Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 35

Chapter 353,811 wordsPublic domain

Ze zag niets meer. Het groote licht van het venster wapperde troebel, en het was nu te laat om den vreemden hinderpaal te weren, die tusschen hem en haar gerezen was. Ze beet op hare lippen en vertrok, even schokkend, op hare hooge hakken. En hij deed de deur op hare hielen dicht.

--Het komt alles te vroeg, dacht Sörge, en ik heb mijne stellingen slecht berekend. Misschien ....

Hij zat neer, leunde over de schrijftafel,--verzonk weldra in zijne gewone mijmeringen en overtastte, met kunstige traagheid, de gladde soepelheid van het ivoren aapjesbeeld. Hij bleef heel lang, tot hij, in de verste geneugten van zijn mikkenden geest verwijlend en met de oogen toe, de palen taakte van het mogelijke denken. 't Was dan of hij sliep ....

Takker wekte hem uit dien ongemeenen slaap met de onverwachtste boodschap:

--Florjan Pacôme!

En Sörge, door woede gejaagd, sprong op.

Mijnheer Florjan Pacôme deed eene zeer aanmatigende intrede. Zijn grijnzende lach en overdreven beleefdheid verscherpten de ironie van zijne vrijpostigheid. Hij boog laag en deed zijn hoed in breede reverentie zwaaien. Hij scheen niet te merken dat Sörge, recht tegen de schrijftafel, van ongedurigheid beefde.

--Ik kom, sprak hij, ik kom, mijn beste heer, het gesprek van dezen morgen voortzetten.

De stem van Sörge was dof en siste door zijne tanden.

--Kerel! .... kereltje! neem u in acht!

Florjan Pacôme was zoo vrij te gaan zitten. Zijne geel-geschoeide handen liet hij spelen over zijne knieën. Hij zag op naar Sörge, wiens blik hij onbeschoft verdroeg. Hij kuchte even, gelijk iemand die, tot het uitbrengen van belangrijke waarheden, zijn keel bereidt.

--Het gesprek van dezen morgen was vrij.... hevig, mijn waarde! Gij zijt ook wat onverhoeds het huis uitgeloopen, wat mij noopte u het antwoord schuldig te blijven. Neem me niet kwalijk.

--Mensch, ge maakt het bont!

--Heê!? Ik ben hier met het antwoord! Is dat niet lief van me? Ik derangeer me om u het antwoord te brengen .... en het is dus maar recht dat ge mij er voor dankbaar zijt.

--Ik ben gereed! Ik ben gereed!

Pacôme voelde dat hij best deed met gauw uit te pakken, want het gelaat van Sörge was schrikkelijk geworden. Hij stond daarom recht en, de armen kruisend:

--Ik kan u thans zeggen wie zekeren brief aan mevrouw Verlat geschreven heeft. Geen andere, mijn goede Rupert, dan iemand, die weet dat gij Pezza in een auto ontvoerd hebt en die bovendien de beste bewijzen bezit om zijne overtuiging te staven.

Een vreemde, harde, schuifelende vloek ontsnapte aan Sörge. Hij wipte naar voren, stond daar, de handen naar Florjan reikend, in hevig-dreigend gebaar. Dan sloot hij zijne oogen, stiet met een korten ruk zijne kin op, en zijne kaakspieren zwollen, hoekig-gebult. Zijne armen zonken, eene rozige, gewone kleur herbracht zijn gelaat in orde, en hij keek Pacôme rustig, onzeggelijk-rustig aan.

Toen schelde hij. Takker verscheen. Hij sprak Takker in zijne hotsende tale aan, zond hem toen weer weg en had, nadien, een lachje voor mijnheer Florjan. Mijnheer Florjan had zich aan eene andere houding verwacht. Hij hoestte om, eenerzijds, zichzelf van zijne gewichtige tegenwoordigheid te verzekeren, en wijders de verwarring te bergen, waarin hij aan het zinken was.

