Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 7
Met een dergelijk karakter moest hij seffens buiten de algemeene orde gesmeten worden. Dat gebeurde. Nadat hij zich bij alle katholieke dagbladen en tijdschriften als redakteur had aangeboden en bij alle, door de schuld van zijn onbewimpelde handelingen, van de hand werd gewezen, keerde hij zich met vreeselijke woede tegen allen tegelijk. Het werd zoo erg dat de rijke priesters die hem weleens toeschoten in nood, voorgoed hunne deur en hun beurs gesloten hielden. Ook tegen die richtte hij zijne toornige schriften.
"Kijk nu, schreef hij ergens, naar dees dorre land, waar de stank nog walmt van de vluchtende honden. Dat noemen zij de aarde van God! Hier hebben zij Gods woord gepreekt! O, zal God in zijne lankmoedigheid, tot koude asch het vuur laten vallen, dat Gods Zoon op zijn hart heeft gedragen? Of wil hij, in zijne geheime gepeinzen, de toekomst vrijwaren voor de kinderen der lasteraars? Ze stikken in de onwetendheid van God. Gods woord sterft als het hun tongen raakt, en daar ligt nu, als een modder, de doode Mare, die eens blakende liefde was. Dat heb ik twintig jaar lang gekondigd, doch wat baat mijn krijtende ellende in deze woestenij van ontbinding? Ik heb gedacht dat er nog eene kerk was, dat er nog een priester was, dat er nog een getuigenis was van God. IJdele hoop! Alle aardsche toevlucht is onmogelijk en het lijkt alsof God rilt in mij, vol verachting, verlangend om ook die laatste vesting te verlaten .... Mijn God, uw wil geschiede, en uw voornemen is beminnelijk! Uw altaar wordt bezoedeld met al de smerigheid der vleezige zatheid. Uw heilige naam raakt de gekankerde tanden van ketterij en ontucht, en zie! de handen van de verlaagde priesterschap veinzen in de pestlucht het goddelijk gebaar van Uwe zegening! Zal het duren? En is het U zoet dat ik, van op het bloote stroo der armoede, met mijn kleine woorden Uwen geweldigen toorn hun in het aangezicht slinger?--O God! Uwe inzichten zijn verborgen en Uwe blikken hebt Gij van ons afgewend! Wees mij genadig ...."
Er bleven hem eindelijk maar drie vrienden meer over: Pastoor Doening, Simon Peter, de beeldhouwer, en de schilder Johan Doxa.
Deze Johan Doxa was een klein dik ventje met een ronden kroezelkop en malsche putjes in zijne kaken. Men kon er al niet meer van zeggen dan dat hij goedig was, niet zeer vernuftig, zwak en oprecht. Deze gezamenlijke hoedanigheden maakten van hem een dompelaar, niet bestand tegen de luttele aanvalletjes van het gewone leven, een schamelen menschenschuwe en, op slot van rekening, dan toch nog een gelukkigen jongen. Hij was het altijd geweest, van kindsbeen af. Al was hij op school de zondenbok en er onvermijdelijk aangewezen om alle muilperen, die zoo maar uit lol in de lucht omklonken, met een lachje en een schokje langs een van zijne bolle waggelkaken op te vangen, toch leefde hij uit puur genot, vet wordend en heerlijk-lui. Hij was, op twintigjarigen leeftijd, een oude, trage Johan Doxa met een dikken kinderkop, grijze cirkeloogen en blonde krullen in zijn nek. Hij schilderde. Hij schilderde portretten op kleine doeken, werkte maanden en maanden daaraan, likte en overlikte de gladde olieverf en hield niet op voor dat alle detailleering haarfijn was nagebootst en rot gepenseeld. Hij bekwam, op die manier, uitslagen die niet zonder verdienste waren; maar hij bleef, dank zij deze langzame bewerking, een zeer arm kunstenaar. Lieven Lazare was uitermate met Doxa's schilderijen ingenomen en hij verklaarde, na enkele weken, dat Johan Doxa zijn eenige en waardige vriend was. In zijn boek "Ploerten" schreef hij hieromtrent:
"Hij (Johan Doxa) kon een groot kunstenaar worden, maar wat moest mij dat schelen, als ik alleen dát aan hem hebben zou? Hij was een katholiek. Daarom had ik hem lief en daarom bewonderde ik hem als eenen broeder. Had God hem op mijn weg geplaatst in de regeling van Zijne allerzoetste voorzienigheid? Niets gebeurt buiten de wenken van God en ik dankte Hem, omdat het Hem behaagd had mijne eenzaamheid met eene onverwachte vriendschap te troosten. Ik bezat dus een vriend. Het docht mij dat hij, alover de vele jaren van ketterij en laster, rechtstreeks uit de kinderlijke middeleeuwen naar mij gekomen was. Inderdaad, hij was een kind. Hij lachte stil als ik hem dat zei, en zijne oogen herinnerden mij aan de zaligheid der cherubijnen. Hij toonde, wanneer hij schilderde, het geduld van een gothieker. Hij was arm, evenals ik, en ik gaf hem eten."
