Part 11
„Ja, jij ben goed. Dat voel ik.”
„Je kunt wel is verkeerd voelen,” lach ik, mallig.
„Nee. Híér niet.”
Mooi zegt ze dat. Kàn ze slecht, leelijk zijn als ze zulke zuiver-gevoelde dingen denkt? Nee. Ze is ziek geweest. Al de menschen in de stad, in de stad van straten, huizen, stof, verstikking zijn ziek. Buiten, in het groen, in de zuiging van wind, komt er leven in hun longen, in hun ziek gevoel, in hun gedood denken. Wij zijn beiden ziek geweest. Wij zitten als twee herstellenden, met heerlijk vóórvoelen van aankomend leven, met nog krachtloos geleund-hangen tegen de kussens, met slap bewegen van witte zieken-handen, met stille schuwheid voor ’t wat felle zonlicht, met langzaam, diep gorglend ademhalen. Wij zijn nog zwak, nog bleek, nog wat ver-schrikt. Maar we kómen er, in het groen, in het zacht groen, in den helder aanklokkenden wind, in de streeling van zon.
„Hou je ’n beetje van me?” zeg ik—zoo maar.
„Ja, ik mag jou wel. Als je maar niet zoo èrnstig ben.”
„Ik zal niet meer ernstig zijn.”
„Je kunt me zoo ankijken, soms, zoo akelig-ernstig. Daar kan ik niet tegen. Je moet ’n beetje doen zooals andren.”
„Ik probeer eerlijk te zijn,” zeg ik wéér zwaar-op-de-hand.
„Ben ìk dat dan niet?”
„Nee.”
„Zie je, daar héb je nou zoo iets.”
„Je liegt dikwijls. En dan vòèl je dat ik ’t merk.”
„Ik lieg nooit.... Ik praat eerder m’n mond voorbij.... Hoe kun je ’n vrouw zoo iets lomps zeggen”....
„Nee.... Je moet daar niet kwaad om worden.... Je moet ook niet denken dat ik je hatelijke dingen wil zeggen.... We liegen allemaal.... Denk er is over na.... Maar ik bedoel bij jou dàt liegen, dat oneerlijk-zijn, dat zoo opzettelijk gebeurt, zoo grof is, dat je niet goed vol kunt houen als ’n ander je in je oogen kijkt.”
„Schei nou uit met je geklets. Zijn we gaan rijjen om ruzie”....
„We krijgen geen ruzie. Vin je ’t zelf niet lam als je nooit met elkaar uitpraat?”
„Nou ja! Maar je mot ook niet zeggen da’k lieg”....
„.... Ik kan ’t zoo moeilijk bewijzen. ’k Zou wel kunnen zeggen dat je verhaal van die baron met z’n oesters en champagne—weet je nog wel van de Mijtelaar”....
.... „Nee daar herinner ik me niks van”....
.... „Dat verhaal was enkel opsnijjerij of je vertelde de helft... Dat doe je dikwels.... Daar wil ik niet eens bij stilstaan”....
„’t Lijkt wel of ik vol gebreken zit”....
„Dàt beweer ik niet....—waarachtig ik zeg ’t niet om je onaangenaam te zijn—zoo schrikkelijk dikwels als je praat, merk ik an ’n lach van je, an ’n kijken van je oogen, an ’n gebaar, an hònderd dingen, die je niet noemen kan, dat ’t niet waar is, wat je zegt.”
„Jij ben de eerste die me zoo iets zegt!”
„Dat kan wel. Jouw vrienden doen net zoo als jij. Die zijn alleen wat handiger. Die liegen bèter.”
„Noem dan is ’n voorbeeld—met je onzin!”
„Da’s niet gemakkelijk. Je fantazeert terwijl je babbelt en gelooft zelf wat je verhaalt.”
„Wat wor jij weer verdomd vervelend,” zegt zij uit den grond van haar hart.
