Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 30
De rozen werden nog vóor Simon's aankomst bezorgd, en de oudjes maakten zich warm rond de tafel, trippelden gestadig over en weer, schikten en herschikten de bloemen--tot, juist toen alles klaar was, een rap-aanrijdend rijtuig vlak vóor de huispoort stilbleef.
Ze stonden roerloos. Nog eens herkwam hun angst, nog eens die stilte overal, nog eens dat toeslaan van harten. Dan een stil gejubel daarbinnen, een blijde sprong van 't bloed, een teug van licht in het hoofd.
--Hij is 't! Hij is 't!
De deur vliegt open--en ja, ja, hij is 't; hij is 't waarlijk!
.... Na een breeden vloed van liefde, konnen Donaat en Cordule hem aankijken. Ze deden het geheimzinnig, een sluw onderzoek aanleggend, traagzaam en zeker. Hij zag er zeer opgeruimd uit, hij was niet ouder, hij had denzelfden lach en dezelfde goedheid in zijne oogen. Het was wel hun zoon. Maar hee! hee! een beetje magerder was hij geworden, een beetje bleeker ook. Toch niet erg. In die leelijke gevangenissen krijgt men 't ook niet zoo royaal. Zeker, zeker. Voortaan moest hij goed eten, zich wel verzorgen, weer kloek worden.
Ze bepeinsden 't alle twee, terwijl hij aan 't vertellen zat. Ze beraamden vreeslijke voedingsplannen, legden gedurig eten op zijn bord, aten zelf niet. Het diner werd een feest, zooals zij er nog nooit een beleefd hadden. Ze staken rozen op zijn vest. Ze kwamen gestadig met hun glas aantikken tegen het zijne. Ze raapten zijn servet op, herlegden zijn mes als hij het, onder 't praten, onbedachts met de snede omhoog neergelegd had. Ze beloerden 't minste gevaar, 't minste ongemak. Ze vingerden de broodkruimels weg, die onder zijne handen rolden.
Hij sprak. Ze luisterden gulzig naar den klank van zijne stem, meer dan naar den zin van zijne woorden. Hun geheele wezen was naar hem gekeerd om hem te aanbidden. Waarlijk, waarlijk, hij was niet veranderd. Hij was van goud. Hij was hun jongen.
--Onze jongen!
Soms schoof hunne hand listig naar hem toe, raakte hem aan, beefde op zijn arm. Soms, geheel onverwachts, aaide hunne hand met onzeggelijke zoetigheid over zijn voorhoofd. Hij kuste hunne hand, die aarzelde, beladen met geluk. Een roerlooze glimlach glansde, gelijk eene zon, op hun aangezicht.
Bij het dessert, ten teeken van uitbundige blijdschap, werd Sabine aan tafel geroepen, en ze moest een bord nemen en aanzitten. Ze moest meeplukken van de dikke druiventrossen die in de zware schaal daar lagen, vol zomer. Ze moest meetikken en drinken, en hare vreugde druppelde in haar wijnglas. Daarna stak Donaat zijn wijsvinger omhoog en, daar iedereen hem aankeek, trok een zeer ernstig gezicht. Hij had blijkbaar een groot gewicht met woorden weg te ruimen. Hij bezag Simon lang en de redevoering, die hij sinds anderhalf uur besloten had, uit te spreken, stierf onuitgesproken uit, bij gebrek aan 't zij eender welk begin. Derhalve vergenoegde hij zich met zijn beker op te heffen en stamelde vol bewondering:
--Jongen, jongen, dat is wel van u!
Sabine vergat allen verschuldigden eerbied en droeg metterdaad een toast op aan "onzen mijnheer Simon" hetgeen zeer in den smaak viel en met gretigheid werd aanvaard.
Iedereen dronk zijn glas ledig. Donaat vroeg, een beetje dwaas:
--Nu, wat zegt ge daarvan?
En hij was zeer trotsch op Sabine. Cordule knikkebolde maar, en ze moest zelf de druiven in een frisch water doopen eer ze toestond dat Simon ze opnam.
