Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 31

Chapter 313,950 wordsPublic domain

Men bracht een flesch oude porto. Het gesprek moest weer uit diepten van ongemak worden opgehaald. Ernest, die geen raad meer wist, meende met wijn zijne zorgen te stillen. Hij dronk wanhopig, zonder smaak. Dan beproefde hij met aandacht te luisteren naar de behendige woordgeluiden van Sörge. Soms, ongedurig van luisteren, viel hij hem in de rede, smeet een angstigen klank in de ruimte en, de hersens gespannen, wilde dan de echo hooren, gelijk vóor een diepen bornput, waar hij galmen zou. Hij hoopte dat hij daarbij mocht duizelig worden, en hij werd duizelig. In 't geniep bestelde hij eene tweede en eene derde flesch. Hij lachte dikwijls, was eindelijk geheel bedwelmd, draaide zonderlinge dingen in een troebel geroezemoes van gedachten. Zijne handen waren heet en zijne vingeren, zonder gevoel, raakten malkander. Bijwijlen vroeg hij, bang zijne wenkbrauwen optrekkend:

--Milly, vindt ge 't alzoo plezierig?

Milly wist dan wel de beteekenis van de scheeve roering, die in zijn oogen lag; maar ze was blind voor de beelden van zijn angst. Hij schoof naderhand dichter aan bij haar, en zette zich te rooken. Alles wat gebeurde, was hem zoo ongewoon, zoo averechts, dat hij geen orde meer voelde in zijn eigen handelingen. Hij deed net als een dronken man: hij probeerde te vergeefs.

Rupert Sörge lag achterover in een soort van korte sofa. Zijne beenen, uitgestrekt, waren overeengelegd en het licht van den ronden kandelaber tikte op de toppen van zijne verlakte schoenen. Geheel zijn lijf, overgegeven aan al de aaiingen van de verwonderlijkste wellust, rilde zachtjes en gedurig. Veel wijn had hij niet gedronken. Hij had de bekers van Milly en Francine bereid. Met zijne oogen had hij het donkere vergift aan hare lippen gebracht, had hij de roemers opgelicht en de heete walmen naar hare hersens gejaagd. Hij herdronk, lui-zinnelijk, den wijn die in donzige blosjes op hare wangen kwam kleuren. Hij maakte zelf al zijne aandoeningen en genoot nauwkeurig ervan. De valschheid van dezen vierdubbelen toestand jeukte over zijn ruggegraat en 't werd hem als eene onduidelijke symphonie, vol wulpsche toonverschrikkingen, klanken beneveld in lichtpoeier die aantokkelden rond hem, lichtgewiekt, en even, haast ontastbaar, hunne klinkvleugels lieten kriebelen op zijne huid. Hij voelde het delikate ruischgewaai, de haartjes van zijne hand opstreuvelen, en 't was gestadig, bij elke inkomende gewaarwording, eene huivering door zijn bloed, een schok, in zijn subtiel vleesch, van blije verwondering, van onnoembaar genot.

Zijn scherp gepeins drong tot in de ziel van zijne genooten. Hij dichtte drievormige akkoorden met iedere ontdekking, die hij daar deed. Van Ernest zag hij de dof-ronkende vreeze en den ontredderden wil. Ernest was vaak, in de algemeene modulatie, een mistige grondtoon, laag zwevend over orgelende klankslingeringen, angstig gelijk een ruchtige nacht. Rupert had, binst de bewerking van zijne geneugten, het zicht noodig van dat bleek voorhoofd, van die verdraaide oogen, van dien matten, diklippigen mond. Hij gebruikte die ordeloosheid van bevangen ledematen, die onmaat van gedachten, die aanhitsende ontsteltenis.

--Ernest, bidde, een sigaretje.

Ernest lengde zijn onzekere hand, beladen met onrust, raakte lichtjes met koude nagels de vingeren van Rupert, lachte zenuwachtig. Hij wilde gaarne vluchten. Eene zware moeheid woog in zijne braaien.

