Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 22
Door het bezit van slechts één paar voeldraden en het gemis van doornen komen de Zeelten (Tinca) met de Grondels overeen; aan deze en aan de Barbeelen herinneren zij door de kortheid van de rugvin en de aarsvin, aan den Karper door de verhouding tusschen de lengte en de hoogte van den stam. Van alle reeds genoemde Karpervisschen verschillen zij echter door de kleinheid der schubben, die stevig bevestigd zijn in de dikke slijmerige huid en door de van achteren nagenoeg rechtlijnig begrensde staartvin. De voor aan den kop gelegen mondspleet draagt aan iederen hoek een zeer korte voeldraad; ieder keelbeen draagt een rij van 4 of 5 knotsvormige tanden.
De Zeelt (Tinca tinca), de eenige soort van haar geslacht, is een van de meest algemeen verbreide Europeesche Karpervisschen; in ons land ontmoet men haar in alle stilstaande wateren, zelfs in slooten, doch bijna nooit in stroomend water. In Gelderland en Overijsel noemt men haar Louw of Lauw, in Friesland Muithond of Muudhon (Muwdhoun), in Groningen Slei, in Cadzand Tinker. In de vorige eeuw werd zij in Noord- en Zuid-Holland ook Schoenmaker genoemd, wegens de dikte van haar huid. Volgens Gronovius beschouwde men haar als "Dokter van de Visschen"; volgens Yarrel kende men haar ook in Groot-Brittannië deze waardigheid toe en was bij het volk de meening verbreid, dat de Snoek haar om deze reden spaart.
De Zeelt wordt hoogstens 70 cM. lang en 3 à 4, zelden 5 à 6 KG. zwaar. Meer dan bij andere Karpervisschen wisselt haar kleur in verband met haar verblijfplaats af. Gewoonlijk is zij fraai olijfgroen met een glans als van gepolijst geelkoper, op de bovendeelen met grijsachtig zwarte, op de onderdeelen met geelachtig witte tint. De lippen, de aars en de oksel der borstvinnen vertoonen een vleeschkleurige tint. De zwartachtige kleur van de vinnen gaat naar den wortel in donkergrijs over. Bij sommige exemplaren zijn deze tinten donker, bij andere lichter, sterk naar roodachtig geel zweemend of zelfs met goudgelen glans. In sommige gewesten, vooral in Bohemen en Opper-Silezië, wordt een verscheidenheid gefokt, waarbij de goudglans zich nagenoeg over het geheele lichaam heeft verbreid; deze zoogenaamde Goudzeelten behooren tot de prachtigste Europeesche Visschen en werden vroeger als een afzonderlijke soort (Tinca chrysitis) beschouwd; bij ons komen zij zelden voor; vaker ontmoet men hier een verscheidenheid van meer langwerpigen vorm (Tinca italica).
Men vindt de Zeelt in het grootste deel van Europa, van Zuid-Italië tot Zuid- en Middel-Zweden; ook in Rusland is zij een van de meest algemeene bewoners van poelen en plassen, zoo ook in West-Siberië, waar, meer bepaaldelijk in het stroomgebied van den Ob, buitengewoon groote exemplaren gevangen worden. Hoewel men haar in bergstreken nog ontmoet op een hoogte van 1000 M., behoort zij eigenlijk in de vlakten thuis. Van rivieren houdt zij minder dan van stilstaand water; de voorkeur geeft zij aan meren, vijvers en moerassen met modderigen of leemachtigen bodem, waar riet groeit, zonder dat dit er de overhand heeft gekregen. In de rivieren zoekt zij altijd plaatsen op, waar weinig stroom gaat en de bodem bedekt is met een voldoende hoeveelheid slib, daar de hierin voorkomende diertjes en plantaardige stoffen haar tot voedsel dienen. Uitmuntend gedijt zij in verlaten leemgroeven, die zich met water gevuld hebben. Traag en kalm van aard, houdt zij zich in den regel in de nabijheid van den bodem op en komt alleen bij zeer mooi weer en gedurende den voortplantingstijd aan de oppervlakte van 't water. Evenals de Modderkruipers, kan zij nog leven in water, dat voor andere Visschen, zelfs voor Karpers, te modderig is, omdat voor haar ademhaling zeer weinig zuurstof wordt vereischt.
