Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen

Part 24

Chapter 243,425 wordsPublic domain

De Alvertjes zijn gezelliger van aard dan vele andere Visschen, vormen altijd groote, soms ontzaglijke scholen en maken bij warm, stil weer veel beweging in de nabijheid van den waterspiegel, waar zij Insecten en dergelijke diertjes vangen. Zij zijn niet zeer schuw, maar nieuwsgierig en vraatzuchtig; als men in hun nabijheid iets in het water werpt, vluchten zij aanvankelijk, maar keeren dadelijk terug om te kijken wat er gebeurd is, happen naar het voorwerp dat hun schrik aanjoeg en spuwen het uit, wanneer het hun niet bevalt. De hengelaar, wien het er slechts om te doen is zooveel mogelijk te vangen, rekent hen daarom onder de prettigste Visschen, daar zij zonder eenig voorbehoud happen naar ieder lokaas, dat men hen toewerpt. De voortplanting heeft in de maanden Mei en Juni plaats, maar begint soms reeds in Maart en duurt vaak tot in Augustus. Zij vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk; hun levensduur is echter betrekkelijk kort; daar zij wegens hun gezelligen aard en hun voorliefde voor de bovenste waterlagen dikwijls de prooi worden van de roofvisschen en watervogels, die hunne scholen voortdurend volgen.

Hoewel aan de Alvers in 't algemeen, ook aan de onze, als voedsel geen waarde wordt gehecht, houdt men zich toch op sommige plaatsen geregeld met de vangst dezer Visschen bezig, omdat zij, behalve als voedsel voor den mensch en als lokaas bij de vischvangst, voor de bereiding van de "Essence d'Orient" dienst doen. Met behulp van de bedoelde "essence", welker samenstelling langen tijd geheim werd gehouden, worden de valsche parels gemaakt, die, zooals bekend is, soms zeer moeielijk van de echte te onderscheiden zijn, hetgeen den prijs van deze aanmerkelijk heeft doen dalen. In het midden van de vorige eeuw kwam een fabrikant van bidsnoeren of "rozekransen" in Frankrijk op het denkbeeld holle, glazen bolletjes van binnen met fijngestooten vischschubben te bedekken en hen op deze wijze den glans van parels te verschaffen; sedert dien tijd wordt deze uitvinding op vrij groote schaal toegepast. De Alvertjes (die men daarom ook wel Schrapvisch noemt) worden afgeschubd, de schubben in een bak met water geworpen en hierin zoo fijn mogelijk stukgewreven. Het water, dat op deze wijze spoedig de kleur van zilver verkrijgt, wordt in een groot glas overgegoten, en blijft hierin verscheidene uren achtereen op een stille plaats staan, om het zilverachtige poeder te laten bezinken. Zoodra dit zich op den bodem heeft afgezet, wordt het daarboven staande water, door het glas scheef te houden, voorzichtig afgegoten van de olieachtige, dikke, vloeibare massa, die "Essence d'Orient" heet. Het gebruik, dat hiervan gemaakt wordt, berust op de eigenschap der als zilver glinsterende, fijne plaatjes van in ammoniak geen verandering te ondergaan. Met ammoniak vermengd, wordt de "essence" in de holle, glazen bolletjes gegoten, aan welker binnenste oppervlakte de plaatjes zich hechten, terwijl de vloeistof, voor zoover zij er niet uitgegoten kan worden, verdampt.--50 KG. Alvertjes leveren 2 KG. schubben; voor 500 gram "essence" zijn wel 20,000 Visschen noodig. Deze soort is trouwens zoo veelvuldig, dat men niet zelden de genoemde hoeveelheid bij één vangst buit maakt. In het meer van Constanz b.v. heeft men soms met één trek van het net 10 "Eimer" (à 65 L.) Alvertjes gevangen. "De Alver," schrijft Dr. Hoek, "is op het Hollandsch Diep een zeer gewoon vischje, echter niet het geheele jaar, maar voornamelijk in de zomermaanden. In dien tijd visschen de kantoren stelselmatig op Alver. De beste markt voor dit vischje schijnt Parijs te zijn: een goede prijs--zooal geen hooge--is het, wanneer van elk mandje (een zoogenaamd rond mandje van 120 à 130 stuks) een franc schoon geld komt. Dit vischje heeft de eigenaardige gewoonte groote scholen te vormen en zich in zulke scholen te verplaatsen; dergelijke scholen schijnen met groote onregelmatigheid rond te dolen over het bovengedeelte der benedenrivieren; vandaag zitten zij hier, morgen daar. Komt een dergelijke school voor of in een ankerkuil, dan stroomt het want letterlijk vol; dit geschiedt hoofdzakelijk bij vloed. Soms is de visscher dan genoodzaakt zijn kuil te lichten, voordat het tij "af" is, wil hij het gevaar niet loopen, het net te zien scheuren onder het gewicht der persing van de opdringende Alvers. Een dergelijke overvloedige vischvangst woonden wij bij op 30 Juli 1886, zoowel 's ochtends in de vroegte om 3 uur, als met het volgende vloedtij 's namiddags nabij het Havenhoofd van Lage Zwaluwe. Twee groote roeibooten zagen wij uit één kuil geheel met Alver vullen, een hoeveelheid Visch, die zeker op eenige honderden mandjes geschat kan worden." De Alvertjes zijn uitstekend geschikt voor een aquarium; meer dan andere kleine Visschen onderscheiden zij zich door speelschheid, zoodat zij den toeschouwer een aangenaam tijdverdrijf verschaffen; onophoudelijk in beweging, op alles acht gevend, springen zij toe op ieder vliegje of in 't algemeen naar ieder voorwerp, dat men in het water werpt en schijnen even tevreden als onvermoeid te zijn.