Te dien tijde bewoonde Lieven Lazare, in de Kathelijnewijk, een zeer ongezonde kamer, welke hij zes maanden nadien "om wille der monsterachtige schraapzuchtigheid van een éenoogigen huismeester" verliet. Dit gebeurde in 1883. Lieven Lazare had, éen jaar daarvóor, een zeer minzaam meisje ontmoet en was er nu mede getrouwd. De schrikkelijke armoede, waaruit het schrijven van een paar boeken en het opstellen van een tiental pamfletten hen niet vermocht te redden, ontbond de groote liefde niet, die het vunzige kamertje van de Kathelijnewijk ophelderde. Lieven Lazare beminde hartstochtelijk zijne vrouw en vond dat ze met alle kristelijke gratiën te gelijk versierd ging. Dit was ongeveer de waarheid, want geene vrouw heeft ooit zoo ganschelijk en zoo belangloos haar echtgenoot aanbeden, en geen man ter wereld was ooit maar half zoo grillig-desperaat, zoo klagend-toornig, zoo ingewikkeld en moeielijk van humeur tegenover haar. Ze stierf in het kraambed en liet Lazare een rood kindeken na, dat hij Veronika noemde, naar den wensch van de lieve doode.
Veronika werd geboren te Dilbeek en Johan Doxa was haar peter bij de doopvont. In "Ploerten" vind ik de volgende aardige bladzijde:
"Johan was stralend van eene vreemde vreugde, die zijn aangezicht met eene onbegrijpelijke klaarte belichtte. Hij had twee putjes in zijne kaken en zijne oogen waren niet zoo hel-grijs meer, maar beladen met eene sombere en diepe gloeiing, welke mij meer dan eens ontstelde, dien heugelijken dag. Het was duidelijk dat de Inzichten van den Goddelijken Wil hem bezighielden, gelijk een wonderlijk alaam, voor Gods lusten. Dit denkbeeld overstelpte mij, en ik drukte geestdriftig Johan's hand. In de kerk echter steeg mijne aandoening tot barstens toe, als een zonderling onweder, in al mijne leden op. De moeder van Johan, die ik met vroomheid gedenk in mijne gebeden, hield het kind boven de vont. De priester naderde met Gods Woord, en Johan stond, zwijgend en innig, als Gods Woord zelve--.. O mijn kind! o begunstigde, die onder zulke heerlijke omstandigheden den Eersten Troost hebt ontvangen, wat zal ik doen voor u, wanneer het den Hemel belieft mij in den roes van mijne zonden en de bitterheid van mijne armoede te verlaten? .... Maar wat zal er geworden van u, indien uwe doode moeder, ginder hooge, niet met de zoete wenken van haar hart uwen onzekeren wandel begeleidt langs deze aarde van ellende!"
