Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen

Part 23

Chapter 233,684 wordsPublic domain

Meer tot tijdverdrijf dan voordeelshalve vangt men den Sneep aan een hengel, die met een gewone Huisvlieg als lokaas voorzien is. In den rijtijd geeft de talrijkheid der scholen aanleiding tot een rijke vangst. Uit de Wertach bij Augsburg worden dikwijls binnen 2 of 3 weken 15,000 of meer KG. visch opgehaald. Ook aan de uitmonding van de Birs en de Glatte in den Rijn vangt men ieder jaar een groote hoeveelheid van deze Visschen. Als spijs worden zij niet hoog geschat, daar hun vleesch week is en zoetachtig smaakt.

De Bittervoorns (Rhodeus) zijn met middelmatig groote schubben bekleed; hun gedrongen gebouwde romp is sterk zijdelings samengedrukt en heeft een hoogen rug; de niet volkomen eindstandige mond mist de voeldraden. De rugvin begint boven de buikvinnen en komt in lengte met de aarsvin overeen. De tweede straal van de rugvin en van de aarsvin is glad en tamelijk hard en herinnert hierdoor eenigermate aan den doorn van den Karper en den Steenkarper. De gladde, zijdelings samengedrukte, aan de kroon schuins afgeslepen tanden zijn op ieder keelgatsbeen ten getale van 5 op één rij geplaatst. De zijdestreep is zeer kort.

Weinige inheemsche zoetwatervisschen zijn even sierlijk van vorm en fraai van kleur als de Bittervoorn (Rhodeus amarus), zelfs is er grond voor de bewering, dat deze ongeveer 5 cM. lange, dwergachtige Karpervisch, den beroemden Goudvisch in schoonheid overtreft. Van alle Voorns heeft zijn lichaam de grootste hoogte; hij herinnert in dit opzicht eenigzins aan den Brasem en de Kolblei. Zijn kleur is verschillend al naar het geslacht en het jaargetijde.

"Buiten den rijtijd," zegt Von Siebold, die de uitvoerigste beschrijving van dit vischje gegeven heeft, "is er weinig verschil van kleur tusschen het mannetje en het wijfje; beide hebben een grijsgroenen rug en zilverwitte zijden. Zeer eigenaardig is een groene, glanzige, overlangsche streep, die op het midden van den romp begint en zich aan weerszijden tot aan de staartvin uitstrekt. De vinnen zijn licht roodachtig van kleur, de rugvin is geheel, de staartvin aan den wortel met een zwartachtige kleurstof bedekt. Bij den mannelijken Bittervoorn wordt dit eenvoudige kleed in den voortplantingstijd vervangen door een prachtig bruiloftsgewaad, waarvan men moeielijk een nauwkeurige beschrijving kan geven. De geheele oppervlakte van 't lichaam van 't mannetje is versierd met alle kleuren van den regenboog: vooral metaalachtig blauw en paarsch treden bijzonder duidelijk op den voorgrond en doen de smaragdgroene zijdestreep nog glanziger uitkomen; de borst- en de buikvinnen prijken met een fraaie, oranjegele kleur; de rugvin en de aarsvin zijn helder rood met zwarten zoom. Het wijfje, dat de eenvoudige kleuren behoudt, die het (nu zoo prachtig getooide) mannetje vóór en na den voortplantingstijd vertoont, heeft echter een eigenaardige, duidelijke in 't oog vallende verandering ondergaan. Na het begin van den rijtijd ontwikkelt zich allengs een legbuis; deze bereikt haar grootste lengte (soms wel 19 mM.), zoodra de eieren in den eierstok rijp geworden zijn en hangt dan als een roodachtige, wormvormige streng aan het achterlijf. De spits van dit orgaan reikt dikwijls voorbij het uiteinde van de staartvin. Hierdoor verkrijgt dit vischje gedurende het zwemmen een vreemd uitzicht; het is, alsof de darm of een doorgeslikte Worm door de aarsopening naar buiten komt."

