Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 33
--Want gij hebt gelijk u in dezen nood tot mij te richten, en ik ben eerloos genoeg om u de hand te reiken. Ik zal u dus helpen.
Daar de baronet geheel verbijsterd toekeek, herhaalde hij:
--Ik zal u dus helpen. Hoort ge niet? Ik help u. Ik breng u uit deze modder, aan wal. Ge hoeft mij niet te bedanken. Een ploert mag kosteloos de toevlucht van een edelman zijn.
Een automobiel kwam over straat aanronken en hield onder de vensters stil. Pacôme vroeg:
--Ik zal Henriëtte aanspreken en dwingen. Hoeveel kunt ge aan eene vergoeding besteden?
Mijnheer du Bessy's ziel verried nog eene uiterste rilling. Hij stamelde.
--Kan dat zoo met geld?....
Hij dacht aan zijne beleefde liefde voor Henriëtte en aan den eed, dien zij samen zoo dikwijls met zoenen en streelingen bezegelden. Eene schaduw kwam over zijn hart.
--Wilt gij met verzen probeeren? lachte Florjan.
Mijnheer du Bessy zou gaarne geweend hebben. Het was hem of de geheele wereld grof was geworden en zonder tuinen. Een trossel bijtende ontgoochelingen kwamen plukken aan zijn leven en hij was diep ongelukkig. Hij zond, in gepeinzen, aan Henriëtte een zoet en laatste vaarwel, en zei dan:
--Tien duizend.
--Zet vijftien.
De baronet wilde nog beweren dat hij de som niet seffens beschikbaar had, maar het stiet hem te heftig tegen de borst. Hij zweeg, stond recht, plots gretig om vrije lucht te scheppen. La Flèche kwam aan zijn meester een vizietkaartje overreiken.
--Ga-je weg? vroeg Pacôme.
Hij werd dadelijk daarop zoo bleek en seffens nadien zoo blauw-rood, dat du Bessy naar hem toesnelde en hem bij de armen vatte. Pacôme had het vizietkaartje laten vallen.
--'t Is al over, sprak hij heesch, wanneer zie ik u? Stoor u niet aan me. Mag ik u morgen verwachten? Best. La Flèche zal u uitgeleide doen. Au revoir!
Mijnheer du Bessy was weg. Pacôme viel neer op een stoel. Hij begon met een geurend zakdoekje over zijn aangezicht te waaien, ademde herhaaldelijk heel diep en ging toen vóor een spiegeltje zijn haarkrullen in hun schik herleggen. Hij spande al zijn krachten in om eene losse en zelfstandige houding te winnen, en hij was er nagenoeg in gelukt, toen de salondeur werd opengeduwd.
Rupert Sörge stond vóor hem.
Pacôme zag dadelijk dat het bezoek noch vriendelijk noch beleefd kon zijn. Hij veinsde nochtans dat hij daarvan niets zag en, gul den bezoeker te gemoet gaande:
--Welk genoegen, beste Sörge, begon hij, u hier ....
Sörge trok de salondeur dicht, sloeg met een hoofdknik Florjan's welkom af, en kruiste dan rustig de armen over zijn borst.
--Mijnheer Pacôme, zei hij, ik wensch van u uitdrukkelijk te weten waarom ge, nu drie dagen geleden, een naamloozen brief aan mevrouw Verlat zondt.
--God beware me, Sörge! Wat zijn dat voor verzinsels?
--Ik zal geen driemaal de vraag herhalen. Ik heb den brief op zak. Verplicht mij niet hem u onder den neus te wrijven.
--Ik verzeker u, mijn waarde, dat ik uwen onzinnigen overmoed missen kan. Wat wilt ge toch?
Sörge trad vooruit.
