Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 29
Hij zakte stil neer op zijn stoel, en een heele poos kon men het porseleinen klokje, gelijk een teer gedrop, de sekonden zacht-spattend tegen den Venetiaanschen spiegel hooren slaan. Ernest keek de eerste op. Hij zag Milly, steeds als een kruis, daar uitliggen en blikken zonder roeren naar het glimmend tipje van haar schoen. Hij zag haar adem matelijk onder de kardinaalroode scherveling zwellen--en dat ze heerlijk-schoon was, schooner dan hij haar droomen kon, dat hij haar liefhad, nu ineens zoo lief dat hij een oogenblik het masker van zijn aangezicht liet vallen en oprecht-laf, eerlijk-laf werd.... 't Zweepte hem weer overeind.
--Nu dan--zei hij aarzelend.
Dit was het éenig oogenblikje, waarop hij zich overgaf gelijk hij was van binnen. Met dat "nu dan" waarbij hij toestemde haar slaaf te willen zijn en met Sörge de gunsten van haar geest te deelen, spreidde hij zijne lafheid open .... Hij had daarna een snik, als om het woord weer in te slikken. Hij scharrelde het gevallen masker op, kuchte even, herzette zich, waar hij thuis hoorde, in zijn zwakpeuterend bedrog. Hij hernam dat woord met andere intonatie en verdraaide den eersten gedweeën indruk in de valsche waardigheid van een tweeden:
--Nu dan .... deed hij droef, ik zal dus gaan en wachten.
Hij stond inderdaad weer recht, ofschoon hij pas op zijn stoel was neergezonken.
--Wilt ge weg? vroeg ze lui, zonder roeren.
--Ik ben immers te vroeg gekomen!
Even liet ze hare armen neerzijgen, plooide hare beenen en ging recht overeind zitten. Ze schelde en aan den knecht, die in zwarte livrei in de groenbelichte deurholte kwam staan, vroeg ze of de paarden ingespannen waren. Dat waren ze.
--Ernest, zei, ze terwijl ze zich ongedwongen in een trage ontwikkeling van hare leden rank oplichtte, ik deed het coupé klaarzetten in de verwachting dat ik met u ergens kon gaan avondmalen. Het zoude mij zeer aangenaam geweest zijn. Ik voel me zoo eenzaam .... me dubbel eenzaam, ik verzeker u.--Josse! doe uitspannen ....
--Pardon, het zou jammer zijn. We zijn toch vrienden? Ik neem u mee, mevrouw.
Ze dankte hem met een vriendelijk lachje en Josse bracht haar mantel en hare pelsen palatine. Ernest zelf wierp haar den mantel om, die van een donker, zoogenaamd aubergine-kleurig laken was, en de heete gloeiing van haar kleed verdween eronder gansch. Ze zette, al zich verontschuldigend, een toque met wijd-uitvlerkenden en groen-blikkenden wouduil op de voorste vlechten van het rood-blondig haar, en stak in de hermelijnen voering van haar platbreede mof hare bloote handen.
Ze spraken weinig. Op den Treurenberg stapte hij af en kocht haar bij een bloemist een tuiltje Parmezaansche violen. Ze aten bij Riche, in een apart-salon. Het soepee liep losjes, stil, onlustig af. Milly d'Orval vertelde van haar verblijf in San-Moritz, waar zij een rijk Joodje had ontmoet, dat haar sindsdien niet meer kon verlaten.
--O! dat Joodje met zijn wrijvende vingeren? deed Verlat.
Ja. Hij deed haar prachtige voorstellen en legde een aandoenlijk geduld aan den dag.
--Zie! zei Milly lichtjes, dezen avond juist moest hij me komen vinden. Ik zou hem een bepaald antwoord geven. Wat zal ik doen?
Ernest vroeg of dat mannetje groote vooruitzichten had, en hij vernam dat hij Milly wilde meenemen naar New-York waar hij haar een keizerlijk bestaan verzekerde. Hij lachte bescheidenlijk mee met haar, terwijl ze over hem aan het praten was. Het Joodje heette Dean-Diggle. Het was een oud-diamantslijper.