Gedurende den winter zijn de Zeelten, evenals vele andere Karpervisschen, in den modder verborgen en verkeeren in een half bewusteloozen toestand. Soms geschiedt iets dergelijks ook in den zomer.
Het kuitschieten heeft, al naar de landstreek en de weersgesteldheid, vroeger of later plaats, tusschen Maart en Juli, gewoonlijk als de tarwe bloeit. Veelal gevolgd door twee mannetjes, legt het wijfje eieren, terwijl het langs de met riet begroeide oevers zwemt. Het aantal eieren van een kuiter wordt op 300,000 geschat; de vermenigvuldiging is dus zeer snel. De jongen groeien tamelijk snel, maar zijn toch eerst op vierjarigen leeftijd geslachtsrijp.
De Zeelt wordt als spijs voor den mensch niet hoog geschat; hoewel weinig duurder dan de Steenkarper, verdient zij zeer zeker in alle opzichten boven dezen de voorkeur. Daar waarschijnlijk geen enkele Visch beter dan de Zeelt in vuil en modderig water kan leven, is zij, met uitzondering van de Aal, het best van allen geschikt om gepoot te worden in moerassen, die anders hoogstens alleen aan den minder goed verkoopbaren Steenkarper tot woonplaats zouden kunnen dienen; ook met dit doel verdient het kweeken van Zeelten in vijvers ten zeerste aanbeveling; op enkele plaatsen geschiedt dit reeds op groote schaal.
Met den algemeenen naam van Witvisch, Katvisch of Braadvisch duidt men dikwijls een aantal Karpervisschen aan, die zich, door het gemis van voeldraden en van doornen aan de vinnen onderscheiden. Voorns of Vorens noemt men die Witvisschen, welke een helder zilverglanzig, meestal langwerpig lichaam hebben, met een door 8 à 12 (hoogstens 14) stralen gesteunde aarsvin van middelmatige lengte. Meer bepaaldelijk worden onder den naam van Voorns (Leuciscus) in één geslacht samengevat de soorten, bij welke het begin van de aarsvin gelegen is achter dat van de rugvin, terwijl deze een geringe lengte heeft en tegenover (zelden achter) de buikvinnen aanvangt. De keeltanden zijn kegelvormig of zijdelings samengedrukt en op 1 of 2 rijen geplaatst. Alle 90 soorten van dit geslacht bewonen de noordelijk gematigde zone: 40 die van de Oude, 50 die van de Nieuwe Wereld. Zij worden over verscheidene ondergeslachten verdeeld, die ook wel als geslachten worden beschouwd.
De Windvoorn of Winde, ook Wind, Winden en in Groningen Meeuw geheeten (Leuciscus idus, Idus melanotus) vertegenwoordigt een gelijknamig ondergeslacht (Idus), dat zich kenmerkt door een tamelijk langwerpig, slechts weinig samengedrukt lichaam, een breed voorhoofd, een eindstandige, eenigszins naar beneden hellende mondspleet, een achter het einde van de rugvin beginnende aarsvin en op ieder keelbeen 2 reeksen van gladde tanden (5 op de buitenste, 3 op de binnenste reeks), welker kroon zijdelings samengedrukt en aan de spits haakvormig omgebogen is. De Windvoorn kan 50 à 55 cM. lang en meer dan 3 KG. zwaar worden, maar blijft gewoonlijk kleiner. De kleur verschilt aanmerkelijk al naar de verblijfplaats, het jaargetijde, den leeftijd, enz. In de lente en gedurende den voortplantingstijd is de rug grauwzwart met gelen metaalglans; de zijden zijn lichter, de onderdeelen zilverkleurig, de kop en de kieuwdeksels goudkleurig; de rugvin en de staartvin hebben een van grijsblauw tot violet afwisselende tint, de overige vinnen zijn rood. In den herfst wordt de kleur donkerder en verdwijnt de metaalglans.