--Gij zijt een hartelooze booswicht, Pacôme! fluisterde hij. En ik ben gekomen om u dat eens behoorlijk te zeggen. Ik wist dat ge mij haattet; maar ik vond het min gepast om mij aan uw padde-haat gelegen te laten. Ik wil den naam van haar, die hiervan de oorzaak is, niet uitspreken. Uwe aanwezigheid zou hem besmetten. Om mij te raken hebt ge niet geaarzeld de rust van een geheel huishouden te breken. Ge hebt op de laagste wijze Verlat verraden en met oolijke schrifttrukjes het verraad van u afgeschud om het op mij te werpen. Ge hebt niet bedacht, domkop, dat deze oolijkheid juist den waren dader aanwees. Mevrouw is doodelijk ziek. Ik zeg: doodelijk ziek, Pacôme. Ik houd u voor haar leven aansprakelijk, Pacôme .... Hoort ge mij goed, Pacôme? Kijk niet zoo angstig naar de deur. Het huis is ledig. Uw knecht zit met mijn chauffeur in den kroeg .... Ge schelt? .... Onnoodig, laffe Pacôme!
Sörge was in stijgend geweld waarlijk schrikkelijk geworden. Pacôme deinsde voortdurend achteruit, rugde eindelijk tegen den muur.
--Sörge! riep hij door bangheid 't roekelooze wagend, Sörge, ge zijt een--
Hij werd ruw bij de keel gevat, voelde het bloed opslaan en zwellen op zijn slapen, snakte hevig naar lucht. Nog hoorde hij, dicht op zijn gelaat, de sissende stem van Sörge:
--Bid God dat Vere niet omkomt--versta-je? .... Bid God! .... Bid God! ....
Een violet floers wentelde over zijne oogen en hij zonk in eene lauwe lamheid neder. Hij zag niets meer. Een zacht geronk gonsde rond hem. Groote zwarte gebaren spookten rond hem; maar ze zien deed hij niet. Het waren breede bewegingen van een nacht die ondoordringbaar was ....
Hij ontwaakte in een sofa. Hij kwam stil bij en blikte seffens in de gezichten van La Flèche en juffrouw Henriëtte. Hij herkende ze dadelijk. Hij opende zijn mond op een vloek, grommelde:
--Wat moet dat hier beteekenen?
En dan herinnerde hij zich. Hij schoot uit tegen den knecht en, rechtstaande, overrompelde den jongen met een vlage van scheldwoorden.
--Waar waart ge? Hee, zuipbalg! Waar waart ge? Ik heb immers gescheld?
La Flèche beweerde dat hij den chauffeur een handje toestak, toen mijnheer juist onpasselijk werd, en hij voegde erbij dat hij zich gelukkig heette, nu mijnheer geheel was bijgekomen. Hij werd met een schop aan de deur gezet en Pacôme, terwijl hij zijn halsboordje en zijn losse das schikte, ging juffrouw Henriëtte congratuleeren. Hij dacht daarbij aan du Bessy en, den baronet nu beladend met al den haat, dien hij de geheele Verlat-familie toedroeg, liet hij zijn nijd in een luiden lach losbreken.
--Chouette! schaterde hij, ge hebt hem de zwangerschap goed opgedraaid, poesje! Hij past nu in gindsch vervloekte huis. En vijftien duizend patatters! 't Is gauw verdiend, niet? We zullen deelen. Bombance! A nous les plaisirs, à nous les femmes du monde! .... Jetteke, ge zijt een engel. Kom hier, dat ik u kus!
Maar Jetteke was niet in jolige stemming. Integendeel. Ze zag er vrij barsch uit. Hare lippen waren dicht op elkander geperst en een trage droom duisterde in hare oogen.
--Zijt ge moe? vroeg Florjan.
Ze schudde haar hoofd, sprak niet, keek dan lang den schilder aan.
--Uw hals is blauw, zeide ze.
--Mijn hals? .... Ha ja! een kleinigheid .... Waar? .... O! hier!--Dank u.
Hij vond haar zonderling. Hij rimpelde zijn voorhoofd, sprak stil, laag:
--Kijkt ge waarlijk zoo belangstellend naar mijn hals?
--Men heeft u bij de strot gepakt. Ziet ge 't spoor van een duim en een wijsvinger? .... Dáar!
--Meisje, ge zijt bedonderd.
Ze lachte flauw, bijna verdrietig. Ze ging neerzitten, bij het vuur. Haar neus werd soms zenuwachtig opgetrokken, en dan scheen ze telkens een groot misprijzen niet te kunnen onderdrukken. Pacôme beloerde haar. Hare houding verontrustte hem meer dan hare woorden.
