Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 6
Lange uren zat hier pastoor Doening. Hij deed veel aan Vlaamsche literatuur en toetste de troebele opkomst der Vlaamsche letteren aan de fijne kritiek van zijn onfeilbare zinnen. Hij had een kultus voor Gezelle, dien hij als een Europeesch genie aanzag en een der zuiverste dichters van de XIXe eeuw noemde. Hij had op het kollegie Gezelle gekend en hij wist de strijdende machten die, in hun worstelend geharrewar, den groot-menschelijken Westvlaming gedurende zoovele jaren tot zwijgen hadden gedwongen. Ze waren een tijdlang vrienden geweest, en deze vriendschap had niet weinig bijgedragen tot de organische ontwikkeling van Doening's gevoeligheid. Toen Gezelle stierf, bleef hij lang denken aan den witten dood van Renildeken; want met Gezelle verloor hij, op een andere schaal van zijne kultuur, het eender iets dat hij met Renildeken verloren had.
Hij ging gaarne om met de menschen. Als hij zijne ivoren eenzaamheid verliet, wandelde hij op de Louizalaan onder de menschen. Hij had de menschen lief, de onbekende menschen die wandelen of loopen en lijden of vroolijk zijn. Hij keek ze vluggelings in het aangezicht, kwam in rappe voeling met allen, bewaarde van allen een beeld van kleuren of lijnen. Hij lachte op de kinderen die ommendom de blanke schorten der meiden speelden. Ruiters reden hem voorbij. Automobielen en mooie gespannen gleden haastig over het makadam. Een verloren hondje snoof, onder de boomen, de lucht op. Pastoor Doening ging, kort-stappend en alles beloerend, en hij had een groot genot aan het zicht der bonte dametoiletten, die de laan zoo heerlijk levend maakten onder de gouden zon. Hij had nooit een stok mede. Hij droeg gemeenlijk in zijne linkerhand een paar zwarte handschoenen van zeer zachte zijde, en hij deed ze wiegen of stillekens slaan tegen zijn kleed. Zijn rechterhand was altijd vrij. Hij vingerde ermede langs de kleine satijnen knoopjes op zijn borst, juist boven de platte plooien van zijn sluier. Zijn hoofd was even gebogen en klein waren de randen van zijn hoed. Zijn haar was niet gansch wit, maar het zilverde op de krullen van losse lokken zeer kostbaar.
Hij bezocht families van burgerlijken rang. Overal werd hij met gretigheid onthaald, want zijn taal was vloeiend en zingend, en hij koesterde zoo eigenaardige gepeinzen. Hij had eene wondere manier om de aandacht te boeien, en iedereen zweeg terwijl hij sprak. Hij sprak met goesting en nogal veel, meestal over kunst en politiek. Hij was niet buitengewoon diepzinnig en zaakrijk in zijne woorden. Hij was een maker van stemmingen en hij tokkelde met zijne rake volzinnetjes op het weeke gevoel van het gezelschap. In enkele huisgezinnen stond te allen tijde zijn bord op de tafel. Hij maakte van die gunst geen misbruik en deed liefst na het dîner zijn intrede. Het docht hem dat de menschen, na het eten, een malscher terrein waren voor de oefeningen van zijne bijzondere welsprekendheid. Bij de Chanteraine's echter zag men hem zeer dikwijls middagmalen. Hij had veel gehouden van mevrouw Chanteraine, omdat hij veel hield van zwakke en lijdende zielen, en hij was een groot vriend van mijnheer du Bessy en van Simon Peter, omdat hij zijn vrienden zocht onder de praatziekste even graag als onder de diepzinnigste mannen. Om de twee dagen deed hij zijn spelletje schaak met mijnheer du Bessy, en hij schepte een pittig genoegen in de mythologische zinspelingen van den ouden baronet en in zijne vrijzinnige opvattingetjes van liefde en politiek. Ze waren het nooit over eenig onderwerp eens, maar geen van beiden zou die liefelijke oneenigheid tot een ongemak drijven. In dezen handel met mijnheer du Bessy vond pastoor Doening eene rustige verpoozing na den geestelijken arbeid overdag. Hij vond er ook het genot van het nuttelooze, wanneer het nuttelooze een vorm wordt van den luxus. Juist dat ijdel en sierlijk gepraat streelde hem als een zonderlinge luiheid, die zooals eene zacht-duizelige geur is of zooals een teer-grijze half-tint. Hij leunde languit in den lagen zetel, zag het helle licht vlekken en glanzen op du Bessy's hoofd en volgde onwillekeurig de vorming van zijne pantheïstische beelden. Francine zong bij het klavier. De gulden friezen boven den wand blonken gelijk metallische linten. Een marmeren klok met onyx-zuilen roerde op den schoorsteen zijn korten slinger rap.
