Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 34
Ze herlei haar hoofd op het kussen, en hare dikke haarstrengen kleurden zwaar op de hooge bleekheid van haren hals. En ze zei in een zucht, alsof ze moe werd en rusten wilde:
--Laat maar.... ik ben alleen.... ik ben alleen.. Roep niemand, en laat me zoo blijven--alleen....
--Wij bidden God, die over ons neerblikt, opdat Hij ons rechtvaardig make!..
Haar mond was half-open. Traag klopte een ader op haar keel. Een klein geluid stierf met een lichten adem weg over hare lippen, en het was opnieuw, alsof ze ingesluimerd was.
Pastoor Doening schudde zijn kop en, de handen vouwend, begon een innig gebed. De kamer die eenderlijk stil lag, vertoonde evenwel eene beweeglijke nieuwigheid. De vlerkslag van een aanwiekend seizoen ruischte er ieverig, gevende aan alle dingen een uitzicht van hoop en van moed. Maar over het lauwe bed naderden niet de frissche vleugels. Het gelaat van Vere lag er gelijk een wijkende herinnering....
De onzekere vingeren van Vere tastten naar den arm van Doening. Te nauwernood verstond hij wat ze zei:
--Roep hem, zei ze, roep hem gauw.... ik kan mijne stem niet heffen.
Hij wist niet wat hij doen moest. De dringende toon ontstelde hem en, ofschoon hij de vermaningen van den dokter vreesde, betrouwde hij, met de hulp van God, op de ingevingen van zijne eigen gevoeligheid, en hij ging om Verlat binnen te laten.
Deze kwam seffens. Hij stond in zijn zwarte jas. Zijn voorhoofd was hoog en wit.
--Hier! fluisterde Vere.
Ze kuchte. Ze zei nog:
--Ernest....
Hare stem was oneindig zacht. Om haar heen steeg eene zachtheid die hemelsch was.
Toen Ernest Verlat op de Kortenbergsche laan zijne vrouw was nageloopen en deze bij Doening zag aanschellen, had hij haar daar niet durven volgen. Hij was naar huis gegaan, had Ko naar de Hamerstraat gezonden met de kales, en lag dan in een zetel te wachten.
Eene schrikkelijke botsing van beelden en plannen donderde door zijne hersens. Hij had wel ingezien dat, vroeg of laat, Vere zijn verraad zou vernemen; maar nooit hadden zijne gedachten lang bij die gebeurlijkheid stilgestaan. Ze kwam nu ineens. Ze viel in zijn leven als een bliksem en ze smeet hem uiteen. Wat moest hij doen? Wat zoude Vere doen?
En hij beproefde om met objektieve traagheid zorgvuldig den toestand te meten. Hij dacht:
--Hoe wellustig zou Rupert dat doen!
De koelheid, die in de laatste weken zijne betrekkingen met Rupert eenigszins gehinderd had, belette niet dat hij in alles Rupert beneed. Zij vergrootte integendeel zijne slaafsche bewondering, doordien ze, al hem verwijderende, de kleine en storende zwakheden op dat enorm karakter onzichtbaar maakte. Ernest hield de gebeurtenis met Vere voor een sentimenteel buitenkansje, waaruit hij vreesde niet genoeg profijt te kunnen trekken. Ze overrompelde hem wel; maar zijne zinnelijke verwarring moest, naar hij vertrouwde, een zeldzaam genot worden. Het middelpunt van het spektakel dat komen moest, was de jaloerschheid van Vere. De zwaarte van het dramatisch vertoog zou zich op die jaloerschheid concentreeren. Twee mogelijkheden konnen zich voordoen, dacht hij:
--Vere loopt bij Doening. Doening ontvangt met beminnelijke zalving hare onvermijdelijke tranen. Dan spreekt hij van God, van berusting, van een beter leven. Hij komt waarschijnlijk met citaten voor den dag. Kortom hij sticht haar in het kristelijk geloof en Vere wendt haar gelaat van mij af om het naar den hemel te keeren. Als dat het geval wordt, krijgen we geen extra's. Na drie weken zegt Vere dat ze mij vergiffenis schenkt en alles is in orde. Maar de zaken kunnen ook anders gebeuren.... Vere loopt bij Doening. Zij is inderdaad wanhopig. Zij roept dat er geen God is en dat de mensch op eigen krachten en naar eigen inzicht moet handelen. Al wat Doening doet en zegt, het blijft aan de oppervlakte,--het is een oogenblikkelijke troost, die door het volgend oogenblik vernield wordt. Zij wil niet naar huis keeren en, in haar hart, wekt zij het plan om zich op Milly te wreken. Morgen of overmorgen, wanneer zij het vertrouwen van Doening ingesust heeft, gaat zij naar Milly en zij lost--natuurlijk zeer onhandig--de zes schoten van een revolver. Het kan niet anders of de wapenmaker, bij wien zij het revolver koopt en doet laden, merkt haren ingetogen drift en vult met leêge kardoezen. De omstandigheden, die hieruit moeten volgen, kunnen vermakelijk zijn....
