Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 28

Chapter 283,981 wordsPublic domain

Iedereen juichte toe. Mijnheer du Bessy riep:

--Leve de koningin!

En waarlijk, in dat onbekende rijk, in dat rijk van geluk docht het haar dat ze, op een blauwen troon met dag errond, hoog in het blauwe duizelend blauw, tot koningin werd verheven. Een droge snik schokte op in hare keel. Johan Doxa bracht haar een glaasje water, en ze huiverde als zij er hare heete lippen in doopte. Ze keek dan lang Ernest in de oogen en zij meende er te zien dat al wat gebeurde, de goede, blijvende werkelijkheid was.

Men leidde haar aan tafel, en iedereen zat reeds in de ronde, wanneer het Vere inviel dat pastoor Doening nog niet gesproken had. Ze blikte vragend op naar hem, en mijnheer du Bessy, die nu geheel blijmoedig was geworden en alles zag, schreeuwde gelijk een kind, dat een ander bij den strooppot betrapt:

--Hee! En Doening dan?

Er kwam een stilte, waarbinst alle oogen op den ouden pastoor waren gericht. Hij stond recht, haalde een papieren pakje te voorschijn, en terwijl hij het openvouwde:

--Ik heb, zei hij, niets te geven, mevrouw, dan wat ik al gegeven heb, en dat is een groote trouwe en dankbare genegenheid. Maar ik zal ook toegeven aan de mode en, vermits ik u verleden jaar een gouden hartje schonk, (hij liet het ontplooid papier neervallen en een luttel juweeltje bengelde daar tusschen zijne vingeren), schenk ik u dees jaar een gouden ankertje--het ankertje van hoop....

--Ei! deed Sörge stil.

Pastoor Doening lei het ankertje in de bevende hand van Vere.

--Breek het niet, lachte hij zoetjes, de hoop is breekbaar; maar hecht het met zijne twee tanden in het fluweel van het schrijn, waar reeds het hartje ligt.

Vere had zeer duidelijk zijne schrandere bedoeling begrepen. Dat ankertje, het was de mooie toevlucht, die hij in de verwarde branding van hare hevige gevoelens bescheidenlijk liet zinken. Hopen! Hopen! O ja, pastoor Doening, nu hoopte ze juichend!.... Ze hadde willen alleen zijn met hem om het hem te zeggen, alleen onder het beschaduwd schouwkleed, waar sinds zoo langen tijd haar eenzaam plaatsje was; ze hadde een oogenblikje dáár, in eenigheid, willen zitten, zij die thans oprees, in de glorie van haar hoop en bekranst met de straling van den koninklijken diadeem.

--En, vroeg Sörge zacht, nadenkend, wanneer het kruisje?

--Het kruis, antwoordde pastoor Doening, ja dat hoort misschien wel bij een hart en een anker.... maar nu niet, nu nóg niet.... ik zal het later, veel later geven!

Mijnheer du Bessy had bij het woord hoop een lieven bussel aardigheden voor te leggen, en hij vroeg verlof om de geschiedenis van Pandôra te vertellen, van wie gezegd wordt dat zij--door Hephaistos tot de schoonste aller vrouwen gemaakt en door Zeus, vader der Goden, op de aarde gezonden om, in de ziel van alle menschen, Promètheus te straffen, die het vuur van den hemel gestolen had--een heimelijk kistje opende, waaruit vervolgens alle kwalen de wereld invlogen, eene enkelen troost latend op den bodem: de hoop. Zij was de wettige vrouw van Epimètheus, Promètheus' broeder....