„Kijk nou bijvoorbeeld is naar je ringen”....
„Nou?”
„Die moest je toch niet dragen.”
„Wel, alle-jezis!.... Mag ik geen ringen dragen die ’k zelf gekocht heb?”
„Je hebt ze niet gekocht.”
„Wil ik ’r ’n vloek op doen?”
„Doe dat niet. Want ’k zou je toch niet gelooven.”
„Bij mijn zaligheid dat ik deze ring gekocht heb op de kermis in Den Helder.”
„Dat kan wel. Die heeft ook ’n valschen steen. Da’s net de aardigste. ’k Wou dat je die alleen an had”....
„En dìè heb ik ook gekocht.”
„Zoo. En die gouden met ’t pareltje? Wor nou niet kwaad. Is daar reden voor?”
„Strakkies zal je nog beweren dat me knoppen....”
„Die moest je ook niet dragen. Dat dacht ik al dien eersten avond bij Prot, toen ik achter je zat. Waarom draag je zulke valsche prullen? Wil ik je is wat zeggen? Die twee gouwe ringen heb je van patsers—de knoppen van ’n armen bliksem.”
„Dat lieg je!”
„Dank je.”
„’k Heb alles van me eigen geld gekocht.”
„Als dat zoo was, zou je gister niet gezegd hebben, dat je díé van ’n kennis heb gekregen.”
„Dat heb ik niet gezegd.”
„En als je ze met je éígen geld gekocht heb, dan moet er ’n smerig luchtje an dat geld zitten.”
„Nou wor je beleedigend. ’k Ga net zoo lief ’t rijtuig uit.”
„Zie je—nou heb ik over één leugen áangehouden. Wees toch niet kwaad, groot kind. Kijk is naar de lucht, naar de blaren, naar ’t groen. Vóél je niet, da’k gelijk heb, dat je jezelf wijs maakt dat je je kwaad moet houen?”
„Nee. Dat voel ik niet.”
„Dat voel je wel. Kijk me maar is an.”
„Ach loop heen! Wat gaat ’t jou ook an!”
„Méén je dat?”
„Natuurlijk! ’k Ben me eigen baas en meester.”
„Doe mij ’t pleizier en draag ze niet meer.”
„Hou je nou op met je gesappel? Blikken dominee!”
„Waarom speel je nou zoo’n komedie. Vin je ’t zóó vreemd dat iemand openhartig met je praat?... Je heb me al ’n paar maal voor dominee uitgemaakt.... Wat moet jij nog bar-gek over me denken!... ’k Maal om niks, om niks waar ’n hoop andere menschen om malen.... Voor mijn part doet iemand de meest bezopen dingen! ’n Dief vin ik niet om te verachten, voor de grootste hoer van de wereld kan ik respect hebben—máár liegen, liegen, jezelf beliegen, iets doen dat je als ’n leugen vóélt, da’s walgelijk, da’s gòdsgruwelijk, da’s ’t érgste. Lach je daar nou om?”
„Waarom hè-je je snor niet laten knippen, zooals ’k je gezegd heb!”, viel ze me lachend in de rede.
„Weet je wat je ben?”, lachte ik terug.
„Nee.”
„’n Krèng.”
„Dankie.”
„Wil je ze niet meer dragen, die dingen?”
„Wat bèn jij ’n taaie bloedzuiger!”
„Zeg nou ja.”
„Als jij me ’r een geeft, zal ’k ze wegdoen.”
„Op je woord?”
„Op me woord.”
„Dan zal ik je d’r een koopen. ’n Dure krijg je niet.”
„Dat kan me niet schelen.”
„Nou hou ’k nog eens zooveel van je.”
„Daar doe ik wat mee!”
„Ben ik je dan zoo onverschillig?”
„Als je me onverschillig was zat ’k niet met je in ’n bakkie.”
„Dat hèb je met Jan en alleman gedaan.”
„O Jezis ben je jaloersch?”
