Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 5

Chapter 53,963 wordsPublic domain

Hij schokschouderde, voelde dat hij er niet bovenop geraakte, dat ze, in de verhouding, den hoogsten kant behield. Met brutaliteit zou zijn toestand nog verslechten. Een redelooze toorn ziedde in hem, kookte op en spande brandend om zijne slapen. Hij hakkelde dof:

--Het mag wel--inderdaad--we kunnen er ons al biddend--beter aan gewennen--dat wij ze met ons wanbedrag--hebben doodgedaan....

Nog steeds stond Vere bij het bed. Haar roomgele nachtjapon bleekte roerloos op tegen de gulden verve van de met lichten kant overwalmde sargie. Ze kwam nu, zwaar-tredend op hem af, vatte zijn arm, wilde hem dwingen op te kijken. Haar boezem zwol sterk en vlug.

--Nee, zei ze, nee, Ernest, dat meent ge niet! ....

--Waarom zou ik het niet meenen? Het is toch de waarheid.

Hij snauwde haar toe, om er gauw van af te zijn.

Hij was niet meer in staat zijn woorden te meten. Hij wist niet hoe killig en bijtend zijn stem klonk. Hij zag niet op naar heur. Ze drukte op zijn arm.

--Gij weet dat ik geen schuld heb, Ernest.

--Dat zegt gij maar ....

Ze werd koud onder het harde verwijt. Dieper drukte ze op zijn arm. Haar adem schoof ruchtbaar over hare lippen.

--O Ernest, fluisterde ze, ik word bang voor u ....

Dat ontbrak er aan. Wat hoefde ze nu nog met haar angst te kabotineeren? 't Zou schoon worden. Maar daar ging hij niet op in. 't Was over-genoeg zoo. Hij wilde zich ontdoen van hare handdrukking, schudde zijn arm en week tegen den muur. Ze wankelde en hij ergerde zich al meer:

--Laat me los. Spreek simpel, of kruip in bed.

Ze naderde weer, vatte opnieuw zijne armen, begon met een pijnlijken gil te huilen. Haar hoofd schokte op zijne borst bij elken snik. Zijne gramschap schoot plotseling los en hij riep:

--Vere, breng me niet tot geweld. Laat me los. Ik kan het niet uithouden.

Hij wrong zich tusschen haar en den muur vrij, schikte wrevelig zijn halsboordje, blies het kaarslichtje uit, dat op de toiletkamer om en weer wapperde. Haar weenen dreef hem tot een uiterste scherpe woede. Hij kon 't niet weerhouden, keerde zich rap naar heur toe en stiet ruw in haar gezicht:

--Ik heb me toch niet in uwe armen geworpen, geloof ik? Ik heb alles niet zoo doortrapt aan boord gelegd? Hou nu maar op met komedie, alsjeblieft. We zijn wettig getrouwd.

Terwijl hij sprak, besefte hij het laffe van zijn woorden. Toch was hij verwonderd dat Vere wild opsteigerde en haar hoofd forsch recht smeet. Hare wangen gloeiden koortsig. Hare stem was onherkenbaar:

--Denk er aan, Ernest, sprak ze, dat ik uw kind draag.

Daar hadt ge 't. Hij had er zich kunnen op verwachten. Het had nog lang geduurd, eer ze er mede voor den dag kwam. 't Was er nu uit. Hij keek een oogenblik verlegen toe, verlegen om de wanhoop die uit hare oogen schoot. Hij zei zachter:

--Ga-slapen.

Maar zij lengde zich uit in het groene gaslicht, werd eene breed-sterke gestalte en haar hoofd rees rots-hard op boven het bleeke nachtgewaad. Ze werd rustiger, ze kon rustig spreken en sprak. Hij wist haar niets meer te beletten. Hij stond verslagen en vernederd, zei gedurig:

--Ga te bed .... ga slapen, om de liefde Gods!

