Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 11
De Zeehanen (Trigla), die in een tweede geslacht vereenigd worden, zijn kleine, hoogstens middelmatig groote, forsch gebouwde Visschen met betrekkelijk zeer grooten, bijna vierzijdigen, in een oneffen pantser gehulden kop, twee gescheiden rugvinnen, drie vrije, gelede stralen vóór de groote borstvinnen, fluweelachtige tanden aan de kaken en aan het ploegschaarbeen. Van dit over alle warme en gematigde zeeën verbreide geslacht zijn ongeveer 40 soorten bekend. Sinds lang hebben zij de aandacht getrokken door het zonderlinge, knorrende geluid, dat men van hen hoort, zoodra zij boven water zijn gebracht, en dat door het tegen elkander wrijven van de kieuwdekselbeenderen veroorzaakt wordt. Naar men zegt, verspreiden enkele soorten een phosphoresceerend licht.
In de Noordzee leeft de Groote Poon, die ook wel Groote Zeehaan, Knorhaan, Spoon, Roode Poon, Laurenskop en Hofdiender heet; door onze visschers en op de vischmarkten wordt hij bijna altijd Rozet of Rozette genoemd (Trigla hirundo). Hij bereikt een lengte van 50 à 60 cM. en is dus de grootste Europeesche soort van zijn geslacht. De rug is roodachtig grijs of bruinachtig, de buik licht rozerood of witachtig; het bovenste gedeelte van de eerste rugvin en de staartvin zijn rood, de buikvinnen en de aarsvinnen wit; de borstvinnen zijn aan de onderzijde zwartblauw met blauwe randen; haar vinvlies is ook aan de buitenzijde zwartblauw; de blauwe tinten zijn echter bij sommige exemplaren flauw en onduidelijk.
Nauw verwant aan de vorige soort, doch niet meer dan ongeveer half zoo groot, is de Kleine Poon, Kleine Zeehaan, Knorhaan, Spoon of Grauwe Zeehaan (Trigla gurnardus); hij heeft aan de bovenzijde op bruinachtig grijzen grond witte stippels, is op de wangen als met sterretjes geteekend, aan de onderzijde zilverwit, heeft de zijdestreep bezet met breede schubben, welker scherpe spitsen gezamenlijk op de tanden van een zaag gelijken, en een in twee lappen verdeelde zwemblaas. Bij den Grooten Poon zijn de schubben van de zijdestreep smal en is de zwemblaas drielappig. De schubben van de overige lichaamsdeelen zijn bij alle Poonen uiterst klein.
Beide Poonen bewonen de Middellandsche Zee, den Atlantischen Oceaan, de Noordzee en de Oostzee. In het Kanaal en langs de kusten van Engeland, België en Nederland ontmoet men ze veel, niet zelden ook bij Helgoland, de kusten van Oost-Friesland, Oldenburg en Holstein, ook aan die van Denemarken en Noorwegen tot de Lofoden, zeldzamer op zandige gedeelten van de kust der zuidelijke Oostzee. "De Groote Poon wordt langs onze kust op de banken, zoowel in de Binnen- als Buitenlek in menigte gevischt; de jongen worden zelfs dicht langs het strand met de saaien gevangen. In Mei en Juni zijn de wijfjes met rijpe kuit. Het vleesch wordt in onze steden niet buitengewoon geacht; men eet het gekookt. De visschers en de bewoners der zeedorpen eten het ook veel gerookt en houden de kuit en de lever voor even smakelijk als het vleesch." "De Kleine Poon wordt aan onze kust menigvuldig in de Binnenlek gevangen. Als voedsel wordt hij minder geschat dan de Groote Poon" (Schlegel). Beide Poonen leven bij voorkeur in de diepte, liefst op zandgrond; hun gewone buit bestaat uit Schaaldieren; zij eten echter ook Mossels en andere Weekdieren en maken bovendien op Kwallen jacht. Op zeer sierlijke, maar niet bijzonder snelle wijze zwemmend, worden de groote borstvinnen, als vleugels, afwisselend ontplooid en samengevouwen. Bij hunne nachtelijke omzwervingen op ondiepe plaatsen stralen zij, naar men zegt, licht uit "als fonkelende sterren", zoodat er lichtstrepen ontstaan, die zich ver door het water uitstrekken, nu eens langs de oppervlakte dan weer in benedenwaartsche richting. Veel opmerkelijker en ongewoner dan hun zwemkunst is echter hun kruipen over den grond. Hiervoor dienen de vrije stralen vóór de borstvinnen; men kan ze, wat verrichting betreft, geheel als pooten beschouwen; ze zijn werkelijk voor 't loopen geschikt.