De Meskarper (Pelecus cultratus), de eenige vertegenwoordiger van een gelijknamig geslacht, heeft een langwerpig, sterk zijdelings samengedrukt lichaam met rechtlijnigen rug- en scherpen, sterk benedenwaarts gebogen buikkant, een bijna loodrecht geplaatste mondspleet met naar boven gerichte opening, buitengewoon lange, smalle, spitse, eenigszins sikkelvormige borstvinnen, kleine buikvinnen, een zeer korte rugvin, welker aanhechtingsplaats ver naar achteren tegenover het begin van de lange aarsvin is gelegen, een golfsgewijs gekromde zijdestreep, licht afvallende schubben en op ieder keelgatsbeen tanden met zaagvormig ingesneden kroon op 2 reeksen (2 op de buitenste, 5 op de binnenste). De nek is staalblauw of blauwgroen, de rug grijsbruin; de zijden zijn zilverwit met rooskleurigen weerschijn, de rugvin en de staartvin grijsachtig, alle overige vinnen roodachtig of geelachtig. Deze Visch kan 46 cM. lang en 1 KG. zwaar worden.

Opmerkelijk is het verbreidingsgebied van den Meskarper; hij bewoont in het noorden van Europa alleen de Oostzee en de met haar in gemeenschap staande zoetwatermeren en rivieren; bovendien treft men hem in de Zwarte Zee en de hierin uitmondende stroomen aan. Een echte zeevisch is hij niet, een riviervisch evenmin; naar het schijnt, bevalt het hem in zoutwater even goed als in zoet. Zijn verblijfplaats is gelegen in de nabijheid van den oever van een helder stroomend water. Door aard, gewoonten en voedingswijze stemt hij met de overige Karpervisschen overeen. Als spijs heeft deze Visch weinig waarde, daar zijn vleesch week en rijk aan graten is; de vangst loont daarom de moeite niet.

De Modderkruipers zijn kleine Karpervisschen met een zeer langwerpig, min of meer zijdelings samengedrukt lichaam, dat nagenoeg overal gelijk van dikte en met een slijmerige, op den kop naakte, op den romp en den staart van zeer kleine schubben voorziene huid bedekt is; de kieuwspleten zijn nauw; de kop is klein, de mondopening omgeven door zuiglippen met 6 à 10 voeldraden; de rand van de bovenkaak wordt alleen door de tusschenkaaksbeenderen gesteund; de buikvinnen en de rugvin zijn tamelijk ver naar achteren geplaatst; de staartvin is, bij de Europeesche soorten althans, afgerond; de zwemblaas is, voorzoover aanwezig, in een rechter en een linker helft verdeeld.