--Kijk maar, wees Milly, hare hand boven de roemers uitreikend, dezen topaas zond hij me, op een avond, met een zijden touwtje rond de stengels van een bundel leeljen gebonden. Hij is achtkantig geslepen en hij heeft, naar men zegt, eene groote waarde.
De topaas was groot en diep. Het kaarsenlicht brak er in en spitterde uit in honderd gouden stralen. Ernest beweerde dat topazen over het algemeen niet zoo zeldzaam waren. Hij verkoos de roosvormige robijnen, die er rond waren gelegd.
--'t Zijn, vertelde Milly, robijnen uit een zilveren hartje dat Sörge mij in Nizza gaf.
--Zoo! ....
Ze dronk een slokje mineraalwater en proestte 't uit in haar servet.
--God! lachte ze met natte lippen, wat een potsierlijk zicht is dat hartje nu, met zijn geblutste randen en al die gaatjes zonder licht! Ik heb het ergens in een lucifersdoosje gestopt, geloof ik ....
--Maar ge draagt het licht op uwe vingeren.
--Ge zegt het aardig. Inderdaad.
Zoo taterden ze. Daar kwamen soms lange stilten, waarbinst ze alles rondom hen zaten te beluisteren en te bezien. Het kon verveling heeten, maar het was eigenlijk de stille aandacht voor alles wat, binnen de toekomst, in aantocht was.
Ze bleven niet zeer lang bij Riche. Milly d'Orval vroeg dat hij haar naar de Savoy zou leiden, waar ze konnen koffiedrinken. Ze had gaarne de Bohemersmuziek, die men daar hoorde en die haar aan zoovele beelden uit het verleden herinnerde. Ze was 't echter seffens moe en de samovar was nog niet bezonken, als ze reeds verlangde gauw weg te zijn. Ze wilde naderhand te voet de Anspachlaan doorloopen, maar 't begon dan te sneeuwen.
Ze had een kinderlijke vreugde bij deze eerste sneeuw van 't jaar, en ze stapte langzaam het rijtuig in om de koude vlokjes op haar gelaat en hare uitgestoken hand te voelen. Ze keek, wanneer ze reeds neerzat, langs het kleine raam naar de trage floddering van waggelende veêrkens en ging na hoe er soms een tegen de ruit aanstiet, verkleurde en in schokkende dropjes over 't glas neerbiggelde. Ze zag, op straat, de menschen gauw doorstappen, tegen de vlage in, zoodat hunne borst, schouders en knieën met het licht ijs waren beladen. Ze zag de witte lage op de bogen van regenschermen, onder de geelvervende klaarte van de gaslantaarns. Arme sukkels blikten, onder grauwe sjaals of kleppen van beermutsen, droef mijmerend op naar de voorbijvarende rolling van het rappe coupé.
Milly begeerde nu het gewoel van een der groote koffiehuizen van de Brouckereplaats. Ze zat sprakeloos in de zure rookdampen toe te kijken, bleef in de vouwen van haar mantel rond de marmeren bladen van tafels en bij de vergulde pijlers, dik behangen met jassen, pelissen en hoeden. 't Verveelde haar gauw.
--Ernest, zei ze, ik word onverdraaglijk. Het beste is nog dat ge mij naar huis brengt.
Hij glimlachte geduldig en hielp haar weer in de koets. Zij reden door tot op den Kortenbergschen steenweg, die eenzaam lag onder zijn effen-blank sneeuwgewaad.
--Het is nog zeer vroeg, fluisterde Milly, neemt ge een grogje bij me?
Hij sprong uit het rijtuig en bood haar zijn arm. Wanneer ze in de vestibule stonden en Ernest het mofje en de palatine overnam, kwam Josse melden dat mijnheer Dean-Diggle, in de voorkamer, al meer dan anderhalf uur op mevrouw zat te wachten. Ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, klapte kwaad in hare handen, gebood dat men hem om de liefde Gods eens en voorgoed doorzenden zou. Ze ging, hard hieltrappend, met Verlat in het grijze boudoir en liet onder de vijfarmige kandelaars, vóor 't kleine haardvuur, haren blauwpurperen mantel neervallen. Binstdat ze haar hoed ontspelde en alles tegare op de armen van den knecht lei:
--Ernest, zuchtte ze, zoo is meteens het reisje naar New-York opgezegd!