Francine, het dichtst bij 't krakende vuur, waartegen haar parelgrijs kleed teer opleefde, verkeerde in een staat van volkomen zinnelijke onwetendheid. Zij had geen klaar besef van wat er in haar gebeurde. Het gesprek, waaraan zij met zwevende woorden meedeed, ruischte over haar hoofd gelijk een zang van aeolische harpen. Rupert zat noesch achter haar. Zij voelde zijne blikken op haren hals met dezelfde onduidelijkheid. Zij baadde in een ingewikkeld gesmeur, als met opiumwalmen doorvaren. Maar daar bovenuit, recht en vormrijk, rees--vrucht en evenbeeld van hare liefde voor Rupert--hare haat voor die andere vrouw. Zij had geen direkte reden daartoe en zij had nochtans de absolute zekerheid van haar haat. Het was een haat zonder willekeur, een haat die zich traag in het vleesch had ontwikkeld, onder de kussen en de blikken van haar man. Zij moest hem met geen woord of geen daad bekrachtigen: hij stak vast en werkelijk in haar, gelijk een doorn.

Francine, aldus bereid, ergerde zich aan Milly's aanwezigheid niet, en dit was eigenaardig. De onmiddellijke nabijheid van die vrouw stichtte eene troebele vreugd in haar. Zoo jeukt soms eene oude wonde, zoo brengt zij eene zinnelijke blijdschap tot in het hart van den zieke. Francine's haat was oud. Hij leefde sinds Rupert hare ziel had getaakt.

--Rup, zullen wij nog lang hier blijven?

Zij was niet ongeduldig. Zij sprak gedwee, door de stilte gedreven, die plots rond den haard gevallen was. Zij leefde onderdanig met de stilten en de geluiden.

Sörge onderzocht, met diepe drift, de traag-roerende Milly. Zij, van die drie, die hij ontbonden en hermaakt had, was het meesterwerk. Zoo dicht bij Francine begreep hij het sterk. Waar Fran en Ernest gestadig den aanstoot van zijn wil noodig hadden, waar die twee, als hij zijne vóorvoelende hand wegtrok, ineens ontschikt, verdwaald en zonder inzicht stonden, vermocht Milly, in ordelijke verhoudingen, buiten hem, een leven voort te leven, dat hij geheel uit zijn eigen leven had gewekt en met het hare had verwisseld. Het was hem nu haast even moeilijk de roersels van Milly's wezen te ontdekken, als de zijne zelf af te zonderen in 't veelledig proces van zijn wentelend gemoed. Het docht hem dat ze, na alles van hem te hebben opgedronken, nu zelfstandig op vreemde gronden wies.

Maar niet geheel ontsnapte zij hem. Vaak herkende hij aangeleerde gebaren, teekens van eene zwakheid, die zij te vergeefs in onverschillige traagheid wilde verbergen. Dan verried ze hare afhankelijkheid, dan was 't dat hij haar geest voelde kloppen, hoorbaar:

--Meester! Meester!

En hare oogleden trilden, oplettend en schuchter.

Soms raakte hij, te diep vorschend, den rooden gloed die leefde in haar. Hij sidderde telkens, rap hijgend, een tijdeken. Hij zag zelf het licht der kamer beven en behield lang, zorgvuldig, de kostbare aandoening.

Toen hij eindelijk de betrekkingen van die drie tot malkander, zoo nijpend had gespannen, dat zij meenden te breken in koorts, deed hij een ongewoon verhaal, bijna al zingend. 't Was van een oud man, die naakt en zweetend liep in de gouden zon. Sörge hing monsterachtige beelden op met artistieke schranderheid, deed het lijf van den ouden man vlekken in sappige verven en dibberen van een overdadige dagklaarte. Het grijs haar van den ouden man kroop glimmend over zijne vette leden. Hij schokte in de zon, lodderig boven het gras uit. Geiten en bokken schoten aardig uiteen ....