F. C. Noll heeft de beteekenis en de verrichting van deze buis nagegaan. "Een hoogst merkwaardige betrekking tusschen den Stroommossel en de overige dierenwereld," schrijft hij, "is eerst in den laatsten tijd volkomen duidelijk gebleken. Zij levert een nieuw voorbeeld van het innige verband, dat soms tusschen wezens van zeer verschillenden aard bestaat. Men kan er tevens uit zien, hoe langzaam onze wetenschap zich ontwikkelt: gedurende tientallen van jaren moet de eene waarneming bij de andere gevoegd worden, voordat een onderzoek eindelijk de gewenschte uitkomst oplevert. Reeds lang had men in de holle, plaatvormige kieuwen van den Verfmossel (Unio pictorum) eieren van Visschen opgemerkt. Deze zijn geel van kleur, langwerpig van vorm en 3 mM. lang. Zij komen in ongelijk aantal voor: soms zijn er slechts weinige, soms vindt men er wel 40 in de kieuwen van een enkelen Mossel. Van het begin van April tot in het midden van Juli van 1869 heb ik geregeld iedere week een aantal Mossels uit den Main onderzocht, in 't geheel verscheidene honderden. Het bleek mij, dat vooral in de Verfmossels eieren van Visschen te vinden zijn; in de door dunnere schelpkleppen beschutte Eendenmossels kwamen zij minder veelvuldig voor. Van week tot week nam het aantal dezer in 't oog vallende, dooiergele voorwerpen in de Mossels toe. Reeds den 8en Mei hadden zich uit sommige eieren vischjes ontwikkeld, die lang uitgestrekt in de kieuwkamers lagen: de dikke kop met de zwarte oogen waren duidelijk door het weefsel der kieuwen heen zichtbaar en altijd naar den vrijen rand der kieuwen gekeerd (zoodat de lengteas van 't vischje van den romp van het Weekdier naar buiten was gericht). Bij het voorzichtig opensplijten der kieuwen kwamen de aardige vischjes onbeschadigd uit hun schuilplaats te voorschijn; zij droegen een langwerpigen, gelen dooierzak als bergplaats van voorraad aan den buik en onderscheidden zich door een helderen, zilverachtigen glans. De vischjes van denzelfden Mossel verkeerden echter in verschillende ontwikkelingsperioden: sommige zaten nog in het ei, anderen waren reeds geschikt om hun geboorteplaats te verlaten. Hieruit blijkt duidelijk, dat de eieren op verschillende tijdstippen in den Mossel aangekomen moeten zijn."

Door proeven heeft F. C. Noll de gegrondheid aangetoond van zijn onderstelling, dat de legbuis het werktuig is, waarmede de Bittervoorn eieren in de kieuwkamers van den Mossel kan leggen. Verfmossels, die eieren van Visschen in hunne kieuwen hadden, werden geplaatst in afzonderlijke waterbakken; na geruimen tijd zwommen hier tal van jonge Bittervoorns rond, welke tot aan dien tijd in de kieuwholten tegen alle nadeelige invloeden beschut waren gebleven. Door gevangen Visschen, die aan 't kuitschieten toe waren, te rechter tijd bij de Verfmossels te brengen en nauwkeurig na te gaan, totdat zij hunne eieren hadden gelegd, werd alle twijfel uit den weg geruimd.

Voor zoover men weet, omvat het verbreidingsgebied van den Bittervoorn geheel Middel- en Oost-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië en Scandinavië) en ook een deel van Azië. In den Donau en zijne bijrivieren, in den Rijn, in het stroomgebied van de Elbe en van den Weichsel komt hij op sommige plaatsen veelvuldig voor, eveneens in voor hem geschikte wateren van Taurië. Uit de vlakten begeeft hij zich naar heuvelachtige gewesten en zelfs naar de middelgebergten. Hij heeft een zeer taai leven en is zoowel tegen de kou als tegen hitte bestand. Aan zuiver stroomend water met een steenachtigen bodem, vooral aan de zoogenaamde doode armen van rivieren en beken geeft hij de voorkeur. Ook in ons land heeft men hem in geringen getale in de Maas bij Rotterdam en in andere rivieren, sloten en kanalen aangetroffen. "Zijn vleesch," schrijft Schlegel, "heeft evenmin een bitteren smaak als dat van andere soorten; maar het vischje is niet talrijk genoeg en te klein om als gerecht in aanmerking te komen." Het wordt weinig gevangen en gewoonlijk alleen als lokaas bij het hengelen naar andere Visschen gebruikt. Uit de bovenstaande beschrijving blijkt echter voldoende, dat de Bittervoorn aan liefhebbers van aquariën ten zeerste aanbevolen kan worden.