--'t Was toch gekheid ook, Milly. Daar dacht ge immers niet aan?
--Wie weet!
Ze bereidde zelf zijn grogje, verschoof het groene vaasje met de oranje haverbellen en, hare armen uitlengende over het dampende waterstel, raakte met haar gebogen schouder even zijn borst. Ze praatte weer lustig ondertusschen en het begon gezellig te worden bij het onhoorbaar steenvlasvuur.
--Drink, zei ze.
Hij dronk niet; hij staarde willoos naar de wiegende dampringen, ging dan roeren in zijn glas en, met een lepeltje, de citroenschil storen, die rustig op de vlakte lag. Milly zweeg. Ze zweeg een langen tijd, had zich in de sofa, half-achterover, neergevleid en blikte lui, loom-vingerend over de gouden draden van de grauw-bebloemde stoffeering--en ze zweeg. Men hoorde het lepeltje klinken. Ze keek hem na.
--Drink, deed ze nog op diepen, orgelenden stemtoon.
--'t Is wat warm, lachte hij, dwaas-verlegen.
En terug, gevaarlijk, vol met de aantiegende dreigementen van een zonderling-bange toekomst, heerschte de stilte. Ernest voelde de oogenblikken naderen en gebeuren, verwonderd dat er niets barstte ievers, niets brak, niets instortte. De oogenblikken waren om de randen van zijn grogje geschaard.
Wat wilde hij eigenlijk? Wat bleef hij hier doen? Het was maar al te duidelijk dat ze malkander niets meer te zeggen hadden, dat zij waren uitgepraat. Zij konnen toch niet gezelligjes rond een haard gaan zitten en sprookjes vertellen in den avond! Ze konnen zelf niet gewoon spreken over zaken die hen niet aangingen, want hoe zouden zij de onverschillige woorden vinden om hunne belangloosheid te zeggen? Het was een ellendig samenzijn, de toenadering van twee afgronden die elk een tegenovereen aandruischend geluid hebben gegeven. Hoelang moest dat duren en hoe zou het einde zijn?
Ernest Verlat zocht, al lepelend, een beleefd middel om 't maar kort te trekken. Zijne liefde zou er haar deel hebben, als hij haar in eenzaamheid wat liet bekomen. Hij bezeerde haar in een gehakt onderhoud, waarvan de vormlooze heimelijkheid eene foltering werd.
Milly d'Orval die speelsgewijs hare vingeren door mekaar aan het spoelen zat, liet onbedacht den topaasring vallen. Hij joepte langs hare knieën en sprong tweemaal over de zwart-witte vloervacht, haast tot op Verlat's voeten. Hij boog zich om hem op te rapen.
--Laat! riep ze rechtwippend.
Haar kleed sloeg aan tegen zijne ellebogen. Hij hief zich op en stond plots in hare armen. Hij schrok geweldig, had geen tijd tot bezinning, werd in een klingelend gekraak van roode blikkertjes binnen de knellende roode mouwen geprangd. De lauwte van haar lijf zoelde er door. Hij voelde de zwaarte van hare bewegende heupen, de hijgende zwelling van haar boezem. Hij zag hare oogen, verging in dien dobbelen gloed.
--Milly! bad hij.
De roode vlammen, die opwapperden om haar, besloten hem. Hij wankte, werd geheel weerloos, rilde alsof hij den dood taakte ....
Toen, in een ongenadige omhelzing die zijne wimpers sloot en zijne vuisten ontspierden, drukte hij wild, bloedlustig, op zijn moeden mond hare heete, bijtende lippen. Ze zoog traag, gierig, woest-zat, het lillend leven uit zijn hart.
EINDE VAN HET DERDE GEDEELTE.
VIERDE GEDEELTE.
I.
DONAAT EN CORDULE.
Januari verviel in grauwnatte sneeuwdagen. Leelijke tempeesten hadden over de stad gehuild. De tijd was bang.
De oude heer Peter en zijn oud vrouwtje zaten van weerskanten den open haard, in de kleine achterkamer. Ze zaten er dagelijks te zwijgen en keken onderwijl naar de oude voorwerpen of, langs het venster, naar de schaduwen van den dooden tuin. Het noenlicht doezelde violet-achtig op de ruiten, bracht in huis eene aarzelende klaarte, waarbinnen de meubels schenen te roeren van een lui en zonderling leven. Eene mahoniehouten schapraai stond tegen den blauw-rooden muur en hare donkere lenden droegen een traag-asemend mysterie, dat daar peinsde, vol verleden, en zonder verlangen de uren mat. Antieke potjes waren op het marmeren blad geschikt en een stervend goud kwam nog over hunne gesleten randjes bewegen. Midden-in, onder een glazen bokaal, rees een zilveren Kristbeeld en, aan beide kanten, verkleurden twee porseleinen bloemtuilen, overladen met een stof van ouderdom en verslensd door geheimzinnige mizerie. In ronde lijsten hingen daarboven de bleeke portretten van een jongen man en eene jonge vrouw, even onder het frisscher portret van een twaalfjarig kindje.
Donaat had reeds langen tijd de levende schapraai bekeken en zijne gedachten erover laten gaan. Hij beet zachtjes, al lippelend, op eene sigaar die hij pas had aangestoken en die seffens was uitgedoofd, een klein dampkrulletje opjagend in de ruimte. Nu overbeet hij ze zachtjes, zoog soms werktuigelijk, schudde ze met een tikje van zijne levende vingeren over den aschbak. Hij bezag de roerende kleuren op de paneelen van de donkere schapraai. Hij bezag de delikate potjes. En hij had een groote gedachte, die woelde in zijn hoofd, dat alle kleine gedachtjes wegdrong, gelijk een dwingeland.
Cordule, niet verre van hem, borduurde. Hare korte handjes betastten en overstreelden het luie borduurwerk. De naald was zonder draad. Alsof, bij stonden, waarlijk de arbeid haar vermoeide, zuchtte ze eens diep, blikte dan op, ter verpoozing, naar de porseleinen tuilen, naar het Kristbeeld, naar de portretten--lang, lang, naar het portret van het twaalfjarig kind. Iedermaal huiverde ze na een tijdje, keek, als iemand die men op kwade inzichten betrapt, schielijk om naar den ouden Peter, zag, in een groote liefde, hoe de oude Peter zelf daar bezig zat.
--Vader, zei ze stil, zou-je geen kopje koffie .... ?
Hij glimlachte dwaas, sprak niet, schudde zijn hoofd. Dan stond Cordule recht en nam een fosfoordoosje. Ze ging zelf zijne sigaar aansteken, en hij dampte ineens lustig en overvloedig. Ze klopte op zijne schouders heel zoet en sukkelde weer naar haren stoel, met een vol hart.
Maar nu, na eene nieuwe stilte, kwam van uit den sombersten hoek der kamer een heesch gerucht aanroeren. Het hooge kasthorloge deed hare hersens reutelen en sloeg daarna elfmaal hare zilveren tong in de lucht. Eigenlijk rilden Donaat en Cordule. Eigenlijk voelden ze eene pijnlijke benauwdheid, en hunne vingeren begonnen koortsig te scharrelen over hunnen schoot. Ze keken malkander aan.
--Elf? ....
Ze knikten. Ze bogen saam hun hoofd. Deze oogen verdroegen 't gewicht niet van die twee andere en alle vier blikten ze saam omlage, onder een grooten last, zoodat, op een nieuw, de gewone stilte herkwam, 't gewoon gedoe van dingen en kleuren.
Het begon te sneeuwen. De haard gloeide warm en geluideloos. Het borduurwerk blikkerde in Cordule's handen. Weer vroeg ze flauw:
--Zou-je toch geen slokje koffie ....?
--Koffie? .... Neen .... neen .... dankje zeer.. Ze blikte droevig naar 't venster, waar de witte vlokjes door malkander heenwiegelden, op windjes.
--Wat een triestig weer, zei ze nog.
Hij keek ook op. De zacht-klare ruit viel blauwig in zijne oogen. Zijn voorhoofd werd klein, angstig.
--Zeker, zeker, antwoordde hij, het is een triestig weer.
En binstwijl brokkelde zijne sigaar eene lichte asch op den tip van zijne sloffen en, met een uiterst damprondeken, stak ze dood tusschen zijne onrustige vingeren.
Beiden voelden dat ze met woorden hunne bange gedachte zouden benaderen, en dan, vol schrik, zwegen ze, niets vindend waarover ze spreken konnen. Ze doken weg in de stilte en alweer, zoetjes, zette zich de rood-houten schapraai in den schemerdag aan het leven. Sabine, de meid, die kort daarop binnenkwam, bracht in de kamer de geweldige gezondheid van haar blozend gelaat. Ze maakte zich seffens vriendelijk-toornig, gelijk dat, sinds maanden, om bestwil haar gewoonte was geworden.
--Waarlijk! riep ze uit met gewilde luidruchtigheid, ik kan geen halfuur met rust in mijne keuken blijven. Telkens word ik die doodelijke stilte hier bij u gewaar. Nog erger is 't vandaag. Ik zeg in mijn eigen: ze zullen toch wat vragen, wat koffie, wat thee of een glaasje madera. Scheer-je! Niks! Ze zitten zich daar gezapig dood te zwijgen. Waarom? Dat is juist het zotste: ze hebben redenen om blij te zijn als kalverliefkens--ze zouden moeten dansen en springen--ze zouden moeten roepen: "Sabine, dek de tafel in de voorkamer, trek de gordijnen op en laat het vuurken zingen, warm den wijn op de schouw, Sabine, en schenk desnoods van nu af aan reeds in .... Moeten wij als lijkbidders onzen armen mijnheer Simon ontvangen? ..
Donaat en Cordule schokten van schrik: dat geweld schudde onvoorzichtig al hunne geheime gepeinzen, en de verwachting die zij uiten dierven. Ze reikten te zaam, bijna smeekend hunne armen. Cordule fluisterde:
--Zwijg! .... Zwijg! .... ge daagt den Hemel uit! ....
En ze blikte zenuwachtig naar het zilveren Kristbeeld, als om zeker te zijn dat het zich aan Sabine's gruwelwoorden niet stoorde. Donaat glimlachte enkellijk, zeer ontroerd, hakkelend:
--Hee! Hee! dwaas jong .... wat zijn dat voor manieren? ....
Maar Sabine plantte hare vuisten in hare kloeke heupen. Ze viel uit in luide drift:
--Uitdagen! Uitdagen! Gijlie, ja, daagt den Hemel uit. Gij zegt tot den Hemel: "wij hebben geen vertrouwen in u." Dat zegt ge! Terwijl u iedereen de waarheid bloot legt, zijt ge koppig genoeg om de waarheid zelve te beliegen. Mevrouw Verlat, mevrouw Sörge, pastoor Doening, mijnheer Ernest, allen brengen u 't bewijs dat mijnheer Sörge de vrijheid van onzen mijnheer Simon verkrijgen zal .... en daar zit ge mizeriegezichten te trekken .... en als hij straks binnenkomt en u zoo zitten ziet, dan is hij natuurlijk nog ongelukkiger dan te voren .... Lieven-adju! 't Is om er iemands kop mee te verdestreweeren! En ik daag den Hemel uit, als ik u met een redelijk woord wil opbeuren--ikke, den Hemel uitdagen? Da's een beetje straf! .... 'k Zal ik u wat zeggen, en zachtjes ook: moest er mij een greintje ongeduld in 't lijf zitten, kinderen: 'k bleef geen weerlicht langer bij u in huis. Ik kan 't niet afzien!