De naam Orf wordt gegeven aan een goudachtig roode variëteit, die in ons land nog niet waargenomen werd, maar die men wegens zijn prachtige kleur op soortgelijke wijze als de Goudvisch in sommige oorden van Oostenrijk, Middel- en Zuid-Duitschland in vijvers kweekt. Men gebruikt den Orf ook wel in de keuken of plaatst hem in karpervijvers, welker bewoners hij door zijn waakzaamheid tegen den Vischarend beveiligt.
De Windvoorn wordt in onze rivieren tamelijk algemeen, doch zelden in stilstaand water aangetroffen. Hij bewoont alle groote en middelmatig groote meren van Europa en Noordwest-Azië en volgens Eckström ook de zee; o.a. is hij tusschen de rotsachtige eilanden van Noorwegen even algemeen als in het heldere water van de Skandinavische meren en rivieren. Zuiver, koud en diep water schijnt voor hem een levensbehoefte te zijn. Zelden komt hij aan den ondiepen oever, alleen 's avonds aan den kalmen waterspiegel. Gedurende den winter houdt hij zich in de diepte op. Zijn voedsel bestaat uit Insecten en andere kleine waterdieren, misschien ook uit vischjes. In den rijtijd, meestal in Mei, soms echter vroeger, zelfs reeds in Maart, of later, tot in Augustus, begeeft de Windvoorn zich uit de meren naar de rivieren om bij zandige of met waterplanten begroeide oevers kuit te schieten. Gedurende dezen tijd vangt men hem in netten of aan den hengel, met een Sprinkhaan, Mestkever of vischje als lokaas. Zijn vleesch smaakt goed; het wordt, in weerwil van de vele graten, gaarne gegeten, maar nergens duur betaald.
De Ruischvoorn, Rietvoorn of Roetvoorn [Leuciscus (Scardinius) erythrophthalmus] en zijne verwanten onderscheiden zich door een hooger, meer gedrongen lichaam, sterker hellende mondspleet en verder naar beneden gebogen zijdestreep van de Windvoorns. Hunne keeltanden zijn op dezelfde wijze gerangschikt, maar aan de binnenzijde diep gekorven. De Ruischvoorn, die ook in ons land tot de zeer algemeene Visschen behoort en in al onze rivieren, meren, plassen, kanalen en sloten aangetroffen wordt, bewoont bijna alle landen van Europa, van Lapland tot Zuid-Italië en van Ierland tot den Oeral, bovendien het stroomgebied van den Ob in Noord-Azië. Hij kan 25 à 30 cM. lang en 500 à 800 gram zwaar worden. Ook van deze soort is de kleur aan veel variatie onderhevig. De bovendeelen zijn gewoonlijk donker bronsgroen, de zijden glanzig messinggeel, de onderdeelen zilverwit met goud- en roodachtigen weerschijn. Elke schub is aan haar wortel donkergroen; bovendien hebben die van de zijdestreep ieder een olijfkleurig stipje. De rugvin, de staartvin en de borstvinnen zijn groenachtig, veelal met karmijnroode spits. De aarsvin en de buikvinnen zijn geheel karmijnrood; de oogen hebben een goudkleurige iris, die meestal aan de bovenzijde een roode vlek vertoont. Bij sommige exemplaren komen echter lichtere kleuren voor, de karakteristieke roode kleur van de vinnen kan meer of minder verbleekt of ook wel donkerder zijn, de vinnen en alle overige lichaamsdeelen zijn soms donker zwartblauw, enz.