Een drietal inheemsche Karpervisschen behooren tot het geslacht der Brasems (Abramis). Hun romp is hoog en sterk zijdelings samengedrukt; de scheef geplaatste mond mist de voeldraden; de rugvin is kort, helt van boven naar achteren en onderen sterk af, heeft geen doorn en is tegenover de ruimte tusschen buikvinnen en aarsvin geplaatst; de buik heeft in deze tusschenruimte een ongeschubden kant, ook het voorste deel van den rug mist in het midden de schubben. De aarsvin is zeer lang. De keeltanden hebben een zijdelings samengedrukte, schuin afgesloten kroon en staan op ieder keelgatsbeen op 1 of 2 rijen.

De verst verbreide en talrijkst vertegenwoordigde soort van dit geslacht is de Brasem (Abramis brama); zijn jongen worden gewoonlijk "Blei" of "Bliek" genoemd en dikwijls met de Kolblei verward. Met deze komt hij door de gedaante van zijn ruitvormig lichaam overeen; behalve aan de langere, iets dieper gevorkte staartvin, herkent men hem het best aan de veel sterker benedenwaarts gebogen zijdestreep en de zwartachtige aarsvin. Hij kan 50 à 70 cM. lang en 4 à 6 KG. zwaar worden. De bovenkop en de rug zijn zwartachtig, de zijden geelachtig wit met zilverglans; de keel is roodachtig, de buik wit, aan de zijden zwart gestippeld; de vinnen zijn zwartachtig blauw.

De Brasem bewoont zoet- en brakwater in Middel-, Noord- en Oost-Europa; ten zuiden van de Alpen ontmoet men hem evenmin als zijne verwanten; wel komt hij voor in 't Rhône-gebied. Bij ons vindt men hem in alle rivieren, meren, plassen, vaarten en slooten, het meest in veenplassen, breede dicht begroeide slooten of rietvelden langs de oevers. Ook in het Hollandsch diep is hij waarschijnlijk niet zeldzaam (Hoek). In zeer grooten getale bevolkt hij alle Duitsche hoofdrivieren, vooral de hiermede in gemeenschap staande, diepe meren, het meest die plaatsen, welke een leemachtigen bodem hebben. Bij Zweden en Noorwegen vangt men hem ook in de zee, die hem echter slechts bij uitzondering tot woonplaats dient. Gedurende den zomer blijft hij in de diepte, liefst op met planten begroeide plaatsen, en wroet hier in het slijk, waardoor het water ver in het rond troebel wordt. Waarschijnlijk doorzoekt hij den modder met het doel om hier zijn voedsel te vinden, dat uit Wormen, larven van Insecten, waterplanten (o. a. het zoogenaamde Brasemkruid = Isoëtes lacustris) en rottende stoffen bestaat.

Bijna altijd zijn de Brasems tot groote gezelschappen vereenigd, die in 't begin van den rijtijd, welke in de maanden April tot Juni valt, tot ontzaglijke scholen aangroeien. In de nabijheid van den oever, op ondiepe, met gras begroeide plaatsen, ziet men eerst verscheidene mannetjes en later de wijfjes verschijnen. Het kuitschieten heeft gewoonlijk des nachts plaats en gaat gepaard met een ver hoorbaar gedruisch, veroorzaakt door het slaan met den staart op het water. Bij mooi weer is het kuitschieten in 3 of 4 dagen afgeloopen; wanneer echter de weersgesteldheid plotseling ongunstig wordt, keeren de Visschen naar de diepte terug zonder eieren gelegd te hebben. Op dezelfde wijze handelen zij na een andere storing, b. v. wanneer men hen verschrikt maakt; daarom is, naar men zegt, in Zweden gedurende den rijtijd zelfs het klokluiden in de nabijheid der meren verboden. Weinige dagen na het vertrek der Visschen krioelen in het ondiepe water bij den oever millioenen pas uitgekomen jongen rond, die nog eenigen tijd bij hun geboorteplaats vertoeven en daarna hunne ouders naar de diepte volgen. Waarschijnlijk rusten ook de Brasems gedurende een deel van den winter onder den modder.