Deze afdeeling is zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd, in Europa door drie geslachten. De 3 inheemsche soorten komen ook in de overige landen van Middel-Europa voor, één van hen (de grootste) ontbreekt echter in Groot-Brittannië. Sommige houden van modderig en stilstaand, andere van zuiver en stroomend water. Alle verkeeren gewoonlijk op den bodem, rusten, in den modder of onder steenen verborgen, gedurende den dag en beginnen met zonsondergang of bij donker weer op allerlei kleine waterdieren jacht te maken. Twee soorten zijn zeer teer, de derde daarentegen is beter bestand tegen ongunstige omstandigheden en meer bepaaldelijk tegen vervuiling van het water. Zij kunnen leven in water, waarin weinig zuurstof opgelost is, omdat zij, behalve door kieuwen, ook nog op een andere wijze ademen dan de meeste overige Visschen, n.l. door het spijskanaal. Met dit doel begeven zij zich naar den waterspiegel, slikken, terwijl zij den snuit boven het water uitsteken, een zekere hoeveelheid lucht in, die zij door sterke samendrukking van de kieuwdeksels in het korte, rechtlijnige darmkanaal stuwen; tevens worden door de aarsopening eenige luchtbellen met gedruisch naar buiten geperst. In frisch, zuurstofrijk water maken zij zelden gebruik van de laatstgenoemde wijze van ademhaling, die in de vrije natuur nog niet bij hen waargenomen werd; in de gevangenschap zijn zij weldra genoodzaakt van dit redmiddel gebruik te maken, wanneer het water in hun woning niet dikwijls ververscht wordt. Men vermoedt, dat zij op hunne natuurlijke verblijfplaatsen alleen dan door den darm ademen, als zij door het wegvloeien en verdampen van het water in hun omgeving gedwongen worden zich in het slijk of den modder te begraven.

Ondanks hun geringe grootte zijn minstens twee van de inheemsche Modderkruipers als spijs zeer gezocht en worden zelfs in voor hen bestemde vijvers gekweekt. Lekker smaken deze vischjes, wanneer men zoo weinig mogelijk tijd laat verloopen tusschen de vangst en de toebereiding.

Bij den ongeveer 30 cM. langen Modderkruiper, in Noord- en Zuidholland gewoonlijk Weeraal en Donderaal, soms Stootvisch, in Gelderland en Overijsel Meerpoet, in Groningen Weervisch en Poetaal, in Friesland Aalpieper genoemd (Misgurnus fossilis), is de mond door 10 voeldraden omgeven, waarvan 4 aan de boven- en 6 aan de onderlip; de romp is op zwartachtigen grond met 5 gele en bruine, overlangsche strepen, de buik op lichten grond met zwarte stippels geteekend.

Deze Visschen, die bij ons in kleine hoeveelheid in stilstaande, modderige wateren voorkomen en soms in rivieren, b.v. in den IJsel en den Berkel, aangetroffen worden, zijn over een groot deel van Noord- en Oost-Europa verbreid. Men vindt ze uitsluitend in rivieren en meren met modderigen bodem, eigenlijk nergens in grooten getale. Gedurende den winter en ook wanneer des zomers het water van de door hen bewoonde plas verdampt is, verbergen zij zich in het slijk, waar zij eenige maanden achtereen zonder bezwaar kunnen vertoeven, zonder in een toestand van verstijving of van slaap te verkeeren. Zoodra men hen in het water terugbrengt, toonen zij door vlugge bewegingen, dat het gedwongen verblijf in een oogenschijnlijk voor hen ongeschikte schuilplaats in het geheel geen nadeelige gevolgen heeft gehad. Hieraan danken zij hun gewonen en hun wetenschappelijken soortnaam. In den zomer kan men deze Visschen in sommige uitgedroogde moerassige oorden uit den grond graven. Varkens, die in zulke moerassen gedreven worden, verkrijgen hierdoor soms een lekker maal.