En hij herlas den brief, dien Vere ontvangen had.
--De brief streeft naar de hand van Sörge, en van Sörge kan hij niet zijn. Ik zelf zou hem beter opstellen. Ik moet den brief naar Sörge sturen en er een nota bijvoegen.
Hij moest, bij dat al, geweld doen om met eenige kalmte zijne bespiegelingen door te zetten. Er roerde eene onbestendigheid in hem, een angst, dien hij in de peutering van zijne gedachten niet vangen, niet bemeesteren kon. Hij beschouwde dat onzeker en aldoor dreigend gevoel als eene zeldzame begeleiding van zijn wikkend en koud-kombineerend vermogen. Maar daar het aanhield en gelijk een knagende muil aan den wortel van zijn hersens peuterde, veronderstelde hij algelijk, dat zijn wil niet zoo krachtig was als zijn inzicht het wel eischte.
--Sörge is rustiger....
O, die rust van Sörge, die effen gelijkheid van aandoening, dat gladde gelaat, waarover de minste speling zijner oogen tot haar recht kwam! Ten koste van zijne natuurlijke voldoeningen, trachtte Ernest naar dien wonderen vrede, en, terwijl zijn gansche wezen in roerende bangheid huiverde, waande hij dat hij haar machtig was.
Hij had eene sigaar aangestoken en liet ze seffens uitdooven.
--Het avontuur, meende hij, zal mij in Milly's oogen belangrijk maken.
Toen glimlachte hij droevig. Hij kwam op het denkbeeld dat "de mensch geen geweten heeft, dat het geweten eene gemakkelijke uitvinding is om de wildheid der instinkten in de beleefde konversatie te matigen." En hij zei werktuigelijk, half-luide:
--Ik ben toch, goed bekeken, een walgelijk dier.
Het deed hem plezier dat hij ingewikkeld genoeg was om, langs wegen van bespiegelend genot, tot die overtuiging te komen. Het beeld van zijne moeder rees dan, vaag maar grootsch, in zijn geest en hij verdreef het met eene troostende algemeenheid:
--Wij zijn allemaal haaien.
Kort daarop was de kales binnengereden. Hij verbleekte even, herzette zich, wachtte onvast, hoorde dan, met verbazing, de stem van Simon Peter. Hij stond recht, ging rap de deur openen, begreep ineens dat een groot ongeluk in huis gekomen was. In de vestibule liep hij Simon te gemoet.
--He-wel?
Simon had een harden blik. Hij sprak niet, ging dadelijk Ko helpen, die met pastoor Doening, de bleeke Vere droeg. Ernest kreeg een stoot in de borst en zijne knieën, zwak geworden, plooiden halvelings.
--Is ze....?
Hij dierf het woord niet uitspreken. Pastoor Doening zei:
--Ze ligt in bezwijming, al lang--te lang. Simon heeft den dokter verwittigd.
