Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 32
Simon Peter kon nu aan het woord geraken. Hij sprak met de kalmte van iemand, die uitgenoodigd wordt te spreken over wat hij sinds weken en maanden moe is te overpeinzen. Hij verwonderde Doening meer dan hij hem zeer deed. Hij zei:
--Niets van wat gij deedt of zeidt, zal ik van mij weren of tegenspreken. Ik ben voor me zelf een scherpere tegenstander geweest dan gij. Daarom heb ik geglimlacht, toen ge beweerdet dat ik u met een "Ik verbied u alzoo te spreken" op het lijf zou vallen. Overigens weet ik dat uwe verklaring omtrent een in stilte ontworpen huwelijk van Francine met mij niet anders is dan eene vriendelijke logen. Ik ben er u dankbaar voor, maar ge ziet het: ik kan er mij ongelukkiglijk niet laten bij beetnemen. Mijn beste Doening, geloof me: uw troosten en opbeuren en verwijten, 't is al boter aan de galg. Nu ben ik, dunkt me, brutaler dan gij u voorgenomen hadt te zijn jegens mij. Het is noodig. Ik heb veel geleden....
--Kom! Gij zijt een leerjongen in het lijden!
--En vergeefs zult gij trachten mij te bedriegen. Ik heb mijn eigen heel nauwkeurig onderzocht en ik mag u wel zeggen dat ik, schoon een leerjongen, veel, héel veel geleden heb. Daarom hoef ik mij niet voor een martelaar te houden. Dat doe ik niet. Gij zegt dat ik het doe, omdat gij denkt dat ik, in den grond, niets anders dan de opoffering van mijne liefde betreur. Gij hebt, omtrent mijne liefde, de zonderlingste opvatting en de onrechtvaardigste tevens. Ik heb Francine liefgehad, toen ik de mogelijkheid van een huwelijk niet durfde inzien. Lang zelfs was ik overtuigd dat zij nooit mijne vrouw kon worden. En ik had haar lief, en mijne liefde was zuiver. Dees kan u helpen om te begrijpen dat mijne liefde, in vrede, het onherroepelijk verlies van Francine aanvaarden kan. Versta mij niet verkeerd. Ik geef mij niet voor een held uit. Omdat ik geen held ben, omdat ik menschelijk ben (niet onmenschelijk, pastoor!) menschelijk en zwak, daarom juist heb ik zoo veel geleden. Ik zal u niet verbergen dat, toen men mij het huwelijk met Sörge aankondigde, ik geheel door een onzeggelijke wanhoop werd aangepakt. Ik verberg u niet dat mijne vrijlating mij seffens een last werd en dat, ja, de Dood mij in de oogen heeft gekeken. God had mij verlaten en ik zoude gestorven zijn, ware daar niet een liefderijk geluid gekomen uit het hart van mijne moeder....
--God?.... En gij zegt, dat Hij u verlaten had!
--Ik was zóó ellendig, Doening!.... Maar ik heb de koude vingeren, die op mijne hersens wogen, weggedreven, en toen mijn geest weer vrij was geworden, ben ik gaan denken, gaan denken.... Ik heb gedacht zoo, uren aan uren, dagen aan dagen, en 's nachts, en altijd. Ha! gij noemt dat een mopje van blauwe schenen? Gij zijt een akelige grappenmaker; maar ik vergeef u gaarne, omdat uwe inzichten edel zijn. Ten minste zult gij nu weten hoe akelig gij u hebt voorgedaan. Mijne gepeinzen zijn vlammen geweest, waarmede ik duizendmalen mijn wezen heb gekastijd. En dat wezen, mijn vriend, is in het vuur gelouterd, en het weet nu, en het heeft nu een doel.
--Laat zien, laat zien.
--Hoop niet dat ik het u zal laten zien. Maar ik wil gaarne nog een punt ophelderen dat gij aangeraakt hebt met troebele woorden.
--Wat bedoelt ge met dat "troebele," mijn jongen?