--Als ge wat te vertellen hebt, zei hij langzaam, verstop u niet langer.
--Ja, deed ze met waardigheid, dat zal ik doen. Ik heb u wat te vertellen. Is du Bessy hier geweest? En hebt ge hem de vijftien duizend afgetruggeld? ....
Ze blikte in 't vuur, had haar beenen over mekaar gelegd en deed haar optippend schoentje boven de vlammen wiegen. Ze vertoonde, bij al hare gebaren, een gevaarlijke onverschilligheid.
--Ik wenschte wel te weten wie de heer was, die hier zoo bleek en stijf is uitgegaan om zijn auto, daarbuiten, in te springen.
--Dat wenscht ge te vergeefs, allerliefste Henriëtte, want ik weet niet of zulke wenschen in uw mond wel gerechtvaardigd zijn. Ik heb jegens u, meen ik, niet de minste verplichtingen ....
--Juist. En ik evenmin jegens u. Ik heb daarom besloten niet langer uw dupe te zijn en ik wil du Bessy bekend maken met uwe .... gauwdief-combinatiën .... Ge lacht. Ge hebt ongelijk.
--Vijftien duizend balletjes! .... schertste Pacôme.
--Ik zal ze met genoegen missen.
Florjan Pacôme kon zijn drift niet langer bemeesteren. Hij sprong op en kwam met zijne beide vuisten op de tafel slaan.
--Gij, duivelsche slet! tierde hij, meent ge dat ik uw oproertjes met een effen ziel zal dulden? Meent ge mij nu in te slaan met uwe goedkoope waardigheid? Ik bid u--pas d'épate! Ge hebt nog altijd kans dat ik u met haar en pluimen in de straatgoot werp, waar ge thuis hoort .... Zie me dat aan! Zoudt ge er niet dood bij vallen! Madame se drape! Madame wil in een klooster gaan en nonnetje worden! .... Hee! wilt ge dat? Wilt ge dat? Hebt ge u vooraf gespiegeld?
--Geen herrie, toch! Ge merkt genoeg dat ge mij niet raakt.
--Pardon! madame is niet te raken .... is niet meer te raken .... is niet met een kooltang aan te raken! .... Zeg, wil ik u eens wat aanwrijven, dat u voor eeuwig van uwe nieuwbakken deftigheid verlost?
Maar hare blikken, die ze nu met indringende koppigheid op hem had gevestigd, braken den hortenden vloed van zijne welsprekendheid. Eene korte stilte viel. Toen zei ze ernstig:
--Ik raad u rustig aan mij den man te noemen, die u bij de keel heeft gevat. Ik raad u aan mij de waarheid over Pezza te zeggen.
--Pezza? ....
Hij keek ontzet op. Hij draaide zijn hoofd links en rechts als om zich, van allen kant, bij eene ingebeelde menigte te overtuigen, dat hij niet verkeerd gehoord had. Hij lachte ongemanierd.
--Pezza! .... God in den Hemel! deze maagd wordt dol! .... Gij droomt nog van Pezza, gij! Ça me dépasse! Deze kuische Suzanna droomt nog van Pezza! Zij heeft, sinds zij hem ontmoette, hare liefderijke gevoelens met wondere trouw en monsterachtige zuiverheid gevoed. Hee? Dat heeft zij toch? .... Zij heeft, sinds hij verdween--en God mag zijn ziel hebben, indien de hel te vol was!--zij heeft niet opgehouden hem in haar liliaal hart te bewaren! .... Hee? heeft zij niet? .... Verdomd, heeft zij niet? .... Hoor eens, Henriëtte, geen flauwe kul, ik bid u! Ik heb het dezen morgen te druk!
Juffrouw Henriëtte scheen zich om deze drukte weinig te bekommeren. Ze was blijkbaar besloten niet af te wijken, en in hardnekkige kalmte vervolgde zij haren eisch.
--Ge zult vergeefs beproeven mij om te leiden met woorden, Florjan. Gij weet wat er met Pezza gebeurde, want gij waart--ik begrijp het nu--de medeplichtige van hem die hier uitgaat.
--Van hem die hier uitgaat?