Zeer gevoelig is de Modderkruiper voor electrische verschijnselen. Bij het naderen van een onweer toont hij zich zeer onrustig, komt aan de oppervlakte van 't water en zwemt hier met kenteekenen van angst en voortdurend lucht happend rond. Daar hij reeds 24 uur voordat het onweer losbarst, op deze wijze te keer gaat, geeft men hem te recht de namen Weervisch, Weeraal en Donderaal. In vele streken houdt men hem daarom als weervoorspeller gevangen in een glazen bak, welks bodem met een zandlaag van eenige cM. dikte bedekt is; hij kan het hier lang in uithouden, wanneer het water minstens één-, liever tweemaal per week ververscht wordt; als voedsel zijn eenige broodkruimels voldoende.

Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine, in 't water en in den modder levende lagere en jonge dieren en uit vischkuit, doch ook uit rottende plantaardige stoffen. Het vleesch van dit dier smaakt grondig en wordt daarom door den mensch niet gegeten.

De Gebaarde Modderkruiper (Nemachilus barbatulus), ook wel Bermpje genoemd (evenals Barbus fluviatilis), bereikt een lengte van 10 (hoogstens 15) cM. Van de vorige soort onderscheidt hij zich vooral door het bezit van slechts 6 voeldraden, die alle aan de bovenlip voorkomen. Het lichaam is nagenoeg rolvormig, de kleur van den rug donkergroen, van de zijden geelachtig, van de onderdeelen lichtgrijs; de kop, de rug en de zijden zijn met onregelmatige, bruinzwarte stippels, vlekken en strepen geteekend, de rug-, staart- en borstvinnen gevlekt, de aars- en buikvinnen geelachtig wit en ongevlekt. Bij de vischsoorten, die Schlegel en Van den Ende in ons land hebben waargenomen, komt de Gebaarde Modderkruiper niet voor; volgens andere schrijvers is hij inheemsch. Evenals zijne verwanten treft men hem in een groot deel van Europa aan, oostwaarts tot bij den Oeral, zuidwaarts tot aan de Alpen; naar Zweden werd deze Visch, die als zeer smakelijk wordt geroemd, door Koning Frederik I (1720-1751) uit Duitschland overgebracht. Vooral in Saksen, Brandenburg, Hessen, Zwitserland en Tirol vindt men hem in grooten getale, maar ook in de overige landen ten noorden van de Alpen (o. a. in België en Groot-Brittannië) is hij niet zeldzaam. In tegenstelling met zijn grootere verwant bewoont hij, zoo niet uitsluitend, dan toch bij voorkeur stroomend water, liefst ondiepe beken met steenachtigen of zandigen bodem en snellen stroom. Over dag houdt hij zich hier verborgen in een holte onder een steen; men ziet hem slechts bij uitzondering vrijwillig uit deze veilige rustplaats te voorschijn komen, n.l. als een gemakkelijk verkrijgbare buit hem tot dit waagstuk verleidt. Tegen zonsondergang begint voor hem de tijd van jagen; waarschijnlijk blijft hij gedurende den geheelen nacht in beweging. De groote staartvin stelt hem tot zeer goed zwemmen in staat; hij doet dit echter steeds bij rukken en niet gaarne lang achtereen. Na het voorzichtig optillen van den steen, die zijn schuilhoek bedekt, ziet men hem eerst eenige oogenblikken rustig op dezelfde plaats blijven, daarna pijlsnel voortschieten en, door plotseling te zwenken of onverhoeds naar den grond te zinken, een nieuwe schuilplaats bereiken. Bij 't naderen van een onweer geeft ook hij bewijzen van onrust, alsof de electrische spanning ook hem onaangenaam aandoet. De Gebaarde Modderkruiper heeft een veel geringer weerstandsvermogen dan zijn grootere verwant en sterft buiten het water na weinige minuten. Zijn voedsel bestaat uit allerlei kleine waterdieren, Insecten van verschillenden leeftijd en vischkuit, waarschijnlijk ook uit plantaardige stoffen. (Die, welke men in vijvers kweekt, worden althans met lijnkoeken en papaverzaad gevoederd.) Het kuitschieten heeft plaats in de eerste maanden van de lente; in Maart en April zijn de eierstokken overvuld met tallooze eitjes; van Mei tot Juli wemelt het op sommige plaatsen van jongen, die sinds kort het ei verlieten. Het wijfje legt de eieren in een gat, dat het mannetje graaft en waarbij het de wacht houdt, totdat de jongen uitkomen.