De avond ook was lief en gezellig. Simon was even vroolijk, lachte en praatte zonder ophouden. De oudjes werden moe van zaligheid. Eens, na een ongewoon oogenblik van stilte, vroeg Donaat.
--Vertel nu eens, jongen .... hoe heeft die Sörge dat allemaal aan boord geleid?
Doordien dat Simon zijne wenkbrauwen fronste en eene wilde kommernis vertoonde, brak op dat woord de zoete stemming. Maar Simon lachte weer, klopte op vaders knie, sprak:
--Willen we nu eens lekkertjes zwijgen over dat zaakje?
Ze wilde gaarne alles doen wat hun jongen verlangde en ze lieten hem begaan, ze lieten hem vertellen naar beliefte, alles schoon vindend wat hij deed of zei. Ze namen te negen ure thee met beschuitjes en naderhand een heeten grog. Ze voelden zich duizelig worden en hunne oogleden wogen zwaar. Ofschoon de avond nu ver gevorderd was, meende Donaat dat er hier wat muziek mankeerde.
--Ik heb allang gedacht, moedertje, we moesten een phonograaf koopen.
Cordule knikte vriendelijk en hare wangen glommen. Ze vond 't heerlijk.
--Dat doen we, vader, dat doen we!
Maar Sabine was van eene tegenovergestelde opinie. Ze hield niet van dat gekrijsch in huis, en ze vond het ook geheel onnoodig. Men kon zich wel aan een gezonder lawaai helpen, Goddank!
--Wil ik u een liedeken zingen?
't Was nog nooit gebeurd. Ze zong met een roeiersstem het lied van den Groenen Jager en ze behaalde een welverdienden bijval. Donaat gichelde dat de tranen hem in de oogen stonden en Cordule klapte in hare dikke handjes. Hiermede sloot men het feest.
Simon werd tot in zijne kamer geleid. Terwijl moedertje de kaars aanstak en die, ver genoeg van 't bed om alle gevaar te vermijden, op het nachttafeltje schikte, ging vader het vuur onderzoeken en vertrok de breede vacht die, veel te dicht bij den haard, onder het schouwkleed lag. Sabine kontroleerde de vensters. Men nam afscheid.
--Allo, jongen, rust nu maar een goede poos. Goeden nacht, jongen .... allo ....
--Sabine, zijn hier dekens genoeg? Duffel u dik in, jongen, 't zal hard vriezen tegen den uchtend. En niet opstaan eer ik u roep, hoor! Rust hebt ge noodig, rust, jongen....
--Hij zal slapen gelijk een otter, zei Sabine gevoelig.
--Allo, slaap wel, slaap wel ....
Ze sloten zachtjes de deur, alsof ze daar een wichtje in de wieg hadden neergelegd.
In de slaapkamer waar alles, zuiverlijk gehouden, wachtte op hem, keek Simon rond, langzaam. De voorwerpen bezagen hem met goedige oogen. Een groot verdriet smeet op binnen zijn hart en, in het aanschijn van die stille en dierbare vriendelijkheid, weende hij stille. Zijne zenuwen, die hij in gedwongen blijdschap gespannen had, sprongen los en hij stond zonder moed, zonder hoop, in zijne werkelijke mizerie. Hij voelde zijne tranen niet. Ze druppelden over zijn baard. Vóor het kleine tafeltje, onder 't venster, zakte hij op een stoel neer en bleef lang, uitkijkend in de leêgte en volgend, zonder belang, den schaduwdans, dien de wispelturige kaarsevlam liet spelen op de vlakke gordijnen. Hij overblikte zijne vrijheid. Hij zag, moe van denken, zijne vrijheid, die lag, gelijk eene dorre woestijn, over al de jaren der toekomst.
Hij had, sinds lange dagen, alles bepeinsd en gemeten. Hij had, sinds lange dagen, zijn besluit bepaald. En nu, op een nieuw alles oprakelend, herdraaide hij in zijne hersens de beelden van zijn leven. Hoe vrij was een vrij man, die zijne vrijheid had te danken aan den schaker van zijne bruid?