Aan langzaam stroomend water en aan meren en plassen, zoowel in vlakke, als in bergachtige streken, tot op een hoogte van 1600 M., geeft deze Visch de voorkeur; zijn levenswijze komt overeen met die van de Steenkarpers en de Zeelten, die dikwijls in zijn nabijheid waargenomen worden. Hij is vlug van beweging, voorzichtig en schuw van aard; zijn voedsel bestaat uit waterplanten, Insecten en Wormen, die meestal uit den modder afkomstig zijn. Uit de eieren, die in April, Mei en Juni bij partijen op met gras begroeide plaatsen worden gelegd, komen de jongen binnen weinige dagen te voorschijn.
De Ruischvoorn wordt wegens zijne vele graten slechts door niet kieschkeurige menschen gegeten, door alle overige en zelfs door vele vischetende Vogels versmaad.
De Blankvoorn, ook wel eenvoudig Voorn genoemd [Leuciscus (Leuciscus) rutilus], gelijkt in vele opzichten op de vorige soort; zijn romp is echter lager en dikker, de zijdestreep minder gekromd, de snuit sterker afgerond en een weinig grooter, de mondspleet meer horizontaal gericht, de rugvin verder naar voren geplaatst; ieder keelgatsbeen draagt een enkele rij van 5 of 6 tanden. Zoowel in den lichaamsvorm als in de kleur kunnen vele afwijkingen voorkomen, waarvan sommige met de woonplaats en de voedingswijze in verband staan, andere standvastig overerven en aanleiding geven tot de onderscheiding van variëteiten. De gewoonlijk blauwe of groenzwarte kleur van den rug is op de zijden helderder, op den buik zilverkleurig; de buikvinnen en de aarsvin zijn dikwijls even rood als die van den Ruischvoorn; het oog is echter goudgeel met groenen kring, zeer zelden rood; de borstvinnen zijn grijsachtig wit, de rugvin en de staartvin grijs met roodachtige tint. De lengte bedraagt zelden meer dan 50 cM., het gewicht hoogstens 1.5 KG.
De Blankvoorn is een van de meest voorkomende bewoners van al onze stroomende en stilstaande wateren, zelfs in kleine slooten treft men hem aan; bij voorkeur houdt hij zich op tusschen het riet en aan oevers, waar het water met kroos en andere planten bedekt is. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Middel-Europa met inbegrip van Groot-Brittannië en een groot deel van Oost-Europa, bovendien het noordwestelijke deel van Azië; hij bewoont hier meren, plassen, groote en kleine rivieren en zeeën met gering zoutgehalte. In de Noordzee ontmoet men hem zelden, in de Oostzee daarentegen buitengewoon veelvuldig. Hij heeft nagenoeg dezelfde levenswijze als de Ruischvoorn, leeft gezellig, voedt zich met Wormen, Insecten, vischkuit, vischjes en waterplanten, wroet in den grond om de eerstgenoemde dieren te vinden, zwemt vlug, maakt plotselinge bewegingen, is voorzichtig en schuw, maar laat zich licht verschalken. Het kuitschieten heeft plaats in Mei of Juni, dikwijls reeds in Maart of April, soms eerst in Juli. Met dit doel verlaten de Voorns in dichte scholen de diepe gedeelten der meren, waar zij den winter doorbrachten, zwemmen de rivieren op en laten op met gras begroeide plaatsen hunne eieren achter. Intusschen plassen zij druk in de bovenste waterlaag rond en springen vaak omhoog.
De Voorn wordt als spijs nergens hoog geschat, maar toch in groote hoeveelheid gevangen en in de keuken of voor het voederen van andere Visschen of van Zwijnen gebruikt.