Ze droegen Vere in haar bed. In stilte deed elk zijn zoete gebaren rond Vere, zoodat stilaan de kamer warm werd van innigheid. Een tijdje later, te halftwee, kwam al neuriënd mijnheer du Bessy in huis. Bij 't verhaal van Vere's beroerte ontnuchterde hij niet geheel, en daar men hem de oorzaak van de ziekte verzweeg, wat hem misschien voor goed buiten zijne zinnen zou gesmeten hebben--trok hij zonder veel praats naar zijne slaapkamer op.
De dokter vond dat Vere erg was geraakt. Wat hij ook beproefde, hij kon haar niet uit de zonderlinge bezwijming wekken. De dag ging voorbij en de avond viel eer zij bijkwam. Zij was uiterst zwak.
In den nanoen zaten Ernest, Simon en Doening in de eetzaal. Het was Ernest nog niet gelukt uit de verbijstering te geraken, waarin het onverwachte geweld der gebeurtenissen hem had gestort. De forsche vuist van het blinde toeval had hem, met één slag, uit zijn ivoren kunsttorentje doen tuimelen, en hij bevond zich zonder houvast, ontredderd, op die zee van werkelijkheid, waar hij verplicht was een menschelijk lijden te aanvaarden.
Hij leed binst die oogenblikken veel en oprecht. Het leven van Vere was hem buiten alle perken dierbaar geworden en geen meer dan hij bekommerde zich zoo uitsluitend om den tragen gang der ziekte. Pastoor Doening had deernis met hem. Terwijl zij gedrieën in de eetzaal zaten, klopte hij hem nu zachtjes op de schouders, fluisterde:
--Laat ons berouwen en vertrouwen....
Het was op deze woorden dat Ernest weer aan het peuteren ging. Het medelijden van Doening wekte bij hem de onwillekeurige zekerheid:
--Ik lijd waarlijk. Ik zie er diep-lijdend uit en betreurenswaard....
Hij analyzeerde dadelijk zijne houding, wist hoe zijn haar verward stond, hoe zijn das scheef hing, hoe zijn hemdlobben frommelden. De goedkeuring van den pastoor--want Ernest verdiende in zijn eigen oogen, door zijne korrekt-verslagen voorkomen, meer dan eene al-lang verdiende vergiffenis--die goedkeuring gaf aanleiding tot de kittelende coquetterie "om toch in dat lijdzaam uitzicht te volharden." Hij volhardde daarom met de nauwkeurigste zorgzaamheid. En dan, nadat Doening bij de zieke was binnengelaten, werd hij moe.
Den avond door en binst den nacht die volgde, onderzocht hij in zijne spinnende hersens of de dood van Vere, op slot van rekening, niet wenschelijk was. Hij nam de mogelijkheid van een wereldreis met Milly in overweging....
Het was kort vóor dat pastoor Doening hem roepen kwam, dat hij, uit al zijne ingewikkelde beramingen de oogen opheffend, den kouden, rechten, zwarten blik van Simon aanstiet. De botsing ontstelde hem, en hij bemerkte nu, voor 't eerst, de ongenegen woestheid van Simon's houding.
Simon beloerde waarschijnlijk de gelegenheid, die zich thans voordeed, om aan eene uitlegging te geraken.
--Ik hoef u niet te zeggen, zei hij ruw, dat uw gedrag mijne vriendschap voor u overwalgt.
--Gij zijt kiesch. Een ander oogenblik....
--Een ander oogenblik zal ik niet meer treffen. We zullen malkander niet zoo dikwijls meer ontmoeten. Dat hoop ik....
--Dat hoopt gij?....
--Dat wil ik. Maar ik berisp u niet. Ik beklaag u en ik veracht u.
--Simon!
--Ja. En dat kom ik u, in uw huis, zeggen. Schrik niet. Denk ook niet dat ge de verontwaardiging moet spelen. Ik wensch dat die helsche Sörge in u nog genoeg menschelijkheid heeft ongedeerd gelaten om u toe te laten, in deze pijnlijke uren, uwe vrouw te eerbiedigen. En het is omdat ik ook hieraan twijfel, dat ik onder dit dak zit en tegen wie ook uwe vrouw verdedigen zal. Heel dees huis, het dierbare leven en de liefde van dees huis, ge hebt het, door uw lafheid, laten verwoesten. Hoe men u ook bedwelmd heeft en verblind, dat zult ge toch wel inzien, meen ik?