--Francine, ik kan u niets verwijten. Wat zoude ik? Gij zijt zwak en kinderlijk. Gij hebt de blikkering gevolgd van iets dat wenkte met schoon licht en schoone kleuren. Maar ik heb u lief. De liefde is mij ingegroeid, een plant van bloed en gedachten. Zal al die kracht zich oversmijten tot haat? Ik weet het niet. Ik ben zeker van mij. Als ik hem haat, als ik dat ooit doe, hoe schrikkelijk zwelt dan mijne ellende! Ik vrees mijzelven. Gij, ik weet het, zult op een dag komen tot mij, en mij de hand reiken, en uwe oogen zullen zeggen: weest goede vrienden saam, wees dankbaar. En al de oogen van de anderen rond u, ik zie ze reeds. Ze doen vriendelijk, blij zeggend: weest goede vrienden saam, wees liefderijk, wees dankbaar. En mijn hart dat bloedt en schreit!
Hij roerde niet. Zijne kin, op zijne vuist, rok zich naar voren, uitstekend in rechte lijn zijnen baard. De roode randen van zijne oogen kleurden uitwaarts op zijn bleek aangezicht. Verduldig voltooide hij in zijn hoofd de langzame foltering, alles herdenkend gelijk een zonderling testament.
--Maar dat is niets. Dat ik u liefheb, juist dat zal vreeslijk worden! Mijne vrienden, mijne ouders, zij zullen voortdurend de stille getuigen zijn. Zij zullen gaan rond mij gelijk schaduwen, bewogen door u, het verborgen licht. En al wat ik denk, al wat ik doe, 't zal een sparteling zijn in de ledige verveling van mijn leven. Want niets is te herdoen, niets is te vergoeden. Ze hebben mij van u weggerukt, zij hebben u eenzaam gemaakt en dan werd gij een gemakkelijke prooi. Zij hebben mij thans eenzaam gemaakt. Mijn wezen zal moeten droog worden in die eenzaamheid, en ze zullen dat alzoo bereiden. Ze bereiden dat alzoo: wees dankbaar, zeggen ze. En uw mond, hij zal het zeggen voor hen.
Hij herpakte elke gedachte, bepaalde ze met pijnlijke nauwkeurigheid, legde in vervaarlijke naaktheid zijn toestand bloot. De schaduw van de bedtopjes op de venstergordijn roerde onrustiger en de kaars, klein geworden, deed wanhopige sprongen op den gebloemden kandelaar. Het docht Simon dat een geheimzinnige tocht door de kamer voer.
Hij stond recht, lengde zich uit. Hij stapte rap over het tapijt, trok de lade van eene lage kas open, vatte daar iets en, besloten, ging staan bij het bed. Hij bekeek het donkere tuig, het stalen kolf je, den korten loop, de zes tipjes der kogels ....
De kaarsvlam, na een uiterst wipje, viel. De kamer was stil en duister.
Toen, heel zacht, draaide de klink en werd geluideloos de deur opengeschoven.
--Simon, sprak eene zoete stem, Simon, slaapt ge?
Hij boog zich schielijk, liet het wapen wegzijgen op het bed, baadde plots in eene groote liefde. Hij beet op zijne lippen om niet los te barsten in luid gesnik, zei dan, al zijne krachten inspannend:
--Bijna, moedertje .... ik dank u ....
Hij hoorde nog:
--Da's wel .... da's wel .... ik had zoo'n redelooze bangheid alweer .... Dek u goed dicht, beste jongen.
En de deur schoof stillekens toe.
II.
HET IVOREN AAPJE.
Op een middag van Maart, na een ritje in het Terkamerbosch, stond Rupert Sörge in zijne toiletkamer, alleen. Hij had zich met groote zorgzaamheid aangekleed en schikte thans nog een roségouden dasje, dat heerlijk boven zijn groengestikt vest kleurde. Hij was lui werkzaam, ging traag naar de hooge spiegelkas, spande nauwkeurig de vesten van zijne broek. Hij stak eene sigaret aan, die hij, dadelijk daarop, in een bronzen aschschelpje liet doodsmeulen.