Jonge Zeehanen van 8 à 10 cM. lengte, die reeds in alle opzichten op de oude gelijken, zijn in November te vinden.
In de Noordzee vangt men de meeste Poonen vroeg in het voorjaar en in het begin van den zomer hetzij in de schrobnetten op de Buitenlek, of dichter bij de kust in de saaien (een soort van schrobnetten met zeer kleine mazen, welke vooral voor de garnalenvangst dienen en die door paarden langs het strand getrokken of door een boot, die zeil voert en iets dieper in zee vischt, gesleept worden). In Italië worden de Poonen meestal met den hengel gevischt, doch soms ook, terwijl zij in de bovenste waterlaag rondzwemmen, met het geweer geschoten. Deze hoogst zonderlinge jacht heeft plaats bij stil weder; de Poonen steken dan telkens den kop boven water, maken een knorrend geluid, dat, naar men zegt, tot op grooten afstand gehoord wordt, en laten zich vervolgens weer tot een diepte van 1/2 M. zakken. Hierdoor is men in de gelegenheid om met weinig moeite in korten tijd een groot aantal van deze Visschen te schieten.
Bij de Pantservisschen of Schildwangigen (Cataphracti) is het geheele lichaam gepantserd, niet alleen de kop, gelijk bij de vorige familie. Overlangsche reeksen van beenplaten, die meestal van een uitstekende lijst of kiel voorzien zijn, strekken zich van den kop tot de staart uit; soms sluiten de randen der platen zoo volkomen aaneen, dat de romp er geheel mede bedekt is.
In de noordelijke zeeën van den gematigden en in den kouden aardgordel ontmoet men het 10 soorten omvattende geslacht der Harnasmannen (Aspidophorus), welker langwerpig lichaam met overlangsche reeksen van groote, beenige schilden gepantserd en hierdoor veelkantig is. Het heeft de grootste hoogte en breedte aan den kop; deze is van boven met verscheidene spitse uitsteeksels voorzien, van onderen afgeplat, aan den snuit met bovenwaarts gebogen doornen gewapend. Er zijn tandjes aan de kaken, maar niet aan het gehemelte.
Aan de kusten van Engeland, van de Noordzee en de Oostzee, van IJsland en Groenland ontmoet men veelvuldig het 15 cM. lange Harnasmannetje (Aspidophorus cataphractus), langs onze kusten het best bekend als Oude Grootje of Oudewijfskaak, soms ook Geharnaste Zeedonderpad genoemd. Het voedt zich met kleine Schaaldieren. Vooral in het voorjaar en in den zomer wordt deze Visch in de Binnenlek met den Kleinen Pieterman en andere kleine waterdieren gevangen, doch meestal weer in zee geworpen; het is de moeite niet waard ze te eten, daar er te weinig voedsel aan zit. De huidbeenderen, die op 8 rijen zijn geplaatst, hebben in 't midden een hoogen kiel, waardoor het lichaam achtkantig schijnt. Alle vinstralen zijn onvertakt. De bovendeelen zijn bruin met vier breede, donkerbruine, overlangsche strepen, de beide lichtbruine rugvinnen zijn donkerbruin gevlekt, de groote borstvinnen bruin gestreept; de onderdeelen zijn deels lichtbruin, deels witachtig. Het kuitschieten heeft plaats in Mei en Juni.
De Pantservisschen i. e. z. (Peristethus) kenmerken zich, behalve door hun volledig pantser, door de sterke verlenging van de vooroogkasbeenderen, die aan weerszijden van den kop een recht naar voren gericht uitsteeksel vormen, zoodat de kop als 't ware in een tweetandigen "vork" uitloopt; aan de onderkaak komen baarddraden voor; de bek is tandeloos.