Ze wuifde zacht met hare hand, vertelde, van den beginne af aan, het gansche geval, en dwong hem, door den vreemden eenvoud van hare woorden, tot stilzwijgendheid. Ze hield het echter niet tot het einde vol. Wanneer ze haar vader herdacht, zijne gramschap en zijn vloek, barstte ze in tranen los.

Hij gaf het op, om verder te twisten met haar. Hij werd ineens moe, zuchtte nog, terwijl hij, zich neerzettend in den zetel, zijne oogen sloot:

--Ik vraag u: ga slapen ....

Ze deed langzaam haar kamerjapon over haar lichaam glijden, liet het neervallen aan hare voeten en, nadat ze het gele deken had weggeplooid, steeg zij in bed. Ze dekte zich tot op haar gelaat en weende voort, een langen tijd. Eindelijk bedaarde ze, scheen in te slapen en roerde niet meer.

Ernest zat met gesloten oogen. Alles roezemoesde dooreen in zijn kop. Het bonzen van dezen morgen en middag herkwam met versch gedreun, en de pijn zinderde door zijne hersens. Hoe akelig scheidde de dag! Hoe ellendig te moede bleef hij, na al de herrie en 't slameur, over, daar zittend in een lagen zetel onder een bleek-groen licht, terwijl alom gaande waren de stille nacht en de herinnering aan moeder!

Hij stond recht, naderde het bed, voelde de lauwte die opwalmde boven de rond-bultige bedekking. Vere was met haar rug naar hem gekeerd. Hij zag haar donker haar, op een dikke volte gestapeld, in een diepte van het kussen zwaar-somberen. Hij hoorde haar adem leven. Hij verteederde gansch, stak zijne handen uit naar heur, wilde hare bloote schouders raken. Ze bewoog zich niet. Ze zei zeer zacht:

--Kom nu, Ernest ....

Droomde ze? Hij trok schielijk zijne handen terug, luisterde toe, hoorde, gelijk te voren, haar kleinen adem leven. Toen schoof hij langzaam en voorzichtig de sargie op zijde. Haar hals kwam diep-wit te voorschijn; dan, onder het geborduurd hemdbandje, haar ronde schouders, en lager haar weelderige arm. Hij werd week-zinnelijk. Hij boog zich voorover tot de zwoele geur van haar warm lijf in zijn neus kwam luwen. Hij had geen moed meer tot niets, tot niets in de wereld; hij lispelde duizelig:

--Vere .... Vere ....

Ze draaide zich om, keek hem aan met natte oogen, keek goedig, uitermate goedig, zooals altijd.

IV.

PASTOOR EMANUEL DOENING.

Pastoor Doening bezat, tot een graad van klare innigheid, de gave van evenwicht. Hij had zich geen wet voorgesteld, maar hij leefde ongedwongen volgens de eenige wet der natuur. Ik kan zeggen dat er tusschen het wezen van pastoor Doening en den groei van eene bloem alleen een verschil is van plan. Hij leefde naar het gebod van zijn menschelijk instinkt--zijn genie bestond echter hierin, dat dit instinkt van allen invloed was ontlast en als eene onfeilbare drijfveer werkte. Hij leefde in de waarheid van zijn leven. Hij beredeneerde noch zijn toestand in den tijd, noch de verhoudingen van de dingen rond hem. Zijne teedere macht van intuïtie was de uitslag van een inderdaad buitengemeen-helder gevoel. Weinige menschen bezitten die helderheid van aandoening en kunnen zonder twijfelen handelen naar zekere organische verordeningen, welke berusten op de geheime roerselen van het humaan instinkt. Bij pastoor Doening was gewoonlijk de rede een gevoel geworden. Zijne woorden waren, evenals zijne daden, de onverlegen uitdrukkingen of uitslagen van dit zeldzaam gevoel.

