Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 10
Alle Zuigvisschen hebben dezelfde levenswijze: evenals de Snottolven en Kringbuiken hechten zij zich vast aan andere voorwerpen, bij uitzondering aan rotsen en steenen, in den regel aan schepen en Haaien. De laatstgenoemde, die men zelden zonder deze begeleiders ziet, zijn er soms letterlijk mede bedekt. Waarschijnlijk verschaft de ruwe huid van den Haai aan de Zuigvisschen een veilige aanhechtingsplaats en hebben deze aan de beweeglijkheid van het groote dier, dat hen medevoert, het voordeel te danken van telkens in ander water te kunnen visschen. Met de Haaien en de schepen doorreizen zij uitgestrekte gedeelten van de zee; evenals de Loodsmannetjes worden zij op deze wijze soms naar zeeën overgebracht, waar zij eigenlijk niet thuis behooren. Zoo rekent men den Zuigvisch van de Middellandsche Zee tot de dieren van Engeland, omdat hij herhaaldelijk met schepen en Haaien naar de kustwateren van Groot-Brittannië is afgedwaald; hierin is de verklaring te vinden van de buitengewone uitgestrektheid van het verbreidingsgebied dezer Visschen. De reden waarom zij zich aan schepen en Haaien vasthechten, is trouwens nog niet volkomen duidelijk. Dat zij zich aanhechten, kan men begrijpen, daar alle dieren van hunne begaafdheden het juiste gebruik weten te maken; waarom zij echter hiervoor beweeglijke voorwerpen uitkiezen, is moeielijk te verklaren; zeer waarschijnlijk, maar nog onbewezen is de onderstelling, dat zij het doen met het doel om aan hun eigen ongeschiktheid tot zwemmen tegemoet te komen. Zelfs na hun dood blijven zij nog stevig aan allerlei voorwerpen hangen.
De werking van de zuigschijf komt overeen met die van het bekende zuigleertje. Na het neerleggen van de talrijke dwarsplooien wordt de nu effene vlakte stevig aangedrukt tegen die, waaraan zij zich moet hechten; door vervolgens de dwarsplooien weer op te richten, ontstaat er tusschen de beide vlakken een ledige ruimte en wordt hun uiteenwijken door de volle drukking van 't water tegengewerkt.
Hoewel de bewegingen van deze Visschen plomp en onbehendig schijnen en uitsluitend op de werking van de staartvin berusten, is hun zwemvermogen niet onbeduidend. Soms ziet men ze naast of vóór den Haai zwemmen, of, wanneer zij aan schepen gehecht waren, betrekkelijk snel en behendig er om heen dartelen. Niet licht zal men hen met andere Visschen verwarren, want ook gedurende het zwemmen zien zij er uit, alsof hun buik naar boven gericht is. Als de scheepskok het spoelwater overboord werpt, verlaten zij bij dozijnen de wanden van het schip, waaraan zij vastgehecht waren en kronkelen zich zoo vlug als Alen door de golven om zich van de op het water drijvende vetdrupjes meester te maken. Soms gelukt het, hen met een stuk spek aan een hoek van hunne rustplaatsen weg te lokken en te vangen. Hun krachtig gebit wijst op een roofzuchtigen aard; Bennett vond in hun maag niets anders dan Schaaldieren en kleine Mossels; uit Van Beneden's onderzoekingen is echter gebleken, dat zij (althans af en toe) ook Visschen vangen. Nadat zij er een hebben buit gemaakt, keeren zij naar hun oude rustplaats terug en zitten een oogenblik later weer even vast als vroeger. Wanneer de Haai, waaraan zij vastgehecht zijn, gevangen wordt, blijven zij gewoonlijk slechts zoo lang op hun plaats, als deze nog onder water ligt, laten den Visch los, als deze opgeheschen wordt, en hechten zich aan het schip.
De meeste reizigers laten zich door het onaanzienlijke voorkomen der Zuigvisschen weerhouden om deze dieren voor de tafel te laten toebereiden. Zij die dit vooroordeel trotseerden, noemen den smaak van dezen Visch volstrekt niet slecht; sommige zeelieden roemen hem zeer.