--Verkouwen? vroeg Sörge met belangstelling.

Hij raakte even den schilder bij de mouw en zei met vriendelijke kalmte:

--Ik dank u. De mededeeling stel ik hoog op prijs. Gij waart waarschijnlijk edelmoedig genoeg om, vóor ge hierkwaamt, uwe ontdekking bij Dissel aan te bieden?

De zekerheid dat hij dit waarlijk nog geen uur geleden gedaan had, kwam niet te onpas de verlegen figuur van Pacôme wat moed bijzetten. Hij knikte derhalve gretig en meende er te moeten bijvoegen dat "het nieuws met ministeriëel welgevallen was aanvaard."

--Prachtig! beaamde Rupert Sörge--Maar ge weet alles niet en het zou me spijten moest ik, voor een greintje maar, oorzaak zijn van uwe gedeeltelijke onwetendheid.

Hij wees beleefd een stoel.

--Zet u, zeide hij, ik vraag het nu zelf.

Florjan Pacôme begon in te zien dat zijn bezoek een aard kreeg, die niet het minst met zijne vooruitzichten strookte. Beteuterd bleef hij staan, vreesde voor het verder verloop van dees avontuur en betreurde in petto dat hij niet aan de lokkende begeerte had weerstaan om, zooals hij 't zich had ingebeeld, "tusschen vier oogen te genieten van Sörge's nederlaag." Aan Henriëtte had hij bij Riche en onder het uitkakkelen van een viezen lach verklaard:

--J'm' en vais un peu rabaisser le caquet du faux grand homme! A mon tour de cogner!

Le faux grand homme, dat was natuurlijk Sörge. Daar kwam nu Sörge ineens op hem af, duwde hem met een ruk neer op een stoel, vleiend:

--Ho! Ik bid u, zet u toch! Maak het u gemakkelijk.

Florjan Pacôme zat. Vermoedelijk ware hij, zelf zonder de beleefde uitnoodiging van zijn gastheer, niet lang blijven rechtstaan, want zijn moed was hem in de laarzen gezakt en zijne beenen waren vodderig geworden. Het was zichtbaar dat hij van al ontzag had afgezien.

Rupert Sörge sprak:

--Het verwondert mij, Pacôme, dat uwe ingeboren lafheid u dees bezoek niet heeft afgeraden. Ge moet mij wel haten, om het gevaar te trotseeren wat voor u met zulk bezoek verbonden is. Nijd en afgunst hebben u al tot heel wat vuile praktijken aangezet; dat wraakzucht echter u zoude kunnen vermetel maken, slaat mij met verbazing. Maar, jongen, met wien toch denkt ge dat ge te doen hebt? Is het u dan nooit opgevallen dat ik wellicht voor u een onbegrijpelijk wezen ben? Ik wil u volstrekt inlichten, Pacôme, hoewel ik mij daarom in uwe oogen niet begrijpelijker maken zal .... Houd, als 't u blieft, uwe handen stil, die gelijk spinnekobben over uw knieën scharrelen!

Sörge's stem, hare vreeslijke kalmte bewarend, zonk lager, ging langzamer klinken ook.

--Ziehier het geval met Pezza. Ik mag het u in vertrouwen wel zeggen, in vertrouwen, eerlijke Pacôme! .... Pezza was een verrader en de bondgenoot van minister Dissel. Dat is nu nog zoo heel erg niet, ofschoon ik vermoed dat uwe rechtschapen inborst tegen zulk verraad en zulk bondgenootschap in opstand komt. Maar Pezza was zwak genoeg om, op mijn heimelijken wenk, Simon Peter, uw en mijn rival--heugt het u nog?--over te leveren, en daarom heb ik hem gestraft--ik alleen, mon cher, ik, buiten de revolutionaire Commissie om.