Het is noodig dat hier het bestaan en de ontwikkeling van een dergelijk gestel opgehelderd worde. Het is noodig en het is schoon de gronden aan te toonen, waarop rustend en werkzaam was dees uitzonderlijk emotioneel verschijnsel: een man getuige van zijne aldoor rhythmische gebaren en toch, in geeste, niet de bewuste dader er van. Hij zelf zag de diepte niet, waar borrelden, als ijsheldere fonteinen, zijne aandoeningen, noch en raakte de wijdte tot waar reikten de trillende draden van zijn gracelijk gevoel.

Hij werd geboren niet verre van Ronse, in dat heerlijke Zuid-Oostvlaanderen, waar het vruchtbare land zich tooit met de wispelturige sierlijkheid van heuvels en groene bergagen. Zijne ouders waren eigenaars van uitgestrekte gronden, gelegen langs de levendige Scheldevallei op bijna gelijken afstand van Ronse en Oudenaarde. De groote hoeve, waar hij werd opgebracht, was eenig en groot in het dal. Hare witte muren blonken als krijt in de groene verven van het landschap en haar breed gebrokkeld schaliedak glansde warm en zwaar, gelijk eene heete muts. De wolken aan den hemel voeren als reuzenadems boven dat rustige huis ....

De oude boer Doening was een zwijger. Van 's morgens vroeg liep hij op 't veld, tusschen het werkende volk, altijd op het onvermoeide veld, dat zweette of dampte of walmde van korenaren, of ver uitruste, uitgestrekt als eene doode, alles zoo naar den gang van het drijvende seizoen. Hij was zeer stijf in zijne manieren en streng in zijne zeden, en telkens als hij de groote kamer binnenstapte, waar moeder Doening met Victorien en Emanuel speelde of anderszins bezig was, vielen, gelijk een natte doek uit de zoldering, de stilte en de eerbied daar, die alom den kouden boer vergezelden, 's Avonds zat hij denkend bij den haard. Hij rookte nooit. Hij zat stijf op een stoel, de knieën hoekig en recht naast elkander, de ellebogen tegen zijne zijden en de breede, kneukelige handen even overeen op zijn mageren schoot. Soms roerden zijne duimen. Maar stijf rechtop bleven zijn hooge hals, zijn beenderig hoofd, en roerloos staarden zijne oogen, strakke beteekenis van dit stugge peinzende boerenbeeld.

Emanuel's moeder was geheel een daartegenovergesteld wezen. Hoe deed ze moeite, het lieve vrouwtje, om haar leutig gemoed en haar ruchtige liefde, in Doening's bijzijn, te bedwingen! Ze had een klaar gezichtje, omkranst met een zijig grijs haar, en verlicht met al de blijdschap van hare gauwe blikken. Ze was niet groot. Ze placht te loopen rond den huize, al dansend gelijk een jong veulen. Wanneer ze toornig was--want aleens deden de meiden verkeerd in de keuken--neep ze, plots rood-wordend, hare oogen dicht, bleef zoo een poosje, precies te wege uit te barsten in schrikkelijke woede, en schoot uit in een lach. Dat was het karakteristiek teeken van dat levendig menschje, omdat ze, in alles, op die zelfde eigenaardige wijze, te handelen scheen. Ze had een gulden hart.

Victorien was ouder dan Emanuel. Hij was een groote blonde jongen, flink opgeschoten, met grove leden. Hij hield veel van het veldleven en hielp mede aan het akkerwerk. Emanuel kon dat voorbeeld, spijts de dringende wenken van vader Doening, niet volgen. Hij was teer-gebouwd, keek droomend langs de groote huiskamer, waar moeder huppelde met vlugge manieren. Hij droomde aan het venster. De verschillige werking van het vierkante hof was gebeurende onder het gaande licht van den verschilligen dag. De hennen pikkelden over den mesthoop. De haan lengde zich uit boven zijne sporen en schudde zijne veêren eer hij kraaien zou. De heerlijke mesthoop goud-glansde tegen de blauwe kalkmuren. De stalknecht luibeende, allinks en alrechts zich bukkend over klavergroen, of mooschend, met onlustige handen, in bruin-roode beethoopen en witgele rapen. Hij was een oud man en heette Vinus; tot zijn twaalfde jaar had Emanuel geen anderen vriend dan Vinus ....