Boven zijne liefde tot de menschen reikte zijne bewondering voor mevrouw Verlat. Hij kon lange kijken naar heur en voelde dat zij groot was in hare gebaren. Hij bewonderde de effenheid van haar gemoed, waarlangs zij eene verdraagzame teederheid van gewaarwordingen en gevoelsdaden uitweefde. Zoo spreidde zij over al haar doen en denken, gelijk langzame voolen, de langmoedige trezoren van haar hart. Pastoor Doening had ten opzichte van mevrouw Chanteraine eene gemakkelijker genegenheid in zich opgewekt. Meer ingewikkeld was, jegens Vere, zijne gevoelige houding. Sommige oogenblikken ervan herinnerden hem aan eene vreemde ernstigheid, die Renildeken in den laatsten tijd van haar witte leven vertoond had. Andere riepen hem het hobbelige voorhoofd van Gezelle vóor den geest, in de dagen van passie en verslagenheid. Hij dacht er dikwijls aan en hij was bang dat, al indringende langs dien sentimenteelen weg, hij eens de klare waarheid zou raken, die een ontgoocheling moest zijn.
Op een schoonen Junidag kwam mijnheer du Bessy bezoek brengen aan pastoor Doening. De oude Doka nam seffens het schaakbord en zette de thee, als naar gewoonte. Het was, sinds de begrafenis van mevrouw Chanteraine, de tweede maal dat zij bijeenzaten. Ernest en Vere en Francine waren weggevlucht in een stille villa aan zee om er, bij 't gedruisch van het machtig water, van lieverlede te bedaren. Mijnheer du Bessy was met de kinderen niet meegegaan en te Brussel gebleven, deels omdat hij de zee niet verdragen kon, deels om den troost van de woelige stad niet te missen. Na een maand schreef hij aan Doening om de vroegere partijtjes maar weer aan te pakken; en nu zat hij bij den haard, vóor het donkere speeltafeltje waar de witte en zwarte pions opstaken als de boomtronken van een winterlandschap. De gele gordijn was vóor de veranda weggeschoven en de sterke zon viel met geweld binnen. Ze drong echter niet tot op den schoorsteen. Haar verste tipje blekte tegen den koperen kandelaar, die met een hooge witte kaars op den hoek van de schrijftafel stond.
Mijnheer du Bessy was weer de oude luchtige mijnheer du Bessy. Zijn haar lag zwart en glimmend van 't blanketsel, in eene rechte streep tot in zijn nek, van waar het, naar beide kanten schoon opgekamd, tot ten halve over zijne ooren, in den vorm van een krulletje kwam liggen. Zijne snor was hard en vol. Zijn rouwpak deed de blanke scherpte van zijn hoog halsboordje uitschijnen. Hij had losse, sierlijke gebaren.
--Mijn waarde vriend, zei hij met voorname stem-effekten en eene deftigheid die, als 't ware, tot het gewicht behoorde van zijne woorden, denk niet dat ik mij, voor de beoordeeling van de hedendaagsche politiek, meer dan het noodig is, mijne eenigszins aristokratische afstamming herinner, of dat ik mij zou laten meesleepen in een gewarrel van kleine hatelijkheidjes; ik bekijk en begrijp en bestatig. Het zicht der moderne stroomingen maakt op mij een ongunstigen indruk, en ik weet niet welke lafheid mij belet te verklaren dat ik de afschaffing der slavernij betreur. Let wel, ik denk op dit oogenblik aan de serven, de onvrijen en de patriciërs, zooals zij een voortreffelijke maatschappelijke combinatie vormden, onder de eigenaardige leiding der olympische goden. De menschen van dezen tijd missen inspiratie. Zij loopen op hol, langs de bedriegelijke wegen van hunne redeneering. Zij kunnen niets opofferen en willen aan alles een voedsel geven. De Spartanen dachten anders daarover. Maar welke zijn dan toch ónze uitslagen? Het is nog niet zoolang geleden dat het hartje der wereld de zegevierende opkomst van een tiers-état bewonderde. Wij zijn nu getuigen van de kletterende inbreuk der proletariërs, een vierden staat, zal ik maar zeggen. Morgen heeft deze ook zijn zatte bekomste, en dan rijst een vijfde staat, de geweldige massa van zieken en gebrekkigen, achterlingen, idioten, dwergen en gedrochtelijken. En zoo, mijn goede pastoor Doening, wordt al talrijker de staat der onvolledigen, de staat die aan het gebeuren is, al talrijker en talrijker, naarmate de redeneering hooger holt. Dat noemt gij vooruitgang. Maar zeg mij, bid ik u: wie gaat in zulke omstandigheden vooruit? Tegenover éen die vooruitgaat, zijn er duizend die achterblijven, en gaat hij, eenling, verder voort, al tien duizend blijven achter. Verstaat ge dat? O! het schrikkelijk zicht van den staat der achterblijvers, als die het ook eens al te gelijk voelen dat ze honger hebben en d'r bovenop moeten!