De Hesseling, Kopvoorn of Dikkop [Leuciscus (Squalius) cephalus], en de Serpeling [Leuciscus (Squalius) vulgaris] zijn beide vertegenwoordigers van het ondergeslacht der Dikkoppen (Squalius), dat Europa, benevens een groot deel van Azië en Noord-Amerika bewoont en zich onderscheidt door den met tamelijk groote schubben bedekten, zoowel aan den buik als aan den rug afgeronden romp, den betrekkelijk grooten kop, de kortheid der achterste stralen van rugvin en aarsvin en de plaatsing der zijdelings samengedrukte, aan de spits haakvormig omgebogen keelgatstanden op 2 reeksen (2, zelden 3, in de buitensten, 5 in de binnenste). De mondspleet helt slechts weinig af; de rugvin begint boven het voorste deel van de buikvinnen.
De Hesseling of Esseling, ook wel meer bepaaldelijk Dikkop, en evenals zijn naaste verwant, Viesvisch, in Groningen, evenals de Windvoorn, Meeuw genoemd, is bij de riviervisschers bekend onder den naam van Meune, Munne, Meuning of Meun (dien de zeevisschers ook aan eenige Gadoïden geven). Zij kan 60 cM. lang en meer dan 4 KG. zwaar worden, is op den rug zwartachtig groen, op de zijden goudgeel of zilverwit, op den buik wit met lichtrooden weerschijn; de wangen en de kieuwdeksels hebben op rozenrooden grond een goudgelen glans; de lippen zijn roodachtig, de rugvin en de staartvin zwartachtig met roodachtige tint, de borstvinnen oranje, de buikvinnen en de aarsvin rood. Bij vele exemplaren zijn de roode tinten echter onduidelijk of afwezig en de bovendeelen minder zwartachtig.
De Hesseling, een van de meest gewone bewoners van alle rivieren en meren van Middel-Europa, wordt ook bij ons vrij menigvuldig in stroomend, zelden echter in stilstaand water aangetroffen. De jongen houden zich meestal op in beekjes of riviertjes met kiezeligen of zandigen bodem, waar men ze op plaatsen met geringe stroomsnelheid bij honderden ronddartelen en bij ieder gedruisch pijlsnel vluchten ziet; op lateren leeftijd bewonen deze Visschen rivieren en meren, zoowel die van de vlakte als die van het middelgebergte. Aanvankelijk bestaat hun voedsel uit Wormen en uit Insecten, die in het water zwemmen, op den waterspiegel verkeeren of op korten afstand daarboven vliegen. Later zoeken zij diepere plaatsen op of begeven zich naar grootere rivieren en meren, worden roofvisschen in de volste beteekenis van 't woord en maken jacht op kleinere Visschen, Schaaldieren, Kikkers en zelfs Muizen, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam "Muizenvreters", die zij op sommige plaatsen dragen. Overal waar zij een overvloed van voedsel kunnen verkrijgen, groeien zij zeer snel en worden, volgens berichten van ervaren visschers, ieder jaar wel 500 gram zwaarder. Als spijs voor den mensch zijn zij niet zeer gezocht; wel worden zij als voedsel voor betere Visschen gebruikt. De rijtijd valt in de maanden Mei tot Juli.
In heldere, zachtstroomende beken zeer algemeen, in alle overige zoete wateren bijna even veelvuldig, in stilstaand water even zeldzaam als de vorige soort, ontmoet men bij ons de Serpeling, soms meer bepaaldelijk Witvisch en ook wel Hesseling, Esseling en Viesvisch genoemd. Zij is kleiner dan de Dikkop, wordt slechts zelden langer dan 25 cM. en onderscheidt zich van haar naasten verwant, doordat de kop en de romp een weinig meer zijdelings samengedrukt zijn; de mondspleet is nauwer en niet geheel aan 't voorste deel van den snuit, maar iets verder naar achteren gelegen; de neusgaten zijn halverwege de spits van den snuit, dus minder dicht bij de oogen geplaatst; de aarsvin is een weinig uitgesneden. De kleur van beide soorten vertoont veel overeenkomst: de rug is zwartblauw, dikwijls met metaalachtigen weerschijn; de zijden en de buik zijn soms geelachtig, soms zilverwit, de parige vinnen lichtgeel of oranje; de rugvin en de aarsvin hebben een donkere kleur. Kleursverscheidenheden met lichtere tinten en meer rood op de vinnen komen veelvuldig voor. Dikwijls wordt deze soort met de vorige verward. Men vindt haar behalve in Middel-, ook in Noord- en een deel van Zuid-Europa; zij bewoont niet slechts rivieren en beken, maar ook meren en haffen. Wat levenswijze betreft, gelijkt de Serpeling op den jongen Dikkop. Voor de keuken is zij weinig, als lokaas voor groote Zalmvisschen zeer geschikt.