Maar toen kwam op de hoeve Renildeken inwonen en de kleur der dagen was verwisseld. Renildeken was acht jaren oud, en ze droeg een spannend kleedje dat haar lijf nauw maakte als het kelkbuisje van sommige leliën, en hare armen rilden gelijk de wiegeling van eenzame halmen. Ze had heel kleine voetjes en een kopje van porselein. Na den dood van haar vader, Doening's broeder, kwam ze nu op de vierkante hoeve wonen en dadelijk was Emanuel zeer ingenomen met haar. Van 's morgens in den vroege waren ze saam. Ze liepen in den tuin, deden allerlei zottigheid, speelden met Poelie den hond en met Djolle, de geit. Daar was in den tuin een priëelken van glycienen. Vooraan gloeide een begoniaperk en van weerskanten geurde een dubbele syringastruik. Op een bankje zaten zij er nevenseen, beladen met de zoete donkerheid, die onder het roerende loover wemelde. Het loover roerde, de wind streek langs en over den tuin, er was een heerlijke golving in de lucht. Emanuel en Renildeken zwegen. Hare hand rustte op zijn knie, en ze keken naar het werkzaam gedoe van den wind en naar het spel van de hemelklaarte. Soms hadden ze een kort praatje over de wolken. Ze beeldden zich gaarne de verre ruimte in, waar varen de wolken als schepen met volle zeilen. Ze raakten getweeën de duizelige aandoening der eindeloosheid, terwijl de wijde wind boven het ruischend priëelken zoefde en toog. Renilde schoof dichter bij Emanuel aan. Haar verwonderd gezichtje blonk schoon uit boven haar nauw keurslijfje, want haar kleed was gelijk een keurslijfje zoo nauw. Heel rond waren hare oogen. Hare wimpers schaduwden eromme, en het was alsof een zacht poeier op hare bleeke wangen lag. Zoo zag 't Emanuel, en hij voelde haar handje warm en wegend op zijnen knie drukken.

Soms, na een leutigen rit door den tuin, waren heure haarvlechten losgeschud. Dan vlocht hij het platte zijig haar weer tot strengen. Het was hem een ongemeene weldaad, dat hij zijn voorzichtige vingeren over haar broze kopke bewegen mocht, zoo in de vlakke zon, die de lokjes deed glimmen en krullen. De zon spetterde overal en de struiken waren, langs den grond, als vlammen van zonderlinge verve. De bijen gonsden. Een koppel witte vlinders wipten in de heete ruimte over malkander.

Het gebeurde ook dat de kwade regen hen binnenjoeg. Ze vonden een lieve schuilplaats bij Vinus in den stal. Ze roken er den zwaren geur der koeien, al zittend op een frisschen klaverhoop, en Vinus kwam, rechtover hen, op den harden rand van zijn beddebak leunen. Hij smoorde er en dampte langzaam. Een draadje was om den steel van zijne pijp gewonden. Binst dat de ruchtige regen neerspatte op 't voorhof en klepperde op de dakpannen, vertelde hij wel eens een trage historie. Hij vertelde van Peer-Lapeu, of van Jaakske-met-ze-fluitje of van de Zeven Prinsessen van Mississippi. De koeien kauwden verduldig. Tusschenbeide draaide er eene haren grooten kop en keek met droomende oogen uit de half-duisternis en haar muil verging, zonder haast, van rechts naar links. Ze kluppelde met haren staart. De dakgoten geraakten boordevol en begonnen lawaai te maken op de vloerkareelen daarbuiten.