Hij lachte vreemd, hernam luchtig:

--Ben ik waarlijk niet eene revolutie op mijn eigen? Ik kan straffen, zooals ik gebieden kan. Hoort ge goed wat ik zeg en verstaat ge, Pacôme, wat dit voor u te beduiden heeft? Ik heb Pezza gestraft, en Pezza--het kan u waarlijk niet schelen hoe ik het aan boord lei--Pezza, verdronken, verhangen, vergiftigd of anderszins, Pezza is dood! Ge hoeft daarom nu zoo niet te beven. Ik ben nog niet van zin mijn handen uit te steken naar u--voorloopig niet, nee ..........

Hij herhaalde nadrukkelijk:

--Voorloopig, Pacôme! .... Maar ge zult inzien dat ik niet van zin ben de dupe te worden van wat ge zoo al hatelijks en gluiperigs doen kunt. Het is daarom best dat ge met meer bescheidenheid te werk gaat en dat ge, in dien zin, juffrouw Henriëtte met goede raadgevingen besproeit. Ik heb redenen om te denken dat uwe openbaringen, bij Dissel, niet voor eenige dagen de minste uitwerking vertoonen zullen. Zorg ervoor dat zij u geen al te zware straf berokkenen .... In afwachting kunt ge hier tot morgen logeeren. Het is best dat ge dat doet. Wat denkt gij?

Florjan Pacôme dacht niets--ten minste dacht hij aan zoo veel dingen te gelijk, dat zij hem waarlijk door hun geharrewar belett'en aan een enkel onder hen te denken. Hij zag den bronzen knecht weer verschijnen op den drempel. Sörge zei nog:

--Takker, dien gij daar ziet, zal u eene aangenaam gezelschap zijn. Wees zoo goed en volg hem .... toe!

Sörge vatte Pacôme bij de schouders, duwde hem naar voren, de deur uit, waar Takker met handige ruwheid den "peintre à la mode" ontving.

Toen de kamer weer stil en eenzaam was, kwam Rupert tegen den schoorsteen aanleunen, en bleef lang mijmeren. Het kleine medaljon, dat op zijn doosje hing, ontsloot hij naderhand, keek scherp het bevallige gelaat aan, dat frisch binnen de gouden randen hem toewenkte. Een kort oogenblik had hij 't gevoel van eendelijk alleen te zijn en liefde noodig te hebben. Was deze jonge vrouw waarlijk zijne moeder--en eene moeder, is dat waarlijk zoet om te zien en te bezitten? .... Hij werd week, glimlachte dan kort.

--Komaan! beet hij zijn eigen toe, da's allemaal gek!

En hij ging zich aankleeden. De paarden van het coupé, dat hij besteld had, kloef-klepperden onder de vensters, op straat.

Rupert Sörge wachtte in het kleine grijs-en-mauve boudoir van de Kortenbergsche laan, en Milly d'Orval verscheen weldra, in prachtig binnentoilet, het hooge hoofd in een diadeem van blonde écaille omsloten. De bruine toon van haar kleed, belicht met roomgele zijde en overal door den gloed van amethysten ontstoken, bestreelde voortreffelijk de lenigheid van hare vormen.

Rupert stond recht. Hij groette haar bescheiden. Ze reikte hem hare hand niet. Hij zei:

--Laat mij hopen dat mijn bezoek u niet te zeer verwondert.

--Ik moet toch bekennen dat ik het niet gewenscht heb.

--Kom, lachte hij, ge weet wel dat uwe wenschen nooit met de mijne ontstaan.

Ze antwoordde daarop niet. Ze verzocht dat hij zou gaan zitten.

--Drinkt ge niets? vroeg ze.

Het trof haar zelf dat ze die vraag zoo dikwijls overlang hem had gesteld, en het nu nog deed met den spontanen eenvoud der gewoonte. Ze bloosde even.

--Och ja, sprak hij los, een glaasje .... 't is mij om 't even .... Doe maar!