Mijnheer du Bessy vertelde zeer liefelijk van haar en bekwam grooten bijval. Er werd flink gefeest en de viering liep op de voortreffelijkste wijze van stapel. Johan Doxa deed, tot op desserttijd, zijn best om den raad van Lieven Lazare omtrent de slaapmutsekens indachtig te blijven--daarna echter werd hem Lucifer te sterk. Hij dronk met kleine slokjes, op min dan een half uur, een oude flesch bourgogne ledig. Er kwam een oogenblik, dat hij meende te moeten verklaren dat de champagne "'t bezien niet waard was." Hij dronk hem met gesloten oogen. De echte fuif begon voor hem na de koffie, en hij maakte met den fijnen cognac van mijnheer Verlat eene "kennis," die hem niet meer toeliet te voet naar huis te gaan. Aan Ko werd opgedragen met hem in een rijtuig te kruipen en hem langs de steile trap van den tingel-tangel-zolder, desnoods met behulp van den koetsier, tot in zijn bed te hijschen.

Het was tamelijk laat, als men afscheid nam. Pastoor Doening was de eenige die vóor middernacht vertrok. Ernest verliet Vere niet. Zij had dien avond het weeke gevoel van de bruid, die door een fezelenden bruidegom in hare witte kamer wordt geleid. Alles, tot het laatste geluid van dat wonderfeest, was haar nieuw en gedijde tot een vreemde, ongeraden geneugte. Ze ging met hem de trap op, leunend op zijn arm, zooals zij met hem de trap was afgekomen. Eene zoete duizeling gonsde in haar hoofd.

Ernest zag, hoe gelukkig ze was. Nu hij weer alleen, in de zacht-belichte kamer, daar stond nevens haar, vóor de groote lijst van de spiegelkast, beving hem ineens de bangheid van zijne opgestapelde leugens. Hij week echter niet, wierp zich geheel in den troebelen vloed, dien hij had doen aanstormen en waaronder hij nog steeds de stuipen van zijn opgeruid geweten hoopte te stikken. Hij was echter zenuwachtig geworden. Hij aarzelde niet om aan zijn laffe onrust den schijn van koortsige passie te geven. Ze keken malkander in den spiegel aan. Hij fluisterde:

--Nog mooier zijt ge nu!.... Het is mij of ik, naast u, uit iets leelijks, iets donkers ontwaak....

--Ja?.... Ja?....

De diadeem vonkte weelderig. Zij lei hare armen om zijn hals, sloot half hare oogen, en hare lippen beefden van gretige verwachting.... Hij raakte ze niet.

--Kom, zei hij.

Hij sleepte haar mee, weg uit die helsche, wraakroepende spiegeling, waaruit de modder van zijn meineed hem naar het voorhoofd spatte. Vóor het breede bed hielp hij haar uitkleeden. Hij deed het ongemanierd, angstig. De tafstrikken ruischten onder zijne ongedurige vingeren, en krakend sloeg het zwart-purperen brokaat. Hij drukte haar pols wild op zijn borst. Haar hoofd zakte bezwijmend achterover. De schildpadden haarspelden vielen geluideloos op de sargieomboordsels van witte blonde. Hij kuste haar lang.

--Hebt ge mij lief, nog lief? vroeg ze uitzinnig.

--Ja.

Ze lag in verrukking op zijn schouder, bracht, als wilde zij daar schuilen, hare beide handen saam onder zijne kin, huiverde wellustig. Dan, mijmerend:

--O Ernest,! nu denk ik weer aan ons kindje....

Zijn adem fleerde koel, benauwd, over hare wimpers. Opgetogen, uitbundig, smeekte ze:

--Niet waar?.... Niet waar?.... ge hebt het niet vergeten?.... ge denkt wel.... altijd.... aan dat kindje van ons?....

Zijne neusvleugels trilden. Hij beet op zijne tanden; hij beet den knoop door van eene eerlijke verontwaardiging, die in zijne hersens tegen zijne eigen laagheid opschoot. Hij aarzelde nog. Hij bedwong zich ondertusschen. Hij wrong over zijn aangezicht het masker, waarbuiten hij, zijn gansche leven door, gemeend had dat hij geen aangezicht bezat. Hij loog:

--Ja.

En Vere lachte stil.

VII.

VERVOLG OP DE ROODE SYMFONIE.