„’k Heb geen rechten om jaloersch te zijn.”
„Wat zou jij doen als je rèchten had?”
„’k Zou je niet meer laten zingen.”
„Zou je dat heusch niet?”
„Nee.”
„’k Wou dat me man dat zeven jaar gelejen gezegd had.”
„Wou jij dan niet?”
„Nee. M’n moeder heeft ’m óok nog gewaarschuwd. De vuilik vrat mee van cente, die ik van heere gezonden kreeg. Eens heeft-ie ’n couvert opengemaakt en ’r bankie uit genomen dat ’r in lee”....
„Van wie kreeg je dat geld?”
„Van... van.... Wat doet dat ’r toe?”
„Zeg je ’t liever niet?”
„Van ’n goeie kennis.... Je hoeft me niet zoo an te kijken.... ’t Was van ’n doodfatsoenlijken jongen.... D’r heeft niks tusschen ons bestaan.... Die wist da’k armoe had.”
„Wanneer ga je naar Amerika?”
„Ik ga d’r niet heen.”
„En als hij wil?”
„’k Heb zoo de pest an die jood, hè!”
„Is ’t ’n jood?”
„Ja. En wat een! We zijn alleen maar burgerlijk getrouwd. Kerkelijk, dat ging niet. Dan had ik jodin motten worden. Zeg, stel je is voor.... ’n bad nemen met ’n hoop rabbies ’r bij.... Wat ’n instelling, hè?”
„Gaat dat zoo?”
„Dat hebben ze me gezegd.... Nou je kan begrijpen wat voor ’n leven dat gaf met me schoonmoeder. Die heeft me eens in me gezicht gespoegd toen ze me op straat tegenkwam. Die smerige smausin, ’n vrouw te spoegen die zwanger is!”
„Von je man dat allemaal goed?”
„Die was bang voor d’r. Die hing altijd an de kant van z’n familie. Ik denk da’k tòch naar Amerika ga om de kinderen bij hèm te brengen. Dan ga ’k ’r met ’n rijke Amerikaan van door. D’r zal d’r wel zoo een te vinden zijn. In Amerika zijn ze dol op blonde vrouwen. Nog beter de hoer spelen dan zoo’n”....., zei ze bijna woest.
„Spreek toch wat zachter voor den koetsier!... Als je van je kinderen hield, zou je zoo iets niet zeggen.”
„Ik hóú veel van ze. ’k Sappel alléén voor me kinderen.... Maar wat heb ik an me leven?.... Hoe mot ’t gaan as ze ouwer zijn?... Hij verdient goed geld... Met mij gaan ze, gaan ze... ’n beroerde toekomst in.... Zie je nou wel! Als ik met jóú ’n kwartier spreek, wor ’k altijd zoo triestig, da’k wel dood zou willen wezen!”....
„Wil je gelooven dat ik blij ben als je me dat zegt?”
„Daar begrijp ik weer niks van dominee.”
„’k Zie je graag zóó, zooals je nóú over me zit. Zóó met je verdriet en ik als je vrind.”
„Je ben ’n goeie vent. Je ben niet mooi, maar ik mag je wel,” knikte ze.
En zoo praatten we door, rustig, vríéndelijk, met vlagen van ruzie, snuffelend als vreemden, die elkaars leven trachtten te benaderen.