Ze bestelde wat hij indertijd een half-en-half noemde--Seltlinger en Champagne--en in den middag placht te drinken. Hij was geheel in zijn schik, plukte met vaste en delikate vingeren, aan het sigaretje, dat zij hem bood. Hij lachte zacht.

--Het is lang geleden dat we elkaar ontmoetten, begon hij na een lichte stilte.

--Mij dunkt niet. Maar ik geloof dat ik uwe afwezigheid weinig bemerkt heb.

--Ik ben u zeer verplicht. Ik vreesde dat ge er acht zoudt op geslagen hebben. Ik hoef mij dus niet te excuseeren--en ge weet hoe ongemakkelijk ik het doe.

Ze mengde de dranken in een platten roemer en reikte hem het levendig geworden kristal.

--Als 't u blieft.

--Dankje.

Hij dronk seffens en stak naderhand het sigaretje aan. Hij pafte een wijden dampring uit en lachte erbij guitig. Dan vroeg hij:

--Wilt ge me niets vertellen over dat geval met Verlat en zijn vrouw?

--Och! jaagt zulke nieuwsgierigheid u naar hier?

--Misschien. Mag dat niet? Of moet uwe geslotenheid mij van hier wegjagen?

--Coquetteer niet. Ik heb u niet gevraagd. Ik zal u ook niet doorzenden. Maar wilt ge waarlijk dat ik u vertelle hoe die arme vrouw in dees vervloekte huis is binnengevallen, en hoe ellendig Verlat zich heeft voorgedaan? Hoop niet dat ik er een genoeglijk spektakeltje van wil maken. Ik weet zelf niet of die Verlat mij nog ....

--Zeg maar.

--Wat wilt gij mij uit den mond halen?

--Gij weet zelf niet of .... of hij u nog mogelijk is geworden. Niet?

Ze zwegen allebei, en bleven tamelijk lang zwijgen. Milly, in verre gepeinzen verzonken, vond de stilte niet ongemakkelijk. Sörge brak deze beslist.

--Ik heb, zei hij, een ernstig besluit genomen. Neem me niet ten kwade dat ik het u mededeel en dat ik bovendien op uwe bereidwilligheid reken om mij--o! haast u niet!--te helpen. Ik vertrek.

--Zoo!

Ze sprak heel licht dat lichte woordje uit. Hare stem was inderdaad uitermate licht.

--Ik vertrek, hernam Sörge, om eene hoofdzakelijke reden, die ik liefst verzwijg, en eene ondergeschikte, die voor u voldoende is: mijne politieke bemoeiingen alhier jagen mij buitenslands. Ik vertrek dus, zooals wij indertijd--het heugt u nog wel--uit Bohemen vertrokken: om niet meer terug te keeren.

Nog lichter--nu flauw en bleek:

--Zoo .... zoo .... ontviel het Milly.

Ze had de oogen gesloten. Ze leunde zwaar achterover in haren zetel.

--Ge wenscht natuurlijk niet te weten waar ik heenloop.

Haast onhoorbaar zeide ze:

--Neen.

Hij wachtte. Hij keek haar lang aan. Ze lag in den leunstoel, onbeweeglijk, zonder blikken, het gelaat geheel met eene roerlooze bleekheid oververfd. Haar dicht-gesloten mond kleurde daar gelijk een barstende vrucht. Sörge hernam:

--Men zal niet veel aanvangen, eer ik weg ben. Maar nauw ontsnapt, word ik hier de oorzaak van groot misbaar. Ik bid u wel te willen zorgen voor eenige belangen van stoffelijken aard, die ik zelf niet gansch kon beredderen. Ik beken dat ik onvoorzichtig ben geweest en dat ik mij door onvoorziene omstandigheden laat overvallen. Wat ik van u verlang, is zóo gewichtig niet dat het u niet vrijstaat kortaf te weigeren. Houd u zelf dus niet voor gedwongen het vertrouwen te vestigen, dat ik in u heb geplaatst. Maar ....

Ze opende hare oogen.

--Reken gerust op mij, sprak ze.