Wat Rupert bij de lange en nauwkeurige detailleering van zijne vreemde vertelling voelde, was schrikkelijk. Geen wellust evenaarde de ontzaglijke suggestie, die hij voor zich zelf had gewekt. Zijne rechterhand betastte zenuwachtig de zachte vormen van het ivoren aapje dat in een plooi van de sofa lag.

--Toen kwam, met groot gedruisch, een drom van menschen, roepend, op een stroom van bloed. En het bloed dampte wild, gelijk adems van brieschende veulens ....

Iedere toets op het gladde ivoor galmde tot op de randen van zijne ooren. Lang, behendig, onverbiddelijk voleindde hij iedere streeling. Onder zijne oogen was eene broze blauwigheid en zijne kaken droegen een heeten blos, nu hard geworden en gevaarlijk.

--Toen kropen twee magere schorpioenen gretig onder de oksels van den ouden man ....

Zijne woorden hadden geen zin in hun onderlingen samenhang. Maar elk druppelde op zijn gunstig oogenblik en, vallend, beet en verteerde het laatste gezonde vleesch--tooverachtig gedrop, dat het vleesch deed opvlammen en allentwege vuurtongen wekte. Rupert zong, verging zelf in zijn zang en vertelde met klanken en beelden zijne spasmodische zinschokken.

--Toen was 't een veld van rozen en de voeten van den tierenden man staken in den malschen dauw, die geurde. En hij danste, dolgekitteld, aldoor zijne teenen krullend, en zijn buik was glimmend en rond. Het gouden zwaard van den zomer zwaaide over den hemel..

Zijne stem deed gelijk een zilveren bootje op effen wateren, in den fluweelen avond. Hoe hij daarbij de wezens van Milly en Francine, bijna over zijn mond, dooreenstrengelde, is onzeggelijk. Hij weefde ze saam, hij vereende hare vier borsten, hij verzon op hare lippen een bovennatuurlijken kus. De kleur van hare ongelijke lichamen, rozig en roomblank, daghelder en blauwig, hij vergaarde ze in zijne oogen tot een overdadig spel. Hij deed hunne twintig vingeren door mekaar spoelen en liet ze neerkomen op zijn voorhoofd, op zijne wimpers, en in zijn hals, tot op zijn rug. Hij veronderstelde eene varende frischheid, waarbinnen hare heupen wiegden ....

En plots sprong hij recht, met de armen omhoog, de hand vastgevuist op het ivoren beeld.

Ernest en Milly en Francine keken ademloos toe.

--Wat, riep Sörge heesch, wat wacht gij?

Hij wankelde. Een stuip verwrong zijn aangezicht. Hij riep:

--Wacht niet! Wacht niet!

Juist verscheen op den drempel van het eetsalon een gladde dienaar vol gedienstigheid. Hij had de dubbele deur geopend en de spijstafel blonk onder zijn zilver en zijn kristallen. Sörge riep:

--Komaan! Ha-â-â! dàt is leven!

Hij rok zich uit op zijne teenen, lachte vreeslijk, knikte in de hoogte. Dan, zonder een kreet, viel hij gebroken.

Milly snelde toe, rukte zijn boordje los, scheurde wild zijn das. Hij had de oogen gesloten en een licht schuim bloemde op zijne lippen. Zijn adem schorrelde hard in zijn keel.

Toen, gerukt uit haar droom, wipte Francine op. Hare handen lagen seffens om den hals van Milly en ze sloot hen, ze neep hen, ze zag de roode vlag van haar haat wapperen, triomfelijk. Het duurde éen oogenblik. Ernest omarmde haar, dwong haar los te laten, voerde gauw Milly weg.

De deur van het eetsalon was weer dicht.

--Rup! Rup! schreide Francine.

Ze wierp water over zijn voorhoofd. Hare tranen vielen op zijn voorhoofd.

Hij opende zijne oogen, keek scherp en vluggelings rond, kwam huiverend half overeind.

--Rup! lieve Rup!

Hij stiet haar zachtjes zijwaarts, ineens zeer verlegen. Hij wreef met zijn zakdoek over zijn gelaat, schikte zijne kleeren. Hij kuchte even. Zijne onrustige blikken zochten over het tapijt.