Aan ’t strand was ’t vol. Heel vervloekt-mondain Haagje luierde in badstoelen. Je had er geldpatsers, deftige Geheimraths, jodenfamilies met jodenpa, jodenma en een half dozijn bij-de-pinken jodenkindjes, je had er Fransch pratende referendaris-dochters, lorgnettende Duitsche patroons-zoontjes, rijk geworden slagers, in één woord het gewone strandproletariaat, dat voor dure centen lucht koopt. De zee ziet er verrassend-bourgeois uit, met zóó’n verzameling op den voorgrond, als een ouwe leeuw die last van wurmen, als eene kleffe burgerjuffrouw, die een lavement noodig heeft. Bij de zee voel ik twee dingen, breedheid en wijsheid. Maar breedheid en wijsheid worden verdrongen door m’n gròòte haat voor dát volk, voor dat minne volk van corsetten, haklaarzen, hooge boorden, voor dat schuim, dat de aarde verpest in liefdelooze koestering van buik- en buikaanhangsels. Alle breedheid, alle wijsheid van zee verstikken in je walg voor dit geaffecteerd geld-zoodje, voor ’t heidensch, zelfzuchtig tuig, dat gedrochtelijk grootgegroeid, z’n leven verstuiptrekt in stadszwijnderij, in geluk van ’n titel, in verrukking van geld, dat liefdadige instellingen beheert en arme kraamvrouwen ’n soepie zendt, dat bestuurslid en vorstje speelt bij ’n kliek dooie stumpers, dat legaten nalaat aan kerken en hofjes sticht, dat zich koestert en verlekkert aan ’n stervend feodaal systeem, dat d’r werklui en meiden fatsoenlijk laat verrekken—daar bennen ze arbeiders, meiden voor—, dat ’r op los hoert en koopt, vleesch en arbeid, dat warm en geil in de zon te brajen ligt, in hùn zand, hùn zon, voor hùn badhuis en zwetst en kletst met d’r arme, leege, hersenlooze hoofden en d’r stomme minachting toont voor wat árm is, voor wat kijkt naar ’n verren horizon van blauw en wit, voor wat zich niet buigt, voor wat arbeidershanden heeft, voor wat niet blieft te springen als clown, door hùn hoepel van rottende, stinkende doodskoppen, waaruit maaien kruipen, maaien van vet en bloed. Als ík profeet was zou ’k m’n woord dònderen op hun hoofd, in hun kleine, vergroeide hersens, zou ’k ze om d’r ooren slaan met hun testamenten, de huichelaars, de turfuitdeelers, de godheidjes van toevluchtsoorden, de góéie christenen, die voor erwtensoep zorgen, voor ééns in de week erwten met speksaus en ouwe-hoeren in doorgangshuizen met ’n bijbel in d’r eene en ’n tractaatje in d’r andere hand, die in de regentenbank zitten en schilderijen schenken an de kerk en lid zijn van „Liefdadigheid naar vermogen”—, die de aarde versjaggerd hebben onder elkaar, de aarde, het groen, de kolen, het licht, de lucht, de vrouwen. Ik zou ze... Lieve God... is ’t niet om luid uit te lachen, lúíduit aan ’t strand, waar watergeraas alle klank dooft—luiduit bij zoo’n vetten patsersbuik, die màger moet worden, bij anemische maagden die naar een ge-dis-tin-geer-den verzwabberden jongeling zoeken, bij rooie parasols met kanten, bij gelakte laarzen, bij huwbare, stiekem-verlangende meissies, bij dit verfoeilijk uitschot van een werkende maatschappij.—O, wat heb ik nog veel aan mijzelf te verandren!
Nagekeken, begluurd liepen we langs de badstoelen.
„Willen we boven op de duinen gaan zitten?”
„Als ’k me goeien japon niet an had.”
„Zand bederft niet.”
„Nee, geef mij maar ’n badstoel.”
Zoo ver mogelijk wèg, met de ruggen naar mondain Haagje, zaten we, soezend, kijkend. Moe van ’t vroegop zijn hing ik achterover, half-induttend. Zij dee ’t zelfde. ’k Geloof dat we allebei geslapen hebben.
„Zeg, Alf.”
„Hè!”
„’k Heb zoo’n dorst.”
„Wil ik wat druiven voor je gaan halen?”
„Graag.”
Gauw ’n half pond koopen, en gàùw weer terug. Hé! Met wie is ze nou? Wat is dát! Als ze met mij uit is, komt ’t dan te pas...
„Nou, bonjour!”