--Waar het begrip vaag is of geheel duister, moet het woord op zijn minst troebel zijn, en dat was bij u het geval. Gij hebt den naam van Sörge als een mysterie uitgeroepen. Gij hebt gemeend dat ge, met dien verdoemden naam, een bliksem van licht over mijn toestand wierpt. Och neen! En waar ge mij een oogenblik als Sörge's dupe veronderstelt, doet gij dien kerel waarlijk veel eer aan. Zijn slachtoffer is Francine, zijn slachtoffer is Vere, en daarom is al wat ik tot nog toe door mijne noodlottige liefde geleden heb, zoo goed als niets bij wat ik thans lijde--bij wat ik lijde sinds ik de zekerheid heb opgedaan dat Francine en Vere de slachtoffers van Sörge zijn. Tracht mij op dat punt te ontnuchteren? Waarom antwoordt ge niet?
Er kwam eene stilte, waarbinst het zachte lamplicht roerloos hing als een manestraal.
--Gij hebt niets te antwoorden. Gij voelt dat ik met beide voeten vast sta in de waarheid. Sörge heeft Francine tot het wonderbaarste aller monsters gemaakt. Geleidelijk en met een duivelsch geduld heeft hij al hare ontwakende vermogens verdraaid of afgewend. Hij heeft, met trage hoveniershanden, deze blonde bloem herleid tot nachtzwarte roze en mij, die haar liefheb, herkent zij niet meer....
--Simon, let op!
--Is het een misdaad? Mag ik zelfs u niet zeggen dat ik haar liefheb?.... Ha! gij hebt weer slecht gehoord: niet voor mij zoude ik willen dat ze mij herkent; maar dat zij mij, voor haar zelve, niet herkent, bewijst hoe diep en volkomen Sörge's satanische kunst haar heeft bewerkt. Zij is geplunderd van al hare natuurlijke simpelheid en door de ingewikkelde artifices, waarmede men haar heeft omwonden, dringt haar geweten niet meer. Ach, Doening! gij, die me een blinde noemdet, ziet gij niet dat Sörge voor eeuwig Francine heeft blind gemaakt?
De pastoor zat met neergebogen hoofd. Zijne handen lagen zonder beweging in zijn schoot. Wie zal ooit weten, waarom hem zoo plots een broos beeld van licht door de hersens steeg en waarom hij Reinildeken herdacht, het verre en verleden Reinildeken, staande in zoete zon, nauw in haar spannend jurkje en kijkend met groot-ronde turkoos-oogen, het eendere, het altijd eendere en onveranderde, het nooit verminkte en verwende, het gelijke en dierbare Reinildeken?
Hij stamelde, zonder opzien, verlegen of verstrooid:
--De Hemel gunne dat gij overdrijft!
--De Hemel, wedervoer Simon, warm wordend, de Hemel kan zóo barmhartig niet zijn! De Hemel duldt vampieren als Sörge, Doening; maar waarom spaart hij de onschuld en de liefde niet, waarom wil hij zelfs Vere niet sparen?
--Laster niet....
--Vere! het edelste aller harten, de mildste aller vrouwen, de rijkste aller moeders! Haar ook heeft Sörge behandeld. Is het niet? Lieg ik? Hij heeft haar met lange en kromme vingers behandeld, slinks en van verre. Hij laat een vergift druppelen in haar leven. Hij bedwelmt geheel haar huis, en dan komt hij zelf, dan nadert hij in persoon, de gretige hartzuiger, en hij bezigt haar echtgenoot om haar te treffen. En hij heeft haar getroffen. Ziet ge dat niet, gij? Ziet ge niet dat Vere kapot gaat? En ben ik de blinde, ben ik, ik alleen, de blinde?
Simon had nu met hevigheid gesproken en pastoor Doening had niet geroerd onderwijl. Simon vertraagde zijne woorden en stilde zijne stem. Hij hernam in effen rust, nadat hij de uitgedoofde asch van zijne sigaar over den haard had uitgepoeierd:
--Toorn verwart de sterke gepeinzen en voorzichtigheid verlauwt ze. Me dunkt, het beste is dat we beiden zwijgen. Maar ik wil niet dat ge me langer voor een treurenden liefdewilg houdt, en daarom opende ik uwe oogen op mijn grootste leed.
Een poos. Dan, heel stil:
--Mijn grootste leed, waaruit eene vrije kracht moet groeien.