Veronika groeide op. Ze werd een lief meisje, zacht, gedienstig en minzaam. De strenge zorgen van haar vader omsloten haar in de regels van een fanatiek-katholieke opvoeding, waarnaar zij zich, in den beginne geleidelijk, gehoorzaam wist te schikken. Ze was inderdaad eene uitmuntende natuur, uitzonderlijk begaafd en, naarmate ze opschoot en flink werd, steeg ze boven het overdreven en wilde geweld van vaders opvattingen.
Ondertusschen was Johan Doxa ook getrouwd. Hij had zich overgegeven aan eene middelmatige vrouw uit het volk, weduwe van een politieagent. Dit gebeurde op zeer geheimzinnige wijze en was de oorzaak der eerste ruzie, die tusschen hem en Lieven Lazare ontstond. Johan, die zich geheel als eene kreatuur van Lazare beschouwde, had den moed niet om aan zijn vriend de toestemming tot dat huwelijk te vragen en durfde nog minder tot de simpele verklaring overgaan, dat hij, zelfs zonder die toestemming, zinnens was "er een eind aan te maken." Een eind aan wat? Dat wist hij niet, maar hij werd, jegens Lazare, zeer verlegen omdat hij 't doen moest. Het huwelijk was, in zijn idee, iets dat men doen moet, iets waartoe men gedwongen is. De vrouw van den politieagent woonde in het huis, waar hij een zolderkamertje met een duivenkot gehuurd had, nummer 82 op de Papenvest. Hijzelf gebruikte het duivenkot niet. Hij had het aan den politieagent afgestaan, die er, om zijn pleizier, dakzitters in kweekte. Johan hoorde gaarne, terwijl hij over de fijn gestreken kleuren van een afgebeuld doek gebogen zat, het zachte getroetel der duiven of hun ruischenden vleugelslag, als ze, langs den witten kijker, hun vlucht namen over het grauw-roode spel van pannen en schoorsteenen. Maar de politieagent stierf schielijk, hetgeen Johan zeer betreurde, want hij ging reeds op een vriendschappelijken voet met hem om [1]. Men bracht den armen man op eene berrie naar huis. Zijne vrouw die niet leelijk was en Juliëtte heette, werd wanhopig en viel over zijn roerloos lijk aan het weenen.
Nu merkte Lieven Lazare dat Johan Doxa er sinds eenigen tijd zeer neerslachtig uitzag. Hij ondervroeg hem daaromtrent. Johan lachte even, schuw en angstig, sprak niet, kuchte en speekte. Op een morgen besloot Lazare zijn vriend eens forsig aan te pakken en kost wat kost van hem te vernemen wat hem zoo zwaar op het hart lag. Hij verliet de kamers, die hij voor een tijdje in de Broekstraat bewoonde, en begaf zich naar de Papenvest. Hij kende het huis, al was hij er maar eens binnengeloopen, sedert lang. Hij klom de steile trap op, struikelde over een hoop kinderen, die er speelden, rook den viezen geur die alom walmde. Hij kwam vóor het lage deurtje van de zolderkamer, en klopte. Hij klopte eene tweede maal. Hij riep Johan door het sleutelgat.
"Ik hoorde [2] nu duidelijk een roezemoezend bedgescharrel en Johan's gedempte stem. Ga weg, loop weg, smeekte Johan dof, kruip in de kast, kruip in het duivenkot .... o Heere! hoort ge dan niet, Lazare staat vóor de deur! .... Ik stond versteend. De twijfel knelde mij als een stalen gesp en ik voelde mij ineens precies door God zelf verlaten. Johan was daarbinnen, overgegeven aan de gemeenste der zonden, want niets, meer dan de onkuischheid, verlaagt den mensch in het aangezicht van God. Ik hoorde het spottend gegichel van eene vrouw. Ik schreeuwde: Doe open! Een vreeselijke klank droeg mijn woord en ik herkende mijn eigen stem niet. Toen--dewijl hij bang was, niet zonder reden--deed hij open, en ik zag hem, tegen den muur gedrongen, zijn vuile buik als een mestzak daar hangend, onder het scheefgetrokken hemd. Ik zag de roste haarpijlkens stekelig rechtstaan op zijne bloote dikke beenen en tegelijk zijn ronden kop, bleekglimmend van laffen angst. Op het bed lag zij. Zij was zeer onverlegen, en hare naakte armen lengden zich op het hoofdkussen in hare donkere haren, en hare keel was wit en lang, gelijk eene baan van melk. De duiven, achter de berden, deden een zoet geruisch. Ik sprak niet in den beginne. Ik wachtte naar de schrikkelijke vermaledijding, die de Hemel mij zou ingeven. Ik hief mijne hand op en werd gewaar dat ik ging losbarsten in tranen. God vernedert mij uitermate, dacht ik. Zijn naam is gebenedijd."