--Nu, Fran, sprak hij stil, maak, als 't u belieft, geen spektakel.

En zich snel neerbuigend achter de tafel, raapte hij het ivoren aapje op, dat over het tapijt gerold was ..

Hij zag er zeer rustig uit.

III.

PASTOOR DOENING OVERROMPELD.

Zet u hier bij den haard, Simon, zei pastoor Doening, en laat me u zeggen, hoe gelukkig ik ben dat ik u eindelijk te pakken krijg....

--Ge liet me roepen....

--Ja wel, dat liet ik.... en met goeden uitslag ook! Dat is lief van u.

De oude pastoor kwam Peter met voorzichtige armen omringen, bracht hem onder het hooge schouwkleed in een breeden zetel en ging dan recht over hem zitten. Hij liet, met een kleine rust van woorden, de kamerruimte bereiden tot de ontvangenis van wat hij vermoedde een moeilijk gesprek te zullen zijn. Hij pookte het vuur aan, onderwijl, schikte het pelsen voettapijt en leunde eindelijk achterover, zacht opblikkend naar zijn jongen vriend. Hij lachte zoetjes.

--Weet ge, kerel, sprak hij langzaam, dat het nu al drie maanden geleden....

--Ja, och ja, neem 't mij niet kwalijk. Ik had het zoo druk....

--Herkent ge mij nog? vroeg pastoor Doening guitig.

Simon Peter wilde beleefd opkomen tegen eene zoo onmogelijke veronderstelling; doch toen hij den priester in het aangezicht keek en dat aangezicht daar vriendelijk-blank boven de zwarte toga opglom, docht het hem dat de lach met een onbekenden rimpel gescherpt was.

--Zijt ge ziek geweest, pastoor?

--Ik? hernam Doening, ik, jongen? Wel, ik ben verjongd! Hoe averechts staan toch uwe zinnen dat ge niet eens merkt dat ik er, met mijne valsche tanden, nu jonger uitzie. Simon, lach niet: ik heb me daar, in dat ijdel bakhuis, zeven nieuwe tanden doen planten. Ik word behaagziek, geloof ik--het oud zot, zooals de boeren zeggen.... 't is het oud zot!

Simon merkte wel, dat Doening's wangen niet meer, als vroeger, zoo mollig invielen; diepere groeven, gelijk met een priem geprent, vielen uit de hoeken van zijn neus tot onder zijne kin. Eene rappe aandoening, uit medelijden en eigen leed geboren, steeg op in hem. Hij boog het hoofd.

--Waarlijk, Simon, zei pastoor Doening, ge ziet er ouder uit dan ik, en ik heb u geroepen om u dat eens duchtig te zeggen. Wat is 't, dat ge neemt: sherry? thee?.... Of wil ik u een lekkere cocktail laten bereiden?.... Ge hebt toch gesoepeerd?.... Dan een cocktail.... Doka!

Niet vóor Doka den gemengden drank had gebracht en stille de deur op hare hielen had gesloten, wilde Doening aanvangen met zijne vermaningen. Hij deed het dan met zijne gewone kieskeurigheid en zorgde vooral, dat hij de geelbelichte avondkamer met lichte woorden in lichte stemming hield. Hij trachtte ook Simon geheel onder zijn indruk te krijgen en hij voelde dat de gelaten onverschilligheid van den jongeling dit inzicht zeer in den weg zoude staan. Hij dacht bij zich zelven:

--Doening, oratorische Doening, wees nu een ècht redenaar!