Takker trad binnen. Sörge sprak hem seffens aan in die kortklappende taal, die hij placht met hem te gebruiken. Hij sprak rap, met eenklanken, zonder van den spiegel op te zien.
--Hoe was Verlat?
--Onzeker, dierf niet, las tweemaal uw briefje .... maar--
--Nu?
--Hij zal komen.
Sörge keek om, blikte Takker scherp in de oogen.
--Denkt gij dat zoo?
--Neen, ik heb gewacht tot hij zei: ik kom. Hij zei eindelijk heel vast: ik kom.
--Goed.
Takker draaide even tweemaal rond zijn meester, overzag met vlugge oogen de geheele toilet, vingerde een draadje over den rug weg en sloeg ergens, zacht en handig, eene valsche broekplooi in orde. Dan bracht hij hem zijn hoed, zijne handschoenen, zijn rieten stokje en, al de deur openend, hield, schoon op zijn arm gevouwen, de overjas met pelsen kraag.
Sörge ging hem voor, aarzelde bij de trap, verzond Takker naar de vestibule. Hij zelf ging Francine in hare kamer opzoeken. Hij had éen handschoen aangetrokken.
Mariëtte stond reeds op den drempel, beladen met den zibelienen mantel. Francine, achter haar, herstak, onder de bruinroode pluimen van haar wijden grijs-vilten hoed, eene zware saffierspeld. Niet zoo gauw merkte ze Sörge, of ze liep hem blij te gemoet.
--Ben ik te laat, Rup?
Hij schudde vriendelijk zijn hoofd, bood haar zijn arm. Ze stapten zwierig, lichtelijk nevenseen, de trappen af. Ofschoon Takker reeds de voorpoort geopend had en men daar de paarden hoorde kloeven, leidde Sörge zijne vrouw in het klein salon en, verrukt achteruitwijkend:
--Wat zijt ge schoon! sprak hij.
Ze wendde zich langzaam om, glimlachend, gestreeld, en zijne oogen waren vol bewondering. Hij kwam haar dan aanraken met gevoelige vingeren, omarmde haar en, toen hij wel wist dat ze in zachte duizeling ging wegzinken, kuste haar op haar mond. Ze bezag hem door hare tranen, bloosde lang en, binstdat ze rilde, slierden over hare schouders zijne ervaren vingeren weg. Seffens lachte hij luid.
--Ik word waarlijk zot!
En lispelend achter haar, in 't uitgaan:
--Je t'adore, vezelde hij.
Ze waren gauw in het rijtuig en de frissche Maartlucht (de dag was klaar en zonnig) woei deugdelijk om hun hoofd. Ze bleven een tijd lang zonder praten. De groene laan voorbij vroeg Francine over zijn schouder:
--Zeg 'es, ik wou u wat vragen .... ik wilde het sinds gisteren reeds ....
Hij leunde tegen de kussens, sprak gewoon, zonder gebaar:
--Ja, dat weet ik wel.
Ze boog voorover en staarde hem in zijne oogen aan. Ze had er zich aan gewend dat hij vooruit hare begeerten en hare zorgen kende, maar ditmaal was ze zeker dat hij niet alles wist wat zij vragen moest. Ze ergerde zich eenigszins aan zijne kalmte en nu vooral aan zijne falende meesterschap. Een oogenblik was 't, alsof ze met een ruk hare boeien zou afsmijten.
Dat alles zag hij in haar groenen blik. Hij liet haar niet rechtzitten, vatte hare handen.
--Ja, hernam hij, dat weet ik inderdaad.
--Mevrouw d'Orval.
--Juist, over mevrouw d'Orval. Gij wilt weten of ik haar gisteren voor het eerst ontmoette. Vraag maar. Wat hindert u, liefje?
Ze sloeg hare oogen neer. Ze was ineens weer een nederig diertje vol schuchterheid. Maar dadelijk herzag zij, door haar rap gepeins, de vreemde vrouw van gisteren, in de logie van haar eigen broeder, eene onbekende, die geen enkelen blik naar de scène wierp en bij elke gelegenheid Rupert had bespied. En ze vroeg, met vastheid:
--Was het de eerste maal?