Mijnheer du Bessy keek zonder aandacht op het schaakbord naar de witte koningin en den zwaren koning en deed een zwakken zet. Hij hernam dadelijk:
--Spreek mij niet anders en oolijker van ekonomische wetten, die berusten op de koude ervaring der dingen. Ik zeg het u: uwe volksemancipatie gaat bankroet! Gij meent dat ge de menschheid vooruithelpt, en gij maakt achterlingen! Ik zeg en ik zeg het u, mijn beste vriend: zelfs de wetenschappelijke vooruitgang kan niet opwegen tegen het vreeslijke feit, dat zij al grooter en grooter meerderheid achter laat in den dompel. En moet die meerderheid eens regeeren? .... Ge glimlacht. Inderdaad, het is om mee te lachen. Ik neem uw paard, mijnheer, en zet uw koning schaak!
--Dat is erger, zei pastoor Doening dubbend, terwijl zijne vingeren over de satijnen knoopjes van zijn kleed kriebelden en hij stille schartte, met zijn linkerhand, over zijne kin. Het spel stond ineens slecht voor hem. Hij begon heel nauwkeurig over het spel na te denken. De oude Doka slofte een oogenblik in de veranda. De zon lag er roerloos.
--Nu, sprak mijnheer du Bessy al draaiend met zijne duimen, we mogen het wel bekennen. Europa is rot, en ik verlang met ongeduld naar de deugdelijke aftakeling die wij vanwege een geïnspireerd ras te verwachten hebben. Dat komt wellicht nog vroeger dan ge meent. In afwachting is het me leed dat een brave jongen, zooals Simon, zich de zaak zoo nuchter aantrekt. Wat bedoelt hij daarmee? En wat gaat hij zich wegsmijten in een revolutionaire beweging, waar hij zijn beste vermogens verteert? Want het zal u niet ontsnapt zijn dat Simon Peter zeer erg met de Joodsche onlusten ingenomen is en er uitziet alsof hij in geheime kringen oproer stookt. Ik vrees dat hij nooit in de gratie der goden herkomt, de dwaze, die zijn schoone jaren verlauwt in zottigheid, terwijl de liefde en haar lusten optrekken, onvoldaan. Hij lijkt wel op dien armen Lieven Lazare, welke oud geworden is te midden van zijn steenen princiepen, en daar nu ligt gelijk een zuur hoopken droog mos. Ha! ha! dat is de bekende straf van Anteroos, den wrokkigen God der wedermin, die, zooals ge wel weet, gevierd wordt met allerlei liefelijkheid in Thespiae, aan den voet van den Helicon.
De blauwe theekopjes stonden op een bleek schenkbord met den ronden buik van den tinnen theepot. De zilveren suikerschaal was van zeer zuiver Japanneesch fabrikaat, fijn bewerkt in de teekening der versiersels en in de uitvoering van de verschillige metaaltinten. Mijnheer du Bessy dronk een slokje en pastoor Doening, nadat hij den leelijken zet behendig op het schaakbord beantwoord had, sprak:
--Ik ken, geloof ik, dezen Lieven Lazare beter dan gij hem kent, du Bessy. Het is een zeer goed man, maar hij is onstuimig en eenzijdig in zijne liefde. Ik kan u van hem menige aardige historie vertellen, waarvan niet de minst mooie betrekking hebben tot uwe lichtzinnige ekonomische bespiegelingen en juist slaan op wat gij daar van steenen princiepen zegt. Mijnheer Lazare is een katholiek uit éen stuk, zooals gij een pantheïst zijt uit honderd versmeten brokkelingen. De stugheid van den eenen is even onredelijk als de mozaïekgeest van den anderen. Begrijp goed dat ik u niet tegenover malkander plaats. Mijne vergelijking berust op eene wending van woorden, die mij aangenaam is en welke gij me moet vergeven. Ik vrees niet dat gij eens tot den grond van uw wezenlijken aard terugkeert, want gij zijt een kristen en gelooft in den eenigen God. Ik ken den pleizierigen draai van uwe gepeinzen. Zij zijn zooals de kermismolen en zij hebben een spel van blikkertjes en zilveren franjen, en al de paardjes dragen een flinke kleur. Daarom komen de kinderen errond staan, neem het mij niet kwalijk. Maar ik wilde u over mijnheer Lazare spreken. Gelooft gij niet met mij, dat het nu tijd wordt om den koppigen man met zijne dochter te verzoenen?