De kenmerken van de Pietervisschen (Trachinidae), waarvan men ongeveer 100 soorten beschreven heeft, zijn: een mes- of trechtervormig lichaam, welks voorste gedeelte, dat de lichaamsholte bevat, zeer kort is in verhouding tot den ontzaglijk grooten staart, een ineengeschoven, uitpuilenden kop met scheef naar boven gerichten mond en hoog geplaatste oogen, fluweelachtige tanden aan beide kaken en aan het gehemelte, twee rugvinnen, waarvan de eerste door de tweede als 't ware naar voren gedrongen is en soms geheel ontbreekt, de buikvinnen gewoonlijk vóór de borstvinnen aangehecht, de tweede rugvin en de aarsvin in verband met de lengte van den staart buitengewoon groot.
Alle leden van deze familie bewonen den bodem der zee, bij voorkeur vlakke, zandige plaatsen, niet zelden zulke, die bij laag water tijdelijk droog vallen; hier loeren zij, tot aan den kop onder 't zand bedolven, op dieren, die zwemmend of kruipend binnen hun bereik komen. Voor deze wijze van jagen zijn zij door den eigenaardigen stand van de oogen uitmuntend geschikt. Bij 't verschijnen van den buit, die misschien aangelokt wordt door de beweging van de vinnen of van andere aanhangselen, schieten zij plotseling uit hun hinderlaag in 't zand omhoog en op het slachtoffer toe, dat bijna nooit tevergeefs belaagd wordt. Van de voortplanting dezer Visschen is weinig of niets bekend. Ondanks hun smakelijk vleesch worden zij door de visschers gehaat en gevreesd wegens hunne wapens; de stekels van de eerste rugvin kunnen zulke pijnlijke wonden toebrengen, dat deze organen sedert overouden tijd als vergiftig worden beschouwd.
De Sterrenkijkers (Uranoscopus) vallen zeer in 't oog door hun grooten, dikken, wanstaltigen kop en den trechtervormigen, ronden romp. De kop is even breed als lang, hard en ruw, als 't ware gepantserd, de mondspleet loodrecht naar boven gericht. De borstvinnen onderscheiden zich door haar grootte. Aan den schouder staat een dikke, gewoonlijk gekerfde stekel. Er zijn soorten bekend uit den Atlantischen Oceaan, de Stille Zuidzee en den Indischen Oceaan benevens een soort uit de Middellandsche Zee. De laatstgenoemde, die aan het geheele geslacht den naam gegeven heeft (Uranoscopus scaber), bereikt een lengte van 30 cM., heeft twee rugvinnen en een ringvormig uitsteeksel vóór de tong, dat als middel tot het lokken van Visschen dient. Op den donkeren, grijsbruinen grond, fijn wit gestippeld, alsof er meel op is gestrooid, merkt men aan de zijden een reeks van onregelmatige, witte vlekken op; de buik is wit, de eerste rugvin donkerzwart, de tweede grijsbruin gevlekt; de buikvinnen zijn grijsgeel.
Men vangt dezen op modderige gronden verblijfhoudenden Visch gedurende het geheele jaar; zijn onaangenaam riekend vleesch wordt echter alleen door arme lieden gegeten.
In de Noordzee wordt de familie vertegenwoordigd door de Pietermannen (Trachinus). Hun mesvormig lichaam is in verhouding tot de lengte, zijdelings zeer sterk samengedrukt; de oogen zijn op den kop dicht bijeengelegen; de kieuwdeksels dragen stekels, die echter minder te vreezen zijn dan de stralen van de eerste rugvin, waaraan men zich zoo gevoelig kan kwetsen, dat volgens een indertijd in Frankrijk geldig voorschrift alleen Pietermannen met afgesneden rugvin op de markt gebracht mochten worden.
In de Europeesche zeeën leven 4 zeer nauw verwante, maar door standvastige kenmerken van elkander verschillende soorten, waarvan 2--de Pieterman (Trachinus draco) en de Kleine Pieterman (Trachinus vipera)--ook in het noorden gevonden worden. Bij den eerstgenoemden (ook Pietervisch, Groote Pieterman en, evenals de andere soort, Steekvisch en Stekeltje genoemd) is het lichaam (zonder de staartvin) 6 maal zoo lang als hoog; de buik wordt begrensd door een flauw buitenwaarts gekromde, de rug door een bijna rechte lijn. Wat fraaiheid van kleur betreft, kan de Pieterman met vele andere Visschen wedijveren. Zijn grootendeels roodachtig grijze kleur gaat naar de rugzijde allengs in bruin, naar den buik in wit over en is overal met zwartachtige wolkjes gemarmerd; hierbij komen in de oogstreek, op de slapen, kieuwdeksels en schouders nog gekromde strepen van hemelsblauwe kleur, op de zijden en den buik geelachtige strepen. Deze Visch kan ruim 30 cM. lang worden.