Een van de kleinste Middel-Europeesche Karpervisschen is de Grondelvoorn [Leuciscus (Phoxinus) laevis], daar hij in den regel hoogstens 9, zelden 12 cM. lang wordt. Het door hem vertegenwoordigde ondergeslacht kenmerkt zich door een krachtig gebouwd, afgerond lichaam met stompen snuit, kleinen mond en kleine schubben, met korte, achter de buikvinnen aanvangende rugvin en korte aarsvin; de keelgatstanden, welker kroon zijdelings samengedrukt en aan de spits haakvormig omgebogen is, zijn op 2 reeksen geplaatst (2 in de buitenste, 4 of 5 in de binnenste). Daar dit vischje in Duitschland en ook in België zeer algemeen voorkomt, opperde Schlegel het vermoeden, dat het ook in onze grensstreken zou leven, waar het echter tot dusver nog niet gevonden werd. Zijn kleur kan zeer verschillend zijn. De soms olijfgroene, soms vuilgrauwe grondkleur van den rug wordt door donkere vlekjes min of meer verduisterd; deze vloeien soms vrij volledig ineen tot een zwarte streep, die zich over het midden van den rug tot aan de staartvin uitstrekt; de groenachtig gele zijden hebben een sterken, metaalachtigen glans; de mondhoeken zijn karmijnrood, de keel is zwart, de borst scharlakenrood, de buik geelachtig of wit, soms oranje- of purperkleurig. Een als goud glinsterende, overlangsche streep begint achter ieder oog en strekt zich aan weerszijden van den rug tot aan den wortel van de staartvin uit; de vinnen hebben een bleekgele grondkleur, die echter op de onparige door ophoopingen van een donkere kleurstof verdonkerd wordt en op de parige vinnen (bij uitzondering ook op de aarsvin) in schitterend purperrood kan overgaan.
De Grondelvoorns bewonen heldere, stroomende wateren met een uit zand of grind bestaanden bodem van hun oorsprong in 't gebergte tot aan hun uitmonding; in sommige beken zijn zij de eenige vertegenwoordigers hunner klasse, daar zij nog geregeld verblijf houden en goed gedijen op plaatsen, die door andere Visschen gemeden worden of voor hen niet toegankelijk zijn. Alleen ziet men ze hoogst zelden, daarentegen bijna altijd in groote scholen, die dicht bij den waterspiegel ronddartelen, er merkwaardig vlug boven uit springen en schuw voor ieder gedruisch vluchten. Bij zeer heet weer verlaten zij soms een plaats, waar zij geruimen tijd vertoefd hebben; door den stroom of een harer bijrivieren op te zwemmen trachten zij dan een frisscher oord te bereiken. Bij deze reizen springen zij over beletselen heen, die schijnbaar in geen verhouding staan tot hun geringe grootte en kracht; zoodra een hunner de hinderpaal te boven gekomen is, volgen alle andere hem na.
Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen, Wormen en Insecten, ook wel uit andere dierlijke spijzen. In weerwil van zijn geringe grootte wordt de Grondelvoorn overal gevangen, omdat zijn vleesch, hoewel het bitter smaakt, door velen gezocht wordt. Bovendien wordt dit Vischje door hengelaars veel als lokaas gebruikt en dient het in fokvijvers als voedsel voor grootere roofvisschen. Zelfs in een beperkte ruimte kan men het een paar jaar lang in 't leven houden; voor dit doel beveelt het zich aan door de geringe eischen die het stelt, ook door zijne behendige en vlugge bewegingen.
Het geslacht der Neusvoorns (Chondrostoma), die uit een zevental Europeesche en West-Aziatische soorten bestaat, dankt zijn naam aan den meer of minder langen, breeden, afgeronden, kraakbeenigen snuit, die bij wijze van een neus vóór de zeer korte onderkaak uitsteekt; ook deze is met een op kraakbeen gelijkende scheede bedekt; de zeer kleine dwars gerichte mondspleet, die dus aan de benedenzijde van den kop gelegen is, wordt begrensd door dikke, harde lippen, die met een scherpen rand voorzien zijn. Ieder keelgatsbeen draagt één rij van 6 à 7 tanden. De rugvin is kort en begint boven den wortel der buikvinnen; de aarsvin is tamelijk lang.
Inheemsch is de Sneep (Chondrostoma nasus), ook Tabaksrooker, Schoorsteenveger, Snijderssnoek, Neusvisch en (in Groningen) Steenmeeuw genoemd. "De naam Dolhein, die in gebruik is bij de Arnhemsche visschers, schijnt mij toe tot deze soort te behooren" (Van Bemmelen). Het lichaam is met kleine schubben bekleed, langwerpig, (ongeveer 4-maal zoo lang als hoog), afgerond, aan de zijden weinig samengedrukt. Buiten den rijtijd zijn de bovendeelen zwartachtig groen, de zijden en de buik glinsterend zilverwit, de vinnen, met uitzondering van de donkere rugvin, roodachtig. Gedurende de voortplantingsperiode hebben alle lichaamsdeelen helderder kleuren. De Sneep kan 50 cM. lang en 1.5 KG. zwaar worden; zulke groote exemplaren zijn echter zeldzaam.
Deze Visch bewoont stroomend water in de warme en gematigde landen van Europa, doch ontbreekt reeds in Groot-Brittannië en Scandinavië; hij is weinig bekend in het noorden van Duitschland, wordt vrij algemeen gevonden in het stroomgebied van den Weichsel en den Oder en komt veelvuldig voor in de rivieren en meren van Zuid-Duitschland en Zwitserland, zoowel in het stroomgebied van den Donau als in dat van den Rijn; bij ons ontmoet men hem in alle rivieren. Hij leeft gezellig, vormt meestal groote scholen, houdt zich bijna voortdurend in de nabijheid van den bodem op, blijft lang achtereen op dezelfde plaats, wentelt zich hier dikwijls het onderste boven en is dan (wegens den niet zelden zilverwitten buik) op een afstand zichtbaar. In den zomer komt hij vaak dicht bij de muren, die den oever begrenzen en vervolgt hier zijn weg over steenen, die slechts met een dunne waterlaag bedekt zijn. Men ziet deze Visschen over de onderste treden van trappen aan den waterkant zoo geregeld heen schieten, dat zij de aandacht trekken van de Katten, die op zulke plaatsen met meer of minder goed gevolg gaan visschen. Het voedsel van den Sneep bestaat uit plantaardige stoffen, vooral uit de korst van algen, die de steenen en andere in 't water liggende voorwerpen bedekt en met de scherpe, harde randen der kaken gemakkelijk losgemaakt kan worden.
Als de tijd van 't kuitschieten nadert, in de maanden Maart en April, vereenigen de Sneepen zich tot tallooze scholen en begeven zich uit den hoofdstroom naar de bijrivieren, vervolgens naar de kleinere stroompjes en beken (ook naar die, welke troebel water bevatten) en laten hier op met grint bedekte plaatsen, waarover de stroom snel heenschiet, hunne talrijke eieren achter.