Sommigen houden den Brasem na den Karper voor den besten onzer zoetwatervisschen, anderen noemen zijn vleesch wegens de talrijke graten nagenoeg oneetbaar. Waarschijnlijk is de reden van dit verschil te vinden in de ongelijke grootte der beoordeelde exemplaren en in de plaats, waar zij leefden. De groote Brasems zijn beter voor spijs geschikt dan kleinere; door een langdurig verblijf in moerassen of in zeer modderige wateren verkrijgen deze Visschen een "grondigen" smaak. In het noorden en oosten van Duitschland wordt hun vleesch minder geacht dan in Zuid-Duitschland en Oostenrijk. Toch maakt men hier zoowel als daar, en eigenlijk overal, veel werk van de vangst van den Brasem. In Groot-Brittannië is hij bij de hengelaars zeer gezien, omdat hij gretig naar 't lokaas hapt. In Noord- en Oost-Duitschland bezigt men gewoonlijk groote netten voor deze vangst, die in den regel een flinke winst oplevert. De Visschen, waarvoor zich niet dadelijk koopers aanbieden, worden vaak voor bederf bewaard door ze te zouten en te rooken. Dikwijls verzendt men ze in verschen toestand naar ver afgelegen oorden, daar zij even goed als Karpers tegen een lange reis bestand zijn, het best, wanneer zij met een in brandewijn gedoopt stuk brood in den bek, in sneeuw verpakt worden. In vijvers kweekt men ze niet.

De Lange Brasem (Abramis vimba), die, volgens Maitland's "Prodrome", ook wel eens naar Nederland is afgedwaald, is over een groot deel van Europa verbreid, behoort hoofdzakelijk in 't noorden thuis en komt niet slechts in zoet-, maar ook in brak- en zoutwater voor. Sommige binnenwateren bewoont hij voortdurend zonder te trekken; andere leden dezer soort vertoeven buiten den voortplantingstijd in de zee, of in een meer, zwemmen in de lente om kuit te schieten de rivieren op, blijven hier gedurende den zomer en keeren daarna terug naar hunne winterkwartieren. In de meren bewoont de Lange Brasem gewoonlijk plaatsen van 10 à 20 vademen diepte, in den regel die, welker bodem met modder bedekt is, daar ook hij op gelijke wijze als zijne verwanten in het slijk wroet om er voedsel uit te halen en hierdoor het water zoo troebel maakt, dat men zijn verblijfplaats zonder moeite ontdekt. In den rijtijd vormen deze Visschen zeer groote scholen en kan men ze gemakkelijk in grooten getale vangen. Zij zijn aanmerkelijk kleiner dan de Brasems; een lengte van 40 cM. en een gewicht van meer dan 0.5 KG. komt bij hen slechts zelden voor. De snuit, die neusvormig voor de onderkaak uitsteekt, en de rug zijn groenachtig blauw, in den rijtijd bij het mannetje en het wijfje donkerzwart, de zijden en de buik zilverachtig grijs, de lippen, de parige vinnen en de aarsvin geelachtig, in den rijtijd donkeroranje.

Een andere Brasem, die het grootste deel van zijn leven in de zee doorbrengt en zich alleen in den voortplantingstijd naar de rivieren begeeft, wordt in Zweden Balleer, in Duitschland Zope of Pleinze genoemd (Abramis ballerus). De grootste exemplaren worden 30 à 40 cM. lang en ongeveer 1 KG. zwaar. Hij onderscheidt zich van de vorige soort door de kleinheid van den kop, die de mondopening scheef naar boven gericht heeft, en door de grootte van de aarsvin, die vóór het einde van de rugvin aanvangt. In kleur gelijkt hij op den Brasem: de bovendeelen zijn blauwachtig, de zijden en de buik zilverwit, de parige vinnen geelachtig, de overige vinnen witachtig, alle met zwartachtigen zoom. Gedurende zijn rijtijd, in April en Mei, ontmoet men dezen Visch in de voornaamste rivieren van Middel-Europa, vooral in de nabijheid van haar uitmonding, minder dikwijls in haar bovenloop. Den Donau zwemt hij niet verder op dan tot in Opper-Oostenrijk; men vindt hem dus niet in Beieren; in den Rijn schijnt hij, althans op Nederlandsch grondgebied, niet voor te komen; in de Elbe vangt men hem soms nog in de nabijheid van Maagdenburg. Bijzonder overvloedig is hij langs de Oostzee-kust, zoowel in de haffen als in de zoetwatermeren, die dicht bij de kust gelegen zijn en door beken of rivieren met de zee in gemeenschap staan. In levenswijze stemt hij met de vorige soort overeen. Zijn vleesch wordt wegens de talrijke graten niet hoog geschat.