De Kleine Pieterman verschilt van den Grooten door den platteren kop en den meer afgeronden buik; bovendien is de eerste rugvin verder van de tweede verwijderd. De roodachtig grijze kleur van den rug gaat op de zijden en aan den buik in zilverwit over; de rug is bruin gevlekt, de eerste rugvin zwart, de tweede, evenals de staartvin, zwart gezoomd. Lengte 12 à 15 cM.
De Pieterman, die op vlakke, zandige plaatsen van den Atlantischen Oceaan, de Middellandsche Zee, de Noordzee en de Oostzee gevonden wordt, geeft aan diep water de voorkeur boven ondiep; evenals zijn kleinere verwant, leeft hij op, of liever in den bodem, tot aan de oogen in het zand bedolven. Tegen Juni komt hij dichter bij het vlakke strand om kuit te schieten en wordt dan bij eb ook op droog loopende plaatsen gevonden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Garnalen, misschien ook uit kleine Visschen, die hij in zijn onmiddellijke nabijheid laat komen, voordat hij uit het zand te voorschijn komt. Dit geschiedt met verrassende snelheid; het blijkt dan, dat deze zoo traag schijnende Visch zich uitmuntend kan bewegen. Niet minder vlug en behendig kruipt hij na het vangen van zijn prooi weder onder het zand.
"De Pieterman," schrijft Schlegel, "behoort in ons land onder de gewone Visschen, die langs onze kust, vooral in het voor- en najaar, echter ook in de zomermaanden, wanneer de wijfjes met rijpe kuit zijn, algemeen, ofschoon niet in zeer groot aantal gevangen wordt. Zijn vleesch is goed, maar wordt niet bijzonder geacht. De Pieterman wordt door elken visscher en kustbewoner gevreesd, uithoofde der hoogst smartelijke en ernstige wonden, die hij toebrengt, wanneer men hem aanraakt. Daar hij een taai leven heeft, zoo blijft hem, zelfs nadat hij uit het water op het strand gebracht is, nog uren lang de kracht, om aan de hand, die hem aanraakt, hetzij met den doorn van het kieuwdeksel, hetzij met dien der harde rugvin, een steek toe te brengen, die hevige pijnen en dikwijls het stijf worden van het gewonde deel ten gevolge heeft [3], zooals dit uit vele voorbeelden in onze kustdorpen blijkt. De oorzaak van de noodlottige gevolgen dezer steken is moeielijk te begrijpen, vermits voornoemde stekels geheel glad, niet doorboord zijn, en er ook geen werktuig tot afscheiding van vergif aanwezig is, hetzij dan dat men aanneme, dat het slijm van den Visch in de verscheuring, die door de met geweld toegebrachte wonde ontstaat, zoodanige uitwerkselen teweegbrengt."
"De Kleine Pieterman houdt zich veel op geringen afstand van het strand op zandbanken op, en wordt bij het visschen langs de kust, met een door een paard getrokken net, met Garnalen en kleinen visch aan het strand gebracht. Haar steek wordt evenzeer gevreesd als die van de groote soort."
In de Oostzee vangt men de Pietermannen van Augustus tot October in haringnetten, in de Noordzee gedurende het geheele jaar; deze Visch wordt echter zelden op de markt gebracht, omdat er hier geen loonende prijzen voor te bedingen zijn.
Tot de leelijkste en wanstaltigste leden van de geheele klasse behooren de Duivelvisschen (Pediculati). Het belangrijkste kenmerk van deze familie, die slechts een twaalftal soorten omvat, is gelegen in de verlengde handbeenderen van de borstvinnen, die een soort van poot vormen en ook werkelijk tot steun dienen; hierdoor zijn deze Visschen in staat om op de wijze der Zoogdieren zich over een slijkerigen bodem kruipend voort te bewegen. Voorzoover zij aanwezig is, bestaat de voorste rugvin gewoonlijk uit niet door een vinvlies vereenigde stralen; de buikvinnen zijn keelstandig. Zonderlinge aanhangselen, dienende tot het lokken van andere Visschen, bevinden zich aan den meestal kolossaal verbreeden kop; de kieuwdeksels laten voor den afvoer van het ademhalingswater slechts een kleine spleet of een ronde opening onder de borstvinnen vrij; de huid is in den regel ongeschubd, bij enkele geslachten evenwel bezet met beenige knobbels of doornen, die op een breede basis rusten. De bek is buitengewoon groot.