En seffens was pastoor Doening opgesprongen. Hij stond daar bevend en bleek. Hij reikte naar Simon zijne handen en, strak, keek toe, rap vragend:
--Wat zegt gij? Wat zegt gij?
--Mijn goede vriend....
--Gij zegt daar iets.... Ik voel u, Simon. Niet redeloos overvalt mij een doodelijke angst. Ik voel u. Ik weet wat gij wilt, en ik weet dat gij beraden zijt en bereid. Maar ik, hoort ge, ik zal u in den weg staan.. Gij moogt niet, en gij zult niet!
--Ik......
--Neen, geen uitleggingen baten, en geen beloften zullen mijn wantrouwen bedwelmen. Het inzicht dat gij in eenzaamheid gekoesterd heb, is reeds onvergeeflijk. De misdaad zelf zal ik.... O Simon! Simon! hoe hebt gij uw geweten verkracht!
De oude Doka kwam heel ontzet binnen. Voor de eerste maal werd zij door haren meester met eenige ruwheid behandeld. Hij bad haar om dadelijk op te rukken. Ze bleef nochtans, en het was duidelijk dat zij iets zeggen wou en niet spreken kon. Pastoor Doening fronste zijn wenkbrauwen.
--Nu, Doka? vroeg hij streng.
Hij wees haar de deur. Toen gelukte het haar een heesch geluid door hare keel te stooten. Ze hoestte. Ze zei:
--Daar is mevrouw Verlat.... en ze is zoo--ze is zoo....
Mevrouw Verlat stond op den drempel. Peter ging snel naar haar toe. De kamer werd stil en angstig, en, uit het schemerdonker, trad Vere vooruit, onzeker en wankend. Ze stond nu in het rozige lamplicht. Ze had een wijden mantel om, maar die hing open en slordig. Haar pelsen kapeliene plooide onsierlijk over haar hoofd en natte haarlokken vielen over hare wangen. Ze was door en door beregend. De kille Aprilwind had het tipje van haren neus en de randen van hare oogen roodgebeten, terwijl hare wangen en haar mond doodsbleek waren gebleven.
--God! dacht Doening, het groote hart stort in.
En, zijn hevige aandoeningen bedwingend, ging hij hare koude handen nemen en vroeg hij, eene stille belangstelling gebarend:
--Wel, lieve mevrouw, wat brengt u zoo laat ten mijnent?
Hij bracht haar bij het vuur. Hij zei, daar ze werktuigelijk en sprakeloos hem volgde:
--En ge zijt waarlijk nat! Ge zijt geheel nat! Ik wist niet eens dat het regende. 't Zijn Aprilsche buien, men kan nooit weten hoe 't weder draait. Simon, hang die mantel ginds open over een stoel. En uwe vingeren zijn gelijk ijs, mevrouw!
Hij vermoedde dat ze om wille van Peter zweeg. Hij zei heel natuurlijk:
--Simon, haast u naar de keuken en bereid er een flinken grog. Wel! Wel! wat hebben we dees jaar een gure winter!....
Vere deed een klein teeken met de hand en toen sprak ze met lage, vreemde stem:
--Neen, Simon mag hier blijven. Ik ben blij dat hij hier is. Ik heb niet te veel te zeggen.
Ze bleef stijf zitten. Ze had over haar de gevoellooze strakheid van een automaat. Hare woorden waren kort en hard. Ze kwamen uit eene gebroken ziel.
--Rust wat, ik bid u, vroeg Simon, gij zijt zoo diep vermoeid.
Zij keek hem lang in de oogen. Ze zei:
--Gij, ge kunt mij fluks begrijpen. Maar ik ben nog niet vermoeid en de rust.... wat is dat, rusten? Ik zal ook geen grog nemen, pastoor. Ik zal niet lang hier blijven, geloof ik. Ik heb nog een heele boel.... een heele boel te....
Soms viel hare stem, en de gedachte, onduidelijk geworden, werd dan telkens niet geheel geuit. Pastoor Doening was zoo geschokt dat hem, eer hij 't voelde, een dubbele geute tranen over de oogen vloeide. Zij merkte 't niet. Ze had Simon's arm gevat.
