Part 21
We probeeren nog wat te tukken, ’t Gaat niet. ’t Huis is wakker geworden. Telkens wordt er gescheld, hooren we juffrouw Thomas aan de trap boodschappen opgeven an d’r kruidenier, groenteboer, vleeschhouwer. Op straat schreeuwen de venters en bòven is een behanger bezig een zeil of ’n kleed spijkertje voor spijkertje vast te zetten. Wéér gescheld: „Niks noodig!” en ’t dichtslaan der deur. Dan ’n man met kolen, die ’n zak naar boven draagt—plomp—plòmp—plómp—en ’n aanmanen om niet te morsen en de kinderen die weer beginnen te knikkeren en ’n geroep „Voddè.—Vohidde.—Vohidde!” van ’n joodje en ’n orgel dat Behüt dich Gott piengelt. Tot bij elven hou ’k ’t uit in bed, gekookt, korzelig, niet gewend om vóór twaalf wakker gemaakt te worden. ’t Water frischt op. ’t Water maakt me héérlijk frisch, akelig optimistisch, àkelig sterk van dag-voornemens. Georgine en juffrouw Thomas dekken de tafel—ik sta op ’t balkon, kijk over ’t grasveld naar ’n half opgebouwde kerk, naar morsige huisjes aan de eene zij en kazernehuizen aan de andere. De lucht is zachtblauw met zwanenwit—boven de linksche daken heelemaal sneeuwblank. Hier zullen we ’n gezellig hokje hebben, zonder overburen, zonder benauwende ramen, daken, gevels, gordijntjes, bloempotten. Da’s wel iets buitengewoons.
„Wat ’n goed ontbijt, hè?” zegt Georgine.
„Jongen, jongen... ’n juffrouw in de Pijp, die worst, koek, kaas en eieren geeft... da’s wel wat verdacht... Zoo Kaatje ben je daar eindelijk?”
„Dag oome... Kijk is wat ’n knikkers!”...
„Van wie heb je die?”
„Van Koosie... Die maggik houe tot vanmiddag.”
„Wil ik is met je knikkere?”
Voor ’t eerst sinds jaren, eeuwen, hou ’k ’n kalkigen knikker tegen m’n duim, mik, raak natuurlijk niet. Knikkeren, algebra en jaartallen uit de geschiedenis verleer je gauw.
„Nee, oome... nèè... nèè-èè—zóó mot u ze houe!”
„Zoo?”
„Hè-jasses wat ben u toch stom!”
„Zoo dan?”
„O mamma! O mamma kijk oome is... die kan niet knikkere... en Koosie wel!”
„Pas op Alf, schiet de ruiten niet stuk... Kommen jullie an tafel?”
„Jongen, jongen... wat zal ’r hier gauw ruzie komen:... eieren, kaas, koek, worst, brood, krentebrood!” herhaal ik. Georgine houdt niet van die malligheid. Als je met die dingen spòt, zul je altijd zien, dàt ’t gebeurt. Die juffrouw is ’n trèf—zoo vin je d’r één op duizend.—Ze heeft vanmorgen ’t kind keurig-netjes angekleed.—Jammer dat ze zich nou herinnert dat Kaatje stukkende kousjes an had.—Wat ’t mensch van d’r denken zal!—’n Goddelijke kamer, hè?... Zoo ruim, zoo frisch met die openslaande deuren.—Of Karel nou nog in z’n bed zou liggen?—Nee hij was op.—An z’n waschtafel hoorde j’m scharrelen.—Wat ’n zwabber om zoo laat thuis te kommen.—Zeker weer bij Guus en Dirk en dronken Duif gezeten.—Gister had-ie nog zoo opgesneje dat-ie ’s morgens om zeven uur al an ’t werk was.—O, dat was zeker de man van de juffrouw die thuis kwam om koffie te drinken.—Wat of ’k vanmiddag doen ging?