Mijnheer du Bessy, al spelend met zijn lepeltje op den rand van het theebord, was van meening dat dit, voor zijn part, gebeuren mocht.
--Ik had gewenscht, wedervoer pastoor Doening, dat gij mijn voorstel gretiger aannemen zoudt, mijn beste du Bessy. Gij weet dat Lazare op zijn kamertje in eigenzinnigheid zijn hart opvreet, en dat mevrouw Verlat zeer lijdend is. Het ware een goede daad. Mijn vriend, ik heb dezen ouden man in deze kamer op een avond zien binnenkomen en het zal mij bijblijven zoolang ik leef. Het regende tamelijk. Hij droeg een grijze overjas en de regen perelde erover. Zijn vilten hoed was malsch en zwaar. Zoo kwam hij. De avond kleurde hard-blauw in de veranda en ik herinner me goed, dat de kandelaar, die altijd daar op den hoek van mijn schrijftafel staat, dien avond op uitstekende wijze te glimmen stond. Ik heb Lazare zien huilen als een wild dier. Hij stiet met zijne vuisten tegen zijn kalen kop, hijgde en jamerde, en de druppels vielen gelijk rappe perels langs de plooien van zijn grijze overjas. Daar buiten regende het inderdaad en ik kon de vlaag hooren pletsen op het steenen voorpleintje van den tuin. Dat was de dag, waarop zijne dochter hem verlaten had. Sindsdien is hij als een gewonde leeuw. Hij woont in de Steenstraat op de derde verdieping van een oud huis en schrijft er voort zijne oproerige boeken. Nader hem met geen hulp. Hij haat al de menschen en gebruikt gruwelijke woorden om het uit te roepen. Geef hem geen geld. Doe hem geen onrecht, want hij wantrouwt u allen. Maar kunnen wij hem zijne dochter niet wedergeven?
De belangstelling van mijnheer du Bessy was algauw opgewekt en hij trad het plan van pastoor Doening geestdriftig bij. Alles gebeurde bij hem met onverwachte schokjes. Zijne eerste onverschilligheid was nu eene ijverige belangstelling geworden. Er werd dus dadelijk besloten dat mijnheer du Bessy, des anderen daags, bij Lieven Lazare zou gaan aankloppen om hem tot de gewenschte toenadering aan te sporen.
Nog heel warm door zijn edelmoedig voornemen verliet mijnheer du Bessy het huis van pastoor Doening en trok, vóór hij middagmalen zou, de lage stad in. Hij zette zich, aan de terras van een groot koffiehuis op de Anspachlaan, in een rieten zetel en bestelde een glas port. Er was veel volk te been en de zon speelde schuins langs de roerende massa's van menschen en rijtuigen.
--Het is, dacht mijnheer du Bessy, eene mooie zending. Ik ben verheugd dat ik een zoo lieven dienst aan onze goede Vere bewijzen kan, en het doet mij, jegens den ouden Lazare, ook deugd. Jammer dat de man zoo brutaal-katholiek is.
Zoo dacht hij en dronk, met kleine slokjes, den rooden port. Hij lonkte naar de dames die in hun versche zomertoilet voorbijliepen. Enkele hadden een karmijn-rooden hoed met purperen bloemen. Andere droegen witte kapelienen licht-beladen met gele en moeren druiven. Ze liepen, zich even schorsend, op hunne hooge hakken voorbij.
--De mode, dacht mijnheer du Bessy, zal dees jaar naar eene zeer zeldzame bordeaux-kleur overgaan. Ik kan daar een paar lijnen in mijn dagboek over schrijven.