--Ja .... Ik denk wel: ja ....
Hij veinsde eene lichtzinnige onzekerheid, die Francine zeer deed. Hij voegde erbij:
--Het is eene vriendin van Ernest.
In haar hart rees niet eens het lijdelijk beeld van Vere, en Rupert, die 't merkte, glimlachte heimelijk. Ze dacht niet aan Ernest; in de nabijheid van Rupert nam ze dezen toestand aan, die Vere zòo vernederde. Ze dacht aan Rupert en aan de vrouw, die hem beloerd had.
--Ze keek wel zonderling, zei ze nog.
Ze spraken niet meer. In het Park, vóor 't grijze gebouw van den Kunstkring, stapten ze af, beiden opgeruimd en vlug van doening. De Kunstkring had met goeden bijval eene tentoonstelling van Fransche impressionisten ingericht. De groote zaal hing vol met de meesterstukken van eene soms uitspattende en onbeteugelde, meermaals raak-moderne en sterk-vibreerende schilderkunst. Rupert schoof zijne ongeschoeide hand onder Francine's arm en leidde haar met behendigheid. Nu zette hij, vóor elk schilderij, eene subtiele uitlegging aan, vond, liefst bij heel fijn genuanceerde schakeeringen, woorden, die gelijk een zoet en geheimzinnig vergift waren. Hij was zelf een meester in die kunst van zeggen. Hij wist ze aan te wenden met schranderheid en wendde ze nooit te vergeefs aan. Wat hij er thans wilde mee bereiken, was, in de hersens van Francine, eene eigenaardige bedwelming, een physieken wellust, die niet geheel in bloote zinnelijkheid zou overslaan en ook niet vast in den geest mocht ankeren. Hij bereidde haar geduldig voor vreemde gewaarwordingen, voor onbekende duizelingen, voor een spel van blonde neventinten op eene teer-dissonante zinnen-muziek. Hoe wonderlijk: hij vond overal een gebied voor zijn delikaat bedrijf, hij dwong de toestanden en de omstandigheden tot een degelijk gebied daarvoor.
Warm rustte zijne naakte hand op Francine's arm.
--Hier hebt ge een mooie Gaughin, sprak hij; het kleurt gelijk een oud tapijt, want het is waarlijk alsof het de zomerzonnen van ontelbare jaren had opgedronken. Gaughin schilderde in Haïti dees doek. Het draagt de zware hitte van de schelle dagen--en zie toch hoe beneveld het blijft! Het zindert van een geteemst licht, gelijk een priëel onder glycineloof, in Juli. Het zingt gelijk een ambervervig vleesch, dat trilt van verwachting. Het poeiert een geluideloos schuim van uitgeroeide stralen. Kijk eens diep, hier .... Een sterke dag zit daaronder, die wil uitbreken en die eene vreeslijke passie zal zijn. Niet?
Zijne vingeren streelden verder op hare hand, ontblootten er de fijne beenderen, raakten de roze kneukels tot op het merg. En telkens voelde Francine eene onbegrijpelijke moeheid, hoorde klanken in nabije afgronden, zag een roerende mist van onmogelijke verven, gedreven door winden rond haar, als eene ontastbare omarming rond haar, kittelend. Ze moest dan een poosje stil staan, halvelings hare oogen sluiten, en hijgen. En verder leidde hij haar.
Zij zagen Monet, Manet, Pissaro, Renoir, Cezanne, Denis. Een wonderlijk doek met roode papavers tegen een wit hek en een violetten hemel, gaf gelegenheid tot eene gevaarlijk woordenspel, waaronder Francine haast bezweek.
Toen zij, na anderhalf uur visite, in de thea-room binnentrad, was zij met een loomen last beladen en besloten in een droom. Zij dronk een kopje thee. Zij lachte Rupert toe. Kort daarop zag ze Ernest, haar broeder, met mevrouw d'Orval binnenkomen.