Hij nam een taschje met papieren uit zijn jas, legde het op de tafel en, nadat hij met eenige inlichtingen den inhoud had uitgelegd, stond hij recht en, na een uiterst beleefd lachje:

--Ik hoop, knikte hij, dat ik u in mijn leven nog wel eens zal ontmoeten. De wereld is zoo groot niet ....

Hij boog, monkelend:

--Ik meen: de beschaafde wereld, waar men u ontmoeten kàn.... Vaarwel, Milly!

Ze had het taschje in hare handen genomen. Ze liet het op het tapijt vallen.

Hoewel hij reeds op den drempel was, keerde hij zich om en kwam het taschje oprapen. Hij gaf het haar. Hunne vingeren gleden over malkander. Een nieuwe straal van zon had, al vooruit slierend, het gekleurde glaswerk van het venster met schoon vuur ontstoken.

--Rupert, zeide Milly traag, ik herinner mij dat gij mijne beste jeugd bezeten hebt. Ik schaam mij niet te bekennen dat, ofschoon gij getrouwd zijt, dees schielijk afscheid mij zwaar valt. Het ware u gemakkelijk geweest mij dit leed te sparen.

--Het leed, dat uit het verleden wordt geboren, is gelijk een fijne geur. Het volgt de wonde, zooals de vriendschap de liefde volgt. Wij zijn toch vrienden, niet waar, Milly?

--Er zijn vriendschappen, die niet zonder krenking met dien naam worden geroepen. Onze vriendschap hoefdet gij niet met uw bezoek te storen.

--Laat het mij dan kort maken, en verschoon me....

--Dat zoude ook best zijn, maar ....

--Ik bid u--wat hapert toch? Is mijn bezoek te lang, het zou jammer zijn als ons afscheid te kort was. Hebt gij mij nog iets te zeggen? .... In de veronderstelling dat wij malkander nooit meer ontmoeten (wat me waarschijnlijk voorkomt) is het wenschelijk dat gij zegt wat gij nog te zeggen hebt.

Ze had een bitteren lach. Ze bezag hem met natte oogen, vol zoete verwijtingen. Ze zuchtte en haar mond droeg, op zijne roze teerheid, de teekening van een niet te verbergen spijt.

--Och, zei ze droevig, gij weet wel dat het u niet moeilijk is mij tot in mijn uiterste schuiling na te jagen. Gij sluit mij gemakkelijk in mijne eigen woorden op. Het is een spel voor u. Gij verplicht mij u om eene vernederende verlossing te smeeken, en dan nog blijft dorstig uw gierige trots. Het is evenwel noodig dat ge deesmaal inziet de ijdelheid van al dat kombineeren. Nochtans geef ik toe, ja--uw te lang bezoek eindigde met een te kort afscheid. Ik geloof niet dat ik u iets meer te zeggen heb.

Hij wierp zijn overjas, die hij over den arm had gehangen, op een stoel.

--Ik wil u gunnen, zei hij, ú alleen, het laatste uur dat ik in Brussel verblijf. Mag ik Takker laten roepen, die mij in den coupé wacht? Ik wil, van hier uit, direkt naar het station.

Het lag op Milly's lippen om te vragen waar hij dan zijn vrouw zou halen. Ze bedwong zich echter, zweeg in ingetogen blijdschap, schikte, terwijl Rupert met Takker onderhandelde, een tuil van vroege rozen, die week en ziekelijk over de vergulden randen van een Venetiaanschen beker hing.

Ze leidde Rupert in het groote salon der eerste verdieping. Daar hij weigerde te dineeren, praamde zij hem zoo lang, tot hij erin toestemde met haar een kleinen lunch te deelen. Hij was in allerbeste luim, konverseerde met schitterend brio en deed zich in alles als de sierlijkste en elegantste dandy voor. Zij aten weinig, hadden vooral plezier in amandels en druiven, en dronken daarbij een oude flesch Legay. Milly ook werd opgeruimd. Een gulle blos glansde donzig over hare wangen.