En hij begon:

--Steek deze sigaar in uwen mond om te beletten dat ge mij, met onzin, in de rede mocht vallen, want wat ik u te zeggen heb is van delikaten aard en moet ik ineens--om ervan ontlast te zijn--afhaspelen.... Simon, mijn kind, er zit een worm in uwen geest en ge laat uwe hersens vermolmen. Het is mij, alsof ik u al dien tijd niet verlaten heb--en dat heb ik ook niet, hoewel gij er schijnbaar in gelukt zijt mij te ontvluchten. Ik weet heel goed wat er in u omgaat, en ik vrees niet dat gij het mij zult verbergen, want ik zal u niet toelaten erover te spreken. Gij hebt, gedurende deze drie zwijgende maanden, genoeg gesproken. Gij hebt niets meer te zeggen. Gij hebt alles goed uitgedrukt. De beurt is thans aan mij, en vermits het mij toeschijnt dat gij doof zijt voor de taal des harten, moet ik u wel met woorden aanspreken.... Ssjt! houd de sigaar maar stevig in den mond, en maak damp met wat ge hierop al antwoorden wilt, ik bid u.... Toen ge vrij werd gesproken en ik, de eerste, u in mijne armen ontving, wist ik reeds dat de vrijheid u een last zou worden, omdat ik wist dat gij uw hart van eene zekere liefde, die ge wel kent, niet hadt bevrijd. Ik wil mijne gedachten zoo brutaal mogelijk uitdrukken en u de toevlucht van een misverstand ontnemen. Die liefde--welke gij hadt moeten uitroeien--gij hebt ze met laffe inzichten gespijzigd, getroeteld....

--Ik...

--Gij hebt Francine nog lief. Houd uw mond toch! Denkt ge dat ge mij met den bombast van een "Ik verbied u zoo te spreken" zult afschepen? Dan kent ge de duivelsche koppigheid niet van iemand, die, met een heilig geduld, drie volle maanden geluisterd heeft zonder antwoorden en nu mordicus antwoorden wil. Ik vergeef u dat gij haar ooit lief hebt gekregen. Ik kan ook aannemen dat die liefde diepe wortelen in u heeft geschoten en dat enkele behandelingen van Francine indertijd daaraan niet vreemd waren. Maar wanneer zich dit kind in u had bedrogen, en gij aldus door haar bedrogen werd, wat hebt gij gedaan om u naar de eischen van Gods wil te schikken? Niets--niets! .... Integendeel, ja integendeel! Gij zijt u gaan inbeelden dat gij een slachtoffer waart--slachtoffer van wat? Slachtoffer van wie?.... Zwijg, ik hoor uwe opwerping, en den naam, dien gij niet durft uitspreken, ik zal hem u toesmijten, want ik wil u ten voete uit leeren kennen, geheel en àl! Sörge! Uw gansche lijf roept me: Sörge! Ik laat den naam nu in uw geest vallen--wat zegt uw geest?--Maar kerel, ge zijt bang voor uw geest, en gij voedt den worm, die uwe gedachte verwoest, gij voedt hem met waanzin. Het is dus noodig dat mijne rede beproeft te wekken, wat van de uwe nog overblijft. Ik kan Sörge's naam zonder verontwaardigd lyrisme uitspreken. Het is nochtans zeker dat eene onredelijke antipathie mij van Sörge scheidt. Ik begrijp den jongen niet goed. Hij is mij te duister, wat zooveel is als te sterk. Mij echter, niet hem, hoef ik behoorlijk te kennen. En met een gerust geweten mag ik u verklaren dat gij noch zijn noch iemands slachtoffer zijt. Het is te gemakkelijk u als martelaar uit te geven. Gij zijt geen overwinnaar; maar meen daarom niet dat de palm der martelie u meer past dan de lauwerkrans van den zege. U past eene bescheiden voorzichtigheid in de bewerking van uwe voornemens en den uitvoer van uwe begeerten. Het wordt dringend noodig dat ge een helder zicht krijgt op de beperktheid van uwe menschelijke waarde en op de billijkheid van uw menschelijk betrachten. Simon, open eindelijk op eigen zwakheid de oogen en gij zijt uit uwe wanhoop gered!

--Mijne wanhoop....

--Wat wilt ge me toch altijd onderbreken?