Wanneer zijn glas ten halve ledig was, vroeg hij een blad papier en een bode. Hij nam zijn gouden potlood, dat aan zijn horlogeketting hing, en stelde een lang telegram op, voor Simon Peter. Hij verzocht hem om zonder uitstel eens bij mijnheer Lieven Lazare binnen te loopen en den ouden man over eene algeheele verzoening te polsen. Ik berust met gansch mijn hart op u, schreef hij, om, met de hulp der Goden, dat zaakje in orde te brengen.
Toen dronk hij, tot op den bodem, zijn glas ledig en ging uitzien naar het dîner.
Pastoor Doening, van zijn kant, at in de veranda een pastei met ossenvleesch en een geurig duifje. Tot laat in den avond zat hij te werken. De studeerkamer was rustig. Het witte hoofd van Gezelle heerschte er stille en volmachtig, en pastoor Doening boog over de blanke boeken zijn zilverig haar, waarlangs het gaslicht blikkerde.
Het was niet verre van middernacht, als hij zijn bril neerlegde en opstond om slapen te gaan. Hij stak de hooge kaars aan en trad langzaam de trap op. Hij zette den kandelaar op het marmeren blad van de kleine toilettafel en bleef een tijd te midden van de kamer staan. Zoo deed hij gemeenlijk. Hij herzag in zijn geest het werk en de daden van den vervlogen dag, en dacht daarna aan de dierbare wezens, die zijn leven vervulden met hunne beelden van liefde. Zijn smal bed stond rond en gezellig onder de klare bedekking. Een zwarte vacht lag ervoor. Een portret van vader Doening en moeder hing aan den wand erboven. In een hoek van de kamer stond op een kleinen eiken altaar een koperen Kristusbeeld. Pastoor Doening dacht aan Vere, de dochter van Lieven Lazare, en hij dacht aan den dooden dichter, en hij dacht aan Renildeken. Hij had dien avond een zeer klaar zicht van Renildeken. Hij zag ze heel klein en nauw aan gindschen groenen boord der Schelde staan, in de wijde groene meerschen. De Schelde was als een zilveren lint met violette ondertinten. Het westen straalde geel en oranje om den struischen kop van den Kluisberg en de hemel was bebouwd met een wonderbaar kasteel van goud en opaal. In haar spannend kleedje stond daar Renildeken. Haar plat-zijig haar lag glanzend op haar porseleinen hoofdje. Ze keek vreemd en goedig ....
Dan ging pastoor Doening naar den eiken altaar, waar het koperen beeld zijn vlammende armen reikte, en knielde op het lage bankje, dat vooraan stond.
Het was een ongelijk bankje op vier lompe pikkels. De plank was glad van ouderdom; want hoe lange was het al niet geleden, dat Emanuel er zat, onder de glyciene van het priëelken, naast Renildeken, die droomend haar licht handje op zijn knie lei, als een asem of een geur ....?
V.
MIJNHEER LIEVEN LAZARE, PAMFLETSCHRIJVER, EN MIJNHEER JOHAN DOXA, GOTHIEKER.
De Steenstraat komt uit op de Henegouwlaan en de Koolmarkt, in het centrum van de lage stad. Ze is zeer smal en de kasseide hobbelt er, zoodat de kleine trottoirs hier en daar met trappen zijn gebroken. Ze is vuil en grijs overdag en erbarmlijk verlicht in den avond. De gevels hangen voorover, alsof ze wat te vertellen hadden aan de huizen van den overkant. Een arm volkje neringdoeners woont er--schoenlappers, fruit- en groentevrouwen, strijksters en herbergiers.
Daar woonde ook mijnheer Lieven Lazare. Hij had twee kamers gehuurd op de derde verdieping van een oud huis, juist onder het dak. Op de tweede verdieping huisde een kleermaker met zijne twee zoons, waarvan de eene geheel onnoozel was en de andere half-kreupel. Op de eerste leefde eene gepensioneerde dame met drie zwarte hondjes. Zij kweekte ook konijnen en verpestte de trap met een zuren dierenreuk. Beneden was de huurmeester, een klein-winkelier, die achter zijne vierkante ruiten een veelsoortig visschersgerief verkocht. De huurmeester duldde geen huurders met kleine kinderen; maar hijzelf nestte in het achterhuis met negen springlevende jongens, waarvan de oudste binnen een half-jaar zijne eerste kommunie zou doen. Hij heette mijnheer Josse. Te oordeelen naar de bijzondere lijvigheid van madame Josse, was het duidelijk, dat hij zich niet aan het negende schreeuwerken zinnens was te houden. Het leek een wonderlijk huis, als ge u wilt herinneren, dat de gepensioneerde dame van 't eerste een kweekerij voor konijnen hield, hetgeen door mijnheer Josse veroorloofd werd.