--Uw prachtig humeur zal mij eene lieve herinnering zijn, lachte hij.

--O! weerlegde ze rap, kijk rond: overal is er Lente!

Inderdaad. Het was een schoone lente-namiddag. Een lichte gordijn bedekte met een bleek-blauwe verf de hooge vensterruiten; maar de zon, die daarachter leuterde, vond aan de zijkanten ruimte genoeg om met schuinsche stralen binnen te schieten. Ze pletste open op een marmeren Adonis-beeld, dat, vóor een ovalen spiegel, het groen-marmeren schouwblad versierde. Ze stortte op de tapijten. De lotusbloemen, welke daar in gelijke reken open lagen, kregen meteen, op oranje gronden, een gloeiend leven van inkarnaat en brons. En het licht stoof, gelijk een zwerm van doorzichtige dingskens, in de geheele kamer uiteen. Op de tafel, waar een verschillig servies van porselein en zilver glansde, rustten in breede schalen de druiven, met zomer beladen. Over die purperen weelde, bij trossels saamgedrongen, kwam zweven het teere gewaad der lente. Het waren blonde voolen die roerden geluideloos. De amandels tokkelden kort in het licht.

Milly's vingeren deden in die lieve klaarten een kundig spel van spoelen, en hooger, onder de schaduw van de rosgouden, haarkroon, bloedde over parelen hare dubbele lip.

--Wanneer ge ver zult wezen, vezelde ze minzaam, hoop ik dat ge steeds in geluk ouder wordt. Hebt ge nooit nog aan uwen ouden dag gedacht, Sörge?

--Neen, zei hij, waarlijk niet!

--Het is geen troostende gedachte, want de ouderdom, die de toekomst vermindert, vergroot maar aldoor het verleden.

--Dat is gek en waar. En ge wekt een aardig beeld in me. Indien ik dichter ware, en bovendien een romantieker, zou ik den mensch in breede verzen voorstellen als een reiziger--wat zeker geen nieuwigheid is. Maar ik zou hem een knapzak over den schouder laden, zoodat de eene buidel hem op de borst hangt en de andere op den rug. En zie! de buidel, die van achter is, ligt plat en ijdel in den beginne, en de voorste buidel is, als met zwellenden wind, door illuzies gevuld. De reiziger gaat rap en vroolijk, want de knapzak weegt niet zwaar. En al gaande neemt hij dag bij dag, gretig en onvermoeibaar, uit den borstbuidel, die de toekomst is, een hoop plezierige daden, die seffens in zijne handen zwaar worden van werkelijk leven, van werkelijke smart, en, om er van af te zijn, gooit hij ze in den ruggebuidel, het verleden. En de knapzak, die licht was, wordt zwaar langs achter, wordt zwaarder en zwaarder, en trager wordt de oudere reiziger, trager tot hij stillestaat, en valt.

--Dat zou eene akelige voorstelling zijn, meende Milly.

--Ja, maar een dichter is doorgaans akelig bij essentie. Ik ben geen dichter, Goddank!

Werktuigelijk, al starend op de violette druivenkorrels, herhaalde zij:

--Neen, gij zijt geen dichter.

Hij lachte luid, brutaal, zijn overmacht uitsmijtend.

--Ik ben maar--ik ben maar .... Zeg gij het, Milly!

Ze zweeg. Ze bleef de druiven aanzien. Ze voelde dat het leven een groote ruimte was, waar ze spartelde zonder genade. Wat moest zij nu doen? Wat moest zij nu doen?

Twee tranen, die ze niet weerhouden kon, rolden over hare wangen. De kamer was stil, vol met een naderend mysterie. En niets brak de rijpe stemming, die, groeiend over de tafel, gekomen was. Sörge sprak niet, bewoog zijne handen niet, bleef rustig. Geen minste geluid ging over straat, en het huis, waar zij daar stille waren, luisterde.