Deze Vischsoort wordt wegens haar smakelijk vleesch in sommige landen, vooral in Bohemen, in bepaaldelijk voor haar bestemde vijvers gekweekt; in den regel zijn dit kleine kuilen van 3 M. lengte, 1 M. diepte en verschillende breedte; men bekleedt ze met mandewerk en vult de ruimte, die hiertusschen en den wand van den kuil overblijft, met schapenmest om de ontwikkeling van insectenlarven te bevorderen. Een voortdurende toevoer van versch water is volstrekt noodig voor het goed gedijen van deze half-gevangen Modderkruipers, die zich in gunstige omstandigheden buitengewoon snel vermenigvuldigen; de onderneming levert in dit geval voordeel op, hoewel slechts op weinige plaatsen een flinke prijs voor de vischjes betaald wordt.

Behalve de mensch maken ook Waterspitsmuizen en Waterratten, Eenden en vele Moerasvogels jacht op de Modderkruipers; vooral de IJsvogel verkrijgt waarschijnlijk het grootste deel van zijn voedsel door het vangen van deze dieren, die bovendien veel te lijden hebben van Visschen, die, evenals zij, op den bodem leven.

In goed ingerichte aquariën kunnen de Modderkruipers lang in 't leven blijven. Veel tijdverdrijf verschaffen zij trouwens niet. Zij verslinden een ongeloofelijk groote hoeveelheid Wormen en dergelijke dieren, waarbij zij een beweging maken, alsof zij bezig zijn een kolossalen buit te overweldigen.

De Kleine Modderkruiper, vroeger ook wel Grundel genoemd (Cobitis taenia), onderscheidt zich van zijne reeds genoemde verwanten vooral door het bezit van een gevorkt stekeltje, dat opgericht en neergelegd kan worden, boven ieder oog. De bovenkaak is voorzien van 6 zeer korte voeldraden. Het lichaam is zijdelings sterk samengedrukt, vooral aan den kop, heeft overal nagenoeg denzelfden vorm en is met buitengewoon kleine schubben geheel bedekt. Dit vischje wordt hoogstens 10 cM. lang en is op oranjegelen grond zeer fraai geteekend met overlangsche reeksen van afgeronde, zwarte vlekken; die van de onderste reeks zijn de grootste en op het midden van den afstand tusschen de ruglijn en de buiklijn gelegen; een tweede reeks van kleinere vlekken strekt zich boven de eerste van kop tot staart uit; de zijden en de staart zijn bovendien nog met kleine, onregelmatige vlekken en stippels versierd, die op de keel, de borst en den buik geheel ontbreken; een bruinzwarte streep gaat van het oog naar de bovenlip en zet zich naar achteren voort tot aan de spits van het kieuwdeksel; een andere loopt evenwijdig aan de vorige over de wangen. Bij de meeste exemplaren vindt men een donkere, gitzwarte, scherp begrensde vlek aan den wortel van het bovenste deel van de staartvin. De donkere stippels vormen op de rugvin overlangsche, op de staartvin dwarse reeksen. De parige vinnen en de aarsvin zijn lichtgeel.

De Kleine Modderkruiper is de eenige soort van zijn onderfamilie, die ook ten zuiden van de Alpen tot in Dalmatië voorkomt. Naar het noorden strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan de zeekust, oostwaarts tot Rusland, westwaarts tot Groot-Brittannië. Voorts bewoont hij Siberië en Japan. Bij ons komt hij in stilstaand en stroomend water in kleine hoeveelheid voor op plaatsen, waar de grond zandig of steenachtig is. In Duitschland en Engeland is hij overal zeldzamer dan de vorige soort. Zijne levenswijze en gewoonten zijn nog weinig bekend; men weet althans niet recht, in welke opzichten deze zich van die der Gebaarde Modderkruipers onderscheiden. Rivieren, beken en slooten, plassen en meren worden door hem bewoond; hij verschuilt zich hier onder steenen en maakt jacht op Wormen, larven, Insecten en dergelijke kleine dieren. Deze Visschen, hoewel klein, mager en taai van vleesch, worden in sommige streken van Duitschland vóór den rijtijd, die in Mei valt, gevangen en gegeten.