--Rup! zei ze kort.
Hij wilde niet opkijken, zat met zijn rug naar de deur toe, stak zonder haast eene sigaret aan. Hij voelde Ernest naderen, voelde de kleine schokjes in Francine's borst, voelde ganschelijk den dubbelen steek van Milly's ervaren oogen. Toen, langzaam, wendde hij zich om.
Ernest was zeer bleek, terwijl hij, schor en hortend, de voorstelling deed. Buigend vóor Sörge:
--Ik ben gecharmeerd, zei Milly, ik hoorde u zoo dikwijls reeds roemen. Ik hoop dat nu ook te kunnen doen.
Francine beefde zonder reden, sprak niet.
--Ik dank u, sprak Rupert; mijn vrouw en ik stellen uwe kennismaking zeer op prijs en niet het minst om wille van Ernest. Dezen middag nog drukte mijne vrouw het verlangen uit u van dichterbij te naderen. Ik feliciteer mij, dat zich zoo snel het toeval met de bewilliging van hare begeerte heeft gelast. Ernest, kerel, ik ben u dankbaar.
Het gesprek dat met zoo moeilijke bewoordingen werd ingezet, liep groot gevaar gansch dood te vallen. Maar Sörge hielp het op de hoogte en slaagde daarin met sierlijke elegantie. Het was duidelijk dat hij zichzelf een groot genot voorbereidde en dat hij al zijne schranderheid, al zijne fijnste kunde gebruikte om alles ordelijk daartoe te schikken. Was de aanzet van zulke moeilijke onderneming de bezwaarlijkste taak? Misschien. Sörge was stilaan rood geworden en ijverde in eene koorts, die hij tot nog toe altijd had weten te bemeesteren of te verbergen. Hij verried ze op zijn voorhoofd. Geen overbodig woord echter kwam zijne stelling storen. Geen woord vergat hij, dat haar staven kon. Maar hij was niet volmaakt: hij bloosde.
Ernest keek hem angstig aan. Hoe groot vertrouwen hij ook in Rupert's berekeningen stelde, het avontuur kwam hem algelijk zeer gewaagd voor. Eene demi-mondaine bij zijn eigen zuster introduceeren was al ongehoord genoeg: haar bovendien met verborgen zinnelijke inzichten bij malkander brengen leek effenaf monsterachtig. Hoe had hij Milly tot deze wonderbare bijeenkomst bewogen? Hij wist het zelf niet goed. Hij gehoorzaamde aan Rupert's minste wenken, zonder ze te begrijpen en Milly scheen ook daaraan gehoorzaamd te hebben. Hij had geen macht tegen dien man, zelfs niet de macht van zijne liefde voor Milly. Milly deed niets om hem te ontslaven. Zij was vrij nochtans, zij kon zich geheel buiten Sörge's bereik bewegen. Hoe dikwijls had hij zich niet, bij haar, in schreiende woorden opgeworpen tegen de soepele heerschappij van zijn dwingeland! En telkens kon ze hem mijmerend, sprakeloos aanhooren, met een zonderlingen droom in hare verwarde oogen en met een glimlach vol secreten. Toen hij, gelijk een laffe droeve hond, haar leidde waar Rupert gebood dat hij haar leiden moest, had ze éenmaal, éen enkele maal die helsche inzichten gedwarsboomd? Had ze, éens maar, verwonderd, vragend, teleurgesteld opgekeken? Ze volgde. Iedereen volgde Rupert. En nu zaten ze hier met hun vieren, verward in helsche betrekkingen ....