Pastoor Doening sprak zeer heftig en zijne stem had meermaals ongemeen-scherpe tonen. Dat geweld overrompelde Simon, die weldra geheel ontredderd toeluisterde. De oude Doening hernam:

--Gij had Francine lief en enkele betreurenswaardige toevalligheden hebben u in den waan gebracht dat ook zij u liefhad. Gij moogt zeggen dat ik een blinde ben, maar gij kunt niet tegenspreken dat omtrent de liefde van Francine voor u geen de minste zekerheid werd gegeven. Een paar verdachte teekens van genegenheid hebt gij vergroot of ontaard, en dàt was dan de machtige stelling, waarop ge uwe toekomst gingt bouwen. Het stond u vrij zulke zwakke vesten te kiezen, maar het wordt dwaas als gij, omdat ze instorten, de gansche wereld aan het haten gaat. Juffrouw Verlat beminde u niet, en dat was ook zoo best.

--Maar gij zelf....

--Als 't u belieft! Ik zelf, ja, heb gedaan wat ik kon om zulk huwelijk te voorkomen....

--Doening!

--Als 't u belieft! Als 't u belieft!.... Ik heb ook een oordeel, zou ik denken? Ik deed wat ik kon om de zaken te verhelpen. Het meisje was niet geschikt voor u. Ik wil haar niet verminderen in uwe oogen, dat ware haar vernederen in mijn hart, want gij weet, dat ik haar evengoed als gij liefheb. Ik beweer dat zij niet geschikt is om u gelukkig en haarzelve door u gelukkig te maken. Ik heb haar niet in Sörge's armen gedreven--de Hemel verhoede mij voor zulke misdadige inzichten--maar ik wist wel dat ik, uit beider oogpunt, verkeerd zoude handelen, met haar in de uwe te drijven. Mijne krachten--ik spreek er van, schoon zij al te bescheiden zijn--reikten dus niet naar een huwelijk tusschen Francine en u. En zij deden wel.... Neem om de liefde Gods een fosfoorstekje: uwe sigaar is dood!

Pastoor Doening stak zelf vuur aan om haar weer in 't leven te roepen.

--En, vervolgde hij, daar ik een huwelijk van dat slag voor een nest van kommer en ellende hield, heb ik zeker, mits al de voorzorgen eener beleefde kieschheid, juffrouw Francine's oogen geopend op de ijdelheid van hare eigen gevoelens jegens u. Ja, dat heb ik. Ge hebt nu schoon uwen kop te schudden en met een vermetele monkeling alles te logenstraffen, wat ik hier zeg--heb ik gedaan, Simon, wijl mijn geweten.... Waarom lacht gij, kerel?

--Ik zwijg, ik moet mijn bek houden....

--Ik spreek in ernst. Kortom: iedereen rond u heeft een helder zicht op uwe zaken, en gij blijft in het donker dwalen. Gij kamt uw eigen ongelukjes op, om er geheel uwe toekomst mede te verschrikken. Ge hebt feitelijk een spook uitgevonden en gij laat het over uw leven schaduwen. En daar is niets echts in dat alles, niets werkelijks, behalve dit eenige, waar, op slot van rekening, de geheele historie op uitdraait: 'n paar blauwe schenen!

De losse houding, welke Peter ineens had aangenomen, licht knikkend en glimlachend soms, had pastoor Doening eenigszins uit zijn schik gedreven; en de afdoende welsprekendheid, waarop hij zoo zeer rekende om Simon definitief op te beuren, liep nu groote gevaren. Hij had gehoopt dat hij, met Simon's eigenliefde aan te vallen, een voordeelige reactie zou wekken op zijne doodelijke gelatenheid. Daar moest hij voorloopig van afzien. Het koude scepticisme van Simon Peter, verlamde, eer ze hem aanraakten, de lieve warme woordenkeus van den ouden pastoor.