--Luister eens, sprak ze, hoe ongelukkig ik ben. Ik kwam om 't alleen aan den pastoor te vertellen, maar ik ben toch blij dat gij erbij zijt. Ik heb een brief ontvangen dezen uchtend en daarin stond.... hoe ongelukkig ik was. Ik vrees dat pastoor Doening zich niet goed kan inbeelden wat liefde is--de liefde, bijvoorbeeld, van een man voor eene vrouw, of van eene vrouw voor.... voor....
Het was een schrikkelijk schouwspel, die vrouw zonder gebaren, die stem zonder schakeeringen en dan die invallende zwakheden der gedachte. Pastoor Doening bedwong nochtans het geweld van zijn medelijden.
--Ik weet zeker niet geheel wat liefde is, antwoordde hij zachtjes, ik ken er de blijdschappen niet van. Ik bid u, laat de tegenspoed u niet verwoesten. De liefde--zij draagt een zoo schoonen naam!
--Ja, zei Vere, een schoonen naam .... In den brief stond dat Ernest mij verachtte en dat hij de slaaf was geworden van ik weet niet meer wie--eene verlaten maîtresse van Rupert .... Ge zwijgt alle twee. Ge wist dat dus alles, eer ik het wist? En geen van u heeft de bedrogen Vere verwittigd. Zoo komt deernis het bedrog voeden ....
Pastoor Doening viel haar bevend in de rede.
--Gij zijt niet wel, mevrouw. Gij zegt al die schrikkelijke dingen met eene kalmte, die nog veel schrikkelijker is. Niets is onwaarschijnlijker dan wat ge zegt. Gij ziet hoe hevig mij uw bezoek ontzet ....
--Ik zie, hernam Vere, hoe zeer u mijn bezoek ontzet. Ik heb dus den brief ontvangen, en ik heb er gelezen hoe Ernest de verderflijke wenken van Sörge had gevolgd, en hoe hij mij verliet--want mijne liefde liet niet toe dat ik het door eigen oogen vernam--en hoe die vrouw is, en leeft, en zich noemt, en hoe, eindelijk, ik zelf mij van dat alles kon overtuigen, mits dezen avond nog, na negen uren, op de Kortenbergsche laan, nummer .... nummer .... och God!
Simon keek somber en verborg zijn woesten blik onder zijne neergeduwde wenkbrauwen.
--Wie schreef den brief? vroeg hij.
Maar pastoor Doening had zich naast Vere neergezet. Hij bestreelde hare koude handen. Hij overpraatte de slechte vraag van Peter.
--Wat een leelijke brief, deed hij voorzichtig, en hoe heb ge daaraan het minste geloof kunnen hechten? Kom, mevrouw, ge heb waarlijk veel rust noodig en ik wil ....
--Ik wil voortvertellen ook, pastoor, zei Vere. De brief was inderdaad onedel genoeg, en ik verzeker u dat ik niets geloofde, ofschoon .... Maar ik geloofde niets. Rond zeven ure kwam Ernest thuis. Hij was zeer vriendelijk met me. Hij is overigens, sinds een heelen tijd, veel vriendelijker dan vroeger. We dineerden saam. Kwart vóór negen zei hij dat hij weg moest. Het diner was zeer hartelijk, hoewel Ernest geen eetlust had, en ik bad dat hij thuis zou blijven. Ik bad, en dan, ja, voor het eerst, gebood ik. Hij vond 't heel vreemd. Ik had hem willen toeschreeuwen dat hij verraden was, dat hij blijven móest. En daarom gebood ik. Hij werd niet barsch nochtans. Hij stond recht en hij vertrok .... En tot half tien wachtte ik, en toen liep ik de straat op. Ik vond het huis van de Kortenbergsche laan. Ik schelde. Ik ging eerst heel schuchter binnen en gaf den brief af aan een bode. Ik zei simpellijk: voor mijnheer Verlat, en dat ik op een antwoord wachtte. De bode ontving de boodschap, alsof mijnheer Verlat zijn eigen meester was. Hij ging langs een duister vestibule zonder te merken dat ik hem volgde. Ik hoorde een schoonen vrouwenlach en, tot driemaal de stem van Ernest--driemaal heel duidelijk: "Allons, Milly!" Eene breede deur werd opengeduwd en, in een vloed van licht, achter een tafel met vruchten en wijnen, zoo vond ik ze....