--Van hem die u hier ten halve verwurgd heeft. Ik heb hem herkend, toen hij op zijn auto zat. Dat auto--het is het gele van vroeger nochtans niet--maar dat auto heeft hem verraden, en hij ú.--Ge bedaart, merk ik? Dat is wijzer ook. Spreek nu!
Florjan Pacôme bedaarde echter niet. Hij was plots, gelijk onder een groot licht, stil gevallen, en eene schrikkelijke aandoening overweldigde hem. Hij staarde, als betooverd, in de oogen van Henriëtte. Aan spreken was vooralsnog niet te denken. De emotie stak hem, gelijk een prop, in de keel. Hij knikte en had daarbij een tamelijk onnoozel gezicht, dat Henriëtte toeschreef aan de raakheid van hare beschuldiging.
--Zeg het nog eens, stotterde hij eindelijk, zeg het nog eens .... En zijt ge zeker dat hij het was?
Hij dronk nu gulzig hare woorden. En hij herinnerde zich al de bijzonderheden van Pezza's verdwijning--het bleek verzengd gelaat van den ontvoerder, het gele auto, en Henriëtte, de eenige getuige.
Tot driemaal wilde hij van haar hooren dat zij uitdrukkelijk in Sörge het verzengd gelaat van vroeger herkende, en toen, zijn blijdschap uitlatend, sprong hij de kamer al zingend en schreeuwend rond. Het duurde een heelen tijd, eer hij erin gelukte de toedracht der zaak voor Henriëtte uit te leggen, en zij zaten eindelijk verzoend nevenseen, op de sofa, in gemeenschappelijk overleg beramend wat al voordeelen zij uit de toevallige ontdekking zouden putten.
Ze besloten een reisje te doen, in Mei, met de premie, welke de Regeering hen voor de aanhouding van Rupert Sörge zoude uitleenen. Wat overbleef, zou in de Staatsspaarkas de vijftienduizend "vaderlanders" van mijnheer du Bessy gaan aanvullen.
--Och ja, beaamde Jetteke, het is best dat we alles in de Staatspaarkas neerleggen.
Florjan had tusschen twee zoenen uitgeroepen:
--Ah! ma chère!
Nu hield hij zijne wraak. Nom de nom de nom! nu hield hij zijne wraak! .... Ze dejeûneerden samen bij Riche, juffrouw Henriëtte en mijnheer Florjan Pacôme, saam, gelijk tortelduifjes.
V.
EEN GEWAANDE SÖRGE.
De dokter had bevolen dat niemand in Vere's kamer binnen mocht. Het was de dikke dokter, die Pip had verzorgd en aan den dood moest afstaan. Vere verbleef twintig uren in bewusteloozen sluimer. Ze was uitermate zwak toen ze hare oogen opende, maar ze herkende den ouden dokter dadelijk. Zij zag zijn bolblozend gezicht en zijn rooden nek. Ze glimlachte en zei:
--Ik herken u nog wel. Heugt het u van Pip, ons kleine kindje?
Hij verzocht dat ze zoo weinig mogelijk zou spreken, en ze luisterde reeds naar hem niet meer: ze herinnerde zich wat er al voorgevallen was, en ze sloot opnieuw hare oogen, zacht-weenend. De dokter sprak niet, bleef zitten, wachtte. Toen hij hoorde dat ze zuchtte:
--Och God! Och God!
nam hij zacht hare hand in de zijne en zijne stem verkreeg eene ongemeene zoetheid.
--Mevrouw, zei hij, ik bid u te willen inzien, dat gij zeer, zeer zwak zijt. Ik kan niets doen voor u, indien gij mij niet helpt. Ge moet u afwenden van uw leed. Het is van uw leed, dat wij moeten u trachten te genezen.
Zij schudde haar hoofd.
--Terwijl ge spreekt, deed ze lispelend, voel ik hoe ziek ik ben. Goede man, ik vrees, dat ge.... Och! Och!
Ze weende alweer, maar de lichte toets van die vreemde hand op de hare, was haar zoet.
--Wat vreest ge? vroeg hij. Ge wilt mij toch helpen, niet waar?