Wanneer echter de avond mooi was en de zon het ronde westen beschilderde, gingen Emanuel en Renildeken langs de Scheldeoevers wandelen. De Schelde was gelijk een violet lint met zilveren en gulden blikkering. Ze voer wijd-kronkelend door de platte meerschen. Tegen den hemel steeg bol, blauw en goedig, de struische Kluisberg en achteraan wapperde de pracht van het avondvuur. Ze kuierden nevens 't water. De kikvorschen sprongen vóor hunne voeten uit het gras, en bij elken stap steeg een wolkje muggen en kleine vliegen en sprinkhanen rondom. De bleekroode kardamienen trilden tenden hunne hooge stengels.

--Nu denk ik aan de prinsessen, Mane, zei Renildeke, en in hare strakke oogen leefde inderdaad een beeld van droomende wonderlijkheid.

--O ja, antwoordde Emanuel, dat is omdat ge al die kasteelen ziet boven den Kluisberg.

Boven den Kluisberg hingen in roerlooze verscheidenheid de paarse en purperen en oranje wolken. Zij vormden er een verre water, waar opdook een eiland van goud. Schoon zichtbaar tusschen het teere loover steeg daar, met zijn verschillige koepels en talrijke torens, een hemelsch kasteel. Renildeken keek ernaar en zocht er de vensters, de deuren, de breede gaanderijen, en de fonteinen die voor de middelpoort opschoten in den vorm van een doorzichtigen waaier. Het eiland geleek op een uitmuntend park, en het gewas stond er liefelijk geschoren of gebeiteld in levend koper. De lanen lagen effen en klaar. Eene groote stilte versierde het landschap.

--Nu merkt ge toch, sprak Renildeken, dat alles wat Vinus ons verteld heeft, waar is.

Emanuel werd zeer ernstig en zei met een innig gevoel:

--Hoe zou het anders?

Hij drukte de kleine hand van Renildeken, die nevens hem stond in haar donker smal kleedje, heel luttel en gracelijk midden de sterk-groene weidevlakte ....

Maar 's winters, bij hard weder, bleven ze in de warme huiskamer. Ze waren er meestal alleen met moeder Doening, want vader en Victorien hadden hun werk in de schuren en stal. Moeder Doening liep, als naar gewoonte, lachend of pruttelend over en weer, en ze maakte veel gedruisch bij de ronkende kachel, onder de potten en de pannen. In den namiddag stond de machtige ketel op 't vuur en werd de koedrank gekookt. De sterke geur van ontdooiende beeten en bladersap walmde om den huize. Emanuel zat met zijn nichtje bij 't venster, waar blauwde de flauwe winterdag. Als het sneeuwde, tuurden ze naar den gang der waggelende vlokken, en alles op de hoeve werd wit en licht en doodstil. Andertijds las Emanuel voor uit een groot boek, dat verhaalde van het leven der Heiligen. Hij had eene zachte stem, en ze klonk eigenaardig in de keuken, geheel afgezonderd van moeders rumoerig bedrijf. Renildeken hoorde niets dan deze lieve stem, die het leven der Heiligen uitbeeldde in den droeven wintertijd. Ze zat op de bank en leunde met haar porseleinen hoofdje tegen het raamberd, juist in de witte plooien van de venstergordijn. Hare witte handen lagen saamgevouwen op haren schoot, licht als een asem of een geur. Soms schoot een zenuwrukje door hare leden en dan roerde haar nauw lijfje gansch: dat was eene zonderlinge gewoonte bij haar. Wanneer Emanuel onder 't lezen even opkeek, trof hij den peinzenden blik van hare ronde oogen die, als een dubbel lichtsignaal, waren op hem gevest. Dan glimlachte ze, en het waren gulden uren ....