--Mevrouw! mevrouw! ....
--Hij zag mij nog niet. Hij aanvaardde den brief, las, sprong recht al vloekend, en ineens, stond daar vóor mij, vóor mij, en hij deinsde, en hare stem .... hare stem .... ik weet niet goed ....
Pastoor Doening vond geen troost en Vere's handen bleven koud in de zijne. Hij prevelde aldoor:
--Mevrouw! .... mevrouw! .... mevrouw! ....
Vere was trager geworden. Langer vielen hare stemklanken. Het scheen dat ze geweld deed om de weerspannigheid van haar geheugen te bemeesteren. Ze sprak nog:
--En toen ik weg was geloopen, wist ik dat hij me op de hielen zat. Maar hij heeft me niet ingehaald, en ik ben nu hier .... Ik heb nog een boel te doen, en niemand kan mij helpen .... niemand kan mij .... helpen .... kan .... mij .... helpen .... tot .... tot ....
Simon stond recht. Hij stak een forsche vuist in de hoogte en riep:
--Als er een God is daarhooge, Doening--
--Ssjt! .... ssjt! .... deed zoet de pastoor, en hij wees naar Vere die tegen zijn schouder was neergezonken.
Ze sliep. Haar gelaat lag onder de blonde kamerklaarte. Het was nog even strak en schijnbaar rustig als te voren, maar op hare wimpers zwollen gestadig tranen tot een vloeibaar parelsnoer saam.
IV.
MORGENBEZOEKJES BIJ FLORJAN PACÔME.
Mijnheer Florjan Pacôme was niet gewoon vóor tien uren zijn bed te verlaten. Een mondain kunstenaar, die wijders eene pornografische aestetiek voert, heeft nachtelijke verplichtingen welke hem boven den gemeenen man verheffen en hem van zijne eigen slaapkamer verwijderd houden. Mijnheer Florjan Pacôme steeg gewoonlijk uit Morpheus' armen tegen halfelf, en dat deed hij dan met beladen oogen, een verstopten neus, een schorre keel en een zoo verwarde haarpruik, dat hij er een wonderlijk Aztèk-uitzicht bij kreeg.
Dien morgen lag hij te elf uur nog aan het snorken. Het was eigenlijk mijnheer du Bessy, die hem wekken kwam, en dat zal niemand verwonderen, daar men weet hoe dikke vrienden deze elegante erotiekers geworden waren. Nadat mijnheer du Bessy zijn voornamen vriend luidkeels uit zijn slaap geroepen had, gaf de genadige Florjan dadelijk lucht aan zijne heerlijke ziel. Deze ziel, wanneer haar aldus vroege lucht werd gegeven, placht zich telkens in een vloed van scheldwoorden uit te laten. Zooals de uchtendstond goud heeft in den mond,--had Pacôme drek op de lippen.
--Abruti! Andouille! Constipé! Salop! Crapule!...
De weelde van zijne uitboezemingen was alleen geëvenaard door het overdadig geduld, waarmede La Flèche, de knecht, ze iedermaal aanvaardde. Ze gingen nu per abuis naar het adres van den ouden baronet, die verstandig genoeg was om ze als eene geestigheid te bejegenen.
--Ge zijt wel vriendelijk, zei hij herhaaldelijk.
De ronde haarbos van Florjan Pacôme rees uit de hoofdkussens te voorschijn en zijne handen kropen gelijk spinnekobben over de dekens. Hij herkende mijnheer du Bessy en veraangenaamde de kennismaking met een heesch-krijschenden lach, dien hij weldra onderbrak om te geeuwen. Toen liet hij zich door La Flèche in een broek en een kamerrok steken. Vóór de toilettafel gezeten, waar borstels en kammen seffens onder malkander wedijverden om aan zijn kop een algemeen-beschaafd figuurtje te geven, vroeg hij aan du Bessy wat de gelukkige oorzaak van een zoo vroeg bezoek mocht zijn.