--Ge zijt.... Kom, Simon, ik vergeef u die uitzinnige woorden.
--Ik dank u waarlijk voor uwe genade. Ik heb aan Doening beloofd dat ik mijne handen naar Sörge niet zou uitsteken. 't Is waar: hij is de echtgenoot van Francine. Maar ik zal mijne belofte niet houden, hoort ge? niet houden, zoo gauw ik weet dat hij ook Francine ellendig maakt. Open toch eindelijk uwe oogen!
--Willen wij zwijgen? Het is best. Er zijn sommige roekeloosheden, die ik niet met kalmte kan aanhooren.
--Alleen nog dit, eer ik u aan uwe kalmte overlaat: waar is het briefje dat Vere ontving?
--Sörge....
--Reeds in Sörge's handen. Ik dacht het waarachtig! God beware den schelm, want ik--....
En pastoor Doening, uit de ziekekamer tredend, had met een teeken Ernest naar binnen gewenkt.
Vere, het hoofd diep in de kussens, lispelde tot tweemaal:
--Ernest!.... Ernest!....
De doezelige schemerklaarte maakte hem eenigszins sterk. Hij vreesde altijd een vol licht op zijn aangezicht. Hij naderde, voelde dat de lauwheid van het bed en de gemengde reuken, die over de vele fleschjes van de tafel walmden, hem week maakten. Maar toen hij het gelaat van Vere zag, sprong zijn hart open van medelijden. Hij herkende Vere niet meer. Zij zei:
--Vrees niet en nader nog.... nóg....
Zij had de stem van een kind. Zij was klein geworden, zoo klein, zoo klein. Alleen haar mond, die grijs was, en hare groote oogen, door diepe koortsen gevoed, waren oud, ouder dan ze plachten.
Hij deed nog een stap, raakte de kanten franjen van de sprei. Hij zag zonder opzien de twee scherpe zonnestrepen, die op den muur klaterden. Een lange stilte begeleidde in de hooge kamer het zachte spel van het poeierig lentelicht. Doening zat neer en zijn hoofd, gebogen, gelijk altijd in verduldige bescheidenheid, scheen in de ruimte te hangen, zooals een voorzichtig en uiterst-gevoelig leven. De handen van Vere, die nevenseen op de sargie lagen, hadden niet geroerd. Haar hoofd had niet geroerd. En de stilte duurde.
Toen vroeg ze:
--Hebt ge mij niets te zeggen, Ernest?
Zij had geen ongemak om dat te vragen. Ze was heel licht en haast doorzichtig. Ze was, met die onwerkelijke stem, boven alle verlegenheid verheven. Ze was eenvoudig, en haar eenvoud had alle barreelen van het cerebrale treuzelwerk en alle misverstanden geweerd.
Maar ze bracht Verlat in het nauw. De klank, die uit deze oprechtheid steeg, kwam klokken in zijne ijdele ziel met vervaarlijke geluiden. Hij stond te sidderen te midden van zijne eigen ledigheid.
--Ja, stotterde hij eindelijk, o ja....
Hij wankte. Hij viel op zijne knieën. Een harde snik schokte uit zijn borst en hij lag daar tegen het bed, met den kop in de dekens, luidop te schreien.
De kamer was niet gestoord. Dat geweldig weenen krenkte noch de kieschheid van Doening's hoofd, noch de lijze vleugeling van den zonnedag, noch de luwe zoetigheid der ruimte, noch Vere, die met gesloten oogen te luisteren lag.
Ze luisterde naar wat haar die snikken zeiden. Ze luisterde lang en veel. Dan hief zij hare handen en zocht, stille, naar het hoofd dat schreide. Ze lei hare beide handen erop. En ze zei:
--Gij zegt dingen.... gij zegt dingen....