Een vertegenwoordiger van dit geslacht wordt in Marseille en Genua Malarmat genoemd (Peristethus cataphractum); ondanks dezen naam mag men hem wel den best gepantserden van alle Visschen der Europeesche zeeën noemen. Het lichaam is langwerpig, op de dwarse doorsnede bijna regelmatig achthoekig. De bovenkaak steekt over de onderkaak uit; onder dit vorkvormig uitsteeksel is de halfcirkelvormige mondopening gelegen; van de onderkaak hangen verscheidene baarddraden naar beneden; één van deze is als 't ware een stam, waaruit takken voortkomen. De pantserplaten zijn op 8 reeksen geplaatst, die zich tot 8 kamvormige kielen verheffen. De prachtig roode kleur van den rug gaat op de zijden in goudgeel, op den buik in zilverwit over; de borstvinnen zijn rood, de rugvinnen bruinachtig violet, de aars- en buikvinnen wit. Lengte ongeveer 30 cM.
In sommige gedeelten van de Middellandsche Zee is de Malarmat niet zeldzaam; geregeld komt hij voor aan de kusten van Provence en van Zuid-Italië; ook ontmoet men hem in de Adriatische Zee en langs de Atlantische kusten van Zuid-Europa; soms dwaalt hij noordwaarts af en bezoekt zelfs Engeland. Deze vreemdsoortige Visch houdt zich steeds in de diepte op en nadert de kust alleen om kuit te schieten, hetwelk in 't begin van de lente geschiedt. Men ziet hem niet als zijne verwanten bij scholen, maar steeds eenzaam zwemmen; zijn snelheid is soms zoo groot, dat hij, op een rots stootend, den vorkvormigen snuit breekt. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit naakte Weekdieren en Kwallen.
Gedurende het geheele jaar vangt men dezen pantservisch aan de Spaansche en Provençaalsche kust, waar zijn uitmuntend vleesch zeer op prijs gesteld wordt. Daar het pantser aan ieder keukenmes weerstand biedt, moeten de ingewanden door de mondopening verwijderd worden. In kokend water of door verhitting in een pan geraken de schubben los.
De Vliegende Zeehanen (Dactylopterus) worden gewoonlijk Vliegende Visschen genoemd, evenals eenige leden van de familie der Makreelsnoekvisschen. Zij kenmerken zich door de merkwaardige sterke ontwikkeling der borstvinnen, welker stralen weinig korter zijn dan het lichaam. De vrije stralen, die men bij de leden van het vorige geslacht en van de vorige familie vóór de eigenlijke borstvinnen opmerkt, zijn hier door een afzonderlijk vinvlies vereenigd en vormen als 't ware een kleinen waaier vóór den grooten, waarmede het dier eenigen tijd in de lucht kan blijven zweven. Beide rugvinnen zijn klein; vóór de eerste staan eenige niet door een vinvlies vereenigde stekels. Het kieuwdeksel is ongedoornd; zoowel het schouderblad als het voordeksel is met een langen, achterwaarts gerichten doorn gewapend. Het gehemelte is tandeloos, de kaken zijn met kleine, knobbelige tandjes voorzien.
De meest bekende soort, de Gewone Vliegende Zeehaan (Dactylopterus volitans), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, zoowel in de gematigde als in de tropische zone. De rug is fraai lichtbruin, donker gemarmerd en gevlekt; de zijden van den kop zijn lichtrood met zilverkleurigen weerschijn, de onderdeelen rozerood; de groote borstvinnen hebben op donkeren grond blauwe vlekken, strepen en banden, de rugvinnen op grijzen grond bruine, wolkachtige vlekken, de staartvin is roodbruin en met reeksen van vlekken geteekend. Bij zeer groote exemplaren van 50 cM. lengte bedraagt de afstand tusschen de spitsen der zijwaarts gerichte borstvinnen 60 cM.
Deze Visschen voeden zich met kleine Schaaldieren en Weekdieren.
Andere soorten van 't zelfde geslacht komen voor in den Indischen Oceaan, van Mauritius tot de Soenda-eilanden, en in de Stille Zuidzee, langs de kusten van China en Japan.
Gedurende een reis over de Middellandsche Zee ziet men soms een talrijken zwerm van Vliegende Zeehanen plotseling tot een hoogte van 4 of 5 M. boven het water opstijgen, met eigenaardige, gonzende slagen van de groote borstvinnen zeer snel door de lucht schieten en na het afleggen van een 100 à 120 M. langen weg weer in de zee verdwijnen. Niet zelden herhaalt zich dit schouwspel verscheidene malen achtereen; terwijl de eene zwerm nog zwevende is, begint reeds een tweede op dezelfde wijze de lucht te doorklieven en deze is nog niet in 't water teruggekeerd, wanneer een derde en een vierde zwerm het water verlaten. Als dit omhoogstijgen in een bepaalde richting geschiedt mag men het er voor houden, dat de Vliegende Zeehanen door roofvisschen vervolgd worden en vliegend, of liever springend, boven de golven aan hunne vijanden trachten te ontkomen. Dikwijls echter ziet men ze nu eens op de eene, dan weer op een andere plaats verschijnen, volstrekt geen bepaalden koers volgen, maar in allerlei elkander kruisende richtingen vliegen; waarschijnlijk komen zij dan spelend, als 't ware uit dartelheid, boven water, evenals andere Visschen ook wel eens doen. In de nabijheid van de kusten trekken dergelijke zwermen zeer spoedig de aandacht van de Meeuwen en Stormvogels, die er op af komen en nu ook van hun kant jacht beginnen te maken op de buiten hun element verkeerende waterbewoners. Dit verhoogt zeer de belangwekkendheid van het schouwspel, daar de Vogels wegens de snelle beweging der Visschen al hunne krachten moeten inspannen om er een van te bemachtigen. De menschen houden zich weinig of niet met de vangst van Vliegende Zeehanen bezig, daar hun mager en hard vleesch de moeite niet loont en de Middellandsche Zee rijk genoeg is aan betere Visschen.
De door Cuvier voor 't eerst als familie erkende, tot de onderorde der Zeegrondelvisschen (Gobiiformes) behoorende groep der Schijfbuikigen (Discoboli), omvat een twaalftal soorten van ongeschubde Visschen, welker aaneengegroeide buikvinnen vervormd zijn tot een schijf, bestaande uit een eironde beenplaat, die door een vliezigen zoom omgeven is; met deze vinschijf zuigen zij zich vast aan steenen en andere voorwerpen; door spieren wordt het middelste, flauw uitgeholde gedeelte van de schijf opgetrokken, waardoor een ledige ruimte tusschen de schijf en de aanhechtingsplaats ontstaat. Andere eigenaardigheden van deze Visschen zijn de groote, onder de keel als 't ware ineenvloeiende borstvinnen, de min of meer rudimentaire, bij sommige zelfs geheel ontbrekende (of althans onder de dikke huid verborgen) rugvin en het maaksel van de stralen van het kieuwdekselvlies. De huid is slijmerig en glad of met beenknobbeltjes voorzien, het geraamte uit week, als kraakbeen snijdbaar been, de schedel zelfs geheel uit kraakbeen samengesteld. De kieuwspleet is nauw; de achterste van de vier kieuwen bestaat slechts uit één enkele rij van kieuwplaatjes. De Schijfbuikigen houden bijna uitsluitend op een rotsachtigen zeebodem verblijf, zuigen zich hier vast met hun vinschijf, blijven dagen lang op deze wijze vastgehecht en laten zich hoogstens door het naderen van een buit bewegen om den bodem te verlaten. Verscheidene soorten wijden aan hunne eieren een soortgelijke zorg als de Zeegrondels. Hun vleesch wordt slechts op enkele plaatsen gegeten.
De Snottolven (Cyclopterus) hebben een zonderlinge gedaante; hun kop is groot, de snuit kort, de romp kort, doch dik en hoog, de eerste rugvin uitsluitend door buigzame stralen gesteund en bij het volwassen dier geheel onder de huid van den romp verborgen; deze is dik en slijmerig en bevat reeksen van knobbelvormige, beenige schilden; de kaken zijn met borstelige tandjes bezet, het gehemelte is tandeloos.