Verscheidene eigenaardigheden van andere groepen van Luchtbuisvisschen, treft men vereenigd aan bij de Characinen (Characinidae). Zij gelijken op de leden der beide vorige familiën door het bezit van een keten van gehoorbeentjes tusschen het in de schedelholte gelegen gehoororgaan en de zwemblaas, die, evenals bij de Karpervisschen in twee opeenvolgende kamers is verdeeld. Zij verschillen van de reeds genoemde leden der vierde orde en naderen tot de Zalmvisschen door de sterkere ontwikkeling der bovenkaaksbeenderen; deze nemen deel aan de begrenzing van de mondspleet, welker bovenrand bij de Vallen en Karpervisschen alleen door de tusschenkaaksbeenderen wordt gesteund. Een vetvin achter de rugvin, gelijk bij de meeste Vallen en alle Zalmvisschen gevonden wordt, is bij hen geen ongewoon verschijnsel. De rudimentaire (voor hun oorspronkelijke verrichting in den loop der tijden ongeschikt geworden) ademhalingsorganen, de zoogenaamde "valsche" kieuwen aan het gehemelte, waardoor de Zalmvisschen gekenmerkt zijn, ontbreken bij de Characinen. Daarentegen hebben verscheidene leden dezer familie, evenals sommige Vallen en eenige Haringvisschen, een met de kieuwholte samenhangend, op een spiraalsgewijs gewonden buis gelijkend toestel, dat hen in staat stelt om tijdelijk buiten het water te ademen. Het lichaam is, met uitzondering van den kop, geschubd; de voeldraden ontbreken.

Deze familie, die meer dan 300 soorten van Zuid-Amerikaansche en Afrikaansche zoetwatervisschen omvat, is in Europa niet vertegenwoordigd. Hare leden, die op sommige plaatsen in tallooze menigte de rivieren bevolken, zijn bijna zonder uitzondering tot voedsel voor den mensch zeer geschikt; eenige vormen het voornaamste deel van den buit der van vischvangst levende oeverbewoners, die echter door sommige dezer Visschen in hooge mate lastig gevallen en gekweld worden. Vooral geldt dit van eenige Characinen, die zich kenmerken door den op een zaag gelijkenden buikkant van het zijdelings samengedrukte lichaam en die men in de onderfamilie van de Zaagbuikzalmen (Serrasalmonina) samenvat. Deze soorten, die men gewoonlijk Karaïbenvisschen noemt, worden, ondanks hun geringe grootte, wegens hun toomelooze vraatzucht niet minder gevreesd dan de Haaien en andere reusachtige zeedieren; zij richten meer onheil aan dan de Krokodillen, die dezelfde wateren bewonen; gevaarlijk worden zij zelfs voor deze roofzuchtige Reptiliën, hoewel deze vooral Visschen als voedsel gebruiken.

Tot het geslacht der Zaagbuikzalmen (Serrasalmo) brengt men die leden der gelijknamige onderfamilie, welker groote, driehoekige, snijdende, spitse tanden zoowel aan de tusschen- als aan de onderkaak op één rij zijn geplaatst, terwijl meestal ook het gehemelte met één reeks van soortgelijke tanden gewapend is. De met zeer kleine schubben bekleede romp en ook de naakte kop zijn hoog en smal. De hooge, tamelijk lange, met één doorn gewapende rugvin is aan de achterste helft van het lichaam gehecht en wordt gevolgd door een kleine vetvin; de aarsvin is lang en wordt voorafgegaan door twee doornen.

Een der meest bekende hiertoe behoorende soorten is de ongeveer 30 cM. lange Piraya (Serrasalmo piraya), die een tandeloos gehemelte heeft en wiens tanden langs den rand niet gezaagd zijn; de ineengedrongen romp is zeer hoog, de snuit kort en stomp; zoowel de blauwachtige bovendeelen als de geelachtige onderdeelen zijn met donkerder vlekken geteekend. De zaagvormige buikkant bestaat uit 24 à 27 gedoornde platen.