Het bleek seffens dat Johan Doxa zich aan geen de minste misdaad had vergrepen. Hij was wettig en kerkelijk getrouwd. Hij had dat zoo stillekens gedaan, en zijne neerslachtigheid, die daarop volgde, had geen andere oorzaak, dan dat hij 't over zijne tong niet kon krijgen om het aan Lieven te bekennen.
Lieven bleef langen tijd zonder nog naar Johan te willen omzien. Zijn boek krioelt van profetische vloeken naar het adres van den "verloren vriend, welke zijn goddelijk instinkt heeft overgegeven aan al de hoererijen van zijn zwakheid." Zijn dochtertje die vóor dien tijd met mijnheer Doxa speelde gelijk met een verduldig kind, mocht zijn naam niet meer uitspreken, en Lieven jammerde maar door, met een Elias' passie, over de bitterheid van "den kelk met eindeloozen bodem, kostbare tastelijkheid van Gods wil." Daar kwamen dagen van diepe armoede, dagen vol met den last van leven, dagen zonder lust en zonder troost. Er moest worden geld gebedeld om brood te koopen. De beenhouwer gaf geen krediet meer en de wereld scheen, op den drempel van het kamertje, dichtgemuurd. Lieven schold, in donderende brieven, de menschen uit die hem eertijds hadden de hand gereikt en hem nu, moe van geven tegen ondankbaarheid, een stuk van honderd frank weigeren dierven. Aan een jongeren dichter, die hem ter inzage zijne verzen zond, schreef hij:
"Ik ben zonder moed. Gij zegt dat ge mij zeer bewondert, en gij stuurt mij een manuskript. Wanneer zullen zij een daad doen zij, die mij een groot man noemen? Vergeef mij dat ik mijn brief ongefrankeerd aan de post toevertrouw. Mijne laatste centen heb ik dezen morgen in de klauwen van een kalen bakker gelaten. Ik heb er een droog pasteitje met krenten voor gekregen, dat mij door mijn dochtertje Veronika werd gevraagd. Zij vroeg het, mijnheer, met een bevend stemmetje, hetwelk gij niet kent en mij buiten alle mate aandoet. Ik heb geen schaamte dat ik u dat schrijven moet. Ik ben zonder moed. Ik roep het u en allen, nog en nogmaals, zooals ik het al sinds twintig jaren doe. Maar het behaagt God, mij in Zijne nabijheid te behouden, want niemand helpt mij uit dezen staat van mizerie. Ja, mijnheer, God buigt zich, op deze stonde, boven mijne schouders en ik voel zijn adem van liefde, en ik ben, in waarheid, zeer verwijderd van u. Zijne besluiten zijn allerbeminnelijkst. Wat moet ik hier bijvoegen? Ik ken u niet. Ik wacht tot ge iets doet, dat u mij kenbaar maakt.