—Werken natuurlijk en liever thuis.—Overdag was hier te veel leven.—Of Georgine ook gelijk had gehad toen ze me gewaarschuwd had om niet samen te gaan wonen in mijn huis.—Hadden ze benejen geen ruzie?—Ja ze hàdden ruzie, Thomas en d’r man.—Hoe moppig om is te luisteren.—Nee, niet luisteren Georgine.—Je kon ook niks hooren. Hij scheen woedend en haar hoorde je haast niet spreken.—Bom, nou sloeg die met z’n vuist op tafel.—Nou, maar ze moesten zich ’n beetje geneeren en ruzie maken als wij er niet waren. Wat drommel, betaalden we niet voor de kamer en voor wat rust?—Zeker z’n koffie niet naar z’n zin, zei Georgine: Wat hè’k ’n meelij met ’t goeie mensch, dat zoo gesappeld heeft den heelen morgen en nou van zoo’n vent de complimente mot afwachte.—’t Werd weer stil.—Zeker was-ie uitgebromd.—Juffrouw Thomas kwam de trap op, klopte bij Karel an.—Of-die effen bij d’r man wou kommen.—Zeker Karel z’n huur nog niet betaald.—Geweldig veel aten we alle drie van ’t smakelijk ontbijt.—Beneden was de ruzie nóg eens begonnen.—Onduidelijk klonken de stemmen van juffrouw Thomas, mijnheer Thomas en Karel.—Als ze elkaar maar niet te lijf gaan, zei Georgine.—Wat kan óns ’t ook schelen...
„Hè, wat hè’k vannacht beroerd geslapen. Je moet an d’r zeggen da’k dat bed niet meer hebben wil.”
„Ja, wat ’n deuke, hè... en wat ’n schrik vanmorgen om halfvijf...”
„Dat wil ik ook niet meer. Als ze wéér gewekt moet worden, moet ze maar ’n bel naar d’r eigen kamer laten maken of ’n wekkertje koopen... Da’s geen manier om menschen die je betalen uit d’r slaap te halen.”
„Heb-u bij mamma geslape, oome Alfed...” vroeg plots Kaatje weer.
„Wat zeur jij toch nest!” schrikte Georgine.
„Nou-òù.”
„Wat nou-òù! Je mot niet zoo zangerig prate en niet zoo dikkels nou-òù zegge!... Wie vertel je zulleke onzin!”
„Nou-òù... De laarze van oome stonde voor de deur... en toen zei de juffrouw... niet an de laarze van je pa komme... en toen zei ik: nou me pa zit in Amerika en van me oome hou ’k véél meer dan van me pappa... Niet-e mamma!”
„Kind je ben krànkzinnig met je geklets! Praat nou nóg is met de juffrouw, hoor je! Jij groeit op voor de galg met je lange tong! stoute meid!”, knorde Georgine.
„Nou-ou... nou-ou!”
„Is ’t úít met je lijzige nou-ou!”
Beneden klonk de ruzie gedempter.
„Het ze je nog meer gevraagd?”
„Nee-eé.”
„Gister avond hè-je ook al met de juffrouw gebabbeld... Je mag niks van mamma vertelle!... Heeft ze je nog méér gevraagd?... Als je alles zegt krijg je ’n stukkie koek met boter”...
„... Nou ze zei... wie is je pappa... toen zei ik me pappa heet Isaac Davidson, niewaar mamma?... En toen zei ze hoe hiet je zèllef... en toen zei ik, ikke hiet Kaatje Davidson, oud vijf jaar en ’k woon bij juffrouw Bok, niewaar mamma”...
„Nou en vèrder? Heeft ze nìks méér gevraagd?”
„Nou-òù, ze vroeg of die meneer... oome Alfed noemt ze die meneer, mamma, hoor-u mamma—wat gèk hè, mamma?... Hoor u mamma!... Nou en toen”...