Hare handen vatte hij wild. Hij bracht ze onder zijn bekreten aangezicht en drukte ze op zijne natte lippen. En feller bonsde zijn hart, zoo dat het bloed, in rappe kloppen, tot op die lippen sloeg. Hij zag nu niets meer dan de grootheid van hare ziel, hij voelde niets dan den eindeloozen gloed van hare barmhartigheid, hij verzonk in haar, en zijn leed was hem een uitermatig genot. Hij vond geen woorden om tot haar te komen en om haar te danken. Hij herhaalde éen woord, dat hem zoet was en vaag, en waarmede hij in een drang tot andere woorden zou geraken. Hij herhaalde het op alle tonen en het was iedermaal met tranen bedruppeld.
--Vere!....Vere!....O Vere!....
Op zijn mond waren de handen zwak en tenger. Ze waren niet warm. Ze hadden geen streeling. Ze hadden zich overgegeven. En het geweld van zijn deernis, die eigen smart geworden was, joeg hij op over de broosheid van die handen. En gedurig vezelde hij:
--Vere, goede Vere!.... Vere!....
En dat ze voor hem geleefd had, dat ze voor hem gedacht en bemind had, dat ze voor hem moeder was geworden, het drong alles innig en diepe door dat éene woord, honderdmaal herhaald. En moeder!.... Hij snikte:
--Moederken!.... Moederken!....
Dan beefden hare handen. Een wonder leven voer er door en spande op de tippen van de vingeren. Ze vatte zijn hoofd, kroop half overeind, hief triomfelijk haar gelaat omhoog. Naar een verren hemel keek ze, naar een dierbaar beeld keek ze, naar een geliefde kind droeg ze de hulde van een herwonnen vader. En ze bad:
--Pip! Pip!....Ons zoete Pipje!....
Een glimmende blos kleurde hare wangen en hare lippen trilden. Ze lachte. Haar mond en hare oogen lachten geluideloos, in lachgrijns gerokken. Ze schudde vrij haren kop.
--Pipje! Wij hebben te saam aan u gedacht!
Ze riep het als een zegepraal en ze prangde Ernest aan haar boezem. Ze riep waarlijk hard. Ze kuste hem.
--Nessie! Nessie! Mijn arme goede jongen! Mijn verdwaalde beste jongen!
En weer kuste ze hem en riep ze op haar doode kindje. Maar hare stem brak. Hare armen verlamden. Haar hoofd werd zwaar en een zwarte wemeling van zwemmende vormen verduisterde haar blik. Nog schreeuwde ze, in volle wanhoop de uiterste kracht hervindend:
--Doening! Doening!.... Help mij! Help mij! Ik wil leven, hoort ge?
Ze viel achterover en spartelde in de dekens. Heel flauw herhaalde ze:
--Ik wil leven, ik wil.... o nu wil ik!
En flauwer, wegklagend:
--Nu wil ik zoo graag.... zôo....ôo....grâa-aag....
Met wijd-open oogen staarde ze op de zoldering en bleef zoo een tijdje. De zachte vingeren van den pastoor streelden over haar voorhoofd, en de wijde angst vlood uit haar blik. Ze hoorde zeer goed dat hij, dicht bij haar, smeekte, aldoor smeekte:
--Mevrouw tóch!.... Mevrouw!
En ze wilde zich, al hem aankijkend, dankbaar toonen. Ze keek hem stil, ongemeen rustig aan. Ze schudde nauw zichtbaar haar moede hoofd. De gasthuisnon gleed voorbij door de zonnestrepen.
--Née, deed Vere lispelend, ik voel het beter: ik ga weg van u allen.... ik ga sterv--
Een snik brak het woord.
VI.
DE ECHTE SÖRGE.
Niet zoo gauw had Rupert Sörge mijnheer du Bessy doorgezonden, of hij liep naar zijn leeskamer, schreef in haast enkele brieven en schelde Takker, die ze allen langs den vlugsten weg bezorgen moest. Mijnheer du Bessy kwam vanwege den dokter om mevrouw Sörge, door bemiddeling van haar echtgenoot, te melden dat mevrouw Verlat uiterst slecht was en haar gaarne wilde zien.
--De duivel hale u! mommelde Rupert, wanneer Oomken verdwenen was, ik vrees dat de gebeurtenissen mij vóor zijn!