--Ssjt! Ssjt! deed Donaat, benauwd rondloerend.
Cordule huiverde, vond ineens eene groote kracht en gebood streng:
--Sabine! Sabine!
Sabine zweeg, kwam het vuur in den haard oppoken en maakte daarbij een toornig lawaai. Dan begon ze binnensmonds te mompelen, drilde ongedurig van 't eene meubel naar 't ander de kamer rond, verroerde 't een en ander redeloos en, wegloopend, trok tamelijk hard de deur dicht op hare hielen. Het scheen nadien, eene heele wijl lang, dat de stilte hier nooit meer binnen zou kunnen.
Donaat stak nogmaals zijn sigaar aan en sprak met bedeesde traagheid:
--Ze is wel hevig, moedertje; maar, weet ge wel, ze meent het algelijk goed ....
--Och ja, zei Cordule, en (nu aarzelde ze even) alles in de reden genomen, ik zou gaan meenen dat ze gelijk heeft .... ik spreek natuurlijk niet voor mij .... maar gij vooral, vader, ge kunt soms zoo angstig uitkijken .... ik denk zoo: ge moest niet zoo verslagen zijn .... niet zoo--
Hij glimlachte zijn gewonen glimlach, bloosde schuchter. Hij viel haar rap in de rede:
--Ben ik dat? Ben ik dat waarlijk? Neen, moedertje lief, nu hebt ge 't mis .... maar ik denk gedurig: ons moedertje moest haar eigen zoo droevig niet maken .. en inderdaad, gij maakt u redeloos droef--want is er reden daartoe? Zeker niet, in het geheel niet. Simon komt vrij .... te twaalf uur moet 't vonnis uitkomen .. Mijnheer Sörge heeft alles voor onzen jongen gereed gemaakt.... Ik weet waarlijk niet, waar gij uw zorgen haalt!
Hij deed zijn best om lichtelijk en opgeruimd de rooktuiltjes van zijne sigaar in de lauwe kamerruimte uit te zetten. Hij stak zijn hoofd op.
--Och ja! och ja! zuchtte Cordule, en ze lachte met een groot medelijden dat, zoo plots, een trossel tranen over hare oogen joeg.
Ze begonnen nu te tateren, gaven malkander moed en vertrouwen, stilden met wederzijds bedrog hun vrees, die niet te stillen was. Langzamerhand echter verviel tot korte woorden en knikjes het gesprek en, als ze eindelijk de groote stilte al pratend hadden weergevonden, keken ze zwijgend naar het beeld van angst dat de eene bij den andere meende uitgeroeid te hebben. De stilte heerschte machtig, gelijk eene heimelijke zindering in de ruimte. De sneeuw, hijgend en klankloos, vlaagde dikker aan tegen de ruiten, en de dag donkerde paarsblauw. De oude schapraai begon mysterieus te ademen, het licht van den winter werd in elk doorzichtig potje een zonderling gelaat van leven, de porseleinen bloemen neigden onder een last van onbegrepen ellende en, boven de zachtgloeiende zilvering van den Kruiskrist, wenkte een twaalfjarig kinderkopje tusschen de bleekere hoofden van een jongen man en eene jonge vrouw....
Eene hevige aandoening schoot als een schicht door de kamer.
Donaat liet zijne sigaar vallen, vatte onwillekeurig de sporten van zijn zetel. Cordule zakte. Thoop en traag slierde een strenge borduurzijde, haperend over hare wollen rokken, op den grond. Uit zijn donkeren hoek had het hooge kasthorloge zijn schedel doen kraken en smeet nu, regelmatig, twaalf klare tongslagen uit.
--Twaalf!
Geen van beiden dierf opzien. Ze bleven zitten, verbrijzeld, zonder hoop de uiterste kastijding afwachtend. De angst vleugelde langs de muren. Ze voelden den waaitocht van die schrikkelijke wieken en ze keken niet op. En de tijd voer verder in holten van stilte.