De Blei, Bliek, Kolblei of Kolbliek, wegens hare groote oogen ook Koloog, Kolfoog en Kalfoog, in Groningen Platter genoemd (Abramis blicca), kan 20 à 30 cM. lang en hoogstens 1 KG. zwaar worden; zij is op den rug blauw met bruinachtigen weerschijn, op de zijden blauw met zilverglans, op den buik wit; de aarsvin en de staartvin zijn grijsblauw, de borst- en buikvinnen rood of roodachtig, althans aan den wortel. Vaak wordt zij verwisseld met den Brasem, van wien zij zich onderscheidt door de minder gekromde zijdestreep, de kortere aarsvin, den stomperen snoet, den hoogeren en korteren staart. Bovendien zijn de kop en de schubben grooter; de ongeschubde strook op het midden van den voorrug is minder duidelijk; de parige vinnen zijn geheel of ten deele rood, de keelgatstanden op twee rijen geplaatst (2 of 3 op de buitenste). De visscher onderscheidt deze beide soorten op het eerste gezicht aan de grootte der oogen en noemt de Bleien daarom Puiloogen (Hoek). De Blei is een van onze meest gewone zoetwatervisschen, bewoont in hetzelfde gebied als de Brasem ongeveer dezelfde plaatsen, n.l. een zandigen of kleiachtigen bodem in meren, vijvers en langzaam stroomende rivieren. Evenals deze, houdt zij zich gaarne in de diepte op en voedt zich met kleine dieren, vischkuit en plantaardige stoffen, welk voedsel zij ten deele uit den modder verkrijgt. In de maanden Mei en Juni ziet men haar in ondiep water bij den oever zwemmen om, bij voorkeur op plaatsen die met grassen en dergelijke planten begroeid zijn, kuit te schieten; zij is dan even beweeglijk als onvoorzichtig, zoodat men haar soms zelfs met de hand kan grijpen.

De Blei is de vraatzuchtigste van alle Karpervisschen; het is volstrekt niet moeielijk haar te vangen; ieder lokaas is haar welkom.

Nergens geschiedt dit op groote schaal, daar deze Visch als spijs nog minder hoog geschat wordt dan de Brasem; als voedsel voor de in vijvers gekweekte Forellen kan men hem evenwel met voordeel gebruiken.

Ook van de laatstgenoemde Karpervisschen heeft men verscheidene bastaarden of hybriden leeren kennen en gedurende eenigen tijd als afzonderlijke soorten beschouwd. Van deze verdienen als inheemsch vermelding: de Lange Blei (Cyprinus Heckelii), ook wel Amelom of Amelong en Half-blei-half-voorn genoemd (gevormd door kruising van Leuciscus rutilus en Abramis brama), de Koloog (Cyprinus Bugenhagii, een kruisingsproduct van Leuciscus erythrophthalmus en Abramis brama), de Gekartelde Blei (Cyprinus isognathus, hybride van Leuciscus erythrophthalmus en Abramis blicca) en de Half-voorn-half-alvertje (Cyprinus dolabratus, bastaard van Leuciscus cephalus en Alburnus alburnus).

Hoewel de Karpervisschen over 't geheel genomen een zeer vreedzame levenswijze hebben, komen toch onder hen enkele roovers voor. Een daarvan is de Muizenbijter (Aspius rapax). Het door hem vertegenwoordigde geslacht der Roofkarpers, kenmerkt zich door een langwerpig lichaam, dat zijdelings eenigermate samengedrukt, maar zoowel langs den rug als aan den buik afgerond is, een naar boven gerichte mondopening, vooruitstekende onderkaak en op twee rijen (van 3 en 5) geplaatste keelgatstanden, welker kegelvormige verlengde, haakvormig omgebogen kroon geen inkervingen vertoont, voorts door een korte aarsvin en kleine schubben. De genoemde soort kan 60 à 70 cM. lang en 6 KG. zwaar worden; zij heeft een zwartachtig blauwen rug, blauwachtig witte zijden en een zuiver witten buik; de rugvin en de staartvin zijn blauw; de parige vinnen en de aarsvin hebben een roodachtige tint.

In alle groote rivieren en meren van Middel-Europa, tot in Lapland, heeft men deze soort waargenomen; in Nederland en ook in Groot-Brittannië schijnt zij niet voor te komen. In aanzienlijke getale bewonen hare leden de Beiersche en Oostenrijksche meren; in den Donau zijn zij veelvuldig, in geheel Noord-Duitschland bekend; ook in de haffen treft men hen aan, bovendien verder oostwaarts in Rusland, waar zij soms een reusachtige grootte bereiken. In den regel houden zij zich op in zuiver, langzaam stroomend water. Hun voedsel bestaat zoowel uit plantaardige als uit dierlijke stoffen, niet slechts uit kleine dieren, maar ook uit Visschen. Naar men zegt, worden vooral de Alvertjes den buit van deze roovers, die "Muizenbijters" heeten, omdat zij, naar men beweert, ook wel eens Muizen en Waterratten verslinden. Wegens hun wit en smakelijk vleesch vangt men ze veel in netten en aan den hengel, vooral in den rijtijd, omdat zij dan minder schuw zijn dan gewoonlijk.