De Vrijdag en de Zaterdag gingen in andere drukte voor Ernest om. Dan kwam de Maandag, gelijk een bloem van belofte. 't Was scherpe Winter geworden. De stad was binst den nacht klinkend-hard bevroren, en de morgen ontlook in bleek-blauwe luchten, waar een lage zon, als een trossel heldere klokjes, te zilveren hing. De laan luidde ongemeen. De menschen stapten er anders. Onder de ledige olmen lagen, in gele stippeling, de laatste flarden van hunne doode loovervacht.

Verlat bleef, tot op den middag, vóór zijn leestafel zitten, de hand roerloos op een open boek. Hij rookte. Een voor een stak hij de lichte sigaretjes op, pafte den damp in breede ringen, in kronkellinten of in onklare dikten naar omhoog. De zure tabaksmaak droogde zijne lippen.

Heel den nanoen sloot hij zich in zijne slaapkamer op, waar hij zich, zonder voldoening, met de grootste zorg aankleedde. Hij kwam voor het diner beneden. Hij was bleek. Hij at haast niet, en Vere die zeer bekommerd was, vroeg hem te vergeefs naar de oorzaak van zijn ongemak.

--Ik heb niets. Ik ben wat opgehitst, zei hij.

Hij voegde er dan los-weg bij:

--Ik zal wat uitloopen in de kilte.

Hij deed inspannen en vertrok vroeger dan hij besloten had. Hij reed tot bij Sörge, waar hij vernam, dat mijnheer en mevrouw seffens na etenstijd vertrokken waren. Hij vroeg niet wanneer ze thuis kwamen. Hij wist ook niet wat hij eigenlijk bij Sörge kwam doen. 't Was een redelooze inval. Hij reed verder zonder zijn kaartje na te laten.

De avond was niet zoo koud meer. Er woog een dompigheid in de lucht, en de stad lag gelijk onder een lage van fluweelen nachtwolken wat lauwer te roezemoezen. De lantaarnlichten schenen oranje uit en de duisternis was zwaar-purper. Een rood of groen tramsignaal blonk somtijds zeer voornaam, gelijk een ingelegde smaragd of een rozet robijnen.

Vóór de shop deed Verlat stilstaan en zond de koets naar huis zonder bericht.

Het shop-leven was niet zoo vroeg aan den gang. Dumdie stond niet bij de deur, en Anatole, de pompier, spoelde weemoedig de glazen. Twee kelners praatten met Jujube vóor den toog, waarachter mevrouw Morganès, versch bepoeierd en nog wat genepen in haar geregen keurslijf, reeds tronend de klandizie afwachtte. Eén enkele klant zat daar in een hoekje: Florjan Pacôme, de mondaine kunstschilder.

Pacôme placht, haast dagelijks, in de shop zijn avondmaal te gebruiken, en hij deed het eenzaam telkens als het hem niet lukte door iemand uitgenoodigd te worden. Hij zat in een hoekje, vóór een met allerlei spijzen bedekt ammelaken. Hij drukte, nadat hij smakkend zijn servet over zijn knevels en zijn bakbaardje gewreven had, de hand van Ernest, die zwijgend naderkwam.

--Ik ben blij, Verlat, zei hij, dat ik u zie.

Hij was altijd blij, als hij iemand zag. Wanneer hij er niet de eene of andere vieze historie van vernemen kon, vertelde hij zelf andermans viezigheden, en het tweede genot was voor hem het eerste waard. Sinds het huwelijk van Francine, zag men hem minder op de Regentielaan, hetgeen niet wegnam dat hij zichzelf als een van Verlat's beste vrienden aanschouwde.

--Zeg eens, begon hij, ik heb verleden week met Sörge over het oranjeriefeestje bij la Milly gesproken. Hij trok zijne schouders op, maar 't liep hem maar half-goed af. Er zal nog wat raars met die twee gebeuren, geloof me.

--Ik geloof u niet.

--Zet u. Maar, om den duivel! kerel, wat zijt gij nog langer bij dat gemeengoedje blijven hangen? Sörge vond 't aardig van u, zei hij. Mogelijk....

--Ja, mogelijk.