Toen weerstond Cordule niet meer aan haar zielewee. Ze schoof neer van haar leunstoel, viel op hare knieën, blikte dan ineens, zeer woest en bang, naar het Kristbeeld.
--Goede God! Goede God! laat het niet gebeuren, laat het niet gebeuren! ....
En Donaat werktuigelijk had zijne handen saamgevouwen, knielde insgelijks bij den haard. 't Waren dan hunne gebroken stemmen te gelijk, alle twee dooreen, die opbibberden met schokjes:
--Onze vader, die in de hemelen zijt....
Ze baden gelijk kinderen, zonder woorden te volgen, aldoor maar Onze-Vader en dan Wees-gegroet, en weer herbeginnend de korte gebedekens. 't En stilde niets in hen, maar het uur vorderde ongemerkt en ze konnen zich voor de groote tijding vaardig houden. Ze hijgden, vermoeiden zich, deden haastig alsof ze nooit klaar zouden komen ....
En dan, bij den klank van de poortbel, stortten ze langs hun zetel, het gelaat in hunne armen, kapot, gereed om alles te aanvaarden.
Pastoor Doening vond hen zoo. Hij bleef staan op den drempel, verschrikt.
--Vrienden, sprak hij zacht.
Hunne ruggen huiverden zichtbaar. Hij zag Donaat's handen beven en de vuisten van Cordule dicht tegeneen. Hij nam seffens een luchtigen toon, verhief zijn stem, beproefde eene voorzichtige blijdschap.
--Hewel! Hewel! vroeg hij vroolijk, heb ik het u niet gezegd? .... heb ik 't niet schoon voorspeld? ..
Ze kropen recht. Ze dronken de blijdschap van zijn aangezicht. Ze waren aangetrokken door de vreugd van die stralende oogen en kwamen wankelend naar hem. Hij had zijne armen wijd geopend.
--Waar is .... is .... hij? snikte Cordule.
Donaat herzei 't, zonder te weten of 't een zin had. Beiden raakten gretig de borst van pastoor Doening. Beiden betastten hem met zoekende vingeren alsof zijn lijf, met dat goed oogenlicht, de tijding zelve was. Hij glimlachte liefelijk, streelde hen langzaam, bereidde zonder spreken hunne harten.
--Hoor, sprak hij eindelijk, hij komt, hij is vrij.... weest nu braaf.
Het duurde tamelijk lang, eer pastoor Doening hen vertellen kon hoe alles gebeurd was, hoe Sörge met heimelijke middelen hoogere krachten had in het werk gesteld en, naar het scheen, zelfs minister Dissel's tusschenkomst had afgedwongen. De zaak bleef nevelig in hunne hersens hangen, en zij begrepen maar iets voluit: hun jongen was hun weer gegeven.
--Wanneer komt hij? Is hij op weg? Hoe ziet hij eruit?
Pastoor Doening legde uit dat Simon vooreerst wat werk had met zijne advokaten en zijne vrienden, dat hij er zich zoo gauw mogelijk van afmaakte en zijne oudjes dan seffens kwam kussen. Dan moest pastoor Doening maken dat hijzelf wegkwam, want Simon had het zoo gevraagd.
--Hij wil alleen met u beiden dineeren en den avond ombrengen.
--Dineeren! riep Cordule.
Aan dineeren had niemand gedacht. Wie zou op zulke dagen ook aan zoo iets denken? Sabine werd geroepen, kwam vóor met rood-beweende oogen, herviel eerst weer in een tranenbui, en begreep na een half uur wat men van haar verlangde. De goede meid legde bij deze gelegenheid een spoed en een ijver aan den dag, die men bij geen keukenmaarte in de wereld ooit meer zal vinden. Het geheele huis weerklonk van 't blij gerinkel der pannen en kachelringen, en een smakelijke geur voer weldra alom. Donaat had het zeer druk met den keus der wijnen. Cordule bracht het zilveren tafelservies te voorschijn, en het werd den pastoor, in al 't geharrewar, toegestaan te vertrekken op voorwaarde, dat hij, bij de naastwonende bloemiste in allerijl twee groote tuilen rozen zou bestellen.