, Jules?”—„Zeker, natuurlijk,” sufte Jules, slap-wegge-zakt.—„En als ’t maar binnenshuis gebeurt. ’n Gekkigheidje binnenshuis”....—„’k Kan wel zien dat je ’n cognacje ophebt,” zei moeder, ijverig: „schei nu uit met je nonsens!.... ’k Hou niks van zulke praat!”....—„Als-ie maar geen aanstoot geeft,” hield vader vol: „mag-die voor mijn part doen wat hij wil. Wat drommel ’t is geen kind meer. Wij hebben hem geen les te lezen”....
„.... ’k Wou dat je me zèlf eens antwoordde,” begon moeder weer: „’t Zou me toch zoo spijten als je ’n maitres....”
Ze zei het zinnetje niet heelemaal uit, in vaagschuchtere bedeesdheid voor de geheimenissen, die achter zoo’n woord spoken. Innig-fatsoenlijke vrouw uit een welgestelde familie, schrikte zoo één woord haar op. ’n Maitres was haar ’n dreigend, afschuwelijk, vooral mysterieus iets. Had je niet Ohnet, Augier, al die goeie Fransche schrijvers die beschreven hoe ’n jongmensch door ’n maitres omlaag wordt getrokken in den poel des verderfs, zoowaar zedelijk en lichamelijk? Ik antwoordde gemoedelijk. „Mama—wat ú ’n maitres noemt heb ik goddank niet ... wat ik wèl heb—zal ik u later wel eens zeggen. We zitten hier veel te aangenaam te digereeren, om ’t elkaar lastig te maken, vindt u niet?”—„Als je ons maar nooit die ònèèr aandoet om je met ’n maitres in ’t openbaar te vertoonen,” antwoordde ze, geïntimideerd: „jongen, jongen, waarom tróúw je toch niet!.... Je zou ’n heel andere oppassing hebben.... Van avond lette ik nog op, dat er twee vetvlekken op je jasje zijn.”—„Ja,” zei Jules: „als je trouwt heb je ’t véél beter dan als jonggezel.”—„Geen vrouw,” zei ik spottend: „geen vrouw uit onzen stand zou weten rònd te komen met wat ik tegenwoordig verdien.”—„Je krijgt makkelek ’n meisje mét geld,” zei mama, uit den hoek bij ’t raam.—„Laat u mij maar m’n gang gaan, moedertje, àlles komt in ’t leven op z’n pootjes terecht en zoolang ik u niet lastig val, niewaar?”....
„Wij maken geen aanmerkinge,” zei vader:.... „ik zal me wel wàchten te zeggen wàt je doen en laten moet.... Jij bent ons te veel anarchist, socialist, bommen-gooier, hahaha.... Je zult zien, Jules, hij gooit nog is met dynamiet”....—„Hè, wat ’n gééstige voorspellingen.... Jouw Witze zijn altijd misplaatst.... Wie zegt nu zulke grappen,”.... zei moeder korzelig.—„Maak jij ze béter ... ouwe mopperaarster!.... Ze begint alweer in ’t nieuwe jaar.”
„Oom en tante, ik ga naar bed,” sufte Jules, die moeilijk opstond.
Buiten motte fijne sneeuw, zacht aanwittend de dakenlijnen, teer bepoedrend de droge keien.
Rotterdam is wel steekwormigst aller Hollandsche steden, Rotterdam in z’n zelfgenoegzame Geld-eigenwaarde, Rotterdam, dom conservatief—còn-sèr-và-tief-provinciestadje, prul-stedeke van verwaten kantoorjoggies, voor komende tijden een hoon en een spuwbak. Want wàeren nu groote bewegingen van gevoel en intellect, zelfs in achterbuurten en sloppen,—Bureau-Rotterdam, sjagger-Rotterdam, hooge-borst als een rhumatieke koning met een stoet van bleeke, gatlikkende klerken, bespot in z’n Geldbewustheid het geestelijk proletariaat, dat er zich thuis voelt als ’n roodkieuwige visch in ’n stinksloot. Kroon-stedeke van Holland’s achterlijkheid—er zal een tijd zijn dat het èchte volk u zijn slagen zal doen gevoelen. Vergiffenis is voor álles, voor hoeren, moordenaars, voor álle noodlotsindividuën van een passioneel oogenblik, maar voor een stad die zijn intellect verhoereert, die zich zelve verslet zonder eenige lichtpurper ideaal, zal in geen komende tijden, ander woord dan verachting van zèèr-uit-de-hoogte te spreken zijn. Patroontjes, bureau-potentaten, dit is de eenvoudige, niet te harde boekstaving van uw verleden en héden. Gij zijt Holland op z’n wàlgelijkst. Een denkend man doet beter uw muffe bederfsfeer te mijden,—lìbèrààl-cónsèrvàtìèf stedeke van puur klootjesvolk.
Ik zei dit maar zoo terloops, zonder mezelf warm te maken.