De kamers van Lieven Lazare waren zeer naakt, vooral de kleine slaapkamer die langs een schuinsch dakvenster uitzicht gaf op de ongezonde achterbuurt. Er stond een ijzeren bed, een tafel met een schotel, een waterkan, een stuk zeep op een speelkaart, een kam en een tandenborsteltje. Twee stoelen leunden tegen den muur, waar, in een grove lijst, het beeld hing van den heiligen Franciscus van Assise. Het tinnen wijwatervaatje was aan de lijst van de deur genageld.
De andere kamer was grooter, luchtiger en, evenals de slaapkamer, met witte kalk bestreken. Hier werkte mijnheer Lazare. De tafel was vol met dagbladen, boeken, kohieren en brieven. Hier zat hij gewoonlijk in een lagen zetel, zijn breeden rug gebogen over het tafelberd, zijn ellebogen breed uitgezet en zijn kaalronde hoofd naar voren, wroetend in de vele papieren. Het was een groot man met bol gelaat, een klein neusje en een dikke grijze snor daaronder. Hij had een helderblauwen blik. Dien morgen snuffelde hij over de tafel, waar de Junizon alles overhoop gooide met haar jeugdig licht. Na een tijdje rechtte hij zenuwachtig zijn zwaar lijf, wierp zijne pen op den vloer en begon zeer knorrig zijne harde knevels om te draaien. Hij had mooie witte handen, niet groot, een beetje poezelig.
--Verrekt! riep hij uit, laat ze stikken in hun schande! Waar bemors ik mijn geest mee, o God!
Hij stond op en ging naar het venster, dat breed was en verguld met al het zonnegeweld. Hij kon van daar een randje zien van de straat en de hoofden der menschen die er voorbijliepen. Een zware wagen waggelde over de steenen. Het koffiekopje, dat op een stoel stond, rinkelde. Hij keerde zich verwonderd om en zag het witte kopje op den stoel staan. Een grove boterham lag er nevens. Hij glimlachte droef, ging weer neerzitten en schoof den stoel bij zich. Hij at, maar de koffie was koud en het brood bezwaard met harde korsten.
--Dieven, mompelde hij.
Toen werd er tweemaal op de deur geklopt.
Het leven van mijnheer Lieven Lazare was de voortdurige herhaling van dezelfde hoop en dezelfde zorgen. Hij had altijd de armoede gevlucht en was er nooit in gelukt. Daarom haatte hij de menschen. Hij haatte de menschen om hunne betrekkingen tot wat hij noemde "het gouden kalf." Met een hart dat naar rijkdom schreide, bezong hij de kristelijke weelde der armoede. Hij had een zeer mooien roman geschreven, waar hij de zoetheid van de armoede tot een deel van Gods genade verhief. Zijn echt persoonlijk werk was een ruwe geesel-arbeid en hij gaf bijtende pamfletten uit tegen al wie bezat en vergaarde. Hij voerde, ten dienste hiervan, eene heerlijke taal. Zijn proza was hard, klaar, ijzig, zeer voortreffelijk gedokumenteerd. Deze arme man was een geleerde theoloog en een schelder. "Mijn leven is te kort om elkendeen zijn stamp te geven," schreef hij, en dat meende hij werkelijk. Om zulk een toestand ineens begrijpelijk te maken, moet ik wijzen op de vele verbitteringen, die hij alreeds in zijne vroege jeugd te verduren had. Hij was van aard eenigszins eerzuchtig. Hij bewonderde de pracht die met geld is te bereiken, en de macht die steunt op het geld. Zijn brandende liefde vond geen uitweg in de armoede, waar hij zijne hopen verteerde. Hij wilde groot zijn en mild. Hij had de passie der aalmoes.
Hij werd bedrogen. Zijne makkers bedrogen hem en hij was te eerlijk om het hen niet, als een zweepslag, in het aangezicht te slingeren. Hij beminde, op twintigjarigen leeftijd, een vrouw die hem bedroog. Hij wierp ze, uit eene hoogte van acht meters, door het venster op de straat. Hij was te gevoelig om den minsten aanval niet dadelijk te merken, en niet lenig genoeg om hem, als ongemerkt, te laten voorbijgaan.