Ze fluisterde:
--Ik weet niet wat ge zegt.... Ik vrees niets.... Ik vrees niets meer.... Ik heb mijne oogen altijd vol tranen....
--Lijdt ge?
Ze keek hem aan, wendde dan langzaam hare blikken. Haar gelaat was mat en verwoest. Hare vingeren, wit en haast doorzichtig, gleden over de kanten sargie en lagen dan op heur hart. Ze ademde flauw.
--Is uw hoofd nog zoo ijl, mevrouw?
Ze dubde aarzelend:
--Mijn hoofd.... mijn hoofd....
Haar hoofd zakte dan zijwaarts en ze zweeg, viel weer weg in den zonderlingen slaap.
Ze bleef zoo anderhalf uur. De avond blauwde de kamer. Eene lange gasthuisnon slierde af en toe over het tapijt, had het blonde nachtlichtje aangestoken, ging dan in een lagen zetel zitten.... De kamer was heel stil. Men voelde dat het geheele huis, gelijk eene groote leêgte stond, stille. De geluiden der straat drongen gedempt op en stoorden deze stille kamer niet.
Te halftien kwam de dokter over Vere buigen. Ze had niet geroerd. Hij keek lang in haar aangezicht, legde zijn hand op haar voorhoofd. Maar ze roerde nog niet. Hij zei aan de gasthuisnon:
--Wanneer ze weer bijkomt....
En toen, plots, werd Vere wakker. De dokter blikte goedig over haar. Hij had een grooten kop, die vol leven was en dien hij minzaam kon maken. Vere voelde hoe overdadig en gezond zijn dikke kop was.
--Mag ik pastoor Doening niet bij me hebben? vroeg ze.
Hij schuddebolde voornaam, gelijk bij snoepende kinderen die te veel vragen. Hij sprak:
--Ge moet redelijk zijn. Ik verzeker u dat ge niet praten moogt, en met Doening....
Ze had een flauwen glimlach.
--Neen, zuchtte ze, och!.... och!.... wel neen.. ik heb niets te zeggen, en de pastoor heeft ook niets meer te zeggen.... Waarlijk! wij zijn.... uit.... uitgepraat....
Hij nam haar pols en wachtte weer een langen tijd. Hij gaf nadien enkele inlichtingen aan de lange zwijgende gasthuisnon en, zich naar Vere omkeerende, vroeg hij:
--Beloof me dat ge redelijk zult zijn. Ge moogt niet spreken, en ge moet het verleden voorloopig met ruste laten. Eer de week om is, zijt ge te been, maar ge moogt me niet dwarsboomen. Ik zal ook aan Doening zeggen dat hij met u niet spreken mag. Hij mag hier dan zitten en waken. Ge zult, dunkt me, geruster zijn.
Ze prevelde, dankbaar:
--O ja, ik zal geruster zijn.... geruster zijn...
De dokter vertrok. En kort daarop trad pastoor Doening binnen. In de blondroze klaarte kwam hij, zacht en voorzichtig, zijn broos en gevoelig hoofd schuin uitstekend naar voren, en zijne handen dragend, nevenseen op zijn borst, als witte geleiders. Op kleinen afstand van de sponde bleef hij staan. Hij had geen droevig uitzicht. Hij glimlachte ook niet; maar de goedheid, die uit gansch zijn wezen straalde, was uiterst vriendelijk en genegen. Vere reikte hem hare hand. Ze kon ze hem éene sekonde reiken, en seffens viel ze, uitgeput. Hij vatte ze rap.
--Goddank, zei hij zoetjes, ge zijt aan de beterhand, mevrouw!
Ze antwoordde daar niet op. Ze dacht dat hij zoo fluks gekomen was en ze groette hem:
--Ik dank u....
Nu werd het haar, alsof ze hem een hoop dingen had te zeggen. Ze keek hem smeekend aan. Waarschijnlijk raakte hij, met zijne fijne gedachten, de begeerte die op hare lippen lag, want hij klopte stillekens op hare vingeren en sprak:
--De stad rust, en het huis rust.... en niets is liever dan te luisteren naar de algemeene rustigheid.
Ze begreep hem en sloot een tijdje hare oogen. Wanneer ze weer opzag, stond Doening nog ter zelfder plaatse en zijne zachte goedheid straalde voort. Ze vroeg:
--Wilt ge dáar zitten, dichtbij?.... Ik ben zoo blij dat ge hier zijt.... dat ge gekomen zijt.... Ik zal beproeven te rusten.... mede te rusten....
Hij deed wat ze vroeg, zonder haast, en toch was 't alsof hij zich gespoed had. Hij zat tegen het bed aan. En nu zwegen ze lang. En de nacht gebeurde.
De nacht gebeurde langzaam en machtig. Hij hing gelijk eene dreigende gaping in de kamer, en soms schoof de smalle schaduw van de gasthuisnon langs hem voorbij, en hare hooge gestalte scheen hem te vullen. Vere meende telkens dat hij over de gasthuisnon dichtvallen zou. Hij werd haar vaak grinnikend en gevaarlijk, maar zij voelde gauw dat hij buiten, over de daken, vrij en blauwig omging, en dat hij mild was.
Die nacht bracht haar een deugddoenden vrede. Zij had hare vele kommernissen bijna vergeten. Ze herkende hare zorgen uit elkaar niet meer en doezelde in vage gepeinzen weg. Ze had een groot vertrouwen in de aanwezigheid van pastoor Doening. Een enkele maal slechts werd ze angstig. Het was de gasthuisnon die haar, tegen den uchtend, bang maakte. De gasthuisnon kwam uit een hoek te voorschijn en hare zwarte voolen hadden geruischt. Vere kende nauwelijks haar gelaat. Dat gelaat klaarde nu ineens op, scherp en akelig, en het lachte. Het was een krijtwit gelaat.
--Hô-ô-ô! huiverde Vere, en haar mond viel open en wild stonden hare oogen.
Pastoor Doening nam hare hand en sloot ze in beide de zijne, en ze bedaarde tamelijk gauw. En tot de dag rees, hield pastoor Doening hare hand.
De morgen kleurde liefelijk, eerst zachtgroen, dan weelderig-roze. De morgen begon een leutig leven in de kamer en raakte lichtelijk de vormen en de ruimten. Hij bracht een fijne beweging over de muren en over de kanten sprei die op het bedde lag, en rond het grijs-kroezelend hoofd van pastoor Doening.
Doening's hoofd was gebogen. Het dacht of het bad. Het was met zijne stille werken bezig.
Vere bekeek het juist, omdat de morgenspeling dat hoofd zoo merkwaardig maakte. En toen, plotseling, overviel haar een zware vloed uit het verleden. Hare hand trilde en het belangrijke hoofd rees op. De oogen van Doening toetsten de oogen van Vere. Hij stond recht. Hij was zeer aangedaan en zijn lippen beefden. Schielijk riep hij Reinildeken tot zijne hulp, en, nadat hij Reinildeken uit hare eendere zon, van heel verre, had zien opkomen, rilde en toegejurkt, herwon hij zijne kalme gebaren.
--Mijn vriend, zei Vere, ik denk nu daaraan, dat ge mij eens op een droeven dag een gouden hartje ten geschenke boodt.... en dan, op een blijderen dag, een gouden anker....
Hare stem was ernstiger en vaster. Ze sprak rustig.
--En het hartje, en het ankertje.... och! ze liggen daar ievers....
Geen droefheid kon ooit dieper in-klinken, dan het effen geluid van deze droeve stem. De dag was licht rondom. Pastoor Doening fluisterde:
--Mevrouw!.... Kom, mevrouw!....
Ze glimlachte en hare oogen sloot ze een wijl ten teeken, dat hij vergeefs zou spreken.
--Ge zult me raar vinden, hernam ze, maar ik doe niet opzettelijk om 't hier triestig te maken en u te vervelen.... Zeg mij, nu dat ik, in waarheid, liefde en hoop heb verloren--wanneer komt mijn feestdag, dat ik het kruis krijg?.... ge weet: het kruis....
Ze werd weer vaag. Ze ging wegzwijmen in een doffe lispeling van gelijke woorden. Hare oogen bleven echter droog. Ze zei, haast onhoorbaar:
--Ik ben niet redelijk. Ik doe u leed aan.... Och!
Het was alsof die kleine zucht hare borst neerduwde en uitputte. Ze bracht de sargie tot onder hare kin en ze scheen in te slapen.
De dokter vond haar zoo. Den vragenden blik van pastoor Doening beantwoordde hij met een tevreden knikje, zoodat Doening, geheel opgeruimd, weer ging neerzitten, en, van blijdschap, weigerde te gaan ontbijten. Hij aanvaardde echter een kop melk, die hem door de gasthuisnon aangeboden werd.
De dokter had inderdaad eene werkelijke verbetering in Vere's toestand bespeurd. Hij achtte het daarom niet noodig zelf bij de zieke te blijven, die hij, binst den voormiddag, aan de zorgen van Doening zou overlaten. Doening ging hem, vóor hij de kamer verliet, stevig de hand drukken, en zette zich weer in de stilte, verbeidend den aantocht van goede uren.
Vere sliep tamelijk lang; maar, toen ze ontwaakte, omtrent noentijd, merkte de oude pastoor wel dat ze heel zwak was en dat eene ongemeene koorts hare oogen ontstak. Het docht hem ook dat ze hem niet dadelijk herkende. Ze begon pijnlijk te kuchen. Ze blikte naar de zoldering, waar ze, met ongewone strakheid, de bange figuren harer verbeelding volgde. De zon lag in twee gulden strepen over den muur. De zon joelde ook achter de neergelaten gordijnen, en, als een beweeglijk en tintelend en al-doordringend meel, schoof zij, schoon gezift, door de zijden maliën.
Vere zag weldra 't rijke geweld van den dag en 't was haar eene voordeelige afleiding.
--Het weer is veranderd, zeide ze; zie eens, hoe heerlijk de Lente aanwappert....
--Ja, knikte Doening, gelijk een wondere vlagge.. de zon is goed, is goed....
--Zeker.... Hoe laat is het nu?
Het trof Doening buiten reden, dat ze zich om den gaanden tijd bekommerde. De kleine klok, die op het hooge schouwblad stond, wees twintig minuten vóor éen uur. Vere herhaalde zacht:
--Vóor éen uur.... vóor éen uur....
Ze verviel terug in werktuiglijk klanken-maken, en hare blikken zwommen weg. De gasthuisnon kwam haar nochtans gelijk naar gewoonte verzorgen, en ze aanvaardde alles met beloken oogen.
Kort daarop wendde ze haar hoofd om en, langzaam de hand reikend, keek op naar den peinzenden pastoor. Hare wimpers waren als met een rozigen gloed beschenen. Een grijs-matte kleur lag droog en heet op hare lippen. Daar hij hare hand gevat had, drukte ze op zijne vingeren en hij boog zich over haar. Ze fluisterde tegen zijn aangezicht:
--Ik heb u iets te vragen.... Ik voel dat--dat het noodig is.... Ge moet geduldig zijn....
Ze slikte, om hare stem uit de nauwheid van hare keel te bevrijden. Ze ademde dan diep.
--Ik zou willen, vervolgde ze, dat ge.... dat ge Ernest binnen liet....
Ze zag hoe ontzet pastoor Doening haar aanstaarde en ze meende te raden wat in hem ommeging.
--Neen, hernam ze ernstig, vrees niet dat ik me geweld zal aandoen.... Is hij in huis?
Pastoor Doening knikte. Het verheugde hem dat ze zich uit hare onverschilligheid opwerkte, en hij hoopte dat haar nu die gedachte aan Ernest deugd mocht doen. Daarom begon hij, met zijn gewone voorzichtigheid en kiesche manieren, over Ernest te spreken.
--Hij is in huis, ja, zei hij.... sinds dien leelijken avond heeft hij de deur van uwe kamer niet verlaten. Ge hebt maar de stem te verheffen om hem bij u te hebben. Ik geloof wel dat de Hemel hem vergiffenis schenken zal, want hij--
--Och!.... Och.... kuchte Vere, gij gelooft.... Och!.... wat gelooft gij toch?....
--De Hemel is barmhartig, mevrouw.
--O ja.... Ik heb u niet goed begrepen, mijn vriend.