Op een kersmisdag ging hij met Veronika bij Johan Doxa. De ontmoeting was eigenaardig. Lieven was koud en voornaam. Hij werd zeer liefelijk ontvangen en mevrouw Doxa deed haar best om er minzaam uit te zien. Ze scheen ganschelijk te hebben vergeten dat mijnheer Lazare's vroegere behandeling wel zeer beleedigend was geweest en wilde zelfs nu niet merken dat zijne houding vrij stijf en hoogmoedig leek. Mijnheer Lazare inderdaad stelde zich dees bezoek voor als een verplichten stap in de modder en hij spreidde om geheel zijn wezen en staatsie een minachtend medelijden ten toon, dat duidelijk beteekenen wilde: "Zie, nu kom ik hier, gedreven door God, als een zendeling, die dankbaar het kruis draagt van vernedering en gehoorzaamheid." Hij stond op den drempel. Zijn groot lichaam schaduwde breed en massaal in het klare deurgat, en hij zei, kijkende naar Doxa:
--Welnu, Doxa?
De profetische klank zijner stem trof Doxa uitermate. Deze zat bij het venster, naast eene wit-houten tafel en vóor een klein doek, dat hij verduldig aan het beschilderen was. Zijn rond palet was bestekeld met eene menigte puntige penseelen en op het tafelbord hief een porseleinen koffiekan haren lekkeren buik in het zilveren winterlicht. Zijn mond werd ineens droog en zijn keel raspig. Hij glimlachte nuchter en dwaas-verwonderd, terwijl zijn kop boven de koffiekan bollig uitstak. De kan was vet in haar witte verve.
Nadat mevrouw Doxa een flesch met cognac had opgehaald en seffens de geurige grogjes deed dampen, sprak Lieven Lazare die zich nederzette bij het vuur:
--Ik ben dus, Johan Doxa, bij u gekomen, met het inzicht van den Eersten Persoon. Ik heb alles doodgewrongen wat in mijn lijf van passie zich opwierp tegen deze vreemde toenadering. Wees er mij niet dankbaar om. Ik ben het middel, terwijl het doel, dat van daarhooge is aangewezen, mij onbekend blijft. Het moet u verwonderen dat God zich verwaardigen wil te neigen over u? Het is de waarheid, noch min noch meer. Het woord dat ik voer, is een stoffelijke gedaante van Zijne barmhartigheid, want Hij zal zich uwer ontfermen. Wees bedaard. Spreek niet. Roep niet. Wij zijn blind als de bedelaars van de parabel. Het oog van God straalt, onzichtbaar, boven ons, door alle tijden der Eeuwigheid.
Mijnheer Doxa blikte benauwd naar mijnheer Lazare. Even bibberden de fijne penseeltjes langs het ronde palet. Tegen de blanke vensterklaarte krulden zijne bleeke lokken en zijn hoofd was als dat van een engelachtig kind, dat naar een vreeslijk sprookje luistert. Spreken of roepen, daar was bij hem geen kwestie van; maar nu geloofde hij het toch, terwijl Lieven hem tot bedaren aanzette. Moest hij roepen? Holderdebolder klepperden dooreen in zijn bange hersens de kleine verwarde gepeinzen, die hij, gelijk sprinkhanen, opjoeg.
--Johan Doxa, zei Lieven Lazare, ontdoe u van den ouden man. Ontdoe u van de besmetting der zonde. Werp u, naakt en schreiend, in de meren van berouw, die ik u toon, den Hemel zij dank! Ik merk dat ge het beeld van Kristus op dit bonte doek wilt konterfeiten en dat geen vrome aandoening uwe vleezige hand geleidt. O arbeid niet in de duisternis; buig niet uw voorhoofd over de zwarte schimmen van uwe menschenverbeelding; kijk op, en schud uw beladen lichaam. Ik zeg het u: gij zijt zwaar van smerigheid.
Mevrouw Doxa was van meening dat hierop moest geantwoord worden. Ze zette hare vuisten in hare heupen en ging te midden van de kamer staan. Men moest zich zoo toch niet laten uitschelden. En dan nog in uw eigen huis! Nee, dat was kras. Johan Doxa keek wanhopig naar zijne vrouw, en beurtelings naar Lieven Lazare. Er viel een schoone stilte, waarbinst de prettige koffiekan haar glimmenden buik stille deed waggelen. Mevrouw Doxa plofte door deze fijne stilte, gelijk een okernoot door een spinneweb. Ze kwetterde hare verontwaardiging uit en hare lippen werden nat, karmijnrood en rap-roerend.