„Wàt en toen!... Kind wees toch niet zoo stom!... Wat vroeg ze van oome Alfed?”...
„Van oome Alfed... niks mamma”...
„Wat zei ze dan van ’n meneer... Denk nou is goed na, dan krijg je twee stukkies koek en ’n cent”...
„... Nou-ou of die meneer nie me pappa was...”
„Dat weten we al”...
„Nou-òù en toen... en toen vroeg ze of ’k ’n jodinnetje was... Ben ’k ’n jodinnetje mamma? Néé-wèl?... Ajassus, nee-wèl?”...
„Anders niks?”...
„... En toen zei ze dat Koosie véél mooier onderbroeke had... Dat jokt ze hè mamma... Ik heb veel mooier onderbroeke, niewaar mamma?”
„Ja, ja.”
„Enne ben ik nou ’n jodinnetje, mamma?”
„Nee... En wat zei ze verder?”
„Da-weet ik niet. Ben-u nou boos? U ben altijd boos op me...”
„Nee, ik ben niet boos. Maar als ze je weer wat vrage van mamma, hoor je, moet je zegge: ik weet niks van mamma, hóór je?”
„Ja mamma.”
„Als opoe je nou vraagt: wat doet mamma, wat zal je dan zegge?”
„Ik weet niks van mamma, hè mamma?... en dan zal ’k ’r zegge...”
„Wat ’n onmogelijk kind, toch, hè!”
„Je ben ’n heerlijke snoet, hoor,” schaterde ik.
„Ja, jij heb precies de manier om kindere te bederve! Da’s toch ongepermitteerd dat-ze achter je rug ’n kind uithoore!”
„Kom maar binnen Karel! Binnen!” riep ik, daar er geklopt werd. Maar ’t was Karel niet, ’t was ’n heer met ’n kantoorklerkachtig gezicht. Van de haast van ’t oogenblik heb ’k alleen onthouden dat-ie vieze, zwarte, verteerde tandjes had.
„... Meneer Spier?”...
„... Wat blieft u?”... vroeg ik verbaasd.
„... Ik kom u maar zegge dat de juffrouw”—even kijkt hij Georgine an—, „vóór vanavond ’t huis uit mot.”
’n Korte, zonderlinge stilte—’n bleek achteruit leunen van Georgine—’n opkolkink van dikke woede bij mij.
„... Wie ben jij godverdomme!”
„... Laten we allebei asjeblief fatsoenlijk blijve meneer en geen godverdomme spele... Mijn naam is Thomas... Mijn vrouw heeft u de kamer verhuurd zònder mijn voorkennis”...
„Zoo-zoo. Zoo-zoo,” zeg ik met ingehouden woede.
„Ik wil de juffrouw niet beleedige, maar zùlleke getrouwde mense als u, wil ik niet in mijn huis—en dus kort en bondig vóór van avond”...
„Wie heeft ’r hier wat te kommandeere, jij of ik? ’k Heb de kamer gehuurd voor ’n maand, heb tien gulde vooruit gegeve en daarmee basta”...
„Mijn vrouw heeft geen recht”...
„... O gebruikt u zulke streekjes?”...
„Streekjes? Streekjes?... ’k Weet niet of de màn van de juffrouw”...
„Als je nog een woord zeg,” adviseer ik, „smijt ik je van de trappen, versta je!”...
„Hou je kàlm Alf, hou je kalm,” smeekt Georgine.
„Ik ben niet degeen, meneer, die met grofheden begonnen is,” zegt Thomas verstandig: „ik zeg u alleen de kamer op en uw tien gulden kunt u terug krijgen na aftrek van de kosten van gister en vandaag. Da’s nèt en fatsoenlijk, niet waar? Maar de koffers moeten voor zés van de kamer.”
„Zoo? Nou daar denk ik niet an. Mijn vrouw en ik hebben gehuurd en we blijven. We hebben eerlijk aan uw vrouw gezegd hoe de verhouding was.”