--Ik wandelde hier voorbij, antwoordde de oude dandy, en ik ben werktuigelijk binnengeloopen. Het is thuis niet prettig, moet ge weten ....
--Toch niets gebeurd?
--Ik weet niet. Ik ben niet op de hoogte. Maar er is zeker iets gebeurd, of er moet iets gebeuren. Mevrouw werd eergisteren naar huis gebracht door Doening en Peter, en zij ligt te bed. Ik mag er niet bij. Ik weet niet eens of 't gevaarlijk is. Ze is al maanden niet wel ook; dat heb ik lang gemerkt ....
La Flèche had het haar van Pacôme met een halve flesch Cologne overgoten en friktionneerde nu met onmeedoogend geweld. Pacôme kon onder 't schudden en wrijven een woordje plaatsen:
--Verdomd! .... Ge moet daar .... daarnaar uit .... uitzien!
--Wat heb ik te zien? Ik heb me in den laatsten tijd, moet ik zeggen, zoo wat uit het huis geboemeld. Ik hoor niet geheel thuis meer .... Zeg eens, Cologne deugt niet voor het haar. Bardain verkoopt een snoezig Eau de Samson, dat ge gebruiken moet.
--Prends note, La Flèche!
--Doening is meer van den huize dan ik. Fran zie ik zelden, en Ernest ....
--Ja, hoe neemt Verlat de ziekte van zijn vrouw op?
--Lugubre! Hij waart als een spook rond. Hij spreekt niet. Hij eet niet ....
--Er moet wat op gang zijn ....
--Ja.
Florjan Pacôme kwam frisch en geurend uit de handen van La Flèche. Hij vatte du Bessy bij den arm en leidde hem in eene kleine eetkamer, waar een klein ontbijt hen wachtte. Ze dronken beiden een kopje chocolade. Florjan, die een broodje met appelmoes besmeerde, vroeg:
--Was Ernest dan waarlijk buiten streek? .... Daar zit, dunkt mij, de hand van Sörge onder. Eene onpasselijkheid van mevrouw Verlat zal Ernest niet overhoop werpen, denk ik. Hebt ge niets over Sörge gehoord?
--Ernest zei me gisteren: ge hoeft aan Rupert niet te vertellen wat hier omgaat. En daar ik vroeg: wat gaat hier dan om? snauwde hij me toe dat ik er niets kon aan hebben. Mooi! .... Enfin, 't is daarginds een onverdraaglijke boel geworden. Het spijt me voor Vere ....
--O ja!
--Ik hoop maar dat ze gauw weer te been is.
--Ja.
Ze zwegen. Du Bessy zuchtte. Pacôme hernam:
--Ge ziet er ook niet heel plezierig uit, ouwe jongen!
De ouwe jongen boog het hoofd. Het was duidelijk dat hem iets op het hart lag.
--Du Bessy, riep Florjan, ge zit met muizenissen!
--Ik?
--Vooruit! In het licht daarmee! Ge kunt mij immers niets verbergen, en uw tronie, ge weet het, is het uithangbord van uwe ziel. Geen valsche schaamte, als 't u blieft. De grâce! Kom uit met uwe gedachten!
Het was voor du Bessy een ernstig oogenblik, te oordeelen naar het bedenkelijk gezicht dat hij zette. Een nieuwe uitval van den bar-artist bracht hem geheel in het nauw. Hij zei:
--Och ja! maar het zal wel zoo erg niet wezen. Ik hoop het beste, hoewel dat zaakje mij verveelt. Er is kwestie van .... Kom! laat het ongeroerd!
--Maar merkt ge niet dat ge wanhopig zijt? .... Biecht op! Kwestie van ....
--Flor, ge zijt waarlijk onkiesch.
--Dat ben ik. Dat heeft Morganès me dezen nacht ook aangewreven, en die is niet half zoo teergevoelig als gij. Toe! beken maar: daar er kwestie is van.... Henriëtte?
--....
--'k Rook het. Ge zijt een uilskieken.
--Dank je!
Mijnheer du Bessy kon niet langer meer de uitlegging ontwijken. Hij aanvaardde ze dus. Hij had overigens met geen ander inzicht Pacôme opgezocht.