--Neen, mevrouw, wedervoer mijnheer Lazare afwerend, op dit terrein zal ik u niet volgen. Wees niet toornig, bid ik u. Alleen de klank mijner stem is mij eigen--de woorden, mevrouw, zijn van God.
Hij dronk eene helft van zijn walmend grogje, likte langzaam over zijne dikke knevels en zette het glas, met een tikje, op het steenen blad van de schouw. Veronika zat nevens hem op een lagen stoel. Ze droeg een donker kleedje dat in rechte plooien openvouwde op hare knieën, en een wit-pelsen manteltje dat ze had achterover geleid, op den rug van den stoel. Ze scheen niet te hooren wat rond haar gebeurde. Ze tuurde droomend naar de kachel die half-rood stond en die ronkte bijwijlen, vol geheimen. Bij den aschbak lag een klein oud hondje. Hij lag in een ronde mande, op een stuk gebloemd fluweel, en zijn grijsmuiltje rustte over den rieten rand.
--Johan, sprak mijnheer Lazare, ik ben niet gekomen met, in mijne handen, de warme herinnering van onze vroegere vriendschap. Ik ben gekomen met de Goddelijke inspiratie. Ik ben arm. Ik draag in mij de gratie der armoede. Ginder ligt het pak dat ik heb medegebracht, en hier is Veronika.
Hij wees naar een bruin-papieren pak, dat hij achter de deur neergeleid had.
--Ik heb dit pak medegebracht. Het is àl mijn goed, Johan. Het bevat enkele handschriften en een beetje linnen. De rest is weg, verkocht, gestolen--mijne kostbare boeken, mijne prenten en zeldzame houtsneden, mijne kleederen, de geheele meubileering .... enfin .... ik ben beroofd van de wereldsche bezittingen en alles is ijl rondom mij. Het is mij ingegeven dat ik bij u komen zou. Zoo ben ik dan gekomen, niet omdat gij zoudt deernis hebben met mij, maar omdat gij u zoudt bekeeren, naar mijn voorbeeld en naar Gods wil.
Mijnheer Doxa was waarlijk gelukkig, toen, in den namiddag, de zaak op een volle verzoening afliep. Mijnheer Lazare en zijne dochter bleven elf dagen inwonen bij Doxa, die weldra aan het spelen was met Veronika zooals voorheen. Hij vertelde haar wondere sprookjes, welke hij vóor de vuist verzon, de lange winteravonden langs. Hij ging met haar dagelijks de konijnen bezoeken die hij, in zijne slaapkamer, op het duivenkot kweekte. Van duiven had hij geen verstand. 's Morgens ging hij uit wandelen en Veronika vergezelde hem iedermaal. Zij kuierden door het park, bleven bij de breede waterkommen verwijlen, liepen tusschenbeide het muzeum eens binnen, waar 't lekker warm was en soms zoo eenig-stil en gezellig. Hij droeg een kort winterjasje dat op zijn ronden buik spande, en zijne smalle broekpijpen slodderden op zijne grauwe rijgsnoeren thoop. Hij lachte altijd, werkte nooit, had het schilderijdoek achter de kast gestoken en zijne borstels zoo maar in een waterbak gedoopt.
Op een middag was hij met Veronika in de versche sneeuw gaan daggeren, de breede Tervurenlaan op. De kille wind had in hun wangen gebeten en ze kwamen rood en glinster-oogend thuis. Ze vonden mijnheer Lazare op den drempel. Hij was aangekleed en droeg zijn bruin-papieren pak met een rood-en-grijs touwtje aan de linkerhand. Doxa vernam dat zijne vrouw zich "als een prij" gedragen had en dat Lazare, op staanden voet en voor eeuwig, het huis verliet.