Zoo, al naar den gang van den tijd, groeiden ze op. De schoolmeester van het dorp kwam hun leering geven in de taalkunde en het rekenen en de geschiedenis. Emanuel was zeventien jaar oud geworden. Vader Doening riep hem in het koude salet en vroeg hem wat hij zinnens was te doen in de toekomst. Van deze onderhandeling met zijn vader heeft Pastoor Doening altijd eene zeer scherpe herinnering bewaard, omdat het de eerste aanval was, dien zijne heerlijke kinder-illuzie te verduren had.

Hij voelde, onder de koude blikken van zijn vader, plots een schokkend leed. Moest hij iets doen in de toekomst, dat niet de voortzetting was van hetgeen hij nu deed en in het verleden dag aan dag gedaan had?

--Ge wordt nu een jonkman, sprak boer Doening; er kan geen kwestie zijn van langer hier om te kuieren met sprookjesboeken en meisjesgekheid. Het kan mij niet schelen wat er van u gewordt, maar droomen in luiheid mag niet. Uw broer Victorien zal voor de boerderij zorgen. Daar moet iets van een anderen aard verzonnen worden voor u. Ik heb er met moeder al over nagedacht. Moeder is in die soort van zaken nog al oolijk. Zij meent dat het u best zou staan, als ge priester wierdt.

Het viel Emanuel zeer hard. Hij dacht aan Renildeken, aan al de mooie dagen die hij doorbracht met haar. Hij zag ze in haar smal kleedje en zag hare zoete wangen, die bepoeierd schenen met een geurig meel van zeldzame bloemen. Heur bleek-glanzend haar lag plat en in twee rechte strengen gevlochten. Hij vroeg aan vader Doening wat deze met Renildeken zou doen.

--Wel drommels, jongen, viel Doening uit, waar bekommert ge u mede? Renildeken blijft bij ons. Ze heeft geld en zal later wel een jongen boer vinden uit de streek. Ondertusschen zal de schoolmeester haar nog maar wat onderwijs geven. Dat komt alles wel in orde. Het staat met u lang zoo genadig niet.

O! neen, dacht Emanuel, het staat met mij zoo genadig niet. Ik heb zoo langen tijd aan mijn ongeluk gesponnen en de ellende van mijn toekomst voorbereid. En hij voelde het massale noodlot, zooals dat in het Heiligenboek beschreven staat. Vluchtig zag hij de oude letters en de zware prenten, en speurde hij den reuk die uit de malsche bladzijden opstoof.

--Vader, sprak hij, ik zal er binst deze week over nadenken.

Hij dacht er inderdaad van den morgen tot den avond over na, en 's nachts insgelijks, behalve binst de weinige uren, welke hij slapend sleet. Al die diepe mijmering bracht hem eindelijk tot de zekerheid, dat hij het buiten Renildeken's aanwezigheid niet lang uithouden zou. Hij vluchtte haar om zijn gedachte zelfstandig te maken; doch hij voelde zich immer inniger met haar verbonden dan toen hij haar verlaten had. Ze merkte het ongemak dat hem kwelde, en op haar peinzend gezichtje lag, gelijk een nieuw en delikaat gepoeier, de zoetigheid van haar medelijden.

Eens zat ze alleen en heel bleek op de gladde bank van het priëelken. Emanuel slenterde langs daar en hij was waarlijk verschrikt, omdat zij er zoo treurig uitzag. Hij vatte seffens haar handje, dat killig was en daar rustte op haar zwart kleedje gelijk een koude manestraal.

--Rene, zijt ge ziek?

Ze wachtte, eer ze hem antwoord gaf. Al de geluiden van den tuin tikkelden uitermate duidelijk op in de lucht binst deze korte stilte--en niet het minst de schokkende tjirreling van een koninksken, dat in de linker syringa zat. Toen sprak ze:

--Ik weet het niet, Mane; maar het is me helder geworden, waarom ge sinds dagen zoo vreemd te moede zijt. Ik heb geraden dat ge verhuizen moet ....

Hij keek haar aan. Het trof hem dat ze verhuizen zei. Hoe akelig juist, hoe scherp-waar klonk dat woord! Verhuizen, dat is in een ander huis gaan, een ander nest ievers maken, en het oude hangt ledig, terwijl de wind en het onweder het aanvallen langs allen kant. Het schoone leven dat hij met Renildeken gesleten had, schoot met levende kleuren door zijn geest. Hij werd week en aangedaan. Hij voelde haar killig handje, en zijn tranen rolden ....

Toen begon hij het geval uit te leggen. Ze luisterde en sprak geen woord. Haar gewoonlijk zenuwrukje snokte door al hare leden. Ze knikte. Ze tuurde alover den tuin, waar de zon losbandig bezig was. Poelie, de hond, lag lang uitgestrekt bij het hek en hapte soms naar een lastigen horzel. Het koninksken wipte al meteen in den rechter syringastruik.

Nadat Emanuel alles verklaard had, zei ze:

--Mane, ge moet een priester worden, ge moet een heilige worden, zooals die velen uit het oude boek.

Ze weende niet. Ze was een oud vrouwtje, heel nauw-gespannen in haar keurslijfje, heel klein en broos, met een kopje van doorzichtig porselein en oogen vol met verduldige ervaring ...

Wanneer dus Renildeken aan hare vlugge ziekte gestorven was, verliet Emanuel de witte hoeve en sloot zich op in het Seminarie. Hij werd priester, doceerde een tijd de theologie te Leuven, en, na den dood van zijne ouders, maakte gebruik van het niet geringe vermogen dat zij hem achterlieten, om te Brussel een zindelijk huis op te trekken en er stille, door het rumoerige stadsleven heen, zijne fijne emotiviteit te oefenen. Hij had geen bezigheid: hij ontwikkelde met eene instinktmatige zorgvuldigheid de machten van gevoel, welke hij in zijne kindsheid had vergaard. Hij bebouwde dat aandoenlijk eigendom en legde er zich met onbewust vernuft op toe om het kostbare zaad, dat God in hem had neergelegd, tot vruchten van liefde te doen gedijen.

Het huis dat hij te Brussel bezat, was een der fraaiste van de Hamerstraat. De wijk was buitengewoon rustig. Eene burgerlijke voornaamheid maakte er de lucht eenvormig-grijs en benevelde, met een toonlooze deftigheid, de verschillige stadsluchten. Van de effen huisgevels, waar de vensters als beloken oogen schenen te slapen, viel de grijze kilte op den grijzen steenweg neder. De deuren stonden glanzend in hunne versche verve en de loerspiegeltjes die tallenkant naast de ramen uitstaken, waren het eenig teeken van de bedrijvigheid der bewoners. Het was eene doode straat en, gelijk wolken, stoof er de nagalm van het ronkende leven dat, ginder tenden, op de breede lanen woelde.

Pastoor Doening had deze wijk gekozen omdat hij ze, op haar uiterlijk beschouwd, vereenzelvigd voelde met de stemming, waarin hij, zooals een spinne te midden van hare web, schoonspinnend te leven zat. Hij voelde zich hier eenzaam en zelfstandig. Zijn huis was met sobriëteit aangelegd, maar het droeg niet die magere strengheid, die in vele pastorijen zoo killig aandoet. Het was helder, innig, geheel modern in zijn bewerking, en 't had een uitzicht van mooi bedaren. In de breede kamer, waar hij meerendeels zat en die met gele gordijnen van de luchtige tuinveranda gescheiden was, had hij eene mahoniehouten bibliotheek geplaatst en al de overige meubileering, die keurig en eenvoudig was, had hij in halve ronde om den wijden open haard geschikt. Op het schouwblad stond een marmeren borstbeeld van Guido Gezelle. Er boven hing een oud tafereel van Giorgione, de Heilige Magdalena bij het Kruis.