--Jongen, ge ziet er uit als een lijkbidder! Drink wat.

Mijnheer Pacôme voelde genoeg dat hij van Ernest niets weten zou. Hij beproefde dan ook niets meer langs dien kant en om het eigen plezier, dat hij erbij had, begon hij in 't lang en breed alles te verhalen wat sinds de Daphnis-en-Chloë-vertooning over Milly d'Orval bij Bardain, den kapper, in de saletjes van de Grill-room, in de Shop en in de schermzaal van den provoost Piccini in omloop was. Het minste geruchtje had hij zorgvuldig opgenomen. Sommige menschen vertelden dat Milly de minnares zou worden van mijnheer d'Ardoye, den bondgenoot van minister Dissel, hoofd van het liberaal doktrinarisme en groot-meester van de tweede vrijmetselaars-kamer. Men zou haar leeren spionneeren en ze kreeg dan daarvoor tachtig duizend pond 's jaars. Mijnheer Pacôme deed zijne tong klakken en voegde er bij:

--Een gulden baantje!

Er werd ook beweerd dat zij, met kapitalen van het Joodje, dat op het feest gedurig nevens haar zat te lekkerbekken, een groot sadistische inrichting, ergens in een badplaats, wilde waarnemen. Men sprak overigens veel van dat Joodje. Enkelen kenden zijn naam, maar het meerendeel had hem nooit gezien. Pacôme had zich laten wijsmaken dat hij een rijkgeworden diamantslijper was, die impresario van smerigheden speelde. Hem behoorde dat oranjerie-theatertje. Hij reisde rond daarmee. Hij had een uitgebreid repertorium en voerde ook Bijbelsche stukken op, die niet van de minst gewaagde waren. Alle biekorven in de hooge stad ronkten. 't Was de klappertjesweek.

--En over u ook, Verlat, loopen de tongen. Ge kompromitteert u. Sörge zegt....

--Pro-ost!

--Dankje.... Sörge zegt dat Milly ons te goed is. Zeer vriendelijk, maar toch niet onpartijdig, als men weet dat hij zich, zoo lange jaren, met dát barzoodje heeft kunnen ophouden. Sörge is nu een mooi standbeeld zonder voetstuk. De waarheid is, dat hij ons schandelijk bedrogen heeft.

--Ja.... en nu nóg! lachte Verlat.

--Gij, vingerde Pacôme waarschuwend, gij wordt ook verdacht; gij wilt uw zwager in het vaarwater zitten. Ik zie wat ik zei. 't Is flauw.... maar 't gaat mij niet aan....

--Juist!

Ernest Verlat slokte in een wip zijn madère door zijn keel, stak eene sigaar op en, nadat hij zijne handschoenen had aangetrokken en Florjan de lange vingeren had geschud, verliet hij onder den beleefden glimlach van madame Morganès de shop en haar gasten. Hij sprong in een huurrijtuig en kwam op een betamelijk uur aanschellen vóor het hotel van den Kortenbergschen steenweg.

Men bracht hem binnen in Milly's boudoir, waar men hem bad een kort tijdje te willen wachten.

Hij wachtte er langer dan het hem redelijk scheen. Hij zat zenuwachtig rond te kijken. Het pronkkamertje was keurig ingericht en sober versierd, en het droeg, over zijn algemeen uitzicht, een licht-grijze tint met veranderlijke ondertonen, gelijk soms het licht in water over de schubben van zekere visschen speelt. Een paar oude zacht-gekleurde koperplaten hingen in ivoren lijsten aan den wand. Een Venetiaansche spiegel stond op een kleinen schoorsteen, waarbinnen rood-gloeide een dicht-trosselig steenvlasvuur. Druivenranken waren op de spiegelranden in het glas gebeiteld; de levende klaarte van twee stijf-armige kandelaars kwam erlangs breken en de zilveren vruchten teekenen in hunne lichtbrokkelingen.

De meubileering, uiterst bescheiden aangewend, was uit dat grijs-mauve hout, waarvan men zou zweren, dat er een doorzichtig satijn over glanst. De stoelen en de sofa, die lang waren en zeer smal, waren overtrokken met een teergrauw bebloemd Louis-XV-tapijt, waarbinnen enkele gouddraden blonken. Grijze en zwart-gespikkelde pelsen lagen op den vloer.

Ernest Verlat had zijn hoed en zijne handschoenen nevens zijn rotting op het blad van een ovaal tafeltje gelegd, en hij keek mijmerend naar een slanke vaas, die uit zijn groenen toot drie oranje haverbellen liet druppelen. Hij was stilaan ongeduldig geworden en trommelde met zijn vingeren op de houten leuningen van het laag zeteltje, waarin hij zich, half overhangend, had neergezet. Het koortsig getikkel van zijne nagels streed met den matigen slingerslag, die klaar en lijdzaam op een porseleinen horloge, vóor den spiegel, den tijd in stukjes klopte. Er rees hier geen ander gerucht.

Ernest blikte naar het vaasje en dan weer naar de uurplaat, welke met kleine paarse roosjes beschilderd was en den dubbelen schicht van hare blinkende wijzers traag over hare gouden cijfers voer. Hij dacht aan zooveel dingen te gelijk, dat hij in zijn hoofd geen een, meer dan een paar seconden, bijhouden kon, en telkens sloeg hij dan die verwarde gepeinzen uiteen met een wrevelig:

--Waar blijft ze toch!

Seffens herkwam het leitmotief van zijne kommernis: hoe hij zich houden moest. Hij kon nergens zich houden zooals hij was. Hij dichtte het voorkomen dat hij aannemen zou; hij voegde in zijn geest de ingewikkelde stelling saam, waarnaar hij zich op zijn gunstigst zou gedragen. Het gevoel dat hem hier had aangedreven was oprecht, en hij meende dat hij Milly liefhad. Hij wilde echter den uitschijn van die liefde aankleeden, alsof hij vreesde dat zij op zichzelf niet mooi genoeg was om zich op eene eenvoudige en natuurlijke wijze voor te doen. Zoo was hij gedurig de speelbal van onvruchtbare zorgen en sloot hij, in nuttelooze leugens, de minste zijner aandoeningen, ofschoon die, kon hij ze buiten zijne onrustige zwakheden vrijwaren, misschien zeer eerbaar mochten zijn.

Milly d'Orval, welke hij daar ongeduldig zat af te wachten, kwam--het deed hem vreemd aan!--juist binnen op het oogenblik dat hij, aldus wachtend, niet meer dacht aan haar. Hij stond gauw recht en groette.

De verschijning van Milly was een wonder. Ze droeg een van die nauw-spannende kleedingen uit éen stuk, die men, om hare soepele sierlijkheid en haren vorstelijken eenvoud een "prinses-robe" noemt. Het kleed teekende met betooverende zuiverheid de mooi-uitlengende en rijk-afgeronde lijnen van haar rijzig lichaam; de mouwen, smal en effen over hare armen getrokken, vielen met een drielobbig lepje op hare handen, en haar kraag reikte alonder hare kin en tot tegen hare ooren een dubbel tipje van uitgerokken fluweel. Alleen het hoofd en de handen waren naakt. Dit kleed was geheel Milly, en het was Milly zoo weinig, dat haar lichaam er haast bloot en triomfelijk doorstraalde.

Wat echter het meest trof, was de kleur ervan. Milly's kleed was als uit een blad van kokend vermiljoen vervaardigd en men had het met duizenden metallische scherveltjes bespikkeld, rond en veel-blikkerend en kardinaal-rood, zoodat het nog in ziedende droppels te spatten scheen. Het leefde, gelijk de schelphuid leeft van een natte parelhagedis.

Milly reikte aan Verlat hare hand, waar, eenzaam en voornaam, een achthoekige topaas binnen een snoer van violette amethysten glansde; en, terwijl hij ze gretig nam en zijn hoofd erover bukte, beantwoordde zij met een ernstig knikje zijn groet.

--Ik dank u, Ernest, zeide ze stil.

Ze zette zich in de sofa en het was verwonderlijk hoe daar het gepailleteerd vermiljoen tegen het grijs-mauve satijn van het hout en het gebloemd tapijtgrauw beweeglijk opvonkte. Verwonderlijk was, daarboven, het bleek gezichtovaal dat, blond-rozig, onder de zachte schaduw van de weelderig in kroonvorm opgeleide haarstapeling, met het vuur van twee groote oogen speelde. Ze droeg, buiten den zwaren topaasring, geen juweelen; een onzichtbare kraalkorrel verborg de gaatjes van hare oorlappen, en een breede ebbenhouten kam, bestoken met drie robijnen, hield hare roode vlechten op.

Gedurende eene stilte die den vlijt van het porseleinen klokje kwam verraden, mat Ernest opnieuw de afstanden en zijne houding. Toen vroeg hij haar hoe zij zich na het feestje bevonden had, en vertelde haar de praatjes die hij op den klappieklepper van Florjan was te weet gekomen, al dat gewauwel van nijdige menschjes, welke hun spijt uitzabberden in vuilen achterklap.

Ze viel hem in de rede. Het docht hem dat ze niet eens geluisterd had.

--Ernest, sprak ze, hebt ge goed nagedacht over wat gij zijt .... en wat ik ben? Ik gaf u haast een week tijd om rustig daarover na te denken. Weet gij nu zeker wat gij zijt?

Ze sprak met zoo diepen, kalmen ernst, dat Ernest er klein bij werd. Hij voelde het verschil van peil waarop zij beiden zich bewogen, maar kon de toestanden niet oriënteeren. Zij moest eerst doorspreken. Hij wilde niet dat zij hem zag kleiner worden onder haar overhand.

--Ik geloof ja, antwoordde hij in een lachje. Wat bedoelt ge eigenlijk?

--Niets kwalijks. Maar gijzelf moet goed weten wat gij bedoelt met hier te komen. Ik vrees dat uw begrip daaromtrent niet geheel klaar is. Gij verlaat uwe vrouw, en dat mag men niet zoo losjes doen. Dat is zeer belangrijk, jongen, niet omdat ge getrouwd zijt, maar omdat die vrouw u bemint. Ik was niet getrouwd--en ik heb "verlaten." Ik heb naderhand geweten wat dat beteekenen wil. De hemel is mij getuige dat ik u niet verleid. Ik heb u immers niet lief.

Ze sprak op een gelijken langzamen toon. Zij had eene fulpen kontraltstem, die zij scheen in eene halve donkerte te leiden, waar ze mild en ingetogen klonk. Ernest bloosde, pikte haar laatste woord op.

--Gij zijt oprecht, zei hij, ik zeg niet dat het mij aangenaam is.

--Niet flauwklappen, nu, Ernest, zegde ze, iets heviger, zoodat, breeder bijgevolg, het malsche geluid rijp uitklokte; ik lach niet, ik maak geen mooie zinnen. Ik wil weten wat ik heb, als ik u later mocht lief krijgen. Wij bewaren niets van een geurig gekir, dat wij alle twee te verstandig zijn om rond malkanders lippen te zeemen. Wat ik u geven wil, is meer dan een geil spelletje; maar gij moet het ook voor meer houden, en, als ik van u iets aanneem, moet gij ten minste bewust zijn van wat gij aan te bieden hebt.

En, daar hij zweeg en op zijn duimnagel de graantjes van de haverbel deed wippen:

--Ik wil weten, vervolgde zij langzaam, of ge mij begeert, mij geheel en al, en niet slechts wat in mij van Sörge overblijft.

Hij schrok op. Ze had zeer raak de zwakheid getaakt, die hij zichzelf niet bekennen dierf. Las ze in zijn ziel, spijts alle leugens, of loog zij behendiger dan hij?

--Want, sprak ze verder, neerblikkend op het korenkorreltje dat over zijn hand gesprongen was en nu in twee haren van de vloervacht hing, want, Ernest, wat van Sörge in mij overblijft, behoort mij niet en kan u nooit toebehooren. Wat zegt gij?

Hij bedacht zich een oogenblik. Zij was zoo dicht bij hem en hij voelde dat ze hem ontsnappen kon. Hij werd bang voor de liefde die hij met trage zorgen in zijn hart gevoed had, bang vooral dat al zijne hoop mocht verschroeien eer ze, in hare eenzaamheid, van uitputting stierf. Met die bangheid sloeg zij al hare vuren door zijne aderen. Hij stond recht in de vlammen en zijn begeerte reikte, als een reusachtige poliep, hare honderd armen.

--Milly, zei hij, ik heb niet over dat alles nagedacht. Ik heb nu zoo langen tijd, en in deze laatste dagen het hevigst, aan u gedacht. Wat is hierin nadenken? Van op den eersten dag ben ik vol van u, maar toen was mij zelfs de hoop verboden. Ik deed niets om eenig recht op hopen te hebben. Dezen avond hebt ge mij ontboden. Ik kom, Milly, ik kom zonder iets tot u, omdat ik dacht dat mijne liefde voldoende was. Ik kan dat met u niet beredeneeren. We staan, vrees ik, te ver van malkander af, en we zouden malkander niet begrijpen. Gij vraagt wie ik ben, en ik ben uw eigendom. Gij spreekt van mijn vrouw, en gij weet dat ik ze, om u, al lang verlaten heb. Gij veronderstelt dat gij uwe hand maar te openen hebt om mij aan mijn eigen terug te geven, en gij wilt mij doen gelooven dat ik dan waarlijk in mijn toegeknoopte jas zit en gerust naar huis kan keeren! Neen, Milly, er zijn bezittingen die willen bezeten worden. Gij hebt mij genomen, en ik wil dat gij me houdt, omdat ik leven wil. Zoo is de zaak. Laat ons daarover niet twisten .... Maar gij zegt dat ge mij niet liefhebt. Dit verandert niets in mij. Alleen betreur ik dat ge niet nog een tijdje gewacht hebt, eer ge die roode garve meendet op uw tafel te moeten leggen. Of dacht ge misschien dat mijn liefde mij niet dierbaar genoeg was om te eischen dat men haar zou eerbiedigen?

Milly viel hem zenuwachtig in de rede. Ze brak het nagelpokertje dat ze in hare vingeren probeerde om te plooien.

--Maar mijn goeie vriend, deed ze ongeduldig, ge kent mij niet eens! Wie hebt ge lief? Ik ken u. Als ik u liefkrijg, weet ik dat ik u niet om u verlaten zal. Mijn waarborg moet zijn dat gij hetzelfde van mij kunt zeggen. Eerlijk, Ernest: ik vermoed dat ge in mij het spoor van Rupert Sörge zoekt.

--Ik weet het niet! Ik weet het niet! En wat scheelt het mij? Indien er nog iets van Sörge voortleeft in u ....

--Ja.

--.... wel, gij zijt toch ook dat iets ....

--Ja. Ja.

--.... en ik neem u geheel!

Ze schudde langzaam haar zacht-gebogen hoofd en hij bleef haar zwijgend aanstaren. Toen zeeg ze geheel achterover in de sofa, lei hare armen op de leuning tegen den muur en lengde hare beenen uit in de ruisching van hare rokken. Ze was alzoo, tegen de grijze hoofdkleur van de kamer, een rood-glinsterend kruis, bekranst boven zijn hart met de kroon van hare roode haren.

--Ge vergeet juist Sörge, sprak ze, vreemd-lachend. Het is dan ook beter dat ik u mijne schaamte beken. Ja, er is in mij nog iets van Sörge, dat ik niet heb kunnen uitroeien. Dat iets kunt gij niet nemen. Het behoort hèm. Als de vijlen van den tijd het niet breken kunnen, moet ik het terug aan Sörge geven. Hoe raar toch is dat! .... Ik heb Sörge nog lief.