De Snottolf, ook Steenkruiper, Steenzuiger, Engelsche Lump, Paddevisch, Kikvorschvisch en in Zeeland Klieft genoemd (Cyclopterus lumpus), de meest bekende vertegenwoordiger van zijn geslacht, bereikt een lengte van ongeveer 60 cM. en een gewicht van 3 à 4 KG.; zelden wordt hij 1 M. lang en 6 à 7 KG. zwaar. Zijn kleur is zeer verschillend, dikwijls van boven grijsachtig zwart, van onderen meer geelachtig. Gedurende den rijtijd zijn de onderdeelen en de vinnen roodgeel, de overige deelen bruingeel, met oranje, purperrood en blauw in verschillende tinten geschakeerd, de oogen hoogrood; na den rijtijd zijn al deze kleuren flauwer en minder zuiver. Zijn hoog en dik lichaam doet, van ter zijde gezien, aan den eivorm denken, maar is onder den romp tamelijk vlak en loopt naar boven kielvormig uit. De kop is middelmatig groot, de mondopening klein; de oogen zijn tamelijk klein en hooggeplaatst. De kaken zijn met kleine, borstelvormige tanden gewapend; kleine, afgeronde tanden komen voor op de beenderen, die het keelgat omgeven. Behalve kleine, harde korreltjes, die tamelijk regelmatig verspreid zijn, ziet men op de huid veel grootere, kegelvormige knobbels op 7 rijen: de bovenste rij loopt van het achterhoofd tot aan de zachte rugvin; de tweede nagenoeg rechtlijnige reeks gaat aan weerszijden van den romp van boven het oog tot den wortel van de staartvin; de derde loopt evenwijdig aan de vorige langs de zijden van het lichaam en begint achter het kieuwdeksel; de onderste eindelijk omzoomt aan weerszijden den buik tusschen de aarsvin en de buikschijf. Deze is cirkelvormig en bestaat uit een kring van platte, harde schijfjes, omgeven door een vliezigen rand. De borstvinnen zijn afgerond en korter dan de kop, maar loopen naar voren tot onder de keel voort, zonder zich echter te vereenigen; dit naar voren verlengde gedeelte omsluit aan weerszijden de buikschijf. De met knobbeltjes gewapende rugkiel, die de eerste rugvin vertegenwoordigt, bevat beentjes, die de vinstralen voorstellen. De zachte rugvin en de aarsvin beginnen aan 't hellend gedeelte van den staart; deze is naar verhouding buitengewoon zwak, zijn vin aan 't einde recht.
De Snottolf bewoont alle noordelijke zeeën en wordt bij alle kuststreken van gematigd en noordelijk Europa tot IJsland, Groenland en Canada aangetroffen. "In 't voorjaar en in den zomer is deze Visch tamelijk algemeen aan onze kust, in de overige tijden zeldzamer" (Van Bemmelen). Hij beweegt zich zelden en zwemt zeer slecht, langzaam, met slingerende krommingen van den zwakken staart. In den regel blijft hij met de buikschijf aan steenen of andere harde voorwerpen vastgehecht en wacht hier zijn buit af. Het kost groote moeite hem los te rukken: Hannox berekende, dat hiervoor een kracht van 36 KG. vereischt werd bij een Snottolf van 20 cM. lengte. Pennant greep een Snottolf, die zich aan den bodem van een emmer had vastgehecht; bij het opheffen van dit dier bleef de met water gevulde emmer er aan hangen. Een 15 cM. lange wierrank, die aan het voorhoofd van een ander exemplaar was vastgegroeid, maakt het waarschijnlijk, dat de Snottolf soms weken lang op dezelfde plaats blijft, wachtend tot de Kwallen en Vischjes, die zijn voedsel uitmaken, dicht genoeg bij hem gekomen zijn om ze zonder vervolging te grijpen. In gevangen toestand zuigt hij zich onmiddellijk vast aan een geschikte plek van den waterbak, die hem tot woning dient, zelfs aan den gladsten glazen wand; hij blijft hier uren en zelfs halve dagen achtereen, zonder eenig ander lichaamsdeel dan de kieuwen te bewegen en verlaat deze plaats alleen om het voedsel, dat hem toegeworpen wordt, te grijpen. In het aquarium hapt hij naar den inhoud van weekdierschelpen en Wormen, maar laat Vischjes bijna altijd onaangeroerd.
Omstreeks Maart komt er in de kleur en het gedrag van de Snottolven een groote verandering; zij zoeken dan ondiepere, voor 't kuitschieten geschikte plaatsen aan de kust op. Het aantal eieren is zeer groot. Fabricius bericht, dat het mannetje in 't zand een kuil maakt voor de eieren, hierbij trouw de wacht houdt en bij deze gelegenheid een werkelijk verheven moed toont, zelfs met den vreeselijken Zeewolf den strijd aanvaardt en, door liefde voor zijn kroost gedreven, dezen vijand doodelijke wonden toebrengt. Dit bericht wordt door latere onderzoekers volkomen bevestigd. Zoo verhaalt Johnston, op grond van hetgeen hem door visschers werd medegedeeld, dat het mannetje de eieren met zijn lichaam bedekt en in deze houding volhardt, totdat de jongen uitgekomen zijn; deze hechten zich kort daarna aan de zijden en den rug van hun vader, die zich met dezen dierbaren last op weg begeeft, om een dieperen en veiligeren bodem op te zoeken. Tegen het einde van November hebben de jongen een lengte van 10 cM. bereikt.