„Dag Georgine.”
... „Wie was dat?”—vraag ik verwonderd.
„’n Kennis van me.”
„Daar hou ik nìks van.”
„Wat heb je nou weer!”
„Als ìk bij je ben, wil ik niet dat je met zulke proleten spreekt.”
„Wat ben je toch ’n vervèlende vent! Mág ik niet spreken met Jonkheer”...
„’k Wil z’n naam niet weten. Zeker een van die ploerten die achter kommen, hè?... Dat laat je nou maar, hoor!”
„Toe kommandeer je hond en blaf zelf! Heb ìk hèm angesproken?”
„Dat kan me niet schelen. Ik blief d’r niet als schoppen zeven bij te staan.”
„Doe ’t nìèt!”
„Wil je liever dat ’k wegga?”
„Mot je zèlf weten! Dat ééuwig gesappel!”
Vier, vijf minuten zitten we nijdig. D’r valt niet op te schieten met die méíd.... Ze doet wat ze zèlf wil.... En wat ’n krengig humeur als je ’r ’t minste zegt.... Wat heeft ze te spreken met zoo’n ploert, zoo’n mooi angekleeden ellendeling met blonde pommade snorren.... zoo’n stuk vuil!.... Als ze denkt da’k ’n kwajongen ben, heeft ze ’t mis.... Maar dan effen omkijken en d’r haren zien dansen op d’r voorhoofd.... en de valsche steenen in d’r ooren.... zoo’n àrreme meid, die nòòit ’n pretje heeft.... nòòit an zee is.... altijd achter de gore, vieze coulissen.... nooit an zéé....
„Hier hè-je de druiven.”
„Eet ze zèlf maar.”
„Nou! Nou-nou-nou! Hè-’k zoo erg misdaan?”
„Je zult me nog gek maken, jij!”
„Laten we maar weer goeie vrinden worden, hè?”
„Vervelend schááp!”
„Zijn ze lekker? Nee, ’k wil ’r geen. Ik hou ’r niet van.”
„Als ìk ’m je geef?”
„Eéntje maar.”
Dán soezen we weer....
„Weet je wa’k zou willen, Alf?.... Boven op zoo’n duin liggen.... ònder ’t zand.... altijd groen boven je.... àltijd de zee bij je.... Wat mot dat heerlijk zijn.... Wat ’n akelig idee in zoo’n stad te leggen.... vlak bij de huizen.... vlak bij de menschen... Vin je niet?.... Waarom kijk je me nou zoo.... ’k kan ’t niet zeggen.... zoo ráár an....? Dat mot je niet doen.... Dat maakt me verlegen”....
„Ik ben blij als je zoo iets zegt,” zeg ik, lief vindend die sentimentaliteit.
„Dat zei-je straks ook in ’t rijtuig.”
„Ik hoor je zóó graag.... Kan je niet zeggen waarom.”
„Hè-’k wat dòms gezegd?”
„Heelemaal niet.”
„’k Weet wel da’k dóm ben.... Jij ben veel te geleerd voor me.... Ik weet niks”....
„Ik weet ook niks.... Dat past goed bij elkaar, hè?”
„Méén je dat nou?”
„Denk je da’k je voor de mal hou?”
„Nou ja jùllie liegen altijd.”
„Wie jullie! Wàt jullie!”
„Hè, wat stuif je op!”
„Maak me dan niet voor leugenaar uit! Denk je da’k ben als die àndren!”
„Nou dan, níét jullie.... Wat ben je ònaangenaam. Ik bedoelde ’t zoo niet. Zie je nou wel da’k te dom voor je ben.”
„Je ben niet te dom voor me. Ik ben ’n gewone jongen, met niks buitengewoons an me.”
„Is dat nou niet zoo’n beetje”...., lachte ze.
„Georgine!”
„God, gòd wat ben je ongeduldig. Zou jij me getrouwd hebben, toen ’k nog in de Vic zong?”