In de noordelijke zeeën leven slechts weinige soorten van deze vooral in de tropische gewesten vertegenwoordigde familie. Eigenlijk heeft men van niet meer dan één soort de levenswijze kunnen nagaan; wat hiervan aan 't licht gekomen is, leert, dat het leven van deze Visschen overeenstemt met hun gestalte, d. w. z. even vreemdsoortig en eigenaardig is als deze.
Bij het geslacht der Zeeduivels (Lophius) is de kop buitengewoon groot, breed, van boven naar onderen samengedrukt en stekelig, de bek zeer ver gespleten en met vele spitse, binnenwaarts gebogen tanden gewapend, die over de tusschen- en onderkaaksbeenderen, de gehemelte- en ploegschaarbeenderen verdeeld zijn. De eerste rugvin bevat slechts drie onderling vereenigde stralen; hierbij behooren echter ook nog verscheidene verder naar voren geplaatste draden, ieder door een echt gewricht met haar steunbeen verbonden en willekeurig beweeglijk. De borstvinnen zijn ver achter de buikvinnen aangehecht. Het kieuwdekselvlies begrenst een groote, zakvormige kieuwholte, die van achteren onder den steel der borstvinnen een kleine opening heeft. Wegens de geringe grootte van de kieuwspleet kunnen deze dieren geruimen tijd buiten het water verkeeren. Rondelet verhaalt, dat een Zeeduivel, die, boven water liggend, een jongen Vos gegrepen had en dezen tot den volgenden dag vasthield, in 't geheel 2 dagen in dezen toestand bleef leven. De romp begint onmiddellijk achter den kop dunner te worden en is bij het staarteinde sterk zijdelings samengedrukt.
De Zeeduivel (Lophius piscatorius) draagt allerlei aan zijn zonderlingen vorm ontleende namen. De Grieken der oudheid noemden hem Kikvorsch, de Romeinen Zeekikvorsch; bij de Engelschen heet hij Visschende Kikker, Hengelaar en Wijdmuil; aan de Hollandsche kust is hij veelal onder den naam van Hozenmond of Hozenbek bekend. De bovenzijde van den kop is uitgehold en aan weerszijden voorzien van een lijst, vanwaar, zoowel achter de oogen als bij de neusgaten, puntige knobbels uitsteken. Op het midden bevinden zich drie lange, vrije stralen: één aan het achterste deel van den kop, de twee andere dichter bij elkander en bij den rand van de bovenkaak; de voorste van deze loopt in een zacht, gevorkt vlies uit. De oogen zijn groot en hoog geplaatst. De huid is glad en ongeschubd; langs de zijden van het geheele lichaam en ook langs den rand der onderkaak komen een menigte op één rij geplaatste, franjeachtige uitsteeksels voor. De effen bruine kleur van de bovenzijde neemt slechts op de vinnen een eenigszins donkerder tint aan; de onderzijde, met inbegrip van de buikvinnen en de benedenvlakte van de borstvinnen, is wit, de staartvin donkerbruin, bijna zwart. Dit dier kan bijna 2 M. lang worden; zulke groote exemplaren zijn echter zelden gevangen.
De Zeeduivel komt in alle Europeesche zeeën voor, bijzonder veelvuldig echter in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan; ook aan de kusten van Groot-Brittannië is hij niet zeldzaam; aan onze kust worden ieder jaar, vooral in het voorjaar, enkele exemplaren van deze soort in de Buitenlek [4] gevangen. Bovendien heeft men dezen Visch aan de Kaap de Goede Hoop en aan de westkust van Noord-Amerika waargenomen. Hij ligt op den slijkerigen bodem der zee, heeft zich hier met behulp van de borstvinnen onder den grond gewoeld en loert te midden van het troebele water op buit. Zoodra deze zich vertoont, beweegt hij de vrije stralen van den bovenkop met hunne aanhangselen in verschillende richtingen, lokt hiermede het slachtoffer naderbij, grijpt het na een vluggen sprong en begraaft het in zijn wijden muil, onverschillig tot welke soort het behoort en hoe groot het is. Zelfs wanneer hij zich reeds in het net bevindt, toont deze veelvraat zijn onverzadelijken honger, door een aantal van zijne lotgenooten, vooral Bot, te verzwelgen. Hoewel de visschers hem overigens gaarne het leven schenken, omdat zijn vleesch niet bruikbaar is en hij als een verdelger van den Hondshaai wordt beschouwd,--na zulk een roof vindt hij geen genade; men snijdt hem open en haalt hem de Visschen uit de maag. In de kuststreken van de Middellandsche Zee wordt deze Visch soms door arme lieden gegeten.
Hoewel de Zeeduivel vele eieren legt en deze met een hard hulsel voorzien zijn, vermenigvuldigt hij zich niet sterk, daar andere Visschen zijne tot klompen vereenigde eieren verslinden. Volgens Spencer F. Baird vindt men zijn kuit dikwijls als een slijmerige massa, die een oppervlakte van 6 à 10 M2 bedekt, aan den waterspiegel.
De Vleermuisvisschen (Malthe) verschillen van de Zeeduivels vooral door hunne ver vooruitstekende, als 't ware een slurf vormende neusbeenderen, waartusschen in een holte een terugtrekbare tastdraad ligt, voorts door het ontbreken van de eerste rugvin, door de harde, met knobbels bedekte huid en de meer bovenwaartsche plaatsing van de kleine, ronde kieuwopening.
Bij de Zeevleermuis (Malthe vespertilio) is de mondspleet betrekkelijk klein, de steel van de borstvinnen echter langer dan bij de Zeeduivels; boven ieder neusgat bevindt zich een hoornachtig knobbeltje. De bovenzijde is fraai lichtgrijsbruin, de onderzijde helderrood. Men vindt dezen 25 à 50 cM. langen Visch tusschen de keerkringen, bij de Atlantische kusten van Amerika, vooral op slijkbanken bij riviermonden, waar hij, met behulp van de parige vinnen over den modder en de wieren kruipend, zijn prooi vervolgt.
De Scorpioenvisschen (Cottidae) hebben, evenals de leden der volgende familie, groote onderoogkasbeenderen, die zich achterwaarts met het voordekselbeen vereenigen en de wangen met een schild bedekken. De buikvinnen zijn aan of vóór de borst geplaatst. Het stekelige deel van de rugvin is minder ontwikkeld dan het geleedstralige; de betrekkelijk groote aarsvin wordt uitsluitend door gelede stralen gesteund. De huid is naakt of met uiterst kleine schubben bekleed.
Een van boven naar onderen samengedrukte, breede kop, een gedrongen romp, een naakte of zeer weinig geschubde huid, rugvinnen, die door een geringe tusschenruimte gescheiden zijn en borststandige buikvinnen, benevens fluweelachtige tanden aan de kaken en het ploegschaarbeen kenmerken het geslacht der Donderpadden (Cottus).
In onze binnenwateren wordt het vertegenwoordigd door de 12 à 14 cM. lange Rivierdonderpad (Cottus gobio), die tamelijk algemeen is op plaatsen, waar helder water snel over steenachtigen zandgrond stroomt. Zij is grijsachtig van kleur met bruine stippels en wolkjes, die niet zelden tot dwarsbanden ineenvloeien en soms ook nog op de witachtige buikzijde zichtbaar zijn. De vinnen zijn, met uitzondering van de meestal ongevlekte buikvinnen, op de stralen bruin gestreept. Afwijkingen van deze kleur komen echter veel voor; zij staan in verband met de landstreek, den bodem van het water en den gemoedstoestand van den Visch. Als wapens heeft hij aan den hoek van het voorkieuwdeksel een kleinen, opwaarts gekromden en aan het onderdeksel een nog kleineren, neerwaarts gekromden doorn.
De Rivierdonderpad bewoont alle zoete wateren van Middel- en Noord-Europa en komt, behalve in enkele beken, bijna overal talrijk voor; in bergstreken vindt men haar tot op een hoogte van meer dan 1000 M. zelfs nog in meren, die bijna 2000 M. boven de oppervlakte der zee gelegen zijn, b.v. in het Lunermeer in Tirol, dat uitsluitend door deze Vischsoort bewoond wordt. In zuidelijker en zuidoostelijker gewesten wordt zij door verwante soorten en variëteiten vervangen. Zooals reeds gezegd is, geeft zij de voorkeur aan helder water en een met steenen bedekten zandgrond, daar zij zich gaarne onder steenen ophoudt; ter wille van de hier voorkomende steenen bewoont zij zelfs zeer kleine, weinig water bevattende beekjes. Hare bewegingen zijn buitengewoon vlug. In vraatzucht doet zij voor geen enkelen anderen Visch onder, want, ofschoon zij zich bij voorkeur met Insecten, vooral met larven van Waterjuffers voedt, verschoont zij geen Visch, dien zij meent te kunnen bemachtigen, zelfs haar eigen kroost niet. De forellenkweekers haten haar zeer, daar zij als een zeer schadelijken vijand van de kuit dezer Visschen wordt beschouwd.
Haar voortplanting verschilt van die der meeste andere Visschen, doordat het mannetje voor zijn kroost zorgt. Reeds Linnaeus bericht, dat de Rivierdonderpad een nest bouwt en eerder zijn leven waagt dan de eieren in dit nest aan gevaren blootgesteld te laten. In Maart of April schiet het wijfje kuit onder steenen of in een bepaaldelijk voor dit doel uitgekozen gat; van nu af houdt het mannetje bij de eieren de wacht. Van ervaren visschers aan den Traun vernamen Heckel en Kner hierover het volgende: "In den voortplantingstijd kruipt het mannetje in een gat tusschen de steenen en verdedigt dezen schuilhoek hardnekkig tegen ieder, die er bezit van wil nemen; soms geeft dit aanleiding tot een langdurigen strijd, waarbij niet zelden een van de strijders het leven verliest. Gedurende den kamptijd worden, naar men zegt, dikwijls Donderpadden gevangen, die den kop van hun tegenpartij in den bek houden, zonder hem te kunnen verzwelgen. Jegens het wijfje is het mannetje zeer voorkomend; zij wordt zonder eenig bezwaar in het hol toegelaten, laat hierin haar kuit achter en gaat daarna haars weegs. Van nu af neemt het mannetje de plaats van de moeder in, beschermt 4 of 5 weken achtereen de eieren en verwijdert zich van de broedplaats alleen om het noodige voedsel te zoeken. Even bewonderenswaardig als zijn volharding, is zijn moed. Hij bijt in het takje of den stok, waarmede men hem wil verjagen, wijkt alleen in den uitersten nood en blijft letterlijk tot den dood aan zijn plicht getrouw."
Deze vischjes dienen in vele landen als aas bij het vangen van Alen, die op dit voedsel zeer verzot zijn. Hun vleesch is smakelijk; bij het koken verkrijgt het een roodachtige kleur. Toch worden zij voor dit doel niet veel gevangen wegens hun kleinheid en slechts daar, waar zij in menigte voorkomen, door arme lieden gegeten.
De Zeedonderpad, door de visschers eenvoudig Donderpadde genoemd (Cottus scorpius), is een leelijke Visch van 15 à 25 cM. lengte; haar kleur is roodachtig bruin met donkerder vlekken en wordt naar onderen lichter. Veelvuldig ontmoet men haar in den Atlantischen Oceaan en de Noordelijke IJszee met alle hiermede in gemeenschap staande zeeën, van de Golf van Biscaye tot aan Lapland, in de Oostzee bijna even overvloedig als in de Noordzee. Aan onze kust behoort zij onder de gewone soorten. Wanneer men haar aanraakt, maakt zij een knorrend geluid. Men vangt haar nooit in groote hoeveelheid. Daar zij niet gegeten wordt, is zij voor de visscherij van geen belang.
Deze Donderpad houdt bij voorkeur verblijf op steenachtigen grond, dikwijls op aanzienlijke diepte, doch ook niet zelden op geringen afstand van den waterspiegel; loerend op buit, ligt zij onbeweeglijk op een steen, soms er onder, doch met den rug er tegen aan gedrukt. Ieder voor prooi geschikt dier, dat haar schuilplaats nadert, lokt haar naar buiten; vlug bewegen zich de kolossale vinnen, die haar evenwel geen bijzonder groote snelheid verschaffen; toch wordt het slachtoffer behendig gegrepen en, al is het bijna even groot als zijn roover, in diens buitengewoon grooten muil geborgen. De Donderpad is verbazend vraatzuchtig, verzwelgt letterlijk al wat eetbaar is, behalve Visschen, Kreeften en Krabben, Wormen, enz., ook allerlei afval van de schepen. De meeste Donderpadden schieten kuit in de warmste maanden van 't jaar; sommige doen dit eerst laat in den herfst en zelfs nog in November. De groote scholen, die in den rijtijd alle voor 't eierenleggen geschikte kustwateren bevolken, keeren later naar diepere zeebodems terug.
Op dezelfde plaatsen als de vorige soort vindt men soms ook de Vierstekelige Zeedonderpad (Cottus bubalis). Van den Ende zag er een, die waarschijnlijk uit de Zuiderzee afkomstig was, op de vischmarkt te Zutphen. Zij heeft aan het voordeksel 4 doornen (in plaats van 2).