De Alvers of Alvertjes (Alburnus) onderscheiden zich van de Roofkarpers vooral door den scherpen hoek, dien de zijden van het lichaam naar onderen vormen en doordat ieder keelgatsbeen een buitenste reeks van 2 en een binnenste reeks van 5 tanden draagt. De achterste binnentanden zijn haakvormig gekromd en gelijken dus op grijptanden; soms zijn zij glad, soms met inkervingen voorzien. De ruglijn is minder sterk gebogen dan de buiklijn; de korte rugvin begint achter de buikvinnen, de lange aarsvin achter of onder de rugvin; de schubben vertoonen een sterken zilverglans en uitpuilende, straalsgewijs van een middelpunt uitgaande lijsten; de mondopening is naar boven gericht en de eenigszins verdikte spits van de onderkaak wordt, evenals bij het vorige geslacht, in een inkerving van de tusschenkaak opgenomen.

Het Alvertje, ook wel Alfertje, Halvertje, Alvenaar, Alft, Alvertien en Alver genoemd (Alburnus alburnus), bewoont nagenoeg alle zoete wateren van Europa ten noorden van de Alpen, vooral die met weinig strooming. Deze Visch komt in ons land zeer algemeen voor, het meest in de rivieren, ook in die gedeelten van haar benedenloop, waar ebbe en vloed heerschen. In werken uit de vorige eeuw vindt men hem aangeduid met den naam "Alphenaar," die, volgens Gronovius (1741), ontleend is aan het dorp Alphen, "waar hij in de maand Augustus veelvuldig in den Rijn gevangen wordt." Evenals Leuciscus vulgaris en Leuciscus cephalus noemt men het Alvertje soms Hesseling, Esseling en Witvisch, ook wel Moertje of Nesteling, in Overijsel meestal Over- of Bovenleupertien. Bij de vischverkoopers heet het Panharing, daar het door den algemeenen vorm van zijn sterk samengedrukt, met glanzige schubben bekleed lichaam aan een kleine soort van Haring herinnert. Oude exemplaren worden als Koning van den Nesteling (of van den Asterling) betiteld. De lengte bedraagt 10 à 18 cM. De blauwachtige of groenachtige kleur van de bovendeelen maakt op de zijden plaats voor het fraaie zilverwit der buikzijde; de rugvin en de staartvin zijn grijsachtig, de overige vinnen geelachtig. Een nadere omschrijving kan niet gegeven worden, daar zoowel de kleur als de vorm bij deze soort aan veel afwisseling onderhevig is; bijna iedere rivier, ieder meer herbergt verschillende exemplaren. Verscheidene van deze afwijkingen zijn zoo standvastig, dat men ze als soorten heeft aangemerkt.

Belangrijker echter is het verschil tusschen de gewone soort en het nagenoeg even groote Zwartgestipte Alvertje (Alburnus bipunctatus), welks eindstandige mondopening een minder scheeve mondspleet en een minder sterk verdikte, minder vooruitstekende spits aan de onderkaak heeft; het lichaam is meer ineengedrongen en hooger; de kroon van de tanden der binnenste reeks heeft geen inkervingen, zooals bij de vorige soort; de aarsvin begint achter het einde van de rugvin en neemt naar achteren niet noemenswaard in hoogte af. De kleur, die op den rug donkergrijs is, wordt op de zijden lichter en gaat op den buik in zuiver zilverwit over; boven en onder de zijdestreep komt een reeks van zwarte stipjes voor, die aanleiding heeft gegeven tot den naam der soort. Deze werd in de Maas bij Rotterdam, in den Krommen Rijn bij Utrecht, in den Rijn bij Leiden, over 't algemeen in rivieren met zandigen bodem waargenomen. Haar verbreidingsgebied kan nog niet nauwkeurig omschreven worden. In de meeste rivieren en meren van Middel-Europa komt zij zeer veelvuldig voor, voor zoover het water er helder en niet te woelig is.