„Tóén zeker niet. Toen was ik zoo’n gewone ellendeling.... als díé daar.”
„Maar nou?”
„Nou? Néé. Ik trouw niet.”
„O”....
„Waarom zeg je O?”
„Je valt me tegen, hoor. Heb jij nou ook van die foefies?”
„Wát zeg je?”
„.... Da’s toch goddoome sterk!”
„Watte?”
„.... Jùllie hebben allemaal ’t zelfde smoesje.... Jùllie trouwt geen van allen! As je maar eerst uitgeboemeld ben, hè?.... Met óns schàrrelen jullie maar, hè?”
Ik hield m’n mond. ’n Blinde, kwaadaardige woede schokte in me op, ’n woede om iets neer te slaan. Jùllie.... Jùllie.... Jùllie.... saamgekoppeld met ’t uitschot achter me, met de gehate, perverse, liederlijke bent.... Jùllie!.... Maar in mijn woede kwam ’t verstand faufileeren.... Je kan ’t ’r niet kwalik nemen.... Ze heeft nóóit anders dan schooiers gekend.... Ze begrijpt niks van je. Je mot ’r overtuigen.... Je mot ’t ’r nou is góéd zèggen.... dat ’t je niet om smeerlapperij te doen is.... En dan prààtte ik weer:
„.... Ik schàrrel al lang niet meer, Georgine.... Ik bóémel niet”....
„.... Je mot me niet kwalijk nemen, Alf, maar ’k ben zòo’n òùwe rot”....
„Als je nog één woord zeg, sta ik op, zie je me nóóit meer. Heb je me verstáán? Ik geef je mijn woord, mijn woord, dat ik nìèt lieg, geen foefies gebruik, geen smerige leugens om.... wat van jou „gedaan” te krijgen. Je kent me zoo weinig. Bij alles sta je met wantrouwen klaar. Je moet me gelóóven. Als je me niet gelooven wil, zal ’k geen woord meer over vuil maken.”
„Zou jíj dan zoo’n wònderman zijn?”—zei ze glimlachend, superieur door ondervinding.
„Heelemaal niet kind. Ik heb zes, zévenmaal kunnen trouwen. ’k Kàn toch ’n vrouw onderhouden als ’t noodig is. Denk je dat ’r niet hoopen meissies met geld klaarstaan? Maar ik dòè ’t niet. Ik wil niet. ’k Heb ’r mijn reden voor. Te véél om jóú te zeggen. De hoofdzaak is—, lach jij maar,—dat trouwen geen handelszaak is, waarvoor je ’n contract moet maken—, dat ’r in de eerste plaats vèrtrouwen moet zijn. Als je ’n man niet volkomen vertrouwt, mòèt je niet met ’m trouwen. Is ’t niet beter dat je uit vrijen wil bij elkaar blijft, dan dat je je verkoopt? ’t Blijft nou toch altijd ’n koop, niet?—’n koop voor ’n mooi gezichtje, voor ’n bom centen, voor ’n naam, voor ’n titel! Ik trouw niet om kinderen te maken voor ’t dierbaar vaderland, voor ’t leger, voor de belasting. Ik trouw als ’k van ’n vrouw hóú. Als ze bang is da’k ’r in de steek zal laten moet ze maar verrèkken! Excuseer mijn lieve uitval!—De maatschappij is bijzaak als ’k ’n vrouw in me armen heb. En me kinderen—die trap ik dood als ze neerzien op d’r moeder, omdat de menschen rondom zoo stom zijn! In díé dingen zal ik mijn leven inrichten, zooals ik het wil.”
„Dus jij wou enkel ’n mintenee hebben?” Dat woord sloeg me als koud water.
„Nee, ’n vróúw.”
„Zoo’n meissie uit jouw stand ziet je kòmmen!”—lachte ze.
„Ik spreek niet van stand. Mijn stand verkoop ik voor één seconde geluk. Waarom wil jij van je man af?”