--Dit gebeurde op een sneeuwdag [3]. Ik nam Veronika bij de hand, en het arme kind begon stil te weenen. Ik merkte ook dat Johan Doxa in schijn zeer droevig was. Hij sprak niet, boog het hoofd. Het weer was klaar. De schuinsche zon speelde hoog in de lucht. Ik had mijne manuskripten en mijn linnen in een bruin pakpapier gewonden, en 'k hoorde den zenuwachtigen stap van mevrouw Doxa om en weer de houten kamer kloppen. Nadat ik mij tegenover Johan Doxa verklaard had en, als onvoldoende verontschuldiging, zijne schuchtere bewering "dat zijne vrouw waarschijnlijk zwanger ging en raar deed" ontvangen had met een schouderophalen, nam ik dus Veronika bij de hand en trad de trap af. Ik haastte mij niet. Ik wilde hem ten minste den tijd laten tot bezinnen. Ik hoopte, in mijne goedheid, dat deze man, eindelijk door God getaakt, mij zou achternasnellen, mij met een raak woord of een smeekend gebaar tot den vrede zou terugbrengen .... Neen, hij bleef daar hooge bij den drempel. Hij zweeg. Hij roerde niet. Buiten was de winter bezig. Waar moest ik nu gaan, met dat povere kind, o mijn God! Ik had geen geld, geen uitkomst. Die vent, dien ik mijn vriend waande, had mij de deur uitgesmeten ...."
De avonturen die daarop volgden, waren àl droefheid en ellende. Het was in dien hachelijken tijd pastoor Doening, die hem eindelijk uit den nood redde. Lieven Lazare betrok een klein huisje te Evere, dat mijnheer Doening voor hem gehuurd had en leefde er een langen tijd. Daar was het dat hij zijne dochter tot vrouw zag opgroeien en hij dien heerlijken roman schreef: "Een Keerpunt." Het leek alsof hij zich aan geen pamfletten meer vergrammen zou. Die toestand veranderde echter na de komst van Simon Peter, den Jood, tegen wien hij op theologisch en ekonomisch gebied met beroerde geestdrift diskuteerde. Lange stonden zaten ze te zaam in het priëelken van den tuin te praten en te twisten, maar, hoe zonderling ook, de ijver van Lazare ging nooit tot toorn over. Hij kon met Peter niet hatelijk doen en, na de hevigste woorden, voelde hij toch zeer innig de deugdelijke warmte van Peter's aanwezigheid en was hij telkens treurig, als Peter het Eversche huisje verliet. Hij was minder ingenomen met Ernest Verlat, die, na een tijdje, de wekelijksche wandeling naar Evere mededeed.
Ernest Verlat sprak niet veel met hem. Hij zat gewoonlijk in het zonnig voorkamertje, waar er een breede Vlaamsche schouw was, geheel met tinnen potten en aarden teelen bezet. Hij zat onder het violette schouwkleed, sprak met Veronika die, bij het vensterlicht juist tegen de getafelde venstergordijntjes, borduurde ....
Lieven Lazare had den gladden rand van zijn koffietas met zijn duim geraakt, toen er op de deur van het zolderkamertje geklopt werd. Eer hij zich omkeerde, had Simon Peter reeds de klink gedraaid en stond hij, goedig-glimlachend, in de zwarte deurgaping.
--Nu, ouwe kerel!
Ze drukten malkander stevig de hand en Simon legde zijn strooien hoed op de tafel neder.
Hij trok langzaam zijne handschoenen uit en streek met zijne struische vingeren, die zeer wit waren en spierig, over den zwarten glans van zijn baard. Mijnheer Lazare ging rechtover hem zitten, kruiste zijne beenen, maakte 't zijn eigen seffens gezellig. Hij trommelde zacht op den rug van een dik boek. Naderhand boog hij zich om een sigaar op te nemen uit den lederen koker, dien Simon hem overreikte. Simon zei: