Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 4

Chapter 43,980 wordsPublic domain

Bij den brief van Rupert Sörge schoot óp zijne aandacht. Hij las langzaam den korten brief, terwijl hij zich de sierlijke gestalte te binnen bracht van den nieuwen vriend, welken hij, evenals Simon Peter, in het atelier van Pacôme had opgedaan. Hij zag Sörge's bleek-ovale gezicht, met de diep-gloeiende oogen, het zwarte snorretje, de glanzende favoris, en het evenrondlokkend blauw-zwarte haar. Het trof hem nu hoe fijn Sörge zich aanstelde in alles, en deze brief insgelijks was subtiel-sober, gelijk al wat hij deed of gebaarde. Hij had de weldadige goedheid van Peter, maar ze was fijner-gesnaard en drong, als met broze draadjes, verder en dieper. Hij was geen kunstenaar. Hij leefde rijk, zijn leven vullend met zijn eigen. Ernest was seffens groot vriend met hem geworden, en bekende dat hij een buitengewoon mensch was. Driemaal herlas hij het briefje. De woorden, daar stille en ongekunsteld neergelegd, rankten saam tot eene stemming vol echte en klare gevoeligheid. 't Was alsof hij neerblikte in de pure diepte van vijvervrede. Het deed hem sterk aan.

Juist klopte Simon Peter en trad binnen. Hij zette zich onder het breede venster. Zijn zwarte baard somberde weg in de zwaarte van zijn zwarte frak, maar bleek blonk zijn hoog voorhoofd. Hij zat heel recht, vroeg zacht:

--Hee-wel! ouwe jongen, gaat ge u wat opknappen?

Zijne handen rustten wit op zijne knieën. Zijne stem klonk als een zoete troost. Ernest zuchtte eens, keek langzaam op, knikte. Hij voelde zoo duidelijk dat Simon bevreesd was hem alleen te laten, en dat hij nu kwam praten om 't naderen van den avondstond te bedekken met gewone geluiden en gewoon gebaar. Hij was er dankbaar voor en wilde toonen ook dat hij 't noodig had. Hij wachtte, eer hij sprak. De korte stilte lag bloot op de wonde, die Simon heelen wilde. Toen zei Ernest dat hij veel beter was, dat hij geslapen had en zich thans probeerde op te beuren.

--Het zal wel gaan, mijn goede Simon. Ik dank u hartelijk.

--Och ja, troostte Simon, ge moet maar naar voren opblikken. Dat is heel de zaak. Met dat verdiepen in gedane dingen, dat eenvormig inwerken in 't verleden, schiet ge niet op. Ge ontzenuwt gansch, demoralizeert en ontbindt u, wordt een rotte lap. Ik wil u niet den troost geven van volzinnen, Ernest. Ik vind dat uw leed moet zijn volte hebben en dan traagzaam kan vergaan. Ik vind het goed alzoo. Het is de waarheid, die niet kan getroost worden noch verborgen. Maar ik zeg u: spekuleer niet met het verleden. Kijk voorwaarts.

Ernest knikte ja. Hij zou doen zooals Simon 't aanried. Veel toch hing van eigen wilskracht af, en hij zou zich in acht nemen. Hij sprak onwillekeurig van Sörge's brief:

--Daar hebt ge Sörge, zei hij. Hij schrijft dat hij niet troosten wil, maar zijne vriendschap aanbiedt als een steun. Lees eens zijn brief, Simon. Hij is vol roerende simpelheid. Het spijt me dat ge niet zoo erg met Rupert ingenomen zijt als ik.

--Ja toch.... waar haalt ge dat?

--Wees niet overmoedig. Ik zie het best. Als Rupert bij me komt, wordt ge somber en stilzwijgend. Meent ge dat hij hier eene reeds bezeten plaats wil innemen? Onzin.

--Ik begrijp u niet, waarlijk niet.

--Ik meen: vreest gij dat hij u kwetst in uwe vriendschap voor ons, of dat hij mij treft in mijne genegenheid voor u? Onzin, onzin. Hij is heel anders dan gij. Hij beweegt zich op een gansch verschillend terrein. Hij is zoo schrander en zoo fijngevoelig, zoo uitmuntend hedendaagsch. Is er iets dat moet verdedigd worden bij hem? Simon, zeg het mij. Wat hapert er?

--Maar, lieve vriend, ik ben heelemaal op zulke vragen niet voorbereid. Daar komt ge nu ineens mede voor den dag. Ik ben zeer verwonderd. Ik weet niet wat ge bedoelt. Ik herhaal: ik weet het niet, Ernest. Wat wilt ge mij doen zeggen? Ik waardeer Sörge zeer. Hij is een allergevoeligst man en een sterke geest. Al oefent hij in schijn geen kunst, hij is grooter kunstenaar dan wij allen: zijn onweergâlijk meesterstuk is hij zelf. Ik stel hem hoog op prijs. Dat hoort ge nu. Maar ik voel me niet, in losse genegenheid, aangetrokken door hem.

--O! daar heb ik u! Daar hapert iets.... zei ik het niet?

--Om met de bloote waarheid uit te pakken, Ernest--ik ben bang voor dien man.

--Nee, geen raadsels .... ik heb hoofdpijn.

Simon stond recht, kwam over Ernest bukken, legde zijn breede zware hand op zijn schouder. Ernest keek op en zag den genegen glimlach in Simon's zwarten baard. Simon vroeg:

--Willen we nu rustig blijven en een poosje afbreken met onze ijdele ontledingsgewoonte? Laat, vandaag, de avond naderen. In den peiselijken avond kunnen we altegare uwe verleden moeder gedenken, en, binst de stilte, uit ons ganscher hart, haar hulde brengen gezamenlijk. Ik ben bij u gekomen om u in de eetzaal te brengen, waar iedereen wacht op u.

En hij lachte goedig, drukte op den schouder van Ernest, sprak gedempt en overhalend. Ernest vatte zijne handen ....

Maar gelijk een rap windje kwam Francine binnen stuiven. Ze bleef palstaan, als ze Simon zag, bloosde en opende zeer wonderlijk hare groote groene oogen. Terwijl Simon achteruit week, sprong ze naar voren en viel in de armen van Ernest. Ze weende, dook haar hoofdje in zijnen hals, kuste hem. En aldoor snikte ze onderwijl:

--Mijn arme broer, mijn arme, arme broer! Ach Heere! hebt ge nog zoo'n hoofdpijn?

Ze streelde hem met hare kleine handjes over zijne kaken, over zijn blonde snor, in zijn bruin-blonde haren. Had hij inderdaad nog veel pijn? O! het was zoo'n lieve, dierbare moeder! En had hij gezien de krokussen, die zij had medegebracht voor moeder? Maar het was zoo akelig-donker in de groote zaal, waar moeder was. Waarom hadden ze 't toch zoo buitenmate donker gemaakt? Zij zou nooit durven in de eendelijke zaal gaan. Nooit meer in haar leven!

Hij stilde haar, zoende heur goud-geurende lokken, omsloot in beide handen haar mooi kopje, dat traande en kloeg. Hij keek minzaam in haar aangezicht, tot ze bedaarde en te glimlachen begon. Ze glimlachte schuchter, kinderlijk; hare tanden perelden in de halve schemering en hare natte lippen glansden. Ze lachte eindelijk zeer vrij, vertelde dat ze goed gewend was aan hare nieuwe kamer en dat ze wel verlangde om niet naar het groote huis op de Regentielaan te moeten teruggaan. Ze zou al haar klein gerief door Mariëtte doen halen en 't was niet eene zeer groote vracht. Ze kon 't wel missen, maar ze had het toch ook wel noodig. Vere stelde zich met eene te simpele toilet tevreden. Het allernoodzakelijkste ontbrak bij Vere. Vere had ook geen kamermeid. Vere wilde geen kamermeid. Hoe deed Vere, om dan toch degelijk gekleed uit hare kamer te komen? Beeld u dat in.

Zoo was ze aan den gang. Ze blikte somtijds naar Simon Peter, die bij de roode venstergordijn stond en, alover Ernest's hoofd, droomend staarde op Francine. Ze verlieten alle drie tegelijk de studeerkamer. Ernest had zijn linkerarm om de leên van zijn zusje geslagen en zoo gingen ze de trap af.

Het avondmaal was uitzonderlijk stil. Mijnheer du Bessy zat alleen aan een kant van de groot-vierkante tafel. Vere zat naast Peter, rechts, en links zat Ernest met Francine. Een kant bleef ledig. Een stoel stond er en een bord. 't Was, juist rechtover mijnheer du Bessy, de open plaats van pastoor Doening.

Oomken sprak niet, at met moeite een zierken. Hij tuurde onnoozel rond, tuurde een heelen tijd naar de twee mooie vijfarmige kandelaars, die op het blak-witte ammelaken en langs de glazen en schotels hun roerende klaarten wierpen. Hij zat te dubben op het pasteitje-met-kip, dat op zijn witte bord lag, juist te midden. De oude Ko had het juist te midden geleid. Het had bruin-gerookte randen en de gulden saus glom er over heen. Mijnheer du Bessy merkte het goed, staarde als een die niet weet wat nu daarmede te beginnen. Hij moest zich werkelijk bedenken, eer hij het pasteitje met mes en vork aandurfde. Soms luisterde hij naar de korte gesprekken, viel er te onpas in, ja zeggend, of nee-hoor! of gunstig knikkebollend. Ko bracht hem altijd versche spijs. Hij hief zijne oogen op naar Ko, blikte dwaas in het onveranderlijk-droef gelaat van Ko, en dankte zonderling. De spijzen hadden voor hem ongewone uitzichten. Hij belonkte ze met schijnbare belangstelling, liet ze een lange poos ongetaakt op zijn schotel, scheen er eindelijk kennis mede te maken. Maar dan juist had hij geen trek, en hij tuurde alweer naar de mooie kandelaars. Hij schrikte als iemand hem aansprak. Vroeg Francine:

--Oomken, smaakt het niet?

Dan schrikte hij, stak zijn kop nuchter vooruit, mummelde met werktuigelijke beleefdheid:

--Als het u belieft?

Seffens was hij weer weg in gepeinzen. Hij hoorde Simon Peter kalm spreken van het schoone meiweder, en Ernest kalm antwoorden, en Vere spaarzaam medepraten, en boven alles, er tusschen in als kinder-wispelturigheid, het heldere getater van Francine. Hij zag overhand alles na en, dadelijk alles vergetend, herzag en herzag. Op den schoorsteen stond een hooge spiegel in gouden lijst, en vooraan, op een kleine klokkekast, een blauw-groen porseleinen meisjeskopje. Tegen den diep-bruinen wand, aan de beide zijden van den spiegel, hing het geschilderd portret van moeder en van den ouden heer Verlat, haar eersten gade. Hij keek bij voorkeur naar den spiegel en het porseleinen kopje, dierf niet kijken daarnaast, waar de portretten zacht te voorschijn kleurden. Zijn geest echter was vol met die twee gebeurtenissen, en hij had schoon het klokkekopje te bezien en te beletten, hij geraakte er niet toe om gansch erop zijne aandacht te dwingen. Dan zonk hij achterwaarts, in het verleden. Hij wist nog goed hoe diep de brave heer Verlat zijn nichtje beminde. Hoe oud was ze toen? Wacht, dat wist hij te berekenen. Negentien. De du Bessy's waren niet rijk, Verlat integendeel had flinke renten. Hij kwam alle avonden zijn hof maken, en, al was hij niet zoo jong meer, men ontving hem hartelijk. Verlat werd du Bessy's beste vriend en hij zou trouwen met het nichtje. Dat was besloten. Hoe eerlijk zag er het nichtje uit in haar witte huwelijksgewaad! Ha! Ha! du Bessy had een beetje geweend dien avond. Ze was zoo jong, zoo jong.. Maar Verlat was een uitstekend man, een man met een hart van louter adel. Wel! ze zouden gelukkig zijn, had du Bessy gezeid. En du Bessy begon een leventje van een lichtmis, woonde heel alleen, bezocht haast nooit zijn goeden vriend en zijn kostbare nichtje. Maar hij wist toch heel goed dat ze gelukkig waren. Deed hij niet? Ja wel. Hij ging op informaties. Toen kregen ze een zoontje, en naderhand een dochtertje. De kinderen groeiden op en du Bessy werd oud; du Bessy woonde nu zeer, zeer alleen, voelde 't zoo smartelijk, hunkerde naar dat kleine jongetje en dat broze meisje. Ha! Ha! du Bessy weende nog af en toe een beetje .... Verlat stierf.

Verder mijmerde Oomken niet. De rest was een vage veeg in den verstreken tijd. Hij herbegon liefst, van vooraan, den droom langs het lieve nichtje dat trouwde met den ouden vriend, en hij zat daar, met zijne vork in zijne hand, te staren op het blauw-groene porseleinkopje. Ineens--juist hing eene ongemakkelijke stilte over de tafel--zei hij:

--Wil ik eens wat vertellen?

Zijn kop bloosde. Zijn zwarte knevels en zijn geitebaardje blonken als voorheen. Ook zijne oogen waren met een nieuw leven beroerd. Zijne wangen echter hingen flets en groeven rimpelden op zijn voorhoofd. Hij blikte iedereen in het aangezicht, keek verward en zijn halsboordje stond wit en stijfrecht, langer en smaller in schijn dan het was.

--Wie ooit, sprak hij dof, zal den naam kennen van dien geel-harigen faun die dagen aan dagen aan den oever van Oceanos' rijk, in het hooge lisch te loeren zat? Hij zat waarlijk in het hooge lisch, terwijl hem niemand daar vermoedde, en hij floot, op rieten, aardige deuntjes, van vroeg in den morgen dat hij te loeren zat. Maar zijn deuntjes waren lang niet vroolijk, en het leek wel alsof niemand in het lisch leefde, tenzij de kleine wind die door de halmen kloeg en verder wegstreek, gelijk een zucht, alover de zee.. Alover de zee.

Francine vestigde op hem hare groen-blinkende oogen glimlachte half, had seffens eene groote aandacht voor het witte sprookje dat Oomken zoo schielijk in de grijze stilte deed optikkelen. Oomken scheen zich te bedenken, belonkte zijne tien vingeren, die al te zaam rond den gebloemden rand van zijn dessert-schoteltje lagen, herhaalde nog: "alover de zee" en:

--Dat is toch jammer, hee? fluisterde hij, dat is toch jammer.... dat ze gestorven is.... dat ze gestorven is....?

Men keek hem aan met verbazing. Mijnheer du Bessy voltooide in gepeinzen het vertelseltje dat hij begonnen had. 't Ging vlug en jagend door zijne hersens; doch hij kon niet weerstaan aan de gewoonte die hem sinds lange jaren beheerschte, om alles wat hij dacht of voelde met mythologische decoratie te omhangen.

En zoo ging in hem de gebeurtenis van een faun die wachtte op Dione, de jonge dochter van Oceanos, god van het schuim en de baren. Ze placht in de nabijheid te dartelen op het roerende rijk. Ze was schoon, en geen nimfe was schooner dan Dione, dochter van Oceanos. Maar de faun was onbekend. Wie zal hem ooit kennen, vraag ik u?....

De hazelnoten lagen binnen hunne roode sluts op een kristallen schaal. Een zeldzame meloen rondde zijn oranje bulten op onder het kaarsenlicht, en vroege kersen bloosden op een stapelken in een zilveren kom. Vere staarde Oomken aan. Van deernis kwam haar gemoed vol, en ze was te wege hem te omhelzen en te sussen als een kind, tot hij bedaren zou.

--Welnu, dacht Oomken, daar kwam op een morgen Zeus over het water, en hij werd op Dione verliefd. Alzoo kaapte hij Dione, dochter van de zee. Van blijdschap weende de faun in het lisch. Ja juist, van blijdschap. Sindsdien, oud geworden en half-blind, blijft hij gedoken bij den oever, dagen aan dagen, en schuifelt op zijn rieten tuig zijn zonderlijke deuntjes, alover de zee. Kent gij hem niet? Zijn gele haar is gelijk den gloed van de avondzon. Hij luistert naar 't gespeel van Aphroditè, op de baren; want alle uchtends komt dartelen op het roerende rijk Aphroditè, de hemelsche, dochter van Dione en van Zeus.

--Verder! Verder! lispelde Francine, terwijl ze in de uitlengende stilte verrukt hare handjes samenbracht.

--Mijn kind, sprak Oomken, glimlachend, het is al zoo langen tijd geleden .... Ik weet het niet meer.

Hij glimlachte vreemd, en 't was alsof hij weer zeer hoofsch en zeer galant werd. Hij was zoo ineens met zijn vertelsel in de stilte gevallen, had met kleine gebaren zijne woorden omsierd. Hij deed gelijk vroeger, brillant-sprekend en traag-voornaam. Maar zijne oogen droomden zonderling, en als hij met vertellen ophield, droomden ze voort, alover het glimlachje, waarmede hij Francine bejegend had. Nu echter stapelde op de wit-glanzende eettafel de stilte hare onzichtbare lagen ongemak. Mijnheer du Bessy bemerkte niet dat iedereen hem verlegen aankeek en niet wist hoe die onverwachtsche verzinsels uit te leggen. Hij tuurde naar een trossel druiven, die Vere op zijn bordje geleid had, en overhand naar de kristallen kom met water, ernevens geschoven. Werktuigelijk plukte hij de blauwe druiven en doopte ze herhaalde malen in de glinsterende kom. Hij zoog het frissche sap. Soms hing een druppeltje in zijn snor, en 't biggelde daar, en 't viel op zijn witte servet. De toppen van zijne vingeren glommen. Hij zweeg. Hij had zich in nieuwe gepeinzen verwijderd.

Simon Peter wilde de ondragelijke lucht breken en de stemming redden door behendige gezegden. Hij probeerde met eene lichte toespeling op het mooie verhaaltje van mijnheer du Bessy. Zijne korte, gemaakte volzinnen ploften in de ruimte als in een poel. Nog zwaarder werd de lucht. De lucht werd inderdaad benauwd. Hij kwam vol met de verschillige bangheid van allen, tot, op een einde, eeniglijk er waarde het beeld van moeder, die overleden was. Al de oogen waren schuchter op het ammelaken gevestigd, staarden naar het lichtgespeel langs de glazen, de schotels en het rijk-beverfde fruit. Al de geesten drongen integendeel door den nacht heen, slenterden over het donkere kerkhof, zagen de versche aarde, waaronder moeder haren eersten doodnacht doorbracht. De oude Ko stond, achter Oomkens stoel, stijf overeind. Langzamerhand zakte zijn hoofd op zijne borst neder, en zijne blikken lagen vast op de blanke tafelbedekking, met al de andere blikken, en tusschen de schoon-uitgebeitelde voeten van de vijfarmige kandelaars.

Zoo vond pastoor Doening het treurende gezelschap. Hij kwam binnen zonder gerucht, groette stil, verwonderd. Hij was een groote zwarte gestalte in het licht. Zijn grijze hoofd kleurde zilverig, taakte, gevoelig, de angstigheid die in de kamer aanwezig was.

Vere en Ernest begaven zich te bed, als iedereen reeds was gaan slapen. Hunne kamer was niet zeer hel verlicht. Twee gaspitten onder mat-groene bokalen vlamden op het breed-marmeren schoorsteenblad en wierpen in de ruimte een zacht-groene klaarte. Het bed lag onder haar blauw-satijnen met kant overladen sargie toegedekt.