Toen stond hij recht. Hij ging over haar leunen, omvatte haar in zijne armen, dwong haar op te kijken naar hem. In heure haren fluisterde hij:

--Ik ben gekomen .... Hebt gij me niet seffens gevoeld? De tijd dwingt nu. Ik kwam u halen. Ik kóm u halen. Spoed u! ....

Zijne lippen raakten bijna haren mond. Ze werd duizelig. Ze wilde wegvluchten uit zijne zoete handen. Haar hart sprong op in die éene gedachte:

--En .... en Fr--

Zijne lippen lagen fluks op haren mond.

VII.

DE DOOD VAN MEVROUW VERLAT.

Voor 't krieken van den volgenden morgen werd Vere berecht. Ze was aldoor zwakker geworden. De dikke dokter en de twee beroemde heeren der fakulteit, welke hij ter hulpe had ontboden, hadden machteloos die volkomen uitputting van krachten bijgewoond. Alle pogingen, om haar uit de gevaarlijke prostratie op te wekken, waren mislukt.

Den geheelen nacht hadden Ernest, Francine, Doening, du Bessy en Peter bij de zieke beurtelings gewaakt. Na de berechting was Francine, afgemat, naar huis gekeerd, met een hart dat schreide naar troost. De zwijgende gasthuisnon alléen had geen oogenblik de kamer verlaten. Het was alsof ze door den Dood zelf was afgevaardigd en alsof ze vreesde dat hare prooi ontsnappen kon. Vere, zeer afgemat na de scène met Ernest, had weinig gezegd en lag meestal in die zonderlinge bezwijming, welke telkens op den nakenden dood geleek. Nadat de geneesheeren het advies hadden uitgebracht, dat wezenlijk de dood hun scheen niet te kunnen geweerd, werd Simon naar Lieven Lazare gespoed.

Lieven Lazare, die sinds een paar maanden, om wille van denkbeeldige mishandelingen, den vlierzolder van de Koolstraat onbetaald had opgezegd, woonde nu in een achterhuis van de Camuselstraat. De Camuselstraat, die midden in de woelige wijk van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Roode ligt, is rijk aan achterhuizen. Vele schilders en beeldhouwers woonden daar nevenseen en vaak boden de ingesloten koeren een Montmartersch spektakel, dat gelukkiglijk de ellende van het rapin-leven kwam versieren.

Lieven Lazare zou het hier ook niet lang uithouden; want hij had ontdekt dat zijne dubbele kamer grensde aan het atelier van een Italiaanschen heilige-beeldjesmaker.

Ofschoon de dag nauwelijks de stille stad omblauwde, was Lieven Lazare niet te bed. Hij zat met Johan Doxa, den eeuwigen Gothieker, bij een vonkend kacheltje en onder de bibberklaarte van eene lekkende kaars. De deur was niet dicht en Simon, die zonder kloppen was binnengekomen, zag hunne bleeke koppen te gelijk opkijken naar hem. Beladen, gelijk hij zelf was, met droeve gedachten, groette hij tamelijk barsch, en geen van beiden antwoordde. De akelige stilte, die hier binnen den armen kalk der muren hing, stemde hem seffens zachter, en hij ging aangedaan en zwijgend de hand van Lieven en Johan drukken.

Toen bemerkte hij, vlak vóor de kachel, den grijzen hond.

--Ja, zei Lieven somber, ja, het is de hond, het is de oude hond Beppie.

Hij sprak met zoo droeven klem, dat Simon de leelijke tijding afbeet, die reeds op zijn lippen lag.

--Hij is dezen nacht gestorven, hernam Lieven, en gij ziet hem daar. Hij was oud. Zoolange jaren heeft hij mijn armoede gedeeld. God schonk hem mij om aan zijne eindelooze trouwheid de booze trouw der menschen te meten. God, die me hem gaf, ontneemt hem mij. Zijn wil is heilig.