Hij had dadelijk beredderd wat nog met veel haast en veel vernuft te beredderen was. Onder het schrijven en het schikken gromde hij binnensmonds zijne misnoegdheid. Maar alle uitwendige teekens van toorn of verveling wist hij oogenblikkelijk onder een glad masker van gedweeë onverschilligheid te bergen, toen Francine, die hij had ontboden, binnentrad. Hij ging haar spoedig te gemoet.
--Hoe vaart ge vandaag, melieve?
Ze liet het liefelijkste lipje, dat ooit onder Gods hemel bloosde, monkelend neerkomen.
--Slecht, deed ze pruilend, hoe kan iemand varen, die u haast twee volle dagen mist?
--Ik had het druk, heel druk, geloof me.
Ze was gewoon alles te gelooven wat hij zei, en ze deed dit ook nu. Ze ging zitten op een lage canapé en hij bedelde een klein plaatsje aan hare zij. Hij plukte in haar hals, onder het ronde haarkrulletje, dat achter haar linkeroor lokte, een lichten zoen, die jeukte.
--En dan, vervolgde hij stiller, ge waart Maandag weer zoo jaloersch op d'Orval....
--O! schrikte ze, kan dat u van mij verwijderen?
--Neen, het verwijdert u van uzelve. Dan wordt ge eene Fran, die beneden de mijne is en vrij eentonig doet.
--Ik heb op geen enkel oogenblik gevoeld dat uwe liefde eentonig was, zelfs dan niet, wanneer ik u twee dagen moest missen. Ik heb u nooit dan geheel liefgehad.
--Ik ben u dankbaar, maar hoed u voor jaloerschheid, wilt ge?
--Ik haat die vrouw niet meer....
--Hoe spijtig!
--Ik ben bang voor haar.
--Hoe spijtig!.... Hoe spijtig toch! ... En hoe redeloos! Inderdaad, ge hebt soms manieren van een schuchter vogeltje, een angstig vogeltje, en dan is het me waarlijk of mijn hart te groot is voor u. Kunt ge d'Orval niet haten? Dat ware, geloof ik, mij heerlijk liefhebben.
Ze lei hare hand op zijn mond. Haar mooi hoofd, waarrond een gouden klaarte straalde en opwalmde bij poozen een geur van meibloemen en wilde leeljen, kwam rusten op zijn borst.
--Ge eischt altijd, fluisterde ze daar, zoo reusachtige werken van mij! Och, sinds dien avond ....
--Wat meent ge?
Hij sprak korter. Hij wilde niet dat ze de groote zwakheid van dien avond wekte, hij wilde niet weten dat hij in overspanning gevallen was. In zijne oogen had hij, zelfs toen hij viel, de meesterschap over menschen en dingen behouden--maar hij had een gebied betreden dat (hij wist het nu) steeds voor Francine ongenaakbaar moest blijven. Hij hernam, zachter:
--Gij waart dien avond heel verre van mij, herinner me daar niet aan.
Ze vestigde hare groote groene oogen op hem. Ze had, door alle listen en ervaringen waar hij haar geleid had, den heerlijken schijn der onschuld in haren blik bewaard.
--Vergeef me, Rup!
Ze vroeg een kus en ze kreeg hem. Sörge zei:
--Ik heb u voor ernstige zaken ontboden.
Het viel haar in dat ze Takker in drukke werking door het huis had zien loopen.
--Gaan we op reis? vroeg ze. Me dunkt, men sjouwde met koffers in de vestibule.
--Neen, antwoordde hij los; ik, misschien, zal een paar dagen wegvliegen. Ik moet denkelijk naar Weenen, waar het bestuur over vaderlijke goederen mijn aanwezigheid vergt .... voor een tijdje .... Het moet een zware rit worden en ik houd er daarom niet aan dat ge medegaat.
--Dat is een akelig nieuws, Rup.
--Kom! .... Ik heb ook plannen .... plannen van een anderen aard .... maar dat is te lang om uit te leggen en vervelend ook. Ik zal u schrijven .... Ik wilde u vragen of ge in den laatsten tijd mijnheer Peter ontmoet hebt?