Ernest had zich op een lagen zetel, in een hoek van de kamer, neergezet. Zijne knieën staken op, zijn rug duwde tegen de malsche leuning. Na dezen vermoeienden dag, voelde hij zich lam en lui en ontzenuwd. Hij kon zich niet inbeelden dat hij vandaag nog bij moeders praalkoetse had gestaan. Het docht hem dat het langen tijd was geleden. Hij zat uitgeput. De beelden van zijn smart konden niet meer inwerken op hem en aandoeningen verwekken. Al zijn geestelijk bedrijf lengde op eene lijn uit in kleurlooze schemering.

Hij zag nu hoe Vere zich zindelijk uitkleedde, hoe ze een oogenblik half naakt stond, in wit-licht hemd, op hare donkere onderjaponnen, die om hare voeten waren nedergevallen. Haar struisch-gewichtig lijf schaduwde door het fijne linnen. Hij zag hoe ze seffens haar kamerkleed aantrok, en dan, met groote zorgvuldigheid, hare rokken een voor een van den grond nam en plooide en ordelijk over den breeden stoelrug hing. Ze deed en ging geluideloos. Dan kwam ze vóor den spiegel van de toilettafel staan, ontstak een hooge kaars zonder lichtscherm, en ontvlocht langzaam hare bruine haarstrengen. Ze streek een enkele maal met een kam erover en wrong ze saam tot een dikke torsade, die donker op-pakte in haren hals. De kaarsvlam wippelde in de luchtbeweging van hare breede pagode-mouwen en deed de blauwe schaduwen over haar roomgele kamerjapon schuiven en uitrekken, mede met de gebaren van hare uit het kleed naakt-rozig oprankende armen.

Ernest keek peinzend toe. Traag gleden door zijn geest voorbij de opeenvolgende gebeurtenissen, die hij met deze vrouw beleefd had--hunne eerste liefde, de philosophische gesprekken met den uitstekenden schrijver Lieven Lazare, haar vader, de in driftige foltering volbrachte ondergang van Vere, haar vlucht van huis onder vaderlijken vloek na de bekentenis van hare zwangerschap. Het was alles, goed nagekeken, eigenlijk zeer burgerlijk aangelegd en 't bleef een lamme boedel. Wel had hij Vere lief. Hij kon echter zijn eigen bekennen dat die liefde niet zoo echt-zuiver was en dat ze, in ruime mate, met hartstocht en deernis was vermengd. Het zou, al meer en meer, een troebel gevoel worden, zwaar van vreemde invloeden. Hij zou het niet anders dan door veel wilskracht, gesteund op veel redelijkheid, kunnen in leven behouden. Hij had buiten haar geëvolueerd. Buiten haar had hij zich gansch ontwikkeld, en hij was nu een ander man, die zich, ten opzichte van haar, alleen nog herinnerde dat hij, in een tijd van geringer sensatievermogen, haar sterkelijk bemind had. Zoo meende hij. De waarheid lag daar in eene grijze effenheid als eene vlakte zonder rimpels. Hij verlangde Vere niet eens meer. Hij zou het zich tot eene gewoonte opdwingen haar lief en ernstig te behandelen, en van zijne hoogere begripskracht zou hij gebruik maken om haar met zorg te verbergen dat hij haar niet zooals vroeger liefhad. Dat was eenvoudiglijk zijne plicht. En dat was dan toch, evenals liefde zelve, een daad van deugddoende schoonheid.

Hij had over die soort gewaarwordingen aleens met Sörge gesproken. Sörge voelde de verhoudingen fijner dan hij. Hij wist de minste roerselen van vertwijfeling te omhangen met passende woorden. Hij placht te zeggen, terwijl hij zich, als naar gewoonte, achterover neerlegde in zijn zetel: "De hoop duurt langer dan de liefde. Hoe zonderling! Maar waarom ook houden wij ons aan éene vrouw?" Hij zei het oolijk, met een lachje, alsof hij een luchtig fantazietje verkocht. Ernest zag nochtans de gronden van zulke zetten zeer goed, en hij verwonderde zich dat hij 't zoo goed zien kon, in Sörge's aanwezigheid, en, buiten Sörge's bereik, zoo gansch verschillig handelde. Nu voor het eerst, al gingen zijne gedachten nog zoo kleur- en vormloos om, toetste hij duidelijk de gebreken van zijne verhouding tot Vere. Hij was uit de gewone betrekkingen opgegroeid, en Vere verwijlde er te midden-in. Hij had Vere gekend, toen hij nog geheel onder Peter's invloed zijn leven bedreef. Die liefde voor Vere was inderdaad een vrucht van Peter's gezelschap.

Het was een daad geweest van louter goedheid. 't Gebeurde ook in die periode van "eerlijke omwenteling," juist na het leelijke geweld der boemeljaren. Het was een daad geweest, gelijk Peter er altijd plegen zou. Maar Peter zou ook nooit opgaan in schooner verfijning en zich verheffen boven de burgerlijkheid van zijne zeden en gebruiken. Het kon in zijne kunst insgelijks worden opgemerkt. Zijne kunst was massaal en zwaar-lomp. Het zat zóo in de vizie, niet alleen in de uitwerking. Zijne beelden waren neerdrukkende vormen, gedaanten zonder doorzichtigheid, eene gebeurtenis in lengte en breedte, zonder diepte. Hij zou burgerlijk blijven.

Vere keerde zich om naar Ernest, bekeek hem lang, ging buigen over hem en, zwijgend, kuste hem op zijn voorhoofd. Dan knielde ze vóor het bed, viel voorover op de gele sargie, waar ze in hare saamgevouwen handen haar aangezicht dook, en begon stille te bidden.

Ze bad zoo elken avond. Het leek Ernest dat zij 't echter vandaag zoo bijzonder-theatraal aanlegde en het krenkte hem ineens. Hij vond het theatraal. Hij was nochtans gekrenkt, omdat hijzelf niet anders dan theatraal had kunnen handelen en zich bij moeders dood als een komediant had gedragen. Nu zag hij Vere's gebaar. Hij was op het oogenblik te zwak om in te zien dat ze eerlijk deed. Het leek hem theatraal. Had hij zóo niet willen wezen en had hij niet een akelig theaterbombast gespeeld? Hij werd prikkelbaar. Zijne knieën staken puntig nevenseen en hij tokkelde met al zijne vingeren erover. Hij zei kort:

--Doe niet gek. Ik ben niet in staat om het aan te zien.

Ze schrikte en stond schielijk overeind. Nog nooit had hij haar op deze barsche manier aangesproken. Ze schreef het seffens toe aan zijne overspanning, keek hem goedig in de oogen, blikte ongeloovig-verwonderd. Hij voelde dat hij niet zoo ruw had moeten uitvallen, voelde zijn ongelijk. 't Maakte hem nog korzeliger. Wat moest ze zich zoo onecht aanstellen, en thans weer, terwijl ze hem aankeek, wat moest dat overdreven gedoe beduiden? Ze fluisterde, verlegen:

--Ik geloof niet dat ge onrechtvaardig zijt, Ernest?

O! Het kon toch wel eens waar zijn, op een einde.

Zijn wrevel kon hem onrechtvaardig maken. Het was uit te leggen, na die flauwe manieren, en die flauwe vraag daarop.

--Allemaal aanstellerij, kind! Ik mag toch hopen dat ge mijn toestand een beetje in acht wilt nemen?

Hij sprong uit den zetel en stapte naar den anderen hoek van de kamer. Dat ze hem niet antwoordde, was hem nog lastiger. Hij wilde niet dat ze hem medelijdend aankeek. Hij wilde niet dat ze hem van zoo hoog behandelde. Daar had ze geen recht toe. Wat meende ze toch? Hij stak zijne handen in zijne broekzakken en wierp haar, met een gemeen lachje, toe:

--Ge bidt natuurlijk voor moeder?

--Ja, Ernest, sprak ze, bijna hijgend, ik wilde voor uwe moeder bidden.

--Ha zoo!