„Omda’k de pest an ’m heb.”
„Wat heeft-ie dan an z’n contract?”
„Da’s waar.”
„Als jij van ’m hield, zou j’m niet bedriegen”....
„Ik bedrieg ’m niet.”
„Nee, ga nou maar niet door. Da’s bijzaak. ’k Wou je alleen maar overtuigen dat Stadhuis onzin is voor éérlijke menschen die van elkaar houen. Wie denk je dat elkaar meer bedriegen, de getrouwde met ’n kontrakkie of de lui die samenléven?”
„Nou, wat ik ’r van weet, kommen de mannen veel meer bij d’r mintenee.”
„Schei toch godverdomme uit met je geminteneer!”
„Vloek zoo niet, driftkop. Dus jij zou nooit trouwen?”—vroeg ze weer met betwetenden spot, armelijk-wijs door café-chantant ondervinding.
„Nóóit.”
„òòk niet als je verliefd wer op ’n meisje dat niet anders wou?”
„Nee.”
„òòk niet als ze véél geld had?”
„Wat heeft dat ’r nou in godsnaam mee te maken?”
„Nou—ik vráág maar—zou jij zoo’n vrouw waarmee je samenwoonde nooit in de steek laten?—Nooit?”
„Nooit.”
„En as ze ’n lam humeur had, of elken middag je eten bedierf, of je boel verwaarloosde”....
„Hahaha!”
„Wat lach-ie nou?.... Wat vin ’k dat hàtelijk dat lachen!”
„Nou ja”....
„Wàt nou ja?.... Daar mot je toch allemaal an denken.... En als je tusschen tijds op ’n ander verliefd raakt?”....
„Dat is ’n ding waarover je niks kan zeggen, niks kan voornemen. Maar ’t zou nooit ’n reden zijn om ’n laagheid tegenover je vrouw te doen”....
„En as je niet meer van elkander houdt?”
„Dan ga je natúúrlijk van elkaar af.”
„En mot zoo’n vrouw dan maar omkommen?”
„Wel nee. Dan blijf je eerlijk opdeelen.”
„En als jij niet meer van haar houdt en zij wél van jou?”
„Dan denk je.... dan ròmmel je wat in ouwe herinneringen........ Hahaha!........ Maar wat wil je nou feitelijk, ganzekop!.... Blijven die vragen niet net ’t zelfde voor menschen mét ’n kontrakkie?.... Kan ’n trouwklerk op ’t stadhuis ’r antwoord op geven? Denk je dat ’n man van je houen blijft, omdat-ie an je vastgebakken is? Huwelijk is huwelijk. ’n Papier kan ’r niks an doen.”
„Dus jij zou zoo’n vrouw trouw blijven?”
„Ja.”
„Dan ben jij wel ’n uitzondering.... En.... als ze kinderen had.”
„Nou. Die bracht ze mee.”
„Meen je dat héúsch?”
„Op mijn woord, dat wil zeggen: mijn woord is mijn woord.”
„God-God—als dat àllemaal waar is—nee, toe, wor nou niet boos—wat bè-jij dan ’n góéie vent. En je liegt niet. Je heb zulleke—hoe zal ’k ’t zeggen—zulleke oogen waarin je kan kijken.”
„Ik belieg je niet, Georgine.”
„Koop-je strakkies nou ’n anderen hoed?”—zei ze plots zonderling opgewekt.
„Hindert-ie je zoo?”
„Nou, hij maakt je onknap en je ben wél ’n knappe vent”....
Den heelen middag bleven we hangelen in de badstoelen, dineerden bij Altenburg met ’n halve flesch wijn sámen en zaten om zeven uur in den trein, in ’n vollen coupé.