--Peter? .... Simon? .... In geen eeuwigheid.
--Ik heb een en ander vernomen .... en geraden; en dat verplicht mij buiten stad te zijn als hij zich hier aanmeldt, ook eer ik vertrek. Moest gij hem vandaag ergens ontmoeten, en dat zult gij, zeg dan eenvoudig dat ik te Weenen ben--tenzij hij u de eer niet aandoe naar mij te vragen.
Hij had haar sinds lang aan de kortheid van berichten en besluiten gewend. Ze verwonderde zich niet over den zonderlingen aard van zijn mededeelingen en ontving ze vredig. Ze vroeg toch:
--Zal ik Simon ontmoeten? Ik weet waarlijk niet ..
Ze glimlachte ongeloovig; maar, op den ernst van zijn aangezicht, werd ze aandachtig. Hij begon langzaam over hare vingeren te streelen en zijne handigheid was wonderbaar.
--Ik heb u, lieve, sprak hij trager, voor strenge zaken ontboden. Mevrouw Verlat .... Vere is ziek. Ze is nogal erg ziek, naar het schijnt. Dat is heel treurig .... Waarom kijkt ge zoo strak naar 't venster uit?
Francine keek verder dan het venster. Vere's naam, met de tijding van Vere's ziekte, wierp haar plotseling in een verleden, dat al heel verre lag. Ze zag Vere en, haarzelf, een lustig meisje dat licht door het leven wipte en geen toekomst schuwde, een kind dat ze, onder haar eenvoudige gestalte, nauwelijks voor haar eigen herkende. En al wat naderhand gekomen was, had dat kind tot vrouw gemaakt en, te gelijk, die vrouw van Vere verwijderd.
In het medelijdend gevoel, dat opvloeide in haar, kwam ze Vere en zich zelf nabij. Haastig trok ze hare hand weg van Sörge's vingeren. Ze ried dat Vere stervend was.
--Maak u niet angstig, vermaande Rupert.
Zijne stem klonk vreemd in hare ooren. Ze was gelijk een galm die troebel door duisternissen echoôt en geen beteekenis heeft. Francine keek naar hem zonder hem te verstaan. Ze voelde wel dat ze in tranen ging losbarsten; maar vóor hem, die ook haar niet begrijpen zou, liet ze hare aandoening af. Voor de eerste maal zag ze duidelijk dat, waar hij niet ganschelijk over haar heerschte, zij hem wantrouwde gelijk een vijand.
Ze vroeg niet wat eigenlijk met Vere gebeurd was. Ze wist dat, met haar te verwittigen, hij haar bij Vere tot een eeuwig afscheid uitnoodigde. Ze vroeg niets. Ze wilde, geleid door zonderlinge fierheid, niets vragen, en die fierheid was de geborgen eerbied, die nu uit hare deernis en liefde voor haar schoon verleden steeg.
Aan Sörge ontsnapte de volle beteekenis van deze waardigheid niet. Hij had haar gevreesd en zij kon hem niet meer verwonderen. Hij brak het ongemak dat tusschen beiden gekomen was met een woord, dat toonde hoe weinig hij over het voorval wenschte te praten.
--Wees zoo goed te zeggen, ginds, hoezeer me het gebeurde aandoet en hoe diep ik betreur dat een onuitstelbare reis mij van een verplicht bezoek komt berooven. Ik hoop het allerbeste met Vere.
Hij ging haar op het voorhoofd zoenen en zei, met een knikje en even buigend:
--Adieu!
Francine stond verlegen. Rupert had een gansch ander uitzicht, docht het haar, en ze deed groot geweld in hare hersens om het verschil te bepalen. Ze hoorde nog dat hij herhaalde, vriendelijk:
--Adieu! .... Adieu! ....
En ze wist geen weg met de verwardheid van haren geest. Hare oogleden werden warm, en vaag de groene blik, op Rupert gevestigd. Wat rees er tusschen hem en haar?
--Adieu! zei hij.