Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen

Part 12

Chapter 123,769 wordsPublic domain

Twijfelachtig is de aanwezigheid bij onze kust van den hoogstens 15 cM. langen Zwarten Zeegrondel (Gobius niger), die in de Middellandsche Zee in aanzienlijken getale voorkomt, doch ook in den Atlantischen Oceaan met inbegrip van het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee, niet ontbreekt. Hij onderscheidt zich door een meer ineengedrongen en dikker lichaam, een dikkeren kop, grootere schubben en nagenoeg samenstootende rugvinnen; de zwartachtige, aan de buikzijde lichtere kleur heeft wolkachtige (meestal donkerbruine) vlekken; de rugvinnen en staartvin zijn zwartachtig gestreept; de olijfkleurige borstvinnen hebben bruine streepjes. Men vindt hem op rotsachtige zeebodems, waarop hij zich eenvoudig neervlijt, zonder zich vast te hechten. Hoewel hij zich gaarne in de nabijheid van riviermonden ophoudt, heeft men hem in zoetwater nog niet opgemerkt. Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en allerlei andere lagere dieren. De schuilhoek, vanwaar hij zijn buit beloert, wordt na iederen uitval geregeld weer opgezocht om er de prooi te verslinden. Tegen den tijd van het kuitschieten, in Mei of Juni, verlaten de Zwarte Zeegrondels de rotsen, die zij tot dusver bewoonden en begeven zich naar de met zeegras begroeide gedeelten der kust, om hier voor hunne eieren een diep en ruim hol te graven, waarboven de wortels van het zeegras een gewelf vormen. Evenals bij Stekelbaarzen, is het mannetje de bouwmeester van deze woning. Voor den ingang houdt hij de wacht, lokt de wijfjes, die kuit moeten schieten, tot zich, behoedt ongeveer 2 maanden lang de hem toevertrouwde eieren en verdedigt ze met moed tegen iederen vijand; hij vermagert merkbaar gedurende dezen tijd en schijnt nagenoeg uitgeput, als het kroost de ouderlijke woning verlaat en den trouwen schildwacht van zijn taak ontheft. Soms leggen zoovele wijfjes hare eieren in hetzelfde hol, dat het vergroot moet worden; het heeft dan dikwijls verscheidene uitgangen. Een mannetje, dat door de leden der andere sekse over 't hoofd wordt gezien, verlaat zijn woning en legt een nieuw nest aan op een gunstiger gelegen plaats. In een doelmatig ingericht aquarium kan men deze dieren lang in 't leven houden.--

Ook de 4 à 5 cM. lange Tweevlekkige Zeegrondel (Gobius Ruthensparii) die het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee bewoont, behoort volgens sommige schrijvers tot onze fauna. Hij heeft de aarsvin en de zachte rugvin hooger dan de eerste rugvin; hierdoor en door twee zwarte vlekken aan iedere zijde (één onder de eerste rugvin en een andere aan den wortel der staartvin) verschilt hij van den Kleinen Zeegrondel.

De Riviergrondel (Gobius fluviatilis) bereikt een lengte van hoogstens 8 cM.; zijn bleek geelachtig groene kleur wordt op den bovenrug donkerder en is op verschillende wijzen gevlekt; de eerste rugvin is breed, de aarsvin smal en onduidelijk gezoomd, de tweede rugvin, evenals de staartvin, met talrijke zwarte stippels geteekend; het kieuwdekselvlies heeft dikwijls een bruinachtig zwarte kleur.

In de meren, rivieren en kanalen van Italië komt de Riviergrondel, die daar "Bottola" heet en zeer smakelijk wordt geacht, veelvuldig voor. Ook hij bewoont een steenachtigen bodem, ligt meestal onder een steen verborgen en verlaat zijn woonplaats niet, tenzij hij verontrust of door een prooi naar buiten gelokt wordt. De eieren, die het wijfje aan de wanden dezer woning vasthecht, worden, naar het schijnt, door het mannetje niet bewaakt; gedurende hun ontwikkeling verkrijgen zij een spoelvormige gedaante, drijven als een samenhangende laag op de golven rond en worden in Juni door de jongen verlaten.

In de moerassen en brakke wateren aan en bij de kusten van tropische zeeën, vooral bij West- en Oost-Afrika, alsmede op vele kuststreken en eilanden van den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee (maar niet aan de kusten van de Nieuwe Wereld) leven Zeegrondels, die wegens den bouw hunner kieuwen nog langer buiten water kunnen blijven dan hunne verwanten; een groot deel van den dag brengen zij op het vochtige slijk door, waar zij zich op een zeer vreemdsoortige wijze bewegen. Men noemt ze Slijkgrondels (Periophthalmus).

Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de nauwelijks 15 cM. lange Slijkspringer (Periophthalmus Koelreuteri), een vischje van zeer varieerende kleur en teekening, meestal op lichtbruinen of groenachtig grijzen grond met zilveren of blauwe en bruine vlekken geteekend; de achterste rugvin prijkt met een zwarte, wit gezoomde, overlangsche streep op de bovenste helft en heeft, evenals de voorste rugvin, meestal een fraaie, blauwe kleur; voorts tooien vlekken en stippels de borst- en buikvinnen. De ver uitpuilende oogen zijn rood. Deze soort behoort op de kust van West-Afrika thuis.

Zoo eenige Visch den naam van "Boombeklimmer" verdient, dan is het deze; de borstvinnen schijnen geheel voor het klimmen ingericht, zijn meer voeten dan vinnen en worden geheel als voeten gebruikt. Alle Slijkgrondels jagen minder in het water dan op het land. Zij leven als Amphibiën, liggen dikwijls op het slijk, springen hier of op het strand bijna als Kikkers rond en overvallen hun uit Schaaldieren en Insecten bestaande prooi zoo vlug, dat deze hun zelden ontkomt. Wanneer men hen vervolgt, schieten zij pijlsnel voort over den modder en kruipen er in om zich te verbergen.

De Pitvisschen (Callionymus) hebben een zeer slanke gestalte, een grooten, platten kop, een korten romp en een langen staart; hunne groote vinnen worden door een gering aantal stralen gesteund. De spits toeloopende snuit, welks bovenkaak ver vóór de onderkaak uitsteekt, heeft een nauwe, horizontale mondspleet; de kaken zijn met zeer kleine tanden gewapend; de eerste rugvin wordt gesteund door 30 zeer lange, buigzame stralen, die in draadvormige spitsen eindigen; de buikvinnen zijn vóór de borstvinnen aangehecht en grooter dan deze; de staartvin is afgerond of puntig verlengd. De kieuwspleten zijn klein en dicht bij den nek gelegen. De omhoog gerichte oogen zijn dicht bij elkander boven op den kop geplaatst. De meestal ongeschubde, gladde huid, prijkt bij vele soorten met prachtige kleuren; de mannetjes en wijfjes verschillen zoozeer, wat grootte, kleur en vorm van de rugvinnen betreft, dat zij vroeger voor afzonderlijke soorten werden gehouden.

De eenige aan onze kust voorkomende soort, de Pitvisch, ook wel Pilatusvischje en Schelvischduivel genoemd (Callionymus lyra), bewoont de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan langs de kust van West-Europa met inbegrip van het Kanaal en de Noordzee tot aan het Kattegat. Hij wordt 30 à 35 cM. lang (het wijfje is 1/4 korter); het lichaam is ongeveer 8-maal langer dan hoog. Van de 4 rugvinstralen zijn de beide eerste bij het mannetje sterk verlengd; de draadvormige spits van de eerste reikt tot aan den staartwortel. In den rijtijd, in de laatste maanden van het jaar is de gele, aan den rug bruinachtige, aan den buik witachtige grondkleur van het mannetje op den kop, langs de zijden, op de buikvin en de staartvin met saffierblauwe streepjes en vlekken geteekend. De rugvinnen hebben roodblauwe, tot dwarsstrepen vereenigde vlekken; de borstvinnen zijn geelgrijs met oranjekleurige stralen, de overige vinnen zijn zwartachtig.

Deze Visch woont in diep water, gewoonlijk op of dicht bij den bodem en maakt hier jacht op allerlei kleine dieren. Wanneer hij de eens gekozen standplaats verlaat, hetwelk zelden geschiedt, beweegt hij zich bliksemsnel, maar gaat niet ver en keert liefst spoedig terug. In sleepnetten wordt hij soms gevangen, bij ons in geringen getale, doch in alle maanden van het jaar. Zijn vleesch is wit en smaakt zeer goed; voor de visscherij is hij echter van geen belang, althans in de noordelijke zeeën.

De 10e onderorde van Stekelvinnigen is die der Slijmvisschen (Blenniiformes); deze hebben een lang, laag, cilindervormig of zijdelings samengedrukt lichaam, een zeer lange, soms grootendeels door stekels, soms geheel door gelijksoortige, ongelede of gelede stralen gesteunde rugvin; de aarsvin is verschillend van lengte, de staartvin afgeknot of afgerond, of niet van rug- en aarsvin gescheiden; de buikvinnen zijn borst- of keelstandig, of ontbreken. Van de 6 hiertoe behoorende familiën is één voor ons belangrijk.

De meeste leden van de familie der Slijmvisschen (Blenniidae) hebben een naakte of met zeer kleine, ronde schubben bedekte, slijmerige huid en dragen dus hun naam te recht. Al deze dieren hebben een langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, een grooten, eenigszins plompen kop. De buikvinnen zijn keelstandig en worden door niet meer dan 2 of 3 buigzame stralen gesteund; de rugvinnen zijn onderling vereenigd. Het gebit bestaat uit lange, dicht bijeengeplaatste tanden, die in iedere kaak één enkele, zeer regelmatige reeks vormen. Vóór de oogen, soms ook aan de neusgaten of aan de wangen, bevinden zich voeldraden van verschillenden vorm.

Ook de Slijmvisschen zijn bijna uitsluitend zeebewoners; slechts weinige soorten komen tevens in zoetwater voor. Men kent er meer dan 200 soorten van, die een 30-tal geslachten vormen en bij de zeekusten van alle aardgordels aangetroffen worden; sommige zijn voor de visscherij niet zonder beteekenis. Verscheidene soorten zijn flinke roovers en worden door de visschers gevreesd wegens het gebruik, dat zij van hun gebit maken. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen en allerlei ongewervelde zeedieren, vooral Wormen en Schelpdieren.

Niet alle, maar toch verscheidene Slijmvisschen brengen levende jongen ter wereld; andere wijden een bijzondere zorg aan hunne eieren door het bouwen van een nest. Zij vermenigvuldigen zich betrekkelijk sterk; in enkele wijfjes heeft men niet minder dan 300 jongen gevonden. Andere soorten schieten op de gewone wijze kuit.

In vele opzichten herinneren de Slijmvisschen aan de Zeegrondelvisschen en aan de Schijfbuikigen; zij hebben ongeveer dezelfde levenswijze. Ook zij bewonen, tot kleine troepen vereenigd, rotsachtige en steenachtige gronden, kunnen zonder bezwaar gedurende de eb op het droge blijven, verbergen zich gaarne in kloven, waaruit zij plotseling te voorschijn komen om den buit te bemachtigen, waarop zij loeren, enz. Sommige groote soorten worden wegens haar wit en lekker vleesch gevangen.

De Zeewolven (Anarrhichas) zijn grooter en beter gewapend dan al hunne verwanten. De rugvin strekt zich bijna over de geheele bovenzijde uit; de aarsvin begint achter de aarsopening, ongeveer in het midden van de onderzijde van het lichaam; de borstvinnen zijn groot, de buikvinnen ontbreken geheel. Een kenmerkende eigenaardigheid van dit geslacht is het gebit, dat er waarlijk schrikwekkend uitziet. Voor in den bek hebben zij eenige zeer groote, gekromde tanden, welke aan de hoektanden der groote soorten van Katten herinneren, daarachter eenige kleinere tanden van denzelfden vorm, twee rijen van groote, stompe of ronde tanden aan de zijden der kaken, aan het ploegschaarbeen, en aan de gehemeltebeenderen en kleine, spitse tanden aan de keelbeenderen en de kieuwbogen.

De Zeewolf (Anarrhichas lupus) kan, naar bericht wordt, een lengte van 2 M. bereiken; in onze en in zuidelijker zeeën ontmoet men echter zelden exemplaren van meer dan 1 M. De onderdeelen zijn grijsachtig wit, de bovendeelen, de zijden en de vinnen bruingeel met donkerbruine stipjes; groote, donkerbruine vlekken vormen langs de zijden van den rug een rij van onregelmatige dwarsbanden; ook op de rugvin en de aarsvin kunnen, behalve stippels, een aantal scheef van boven en achteren, naar onderen en voren gerichte strepen voorkomen.

Deze soort, waarvan een enkel exemplaar nu en dan bij onze kust gevangen wordt, is reeds in het noorden van Schotland niet zeldzaam, wordt aan de Duitsche, Deensche en Noorsche kusten hier en daar aangetroffen en komt ook in het Kanaal voor. Rondom IJsland en aan de kusten van Groenland en Lapland is zij algemeen; voorts strekt haar verbreidingsgebied zich van hier door de Beringstraat tot in de Stille Zuidzee uit. Op soortgelijke wijze als andere leden van zijn familie leeft de Zeewolf op den bodem, bij voorkeur op rotsachtigen grond en loert hier in rotsspleten op buit, of rukt deze van de rotsen af. Zijn voedsel bestaat namelijk vooral uit Schaaldieren en Schelpdieren, welker pantsers en schelpen hij met zijn vreeselijk gebit zonder moeite verbrijzelt. Waarschijnlijk maakt hij ook op allerlei Visschen jacht, daar hij, zij het dan ook met slangsgewijze krommingen, snel genoeg zwemt om het eene of andere lid zijner klasse in te halen. Gedurende den winter bewoont hij diepe zeebodems; in Mei of Juni echter begeeft hij zich naar het ondiepe kustwater om kuit te schieten. Eenige maanden later ziet men zijne groenachtig gekleurde jongen in tamelijk groot aantal tusschen de zeewieren.

De Zeewolf dankt zijn naam niet zoozeer aan zijn vreeselijk gebit, als wel aan de felle woede, die hij toont, zoodra hij in gevaar verkeert. Zijn oog heeft een eenigszins boosaardige uitdrukking en zijn aard logenstraft het hierdoor gewekte vermoeden niet. Een gevangen exemplaar gedraagt zich, alsof het razend is, maakt heftige bewegingen in het net, tracht het te verscheuren en bijt met slangachtige vlugheid naar ieder voorwerp, dat in zijn nabijheid wordt gehouden. De visschers passen wel op, dat zij deze kwaadaardige dieren niet met de handen aanvatten, maar grijpen, zoodra zij bemerken, dat er een in het net is gekomen, onmiddellijk een roeiriem of een haak, om het zoo schielijk mogelijk af te maken. Wanneer zij dit niet doen, spartelt de Zeewolf nog wel halve dagen lang in de boot rond, want ook hij kan zonder bezwaar geruimen tijd buiten water verkeeren en blijft razen, zoolang hij leeft.

De bewoners van de noordelijke landen eten den Zeewolf eerst, nadat zij hem vooraf gevild hebben. Van de huid maken zij zakjes of bereiden er vischlijm uit.

Een fraaie vertegenwoordiger van het geslacht der Slijmvisschen i. e. z. (Blennius) komt in de Middellandsche Zee en ook aan de Engelsche kust voor; men noemt hem Zeevlinder (Blennius ocellaris). Hij wordt 15 cM. lang en heeft een lichtbruine, hier en daar met donkerder vlekken geteekende, naakte, slijmerige huid. De borst- en buikvinnen zijn donkerder dan de overige. De rugvin, die in het midden een inham vertoont en waarvan de 5 voorste stralen draadvormig verlengd zijn (vooral de eerste), prijkt op het voorste gedeelte met een ronde, donkerbruine vlek, omgeven door een hof, welks kleur lichter is dan die van het overige vinvlies. De dikke, aan de wangen gezwollen kop is van voren afgeknot; de huid van den bovenrand van 't oog is met twee uitwassen voorzien.

De Zeevlinder komt in de Middellandsche Zee bij alle rotsachtige kuststreken voor en is daar algemeen bekend. In den Atlantischen Oceaan daarentegen schijnen deze Visschen zeldzamer te zijn; alleen bij Engeland worden zij nu en dan gevangen. Evenals andere soorten van hun familie, vestigen ook zij zich dicht bij den oever op rotsen en tusschen wieren en maken hier jacht op kleine Schaaldieren en Weekdieren. Het kuitschieten heeft in de lente plaats. Hun week, slijmerig vleesch is smakeloos en wordt daarom alleen door niet kieschkeurige bewoners van de genoemde kuststreken bij gebrek aan andere Visschen gegeten.

De Steen-slijmvisschen (Pholis) verschillen van de leden van 't vorige geslacht vooral ook door het ontbreken van de voor 't tasten dienende aanhangsels aan den oogkasrand. Zij verdienen vermelding, omdat één soort van dit geslacht, de Gewone Steen-slijmvisch (Pholis laevis), enkele malen aan onze kusten tusschen de steenen van de zeedijken waargenomen is. Veelvuldiger dan in de Noordzee ontmoet men haar in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen oceaan langs de Iersche kust. Deze 15 cM. lange Visch is zeer veranderlijk van kleur, dikwijls op olijfgroenachtigen grond bruin gevlekt en gemarmerd, doch ook wel ongevlekt; andere exemplaren waren in 't water lichtbruin, maar namen een donkerder kleur aan en vertoonden een reeks van witte vlekken langs de zijdestreep, nadat zij een tijdlang aan de lucht hadden gelegen. Het schijnt voor dit dier een behoefte te zijn van tijd tot tijd op het droge te verkeeren. Een exemplaar, dat van Rosz een met zeewater gevulde goudvisschenkom tot woning had gekregen, werd na eenige uren zeer onrustig en sprong herhaaldelijk boven den waterspiegel uit. Toen de waarnemer, aan den wensch van zijn gevangene gevolg gevend, een grooten steen, die gedeeltelijk boven water uitstak, in de kom plaatste, maakte de Visch zich dadelijk met een sprong meester van dit droge plekje, bleef hier verscheidene uren liggen en ging toen weer te water. Uit vele waarnemingen bleek, dat er een nauw verband bestond tusschen deze verandering van ligplaats en de watergetijden; steeds ging de Visch, als de eb begon, op den steen liggen en keerde, als de vloed aanving, naar het water terug. Gevangen exemplaren verslonden gretig alle levende dieren, die men hun aanbood, ook vleesch van Zoogdieren en Vogels. In de vrije natuur maken Mossels en andere Weekdieren hun gewone voedsel uit; de lange snijtanden stellen hen in staat dezen buit van de rotsen los te rukken. Bij eb worden vele van deze Visschen tusschen de steenen of in kleine, met water gevulde holten waargenomen; niet zelden begeven de oude exemplaren zich op het droge en leggen hier, kruipend met behulp van de borstvinnen, een grooten weg af; merkwaardig vlug en behendig zoekt ieder een geschikte holte op, om hier de terugkomst van 't water af te wachten.