Sörge voltooide vlijtig de broze stellage van een nakend plezier. Reeds had hij de plaatsing van Francine, zinnelijk gewaarschuwd, en van Ernest, bloot overgegeven, voor zijne onderneming genoegzaam bepaald en vastgezet. Zijne verhouding tot Milly, die hij nochtans het diepst kende, was niet zoo gemakkelijk te bepalen. Sommige blikken, sommige woorden van haar kwamen hem onrustig maken, en dan vroeg hij zich af: "Waarom is zij gekomen?" of: "Hoe durft zij, hoe komt het dat zij wil?" Hij onderzocht haar met geduld, omringde haar met oolijke woorden, die, schoon opgeleid en gemeten, de spioenen werden van zijn sluw inzicht. Milly had, onveranderlijk, eene wachtende houding. Was ze koppig of begreep ze haren bespieder? Ze bleef gesloten en geheimzinnig. Maar niets deed ze, dat Sörge op zijn weg kon storen, geen gebaar, dat hem een hinderpaal of een signaal zou zijn. Ze ging langzaam, langzaam waar hij wenkte, en dat zij hem zoo goed volgde, folterde hem weldra het meest.
De blos van die ongemeene koorts verbleekte niet op zijne wangen. Het zonderling vuur dat in zijne oogen gloeide, verflauwde niet. Hij was bezig in zijn drift--eene drift zonder uitzwaaiende bewegingen, zonder lawaaierige uiterlijkheid, eene beteugelde drift, die hij met zorgzaamheid bestieren kon. Zijne hersens waren rijzekens warm. Zijne vingeren, zijne wimpers, zijne lippen waren rustig. Hij wilde niet haastig zijn. Hij wilde zeker blijven.
Toen iedereen weldra het opgehouden gesprek ongedwongen kon doorzetten en naderhand onder zwijgende overeenkomst rechtstond om afscheid te nemen, ontstond er wel eene kleine verwondering bij het voorstel, dat Sörge juist dan niet aarzelde te doen. Hij deed het zoo eenvoudig, het scheen bovendien zoo logisch uit den aard zelf der conversatie te vloeien, dat niemand een gezegde vond om het ertegen op te werpen. Er viel een korte stilte.
--We kunnen, had Rupert gezeid, metterdaad saam in de stad dineeren.
Ernest keek Milly en Francine aan, overhand. 't Sprong nu toch wat over zijn hout, meende hij. Nochtans, al zijne handschoenen tegeneen klappend, mompelde hij:
--Wel .... wel .... dat kan ....
Wat duivel deed hem zóo spreken? Zijn bloed klopte aan tegen zijn slapen en hij boog zijn hoofd, uitermate vernederd, kapot onder het zachte lachje van Sörge, dat opklonk gelijk een spot. Maar Sörge zag niet om naar hem en had, zeer hard, zijne blikken in Milly's oogen gestoken. Milly sloot hare oogen zonder haast, opende ze stil weer op de zijne, en daar ze niets zei en niets gebaarde, kroop een schartende kommer in Sörge's hart.
--Kom, liefje, sprak hij.
Gauw legde hij zijne hand op den arm van Francine en zijne vingeren, met een streeling, maakten zich van haar gansche wezen meester.
Zij wandelden het Park door en zakten te voet de lagere stad in. Rupert leidde hen in de Worthington, een dubbelzinnig restauratiehuis met salons, gelegen in een stille zijstraat nabij de Centraal-Post. Ze gingen de lange, naakte eetzaal door en bereikten, langs een doove trap--vierdubbel lagen er de dikke tapijten--de roze kabinetten der eerste verdieping.
Het scheen alsof niemand ooit dees zacht-belichte huis bezocht, alsof er geheimzinnige uren waren, buiten den tijd om, waarbinst daar het mysterie van ongelooflijke festijnen gebeurde. Twee zwarte, gladde dienaars wachtten in den blond-klaren gang, sprakeloos. Rupert gaf hun de rappe orders en trad vooraan binnen in eene mooie rookkamer, behangen met een watteau-blauw satijn en versierd met zeventiendeeuwsche gravuren en festoenen. Een breede haard vlamde onder eene hooge wit-marmeren kap en rozige elektriekpitten straalden, te strak, boven de zilveren kronkelarmen der kandelaars.
Lage zetels vlijden, in het schoone licht, hunne glimmende leuningen en 't oude goud van bestreelde borduurbloemen. Rupert schoof ze rond het vuur en ontlastte de dames van hunne zware mantels. Hoe kwam Takker hier? Hij stond in het deurgat en nam de mantels aan.