De mensch maakt niet geregeld jacht op den Snottolf. Hier te lande eet men hem niet. De IJslanders en Groenlanders vinden dezen Visch lekker; zij vangen hem in netten, of spiesen hem aan een soort van ijzeren vork, terwijl hij tusschen de zeeplanten ligt. Een veel gevaarlijker vijand van deze soort is de Zeehond.
De Zeegrondelvisschen (Gobiidae) zijn voor 't meerendeel klein en langwerpig van gestalte; hun naakte of geschubde huid is slijmerig; de voorste rugvin wordt evenals bij de Snottolven dikwijls door buigzame stralen gesteund en is soms met de tweede vereenigd; de ver uitstekende buikvinnen zijn bij sommige aan den wortel, bij andere over haar geheele lengte verbonden tot een trechter of holle schijf; de kieuwspleet is betrekkelijk klein.
Van deze familie zijn nagenoeg 300 soorten bekend. Verreweg de meeste zijn zeebewoners; slechts weinige kiezen rivieren of ander zoetwater tot voortdurend verblijf. Zij leven bij voorkeur op een rotsachtigen bodem en zetten zich hier tusschen steenen vast; hun voedsel bestaat uit Wormen en Garnalen, maar ook uit vischkuit en wieren; meestal vormen zij scholen, die, na opgejaagd te zijn, zich spoedig weer vereenigen, om gemeenschappelijk te vluchten. Zij zwemmen zeer behendig; op een modderigen grond stellen de als pooten dienst doende borstvinnen hen in staat zich te bewegen. Evenals de Longenvisschen en Doolhofvisschen, kunnen zij zich uren en dagen lang buiten het water ophouden; niet onmogelijk is het, dat zij dan onmiddellijk zuurstof uit de lucht opnemen. Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk; ook bij deze groep nemen de mannetjes ijverig deel aan de zorg voor de nakomelingschap, vooral door de wacht te houden bij de eieren. In de huishouding van den mensch spelen zij geen belangrijke rol; slechts weinige soorten worden eetbaar geacht; de eigenaardige levenswijze dezer dieren bemoeilijkt trouwens hun vangst.
Bij de Zeegrondels (Gobius)--niet te verwarren met de Grondels (Gobio)--zijn de buikvinnen over haar geheele lengte met elkander vergroeid tot een trechtervormige schijf, die alleen aan haar oorsprong met den buik vereenigd is. Alle zijn in staat om hun kleur in overeenstemming te brengen met die van hun omgeving.
Eén van de ruim 150 soorten van dit geslacht wordt zeer algemeen langs onze geheele kust waargenomen. Deze--de 6 à 7 cM. lange Kleine Grondel (Gobius minutus)--wordt ook wel Zeegrondel, Kleine Govie en Meun genoemd. (De laatste naam is ontstaan door verwarring met jonge exemplaren van Motella mustela, die, evenals de Zeegrondel, in de onmiddellijke nabijheid van het strand geregeld bij het Visschen naar Garnalen met saaien gevangen en aan wal gebracht wordt.) De Amsterdamsche vischverkoopers noemen den Zeegrondel wegens zijn sterk gekromden snuit Bullekopje. Het lichaam is langwerpig, zonder de staartvin 5-maal zoo lang als hoog. De oogen zijn zeer hoog geplaatst. De mondspleet strekt zich uit tot onder het oog. De kaken zijn met kleine tanden bezet; die van de voorste rij zijn grooter dan de overige. De borststandige buikvinnen zijn vergroeid tot een naar achteren lang en puntig uitloopenden trechter. De grijsachtig gele grondkleur van dit vischje is op de onderdeelen en den kop lichter, op de rugzijde bruin gestippeld; dergelijke stipjes vormen op de staartvin ongeveer 6 dwarsstrepen. De iris is blauw.
Behalve aan de kusten van de Noordzee, ontmoet men deze soort ook veelvuldig in de monden der rivieren (Haringvliet, Hollandsch Diep tot aan en boven de Moerdijk, Theems); zij wordt in de ankerkuil veel gevangen, heeft als voedsel geen waarde, maar moet tusschen de Zeebliek door in de kubben als aas dienst doen. (Hoek.)
Nauw aan de vorige verwant, vooral door kleur en samenstelling van rug- en aarsvin afwijkend, is de nieuwe soort (Gobius Taalmankipii), die Hubrecht in 1877 in de Noordzee vond.