In de dommlige scheemring sliepen de meeste reizigers. De wagen reutelde schor. Stilletjes nam ik haar hand, drukte die zachies, hield ’r vast. Zoet-weëig voelde het warme glacé, met het ééne ànders-warme open velkringetje. En ’k bleef zoo, rustig, zònder-nadenken in wiegend gesoezel. Zij sliep.
Door de voile, in de wagenschemering, zag ’k haar meisjesgezicht, het gelijk-gladde neusje, de ronding der koonen. Als ik zelf m’n oogen sloot, wákker, toch niet denkend, en ’t glacé voelde in de handwarmte, zàg ik het komend leven als een vlakte met niet hinderend, niet schelgroen, passieloos licht, ’n vlakte om in te liggen met dichte oogen en ’n mond wijd-open met in en uit stootinkjes van adem. D’r ontbrak niets. ’t Was vólkomen. Vólkomen van wijde, zacht-groeiende vreugd. Als je de oogen open dee, zag je de menschen aan den overkant met hoofden schuinweggezakt en open-ademende monden, ’t mat glimmen van ’n bril, ’t bagage-rek, keek je naar ’t billet van „Niet rooken”... Smoking is prohib... Il est défendu..., naar den knop van ’n stok.... zei je tot jezelf, zònder ’t te zeggen, dat ’t allemaal goeie lui waren, met gezellige gezichten.... sloot je de oogen weer.... voelend het glacé, dat warm werd en het open velkringetje, waarin je wel ’n zoen zou willen geven.... èn ’t breede, ’t onbelijnde, ’t groot-wijde, waarin je je adem hoorde.
Tot aan de deur van de Albert Cuyp liep ik mee.
„Wil je niet effen boven kommen??”
„Mag ik?”
„Dan kan je me ééne kind zien.”
Een trap op. ’n Klein portaal. ’n Gescharrel bij de deur. Dan ’n kamer in donker met flauwe raamschemeringen.
„Juffrou!.... Juffrou-ou!”
Achter scharnierde ’n deur.
„Ben u d’r?”
„Waar is me lamp?”
„O. Die zal ik zoo dadelijk brengen.”
„Ga zoo lang zitten, Alf. Hier staat de canapee.”
In ’t donker ging ik zitten op iets hards.
„’k Gloof da’k op wat zit.”
„Dat zal ’n veer zijn. Je mot vlak tegen den rug anleunen. Anders kun je ’r niet op zitten.”
„’t Lijkt ’n groote kamer, hè?”
„Dat verdòmde mensch! Altijd dat beroerde geseur met me lamp! Juffrou! Juffrou-ou! Mo’k nou nòg langer wachten?”
„Ik k-ó-ó-m!”
Met de fel lichtende lamp voor het flets burgervrouwtjesgezicht kwam ze binnen.
„k Most ’r olie in doen.”
„Niks voor me geweest?”
„Uw vader was van morgen hier.”
„Geen boodschappen?”
„De naaister.”
„Was ze ’r alweer?”
„En wát ’n brutale bek! Ze liep niet langer zei ze. Dan mot je maar rijjen zei ik. ’k Heb de deur voor d’r neus dichtgesmeten... O... Zit daar ’n héér.... ’k Had meneer heelemaal niet gezien.”
„Da’s meneer Spier die u bij Prot gezien heb.... weet u niet meer?”
„Jawel, jawel.... Wil u soms thee drinken?”
„Da’s ’n idee. Met twèe koppen, juffrouw!”
„Meneer mot niet na me servies kijken.... De kinderen breken alles, hè-hè-hè”....
„Kijk nou is wat ’n rommel!”—zegt Georgine als juffrouw Bok weg is—„wat ’n godverdommisse beestenboel. Alles laat ze achter d’r kont slingeren. ’k Sjeneer me voor jou.”
„Toe, ga nou niet opruimen! Wat komt ’t ’r op an!”
„’k Kan toch zoo niet de po voor je neus laten staan. Kijk nou is an! De natte kringen zoo op ’t zeil. Je zou goddoome ’t huis uitloopen!”