De Aalachtige Slijmvisschen (Centronotus) zijn kenbaar aan hun lang, zijdelings samengedrukt, lint- of zwaardvormig lichaam, met kleinen kop en met een over de geheele rugzijde zich uitstrekkende rugvin; iedere buikvin bestaat uit slechts één goed ontwikkelden straal: de kaken zijn met hekeltanden, de ploegschaar- en de gehemeltebeenderen en de tong met fluweelachtige tanden gewapend.

Een zelden aan onze kust voorkomende bewoner van de Noordelijke IJszee, die ook aan de kusten van Scandinavië en Groot-Brittannië aangetroffen wordt, is de Botervisch (Centronotus gunnellus). Hij kan een lengte van 25 cM. bereiken, maar is meestal niet langer dan 20 cM. De onderdeelen met de aars- en staartvin zijn bij het levende dier oranjegeel; de overige deelen geelbruin of geelgrijs; op den rug bevinden zich 9 à 12 ronde, zwarte vlekken met witten zoom, die zich ook over de rugvin uitbreiden en soms tot deze beperkt blijven; op de zijden ziet men meestal stipjes of onduidelijke, bruinachtige dwarsbanden.

Evenals andere leden van zijn familie, geeft de Botervisch aan een steenachtigen zeebodem de voorkeur, hoewel hij ook soms aangetroffen wordt op plaatsen, die met week slijk bedekt zijn. Hij voedt zich met kleine Weekdieren, jonge vischjes en vischkuit. Minder gaarne dan zijne verwanten stelt hij zich aan de droge lucht bloot; hoewel een langdurig verblijf buiten het water voor hem geen bezwaar oplevert, tracht hij zich steeds tusschen steenen en wieren de noodige vochtigheid te verschaffen. Zelfs hier kan men hem wegens zijn buitengewoon gladde huid en vlugge bewegingen moeielijk grijpen. Voor den mensch is hij trouwens wegens zijn geringe grootte als voedsel van geen belang, hoewel zijn vleesch bruikbaar is. Vele roofvisschen en Zeevogels maken jacht op hem en zijne verwanten: Aalscholvers en Duikers bij vloed, verschillende Meeuwvogels bij eb; van de Visschen is de Zeedonderpad zijn gevaarlijkste vijand.

Een van de weinige Visschen, die levende jongen ter wereld brengen, de Magaal (Zoarces viviparus), gewoonlijk (evenals Lota vulgaris) Kwabaal of Puitaal genoemd, ook wel bekend onder de namen Slijmvisch, Snotvisch en Pilatusvischje, op Vlieland Magge geheeten, heeft een 30 à 40 cM. lang, zijdelings eenigszins samengedrukt lichaam: de hoogte is slechts 1/9 van de geheele lengte, die voor 3/5 achter de aarsopening gelegen is. De huid is glad en slijmerig; zeer kleine schubjes zijn er in verborgen. De rugvin neemt bijna de geheele rugzijde in en gaat, evenals de aarsvin, die ruim half zoo lang is als het lichaam, zonder afscheiding in de staartvin over. De borstvinnen zijn lang en smal, de door 2 of 3 stralen gesteunde buikvinnen keelstandig. De snuit is kort, de mondopening klein; de kaken zijn van voren met twee rijen, aan de zijden met één rij van kegelvormige tanden gewapend; het gehemelte en de tong zijn tandeloos. De onderdeelen zijn roodachtig bruingeel, de bovendeelen geelbruin met bruinzwarte marmervlekken aan de rugvin en een rij van groote, zwarte vlekken langs de zijdestreep. De iris is bruin met een lichtgelen kring om de pupil.

De Magaal werd tot dusver uitsluitend in de noordelijke zeeën en wel in de Noordzee, de Oostzee en het Kanaal aangetroffen. Hoewel hij aan een steenachtigen bodem de voorkeur geeft, is hij aan onze kusten tamelijk algemeen gedurende het geheele jaar, zelfs in de Zeeuwsche stroomen, de Zuiderzee en eertijds in het Haarlemmer Meer. Vaak wordt hij gedurende het visschen naar Garnalen langs het strand in de saaien gevangen. Zijn vleesch, hoewel goed van smaak, wordt niet gegeten. De beenderen hebben, evenals die van den Geep, reeds in ongekookten toestand een groene kleur en behouden deze na het koken. "Hij voedt zich met Garnalen en andere kleine Schaaldieren, met vischkuit, Weekdieren en zelfs met kleine vischjes" (Schlegel).

"Er schijnt bij deze soort geen bepaalde tijd ter voortteling te zijn, vermits men in alle jaargetijden wijfjes met jongen heeft aangetroffen. De eieren van dezen Visch worden n.l. in het moederlijf bevrucht en ontwikkelen zich aldaar volkomen, zoodat de jongen volmaakt gevormd ter wereld komen; hiertoe is een tijdruimte van ongeveer 4 maanden noodig. Men vindt deze jongen reeds in wijfjes van niet meer dan 15 cM. lengte, en hun getal bedraagt 100 à 200, somtijds zelfs 250" (Schlegel). Zij zijn bij de geboorte minstens 3 cM. lang, maar bereiken bijna het dubbele van deze lengte, indien de moeder zelf een aanzienlijke grootte heeft. Zij zijn dan nog zoo doorzichtig, dat men met een weinig vergrootende loupe de bloedsomloop bij hen kan waarnemen. Zij groeien schielijk en zijn reeds na verloop van 14 dagen driemaal zoo lang geworden als in den beginne.

De 11e onderorde van de Stekelvinnigen omvat de Hardervisschen (Mugiliformes); deze hebben 2 min of meer van elkander verwijderde rugvinnen, waarvan de voorste op de achterste gelijkt door kortheid en vorm of geheel uit zwakke stekels bestaat; de buikstandige buikvinnen zijn uit 1 stekel en 5 gelede stralen samengesteld; het lichaam is met gladde of weinig getande schubben bekleed.

De Pijlsnoeken, die overal, waar zij voorkomen, door de zeelieden en visschers Barracoeda's worden genoemd (Sphyraenidae), gelijken werkelijk, zoowel door hun vorm als door hun gebit, eenigszins op Snoeken. Hun lange, bijna rolvormige romp is met kleine, gaafrandige schubben bekleed; de kop is spits, de bek wijd gespleten en met flinke, haakvormig gekromde, spitse tanden gewapend; de twee voorste tanden in iedere kaak zijn echte grijptanden. Deze buitengewoon stoutmoedige en gevaarlijke roofvisschen, die uitsluitend op levende dieren jacht maken, bewonen de zeeën tusschen de keerkringen en die van de gematigde aardgordels; zij leven meestal in de open zee, maar vermijden de kustwateren niet geheel. De grootste soorten kunnen hun slachtoffer met een enkelen beet in stukken verdeelen; ook op den mensch beproeven zij maar al te vaak de kracht van hun gebit; zelfs kunnen zij hem dooden. Sommige soorten worden wegens hun vleesch gezocht.

De Pijlsnoek (Sphyraena vulgaris afgebeeld op pag. 217) bewoont de Middellandsche Zee en wordt door de visschers kortweg "Snoek" genoemd. Op den rug is deze 1 M. lange Visch donker loodkleurig, op den buik zilverwit; de vinnen zijn bruin. Zijn slanke gestalte en vreeselijk gebit passen bij zijn roofzuchtigen aard; met groote snelheid klieft hij de golven; daar hij bijna altijd een lijnrechten weg volgt, werd hij reeds door de ouden met een pijl vergeleken. Zijn hard vleesch wordt gegeten, maar niet hoog geschat.