„Nee mijnheer. Dat heb u niet en al hàd u het, ik wil zoo een schàndelijke verhouding niet onder mijn dak.”
„Daar zal ’k toch geen notitie van nemen, waarde vriend. Als u denkt da’k uw kwajongen ben, dan bedriegt u zich,” zeg ik.
De eerste woede is gaan liggen. Kalm, vriendelijk, sarrend begin ik hem te antwoorden.
„Geweld is niet in uw belang,” zegt hij nu driftiger.
„Och goeie man dat zou ’k je heelemaal niet anraaien. Je ben hier ploertig komen binnenvallen en denkt m’n vrouw en mij af te blaffen, en dat lukt je niet.”
„Dàt zullen we eens zien. Vóór zés úúr heb ik gezegd.”
„Jij kunt mij de bout haggelen,” zeg ik rustig.
Dit schoone argot schijnt hij niet te begrijpen.
„... ’k Zal gotbeterme van me huis ’n rendez-vous make!”
„Mag ik u beleefd verzoeken op te rukken?”, inviteer ik, glimlachend.
„Vóór zes uur of ik laat de juffrouw door de politie....”
„D’r uit godverdomme! D’r uit, verdomde ploert!”
Hij was al buiten toen ik pas voorbij den stoel van Kaatje was. Georgine zat te huilen, verweet me dat ze me gewaarschuwd had, dat ’t mìjn schuld was, dat ze binnen ’n uur d’r boel zou pakken.
„Néé. Dat zul je niet!”
„Dat zal ik wel!”
„Denk je da’k voor zoo’n kerel an de haal ga? ’k Heb voor heeter vuren gestaan. Verrekken kan die. En z’n dreigementen daar lach ik om. ’k Heb Karel voor getuige en z’n vrouw zal ’k op ’n eed vergen....”
„Sla jij maar door, sla jij maar door,” huilde zij: „en denk je da’k in zoo’n huis ’n seconde alleen wil blijve. Wil-je hebben dat-ze me beleedigen, als jij niet thuis ben? Nee, ik blijf geen uur langer hier, geen half uur!”
„Ik sta op m’n recht!”
„Ach, wat doe je met récht! Ik als vrouw kom toch telkens met die vrouw en met die man in aanraking!”
Er viel weinig tegen te redeneeren. De omstandigheden waren anders geworden. Ik moest aan hààr denken. Als ’k uit móést, wat dan? Nee, ’t was hier onmogelijk geworden. Die beroerde Karel! Die lammeling! Net klopte-die an. Of ’k nou maar niet wou opspelen, want Thomas had ’m gezegd, dat-ie geen ongetrouwde paren in huis nam al kon die d’r goud mee verdienen. En tegen z’n vrouw had-ie zóó’n bek opgezet, dat ze in ’n toeval lag. Je hoorde ’r ’t heele huis door gillen!.... Of-die helpen wou an de koffers? Hij had zijn kamer ook opgezegd. Hij verdomde ’t ook bij zoo’n lamstraal van ’n vent. Voor zijn part kreeg die Thomas ’n afgedriedubbelde kouwe koorts. Georgine lachte om de vervloeking. Voor háár part zonk die in den grond. En dan Karel weer: voor zìjn part kreeg die ’n steenpuist op elk plekkie waar die op wou gaan zitten. Van den zolder sjouwden we de koffers naar beneden. Raar, nòg geen vier en twintig uur hadden ze er gestaan. We dachten er niet aan àf te ontbijten. Op ’t bord van Georgine lag ’n boterham met één hap er in, op ’t mijne ’n half sneedje met kaas. Ka zat onbewogen hapjes te bijten uit ’t stukje koek. Ik nam het goed uit de linnenkast, Georgine lei ’t ordelijk in de gapende koffers.
„Wat heb je ’n mooie broeken, Mol,” schertste ik.
„Maak nou geen gekheid.... Pak die doos voorzichtig an. De bodem zit ’r los in.... Heb je alles.... ’t Kastpapier òòk en de kastranden?”
„Laat die maar leggen.”
„Nog geen kruimel schenk ik ze.”
Karel hielp haar mee aan de andere kasten, terwijl ik de platen weer begon af te nemen—de Saxoléíne dame van Chérêt, de prenten, ’t boerinnetje van Veth, Steinlen. Kaatje stond naast me met het doosje, pakte de punaises an. Er kwam weer ruimte voor Willem II en Willem III in hun oorlogsgewaden, voor Rebecca met de schoone voetjes, voor den heiligen Joseph, de loopsche Potiphar, voor de lieve herderinnetjes, den lucifershanger en voor fatsoenlijke menschen.
„Is ’r niks meer... niks?... O, de waschtafel nog én je toffels onder ’t bed... Pak is an... Rol de zeep in ’n stukkie papier... Kijken jullie nou allemaal nog is rond... Niks vergeten?”... vroeg Georgine. Van benee krijschte harder gegil der dame in toeval.
„Nee niks”...
„Wat ’n jammer da’k ’r ’n nieuw lint heb gegeve,” zei Georgine... „van vijftien stuiver de el... Wat zit jij nou nog met die knikkers te spelen, Ka? Van wie zijn die knikkers?”
„Van Koosie Thomas”...
„Weg met de knikkers van Koosie!”, schreeuwde driftig Georgine, ruw de knikkers van de tafel smijtend. Als zwaar hagelgekletter striemden ze neer op den grond.
„Nou-òù...”, zei Ka huilerig-verschrikt.
„As je gaat húíle!... Pas op hoor!”
De zwarte koffer stond naast de groote mand, die Karel aan ’t sluiten was met ’n dik pluistouw. Op de zwarte koffer lag ’n reisdeken met twee hoededoozen. Dat was alles.
„Wat nou?”
„Nou laten we ’t boeltje hier staan en gaan kamers zoeken.”—Van benee klonk met snerper lawaai het gegil.
„En als we ’r geen vinden...”
„We vinden er een,” zei ik, kalmeerend.
„Zal ’k me hoed opzetten?”
„Ja.”
„Kaatje, klee je an.”
„Gaan we uit, mamma?”
„Ja.”
„En als ’k nou tegen ’n uur of vijf ’n kruier zend—dan let jij wel op Karel, dat alles meegaat. Zie je: met de parapluie mee zés stuks.”
„Ja.”
„Jij blijft zeker thuis?”
„Ja, ik ga nog wat werken.”
„Dààg.”
„Veel succes. Geef an de kruier ’t adres mee, dan kom ik je van avond opzoeken.”
Georgine en Kaatje gingen de trap af—even keerde ik me om bij de deur, zag de doodsche wanorde, de tafel met de drie borden, de boterham met één hap, ’t sneedje met kaas, de linnenkast met openstaande deuren, ’n vuilen handdoek, proppen papier en knikkers op den grond, de holle, leege blommetjeswanden, stoelen met servetten over de leuningen, de zwarte geeuwende alkoof met wit geschemer van kannen en ’n half volle po en de wit-ziltig triestige reflectie van het zwanendons der najaarslucht op den kleinen stapel naast de tafel, op de zwarte koffer met de grauwe initialen G. C., op de mand met het pluistouw, op de reisdeken, de ouwe hoededoozen, de schuinhangende parapluie.
Beneden wachtten Georgine en het kind. Op straat hoorden we nog het gegil, het drensend lamenteeren als van een vrouw die in weeën ligt.
„Weet je waar ’k de mééste spijt van heb,” hèrklaagde Georgine, „van dat nieuwe lint... ’n prachtig end van vijftien stuiver de el...”
Wij liepen de stad in—zij bleek-betrokken met ’t kind an de hand—ik er naast, als ’n heer, die zoo is toevallig meeliep—voor de mènschen, voor de ménschen...
XV.
BEZOEKEN.—IK VERZOEN ME MET SCHERP.
„Mòrge mijneer.”
„Mòrge.”
„Lekker geslape?”
„Jawel. Dank-u—één keer gáúw is voldoende. Me vrouw wacht met ’t ontbijt.”
„Hiendere die klante u niet als u op bed leit... Vanmorgen was d’r een, die praat altijd zoo hard... Die ies doof weet u?... Da’s ’n koopman ien vee, ien varrekes uit die Van Woustraat... Warm of koud water?”
„Koud.”
„Neem u nou nog èlke morgen ’n bad?”
„Winter en zomer.”
„U liever dan iek... Iek ben bang van ’t water... mein vrouw ook... Hebbu d’r hoore huile vannacht?”
„Nee... Niet zoo zàchies inzeepe... dat vin ’k zoo wee...”
„U kan ’t gedaan krijge zooals u ’t hebbe wiel.”
„Was uw vrouw ziek?”
„Kiespijn mijneer, kiespijn van af de eerste dag dat-wij getrouwd zijn. Ies dat niet om te lache?”...
„Jaja.”
„Ze heeft nog een kies en die ies zoo rot dattie ook getrokke moet worde... Dat kost een boel geld. Wiel u geloove? Als iek ál ’t geld nog had, wat die moend van mein vrouw mij gekost heeft, dan had iek nou een aardieg, een héééél-aardieg spaarduitje... Mot uw haar ook niet gekniept worde?”
„Nee—Eénmaal scheren.”
„Vanmorge ies ’r een mijneer geweest—van de Sienger naaimachien of zoo iets—voor de joeffrouw—’k Heb iem gezeid dattie maar eens terug moest komme—en dan was’r ook nog een quitantie van een goelden of veertien van een rieng.”
„’n Quitantie van ’n ring?—o ja—o ja.”
„’k Heb gezeid dat u niet thuis was. Heb iek goed gezeid?”
„—Welnee—Laten ze maar ná eenen komen.—Als ik tot drie uur werk, ben ik voor twaalf voor niemand te spreken.”
„Dat ies recht. Heb u de bovenbuurman hoore thuiskomme?”
„Ja, die was weer smoordronken.”
„Dat moet u mein niet kwàlijk nemen. Iek kan ’r nieks aan doen. Iek heb ’r al zooveel an geprobird en de polizei ’r bij gehaald, maar bienenshuis kan die polizei geen end an skandaal make.”
„Hindert ’t u niet, als we ’s nachts wat laat visite hebben?”
„O volstrekt niet. Mijn vrouw zegt datte de twee kienderen maar samen moesten slapen. Die houen toch zooviel van elkander. Net twee zusjes, vien u niet?”
„Ja, Netje is ’n lekker kind.... ’k Zal ’t eens an mijn vrouw vragen.”
„Niewaar? Ze kunnen best samen slapen. Dan hebben ze ’t allebei warm en die kienderen zijn zoo voor gezelliegheid—Mein hoend moet over een paar weken joengen—’k Heb aan die joeffrouw een van die joengen beloofd”....
Hij wrijft ’t mes op z’n handvlakte en begint me te scheren.
„.... Iek denk, dat ’k mein kiepen opruim.... Tegen den wienter worden ze geregeld ziek.... De tuin liegt op ’t noorden.... De haan heeft nou al zóó een diek gezwel aan zein kop en twee kiepen hebben ’t snot ... noemen zij dat zoo niet in ’t Hollandsch?.... Even niet praten.... Frietz wat sta jij nou bij ’t raam?.... Gooi die kom eens uit.... Die joenge ies nog zoo lui, mijneer.... Niewaar Frietz?”
Frits, de barbiersjongen, lacht sullig in den spiegel aan den overkant.
„.... Als die maar eerst naar die meiden geweest ies—zal die wel opknappe niewaar Frietz ... die meiden zullen ’t foet ’r wel ienbrenge, niewaar Frietz?”....
„’k Bèn al bij de meiden geweest,” zegt de jongen driest, nou z’n baas zoo familiaar met ’m spreekt.
„.... Zoo een broekie van vijftien jaar.... Hoe hebbie ’t dan gedaan Frietz?.... Effen stilzitten mijnheer.”
„Nou nìèt zoo as de hondjes,” lacht de jongen in den spiegel, terwijl-ie ’n zeepkwastje uitspoelt.
„Hèhèhèèè! Zoo een aap van een joengen—hoor u dat mijneer.... Bij oens ien Duitschland fieken ze niet voor ze achttien zein.”
„Nou—we binne hier niet in Moffrika”—lacht Frits weer.
„Nog eens òverschere, mijneer?”
„Nee—zoo is ’t goed.”
„Most-ie niet voor z’n broek hebbe, mijneer, dattie al naar die meiden geweest ies, mijneer?”
„Laat jij dat maar Frits—daar ben jij nog te jong voor. Als je aangestoken raakt is ’t te laat,” zeg ik, kort.
„O zoo—Dat zeg iek hem ook—’n sjanker of een Spaansche kraag, niewaar Frietz?”
Verlegen—angstig, met ’n òngeloovig bètweterig gluren van de waterige oogen, kijkt Frits, die den grond schuiert en de haren met ’t stof op een hoopje veegt, z’n baas an.
„.... Nou ja!”
„.... Wàt nou ja?.... Ies ’t niewaar, mijneer Spier?.... Geef de kaaretjestang ies an Frietz.”
Netjes drukt-ie een gaatje in ’t abonnementsboekje.
„.... Vlammetje mijneer?”
„.... Nee ik moet nog ontbijten. Mòrge.”
„.... Mòrge mijneer.”
In de achterkamer is Georgine bezig ’t bed in de alkoof af te halen. De tafel is gedekt, ’t kind is naar school.
„Weet je wel, Alf, da-we voorzichtig met prate moete zijn?”
„Hoezoo?”
„’t Is verschrikkelijk gehoorig. ’k Geloof dat ze in de winkel elk woord kunne verstaan, wat we ’s morgens in bed spreke.”
„Dat weet ik wel. Ik waarschuw je dikwijls genoeg.”
„En benede kunne ze heelemaal alles afluistere. Toen jij gister met Ka an tafel zat te prate en ik effen beneden was om wat water te hale, kon ’k jullie duidelijk verstaan.”
„Ik praat altijd zachies.”
„Onzin, jij vergeet ’t net zoo dikwijls als ik.”
„’t Is hier ’n prachtige inrichting. Kijk is hier. Begrijp je nou waarom je àlles hooren kan, wat ze in de barbierswinkel praten?”
’n Stukje behang had ’k met m’n zakmes opgelicht. Het behangsellinnen was voor twee glazen deuren gespannen. De winkel, de alkoof, de achterkamer waren drie kamers en suite. Heel handig hadden ze de deuren bedekt met behangsel.
„Ze zouen zóó in de alkoof kunnen komen.”
„Wel nee. De deuren zijn op slot en an onzen kant staat ’r ’n waschtafel voor.”
„Toch niet heel veilig, vin je wel?”
„Malligheid.—Is de koffie klaar?—Hij vroeg of je d’r wat op tegen had, om de kinderen samen te laten slapen.”
„Samen?.... Da’s wel goed, hè?.... Ze legt zoo alleen in de gang en die Netje is ’n zindelijk kind, niet?”
„Nou—béter is ’t, als kinderen apart slapen, maar nou de juffrouw, Ka toch elken morgen voor de school aankleedt, zal Ka minder kou vatten, als ze niet in d’r nachtpon over ’t portaaltje heen moet.”
„Kom je zitten?”
„.... En d’r is iemand van Singer geweest....”
„.... Van Singer.... O.”
Ze deed de alkoofdeur dicht en we begonnen te ontbijten. Een week ruim woonden we hier, zonder incidenten.
De barbier Jacob Doedelaar, praatziek en opdringerig-beleefd, had geen gewetensbezwaren gehad, toen ik ’m ruiterlijk zei dat we niet getrouwd waren, dat Georgine van d’r man ging scheiden.—„Mein vrouw en iek,” zei die: „hebben drie jáár samen geleefd voor wij getrouwd zein.” Wij bewoonden de kamer en de alkoof, gelijkvloers, grenzend aan den winkel, zij de benedenverdieping. We hadden niets met elkaar te maken. Naast de kamer was ’n kleine keuken, die wij voor ons gebruik hadden. Zij kookten hun eigen potje, beneden. Beter kon ’t al niet. Vrijheid. Geen gescharrel van vreemde menschen over den vloer. Georgine, die ’k nog niet anders gezien had dan als café-chantant-zangeres, was hier in die ééne week zoo reusachtig veranderd, dat ’k haar haast niet herkende. Ze was weer net, zei ze, als in de eerste huwelijksmaanden met dien ànderen man, ze voelde zich typisch burgerlijk huismoedertje, maakte alles zelf schoon, de kamer, de alkoof, de keuken en kóókte zelf. Juffrouw Doedelaar mocht niets doen. Die wou ze niet zien. Ze ging met haar om als met een vriendelijk-babbelgrage buurvrouw, maar an de keukenkast mocht zij niet komen. Ellek z’n eigen huishoue ... ellek voor zich ... dat bleef ’t langst vrinde.... Lachend zag ’k alles gebeuren, die woedende ijver voor ’n blankgeboenden keukenvloer—dat geplas met water—die vreemde kamerhelderheid—die grinnekende regelmaat van opstaan—op tijd eten—op tijd thee—op tijd koffie—op tijd naar bed.—Den vierden dag beweerde Georgine da’k dikker begon te worden en nooit sterker dan in die rustige dagen heb ik gevoeld de walg, die an ’n vervettenden hangbuik vastzit. Maar ’t wèl verzorgde lui-leventje was zoo kwaad niet. Voor ’n man is ’t héél gemakkelijk als ’n vrouw z’n dienstmeid is. De mannen hebben de vrouwen in de gòèie richting opgeleid. Er is geen huisdier op de wereld, béter gedresseerd dan de vrouw [1]. Bij al dit huiselijk gedoetje van schoonmaken, wrijven, poetsen, plassen was Georgine van ’n verwonderlijke, gelukkige blijheid. Als ze op den grond lag met ’n boezelaar voor, ’n wit jak aan en ònopgemaakte haren—als ze den borstel in den pot met groene zeep stak en ’t houtwerk in een goor, schuimend sop zette, zong ze met opklaterende, luchtige vroolijkheid haar café-chantant-moppen. En dat dee me zoo aan—als ’k dacht dat ze ’t allemaal dee voor mij—da’k soms naast haar ging zitten in het vuile sop en haar zoende tot ze ’t uitgilde. Eens heb ’k ’n stuk gezien, waarin ’n patser-artist voorkwam, die z’n neus optrok voor z’n vrouw, die naar water en groene zeep rook. Wat ’n gelògen stuk. Al wat ’n vrouw doet, waarvan je houdt is goed en mooi.
Nog terwijl we zaten koffie te drinken kwam Doedelaar zeggen, dat ’r iemand voor de joeffrouw was.
„Wie?”
„Ja, dat weet iek niet.”...
„Hoe ziet-ie ’r uit?”
„Ik ben ’t... ik ben ’t... mottik me tegenwoordig late àndiene?”
„Hé, vader ben-u ’t?”