Een edelmoedig geduld kwam den goeden man sterken. En hij hernam, nieuwen moed scheppend in versche geuten van liefde en nieuw vertrouwen in den aangroeienden drang van volzinnen:

--Indien het u mocht klaar worden hoe innig ik en anderen naar uwe moreele herwording trachten, mijn kind, voorzeker zoudt gij met schoonere aandacht luisteren naar mij--naar mij, die de gezonde waarheid ophef tegen de leugens, die u verteren. Gij hebt uw leven tot eene ziekelijke, tot eene verdorven leugen gemaakt. Die leugen, gij hebt haar verleidelijke vormen gegeven. Zij bekoort u, zooals het zilveren water, met zijn eindeloos-wenkend geklots, den zelfmoordenaar kan bekoren. Zij gelijkt wel op de verderflijke deerne, waarvan Salomo in zijn spreuken gewaagt: hare lippen zijn zoeter dan de gouden honing, maar de nasmaak is bedwelmend als absinth--en hare voeten reiken tot in den dood. Simon, gij zondigt eerstens tegen u zelven. Gij eerbiedigt de ziel niet, die God aan uw vergankelijk lichaam heeft toevertrouwd, en gij lastert Hem, ja, gij lastert Hem, wanneer gij, in zijn aangezicht, uw eigen wezen misprijst.

Zachter sprak hij:

--Zult gij langer de schoone vermogens van leven in u verwaarloozen en aan eene slordige nalatigheid overgeven de zeldzame tresoren, die moeten opgaan ten hemel, in pracht? Gij moogt het niet, jongen. Maar neem aan dat gij voortaan al wat is en komt van u, bij machte zijt te verachten. Ik neem eene sekonde deze afschuwelijke monsterachtigheid aan. En dan vraag ik u, Simon: zijt gij alleen, en gij, die thans iedereen verlaat, zijt gij door iedereen verlaten? Hoe blind zijt gij! Ik zou het scherper kunnen zeggen.. waarlijk....

Zachter, zachter vielen de woorden in den avond.

--Ik zeg--blind, mijn blind kind, mijn arm blind kind!

Vermoedelijk was het Simons, herkomen ernst, die hem tot goede volharding aanzette. Althans zag hij met genoegen hoe het gelaat van zijn jongen vriend in eerbiedige aandacht opkeek, en hij verborg dankbaar zijn gulden blijdschap.

--Och! ik heb u zooveel te vertellen, en het verwondert mij dat ik nu daarmede zoo'n moeite heb. Het eene gedacht verdringt het andere, en mijne tong is lui geworden. Simon, zijt gij al niet overtuigd van wat ik te vertellen heb? Spaar mij een nutteloos en pijnlijk geweld. Ik verzeker u: gij hebt dierbare plichten jegens u, jegens u, schepsel van God, en jegens ons, jegens uwe ouders, jegens uwe vrienden, jegens mij.. Gij begrijpt mij wel, en ik hadde u nog een tijdje aan uzelf overgelaten, indien mij iemand aan de vaardigheid van uw begrip niet had doen twijfelen. En ik twijfel inderdaad, nu ik u daar zie, nu ik uw verslensd aangezicht zie en uwe oogen, die met eene gevaarlijke strakheid uitblikken. Het is me of ge uit eene eeuwige helle blikt.... zoodat ik twijfel. Uwe moeder--

--Ik....

--Een enkel woord nog. Uwe moeder kwam gisteren bij me. Ze heeft mij dingen gezeid, dingen, beste jongen .. enfin! Maar weet ge ten minste dat ge onmenschelijk wordt? Uwe moeder is bang voor u. Zij kan 's avonds niet meer inslapen. Hare nachten zijn rusteloos. Ze loopt naar uw kamer, waar ze uwe angstige stappen hoort. Ze vreest het ergste. Meer nog: zij doet haar eigen kind ongelijk aan, want bekend heeft ze me, Simon--ze heeft me bekend, dat ze voor een ongeluk vreest. Ge koopt wapens, zegt ze. Ge leert met pistolen schieten in den tuin. Een zwaar revolver heeft ze in de lade van uwe nachttafel gevonden. Wat moet dat alles beteekenen? En ge werkt niet. Ge hebt, sinds ge weer thuis zijt, niet eens de deur van uw atelier geopend. Het wordt tijd dat ge u herpakt en dat ge bewust wordt van de schrikkelijke ontaarding waaraan, binnen u, eene kleine ontgoocheling aanleiding heeft gegeven.