--Begrijp, zoo begon hij, begrijp dat ik niet jong ben; begrijp dat mijne familiale betrekkingen van een aard zijn, die niet toelaat dat ik de eerbaarheid van mijn naam aan 't zij eender welke avontuur prijs geef. Ik begin allengs in te zien dat ik, moreel beschouwd, niet heel zwaar weeg. Mijne jeugd was, onder dat opzicht, veel beter dan mijn rijpe ouderdom. Het zou me algelijk spijten moest ik, door grove euveldaden van liederlijkheid, aanleiding geven tot zekere geruchten.. Kortom: ik mag geen schandaal verwekken.
--D' accord.
--Goed, maar als Henriëtte haar zin uitwerkt, dan komt er schandaal.
--Comprends pas.
--Ze heeft me gisteren toevertrouwd dat ze sinds twee maanden ....
Mijnheer du Bessy kon het woord over zijne lippen niet krijgen. Hij teekende met zijn linkerhand een rond en vaag gebaar, en zag dan, boven de walmen van de chocolade, Florjan's gezicht heel lang worden over de holte van zijn opengevallen mond.
--Heê-ôe! vroeg hij, wat zegt ge daar?
Het aangezicht van mijnheer du Bessy liet genoeg verstaan dat alles klaar en onherroepelijk gezegd was. Pacôme beet hem toe:
--Oude sloeber!
En, rechtstaande, heel luchtig, voegde erbij:
--T'es fichu!
Wat alles niet van aard was om den verslagen baronet op te beuren. Ze zwegen een tijdje allebei. La Flêche kwam de tafel opruimen. De stilte bracht in de kamer een ongemak, dat hoe langer hoe ondragelijker werd.
Pacôme had een sigaretje aangestoken. Toen ging hij vóor du Bessy staan, wijd uitbeenend, en, de tabak luid oppaffend in de ruimte:
--De hemel heeft uwe liefde dus gezegend. Compliment! Wat zijt ge nu van zin?
--Weet niet. Afwachten.
--Dat dacht ik wel. Ge zijt ook zoo vernuftig. Ik wed dat ik uw vroeg bezoek te danken heb aan mijne eigen dienstige spitsvondigheid: ge komt aan de deur van uw trouwen vriend Flor een gerieflijken uitweg bedelen.
--Ik verberg het u niet ....
--Neen, dat 's aardig, ventje. Gij, ge hebt familiale betrekkingen, die niet toelaten... en zoo voorts. Gij, ge begint in te zien, dat ge, moreel beschouwd, een schurk zijt--of hoe hebt gij 't uitgedrukt?.... Gij, ge hebt eene fatsoenlijke jeugd geleid en beleeft thans de grijsheid van een geilen sater--ik kan uw eigen woorden niet zoo precies herhalen. Enfin, gij, ge zijt van edele afkomst en ge moogt geen schandaal verwekken. En gij zijt du Bessy, de mondaine en aristokratische du Bessy, le chevalier sans reproche, le délicat poète, de fijnproever en minzame prater--kijk me aan! En dan komt ge bij me. Aan een ploert van mijn soort moogt ge uw bloote ziel wel laten zien. Ik ben geen Sörge, de onbereikbare, en geen Verlat, de vlekkelooze. Ik ben maar Pacôme, de bordeelschilder. Ik heb nooit met vroomheid aan mijne doode moeder gedacht. Ik heb nooit eene vrouw liefgehad, die me door een ander werd ontnomen. Ik ben een levend stuk hardvochtigheid, eene kruipende laagheid, een model-onmensch. En gij komt natuurlijk bij me. Wat hebt ge misdreven? Eene kleinigheid: een hart bedrogen, een geest onteerd, een lichaam bezoedeld. En wat hebt ge van doen, o stier? Een os om de kleinigheid te dragen!--
Mijnheer du Bessy was onder den woordenvloed ineengezakt. Zoo had hij Pacôme nooit gezien Hij. voelde zich laf en gekrenkt worden tot in het diepste van zijn wezen. Hij kon niet rechtstaan.
--Gij walgt mij! schreeuwde Pacôme. Ik veracht u evenzeer als ik mijn eigen veracht ....
Dan, koel, en met een droog lachje: