Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 22
Ze dankte hem en blikte mijmerend door de ruit van den wagen die glansde in de sterke zon.
Van Bern af namen ze hun reisticket voor Brussel, waar ze laat in den avond aankwamen, en Francine werd, in dat onbekende huis van de Louizalaan, naar hare kamer geleid. Ze sliep er zwaar en in éen trek tot twaalf ure op den noene.
Mariëtte brengt de chocolade, verschuift de vaas met de mooie Japansche leeljen en zet de kopjes op de schraag.
--Rupert, jubelt Francine, hoe heerlijk hebt ge deze toilette geschikt! Ik ben waarlijk verlegen. Ge zijt te goed voor me!
Hij lacht. Hij schuift een stoel bij en zet zich.
--Heb ik dat voor u gedaan? Denkt ge dat ik het niet .... voor mij deed? Wie houdt eraan zijn vrouwtje te zien aankleeden, terwijl ze praat en leutert?
Het was een van zijn liefste plezieren. Sinds ze getrouwd waren, had hij elken morgen, zoodra Mariëtte de haarstrengen had opgekamd en gevlochten, het keurslijfje had vastgeregen en de kamerjapon had dichtgesnoerd, de lange, kunstige doening van tien kraalvingeren om een sierlijk hoofdje bijgewoond. Hij was 't nooit moe. Hij had haar raad gegeven, koos den geur van het poeier en den toon der blosjes, die eronder moesten gloeien als de teere mouterheid van een abrikoos.
Zoo zit hij hier weer.
Vóór den driedubbelen spiegel gaat Francine staan. Ze staat in het licht, driemaal weergekaatst. Ze kiest, op het marmeren tafelblad, het gedienstig gerief tusschen al wat te reke en ordelijk daar wacht. Ze giet uit een der kristallen flacons een lichte geut van een Russisch eau-de-cologne op het tipje van een wollen servet en traagzaam baadt ermee haar voorhoofd, hare oogleden, hare wangen en haar buigenden hals.
--Waar zullen we vandaag het eerst gaan? vraagt ze.
--Vermoei u maar niet. Wilt ge meer menschen dan Ernest bezoeken? We kunnen bij Ernest dineeren, en daar komen de andere vrienden dan wel.
Ze wrijft over hare armen en tot op hare vingeren een tikje open van wat men in het Fransch "la pâte des prélats" pleegt te noemen, waarschijnlijk omdat de prelaten de mooiste handen hebben van de wereld. Het is een verduldig werk. Ze duimt dien geurigen zoom tot hij plat en glanzend ligt gelijk een glimmende aromaatolie. Over haar aangezicht en op hare schouders strijkt zij een malsche amandelmelk voorzichtig effen.
--Wien tracht gij het graagst te zien, Francine?
--Ik? .... Kijk, daar heb ik nog niet aan gedacht.
--Denk er eens aan ....
--Rupert, ik kan niet. Ik moet mijn lippen teekenen. Ze doet het zeer nauwkeurig. Ze lijkt wel op een Japansch popje, lonkt aandachtig in den spiegel, teekent met een welriekend krijt een dubbel lint op haren mond, zoo dat hij rood-lacht als een kers.
--Ge zet te dik aan, liefje, merkt Rupert, ge moet kleuren met de gevoeligste bescheidenheid.
Ze lacht en de kers schijnt te bersten, spat open en toont binnen zijn frissche wonde een snoer van blanke parelen. Nu is ze weer oplettend bezig. Ze lengt haren hals uit naar voren, raakt haast met het toetertje van hare lippen het ander eender toetertje dat uit de spiegelluiken op drie plaatsen naderkomt en voert het roode krijt.
--Hoor eens, man, zingt ze naderhand, als ik nu ernstig nadenk over wat ge me vraagt, dan vind ik, hoe raar hee? op het eind twee vragen in stede van éen antwoord!
--Ga uw gang maar!
Ze keert zich om. Boven haar mond, die te hard gloeit, blinken uitzonderlijk hare groene oogen.
--Dan is 't: waarom vraagt hij me dat?--en waarom denk ik na?
--Ik moest, inderdaad, het u niet vragen .... maar gij hoefdet niet na te denken.
--Dat is raak. Gij doet het mea culpa, en ik heb de schuld! .... Breng, alsjeblieft, mijn hoofd, van in de vroegte, niet op hol, Rupert. Moet ik mijne wimpers stompeeren?
--Eventjes .... Een greintje. Uwe oogen zijn bijzonder schoon vandaag. Doe maar die smaragden weg, die op uwe ooren slapen. Ze worden dof naast uw blik.
--Dankje.
Ze trekt een kleine schaduw boogvormig over hare wenkbrauwen. Haar lenige rug plooit achterover, en om het goud van heur haar, waar zij een schildpadden speld wil steken, ranken van weerskanten hare rozige armen. Nu begint ze zich te poeieren. Ze doet éen voor éen de zilveren poeierdoozen open, weet niet waar het zwaanveêrkuif je te doopen. Ze vraagt, terwijl ze, wachtend, hem in de psychee beziet:
--Amber of verveine?
--Allebei, Francine.... maar, dan, van dat Roger-Gallet's goed.
--Och ja .... ik had uw les reeds vergeten. Hoe is de verhouding weer?
Ze lacht.
Ze poeiert kunstig, vervaagt over haar mooie huid de glansen en de kleuren. Donzig vleit zich eindelijk haar hoofd boven haren schouder in de poeierige zon te voorschijn, die tusschen de spiegelvlakten speelt. Ze keert zich geheel om.
--Is 't fraai?
--Laat zien.
Hij staat recht en gaat van dichterbij dat vrouwelijk meesterstuk bewonderen. Hij knikt. Hij toetst rijzekens het matte satijn der armen en sluit vluggelings zijne oogen in een walm van den frisschen schouderreuk. Hij legt zijne hand op haar leên, vezelt:
--Gij zijt een porseleintje van uitgelezen kostbaarheid.
--En zeldzaam als uwe goedheid? Ik min u.
--Ik min u, o ja!
Hij zet zich naast haar vóor de schraag, verschuift de chocoladekopjes, en gaat zwijgend na hoe ze nu, met een luttel alaam, hare nagels vijlt en rondt en glazuurt en polijst ....
--Wel! zegt Rupert plots, voor wien denkt ge dat ik dezen ochtend ben uitgereden?
--Ik wil 't niet weten.
--Lach niet. Ik deed het voor Peter .... uw vriend Simon ....
--Simon .... Simon ....
Ze houdt het gouden schaarken open, onbeweeglijk, met de twee lemmerpuntjes omhoog, in hare hand. Een droom, iets wijds, dat als een droom uit de verte opwolkt en een vorm wordt, ligt in de diepe wateren van hare oogen. Ze fluistert:
--Ik herinner mij.
--Ik schreef dikwijls voor deze zaak, praat Sörge onachtzaam; ik wil dien jongen uit de gevangenis krijgen.
Hij neemt een sigaretje uit zijn koker, lacht dan, terwijl hij het boven een onyxschaal breekt:
--Hier mag ik niet rooken, hee?
Hij ziet het gouden schaarken met de opalen hand lager zinken. Hij ziet de kers-zoete lippen hergaan:
--Ik herinner mij, stamelt Francine.
Zij had, in geen tijd meer, aan Simon gedacht.
II.
IEMAND UIT ZIJN SCHIK.
Mevrouw Sörge maakte, in haar nieuw en onherkenbaar voorkomen, een zonderling-verwarden indruk. Pastoor Doening en mevrouw Verlat waren zeer bekommerd. Het docht hun dat Francine zich zoo ver van hen verwijderd had, dat ze haar nu nooit meer nader zouden komen. Zij was wel het zingend vogeltje gebleven; maar het zong vreemde wijzen, wijzen van een ongeraden land waar 't een ongeziene zonne had geleerd. Pastoor Doening meende dat het versch geluk, in haar, nog slapende tonen had gewekt en dat zij naderhand met een rijker hart van al dat uitheemsch wijde zou terugkeeren. Hij zei 't zoo aan Vere, die 't met een droevig lachje ontving. Hij voelde de groote beteekenis van dat lachje en het sloeg op zijne borst in verstaanbare klanken:
--Het wordt de eenzaamheid .... de algeheele eenzaamheid.
Met Francine verloor ze weer wat, en daardoor kwam het scherper op, dat ze reeds zoo heel veel, haast alles .... alles verloren had.
Mijnheer du Bessy verheugde zich in Francine. Hij zag er alleen het uitzicht van, en het uitzicht was heerlijk. Al wat in hem het adellijk aristokraatje was gebleven, joepte in bewondering en juichte die bewondering uit. De olympische bekoorlijkheden waren, in zijne oogen, niet langer waard dat men ze met Francine mocht vergelijken, en Aphroditè zelve, die nochtans uit het druppelend paarlemoer en de groene schuimbellen van Okeanos' rijk was opgerezen gelijk een agaatkleurig morgenrood, Aphroditè, de wellustige, zou naast deze Oreade het oordeel van Paris niet durven toetsen.
Mijnheer du Bessy, die met de komst van zijn nichtje zeer in zijn schik was, hetgeen misschien ook aan de toegestane gunsten van juffrouw Henriëtte kon geweten worden, noemde Francine, sinds haar verblijf te Interlaken, de Oreade of de Bergnimf. Hij verzon eigenaardige maatregelen om, met fijne trekjes, de behaaglijkheid van een zulk soort feeën te loven, en hij gelukte erin, door eigen lichtzinnigheid, niet eens op te merken dat de Oreade een vreemd wezentje was geworden, waartegenover hij zelf eene "tijdelijke" verschijning was. Ze kon hem soms aankijken rechtover hem, kijken, door zijn hoofd dwars heen, naar iets dat ver vandaan was gelegen. 't Was niet een toevallige mijmering, zooals het wel eens gebeurt dat men onachtzaam doet; 't was haar gewoon doen, haar zijn van altijd, haar bestaan buiten haar verleden en buiten hare vrienden.
Mijnheer du Bessy zou het ontkend hebben, indien hem dat iemand had durven zeggen. Zijne oogen bedelden om met haar te mogen uitgaan, om in een open rijtuig naast hare "goddelijke" toilet te zitten of, in soiree, onder de zonneklatering van haar goudstralend haar te verschijnen. Hij werd, meer dan ooit, de baron. De mooie glans die van dat wondere meisje uitging, verguldde zijn blazoen en 't zou nu schitteren met al zijn kleuren, met al het verglaassel der nieuwe jeugd over al den roem van het oud-adellijke. Hij gedroeg zich gelijk men ongeveer zich gedragen moet, als men toegelaten is tot het "petit lever" van den koning of als men, op de wandeling, bij het te paard klimmen den stijgbeugel voor de koningin vasthoudt. Hij sprak nu zeer veel van de uitroeiing der nobelen en altijd in die klein-fantastische taal, welke zijn lichte gedachten een bijzondere liefelijkheid bijzette iedermaal dat zijn verhaal niet op een zeurend gezaag uitliep.
--Ik word het gewaar, placht hij dan te beweren, er is een tijd in aantocht en weer zal de adel bloeien, maar misschien wel een adel zonder voorzetsel. De demokratie voedt op dees oogenblik de uitzonderlijke eenlingen die de geestelijke meesterschap zullen handhaven en de kampioenen zullen zijn van eene uitverkoren beleefdheid. De Revolutie heeft den dood verhaast van een zinnelijk-bedorven adel en de mogelijkheid bereid van een nieuw adellijk geslacht, hetwelk in andere omstandigheden, doch met geen andere keurigheid dan die onzer hoffelijke vaderen, een Versailles zal stichten, waar wij den geur van gefestoeneerde hemdkragen en de zilvering van een uitmuntende konversatie mogen genieten.
Hij dacht middelerwijl aan zijn nichtje en de toekomst, die hij voorspiegelde, was hem dichtbij.
Mijnheer Sörge vergat nooit hem uit te noodigen, en telkens ontving hij mijnheer du Bessy met eene minzame gulheid waaraan men genoeg herkennen kon dat, in de vordering zijner inzichten, de oude baronet geheel schadeloos was. Du Bessy was op alle feestjes en de zorg, die hij gewoon was aan zijne kleeding te besteden, nam toe. Hij voelde zich in machte van een zeer voornaam geluk, dat hij onder de mooie belichting van de Oreade aankweekte, en hij vermocht weldra er de teere salon-bedwelming van te verplaatsen in de kamers van de Gretrystraat, onder de grovere gaspitten van Henriëtte's boudoir.
Hij sprak daar weinig over in het groot-stille huis op de Regentielaan. De zwijgende ernst van de sombere eetzaal begon op hem te wegen en hij was soms bang voor Vere, die in de eenzame gangen wandelde, gelijk een gevangen spook. Was 't dat hij zich iets tegenover haar te verwijten had of wilde hij slechts de kalme droefheid eerbiedigen, die om haar voorhoofd lag? Hij was gelijk een studentje, dat bij brave burgerlui inwoont en, aan tafel, binnen de dampen van zijn soepbord, met drollig-blozende schijnheiligheid het plan van een boemelpartijtje in den avond tracht te verbergen.
Hij verborg echter niets. Vere, nadat zij het pijnlijk afscheid met Francine had beleden, zag wel dat ze, in gedachten, ook door Oomken verlaten werd. Die toestand verergerde door het toedoen van Ernest.
Ernest, die geheel onder den invloed van Sörge, lang vóor Sörge's huwelijk, geraakt was, kwam nu onder den invloed van zijne zuster. Hij beneed Sörge in wat deze van Francine had kunnen maken, en die nijd, welken hij nergens kon uitdrukken, verkeerde natuurlijkerwijs in een somber-woelende, aleens scherp uitschietende minachting voor zijne eigen vrouw. Hij wilde Vere verwijten dat zij voor hem niet zijn kon wat Francine voor Rupert was, maar hij voelde te klaar de wreedheid van zijn eischen om het haar met een moedig woord naar het hart te slingeren. Hij beproefde, in den beginne, om haar het licht, de elegantie en de uiterste gevoeligheid van Sörge's huwelijk te doen inzien. Hij beproefde het zonder krenkende zinspelingen en deed zijn best om, daartoe, de behendige schranderheid te gebruiken, welke hij bij Sörge zoo dikwijls bewonderd had en waarvan hij, al wist hij het klaar, het zekere slachtoffer was geworden. De leugens die hij aanwendde, waren slecht geleid, hadden, in het geploeter van zijn nijdige inzichten, geen streelende omgeving en geen passenden achtergrond. Zij leken niet eens op de leugens van Sörge, die zoo kunstig waren dat men er het bedrog bij vergat. Men treft zulke menschen die, zou men zeggen, dagelijks met een paar dauwperels op een rozeblad, de hersens van een leeuwerik en het sap van een halve perzik leven kunnen. Zoo was Sörge. Hij kon aan alles wat hij nutte, het kunstmatig uitzicht van een fijn-proevende nietigheid geven, en men zou dischgenooten gevonden hebben die beweren konnen dat hij nooit een aardappel of eene duif op zijn schotel gebruikt had. De manier waarop hij at, betooverde het voorkomen van zijne spijzen.
Ernest at om te eten. Hij loog om te zijn. Hij meende dat hij zijn bestaan in de maatschappij met leugens moest ophouden, en dit, inderdaad, was nagenoeg de waarheid. Zijne leugens hadden geen ander nut, dan dat zij hem een modus-vivendi in de samenleving gunden. Rupert daarentegen loog om van een daad te genieten, welke geheel van hem was en zich buiten de gefopte gemeenschap bewoog. Hij misleidde eene maatschappij, die hij aldus vernederen wilde, en hij vernederde ze met het besef van zijne overmacht. Hij proefde keurig de ingewikkelde lusten van zijne leugens, die hem den gekoesterden nasmaak lieten van eene meesterlijke minachting voor al wat leefde buiten hem.
Ernest verschalkte niet uit delikaat geneugte. Zijn logen was eene strijdige zwakheid, zooals dorst en honger onoverkomelijke zwakheden zijn. Hij leefde niet buiten die logen, ongeveer naar dezelfde wijze waarop Vere niet buiten de waarheid leven kon. Hij dierf het haar niet verwijten, maar hij werd er des te boozer om. Hij wilde haar van hare waarheid afleiden. Hij dacht dat, vermits ze, in die waarheid, de vrouw niet zijn kon die hij begeerde, ze misschien in een geveinsd voorkomen deugen zou. Hij trachtte de ontwikkeling van zijn verlangen geleidelijk naar dat doel te bevorderen. Hij trachtte in Vere de vrouwelijke behaagzucht te wekken om zich dan met de listen te vermaken waartoe zij aanleiding zou geven. Hij liet doorschijnen dat Vere zich te zorgeloos aankleedde en dat het huis er te zwaar burgerlijk uitzag. Hij wierp verdraaide woorden in de gesprekken, die hij gedwongen was met pastoor Doening te houden.
--Vindt gij ook niet, pastoor, vroeg hij geniepig, dat wij hier een eremijtleven lijden? Ons huis is gelijk een woestijn. We zouden iets moeten doen, dunkt u niet? iets aanwenden, iets breeder en naar eene andere richting.....
--Iets, ja, dat niet kunstmatig is, zei pastoor Doening stil en medelijdend.
--Juist .... juist .... Ik wil mijn best doen. We lachen hier niet dikwijls, dat weet ge ook. Als er dan maar wat lawaai was!
Hij voelde zelf dat zijne schranderheid naar wanhoop overhelde. Het kalme hoofd van Doening, dat in de luchten vol met de webben van vijandelijke inzichten gevoelig en voorzichtig opstak, keek hem aan, en hij had dan werk genoeg om, tegenover hem, zijn houding saam te stellen. De aandacht van pastoor Doening was hem telkens eene beleediging, gelijk alleszins een wroeging, die men veruiterlijken komt, eene beleediging is.
Ernest werd eindelijk moe door de vruchteloosheid van zijne pogingen. Vere begreep niet wat hij wilde, en gedurig ergerde hij zich aan wat hij haar "grovelijk instinkt" noemde. Het was wel aan dat instinkt te wijten dat zij hem niet begreep; toch, ofschoon zij nooit begrijpen zou dat hij van zijne vrouw eene soort van bijzit wilde maken, begreep zij dat zij anders moest zijn, wilde zij zijne vrouw blijven. Zij legde er zich geduldig op toe om ánders te worden.
Ze probeerde "beter" te zijn. Zij werd er meer burgerlijk door. Hare goedheid, die waarlijk eindeloos was, had geen grenzen meer. Die goedheid werd vervelend, en Ernest beschouwde haar als de folterende razernij van iemand die, met eene voorbeeldige deugdelijkheid, wilde doen uitschijnen dat hijzelf niet deugde. Hij beweerde dat Vere onbescheiden was.
Op een avond besloot hij zonder omwegen op zijn doel af te gaan. Hij nam Vere mede naar een Duitsch concert dat, ter gelegenheid van het bezoek van een uitlandschen prins, in den Muntschouwburg werd gegeven. Hij gedroeg zich zeer lief met haar, en sedert lang was hij niet meer zoo innemend en zoo oplettend geweest. Het trof Vere; en zij dankte God dat Hij hem, al was 't dan maar tijdelijk, tot beter inkeer had gebracht. Hij was vol zorgen om haar. Hij was wezenlijk de oude goede jongen van vroeger en er kwam een oogenblik dat hij 't zelf voelde. Hij bracht haar bloemen in het rijtuig en ze vertrokken gelijk verliefden.
De schouwburg had het uitzicht der groote gala-avonden. De overdadige belichting glansde op een overvloed van rijke toiletten en een rumoer steeg uit de logiën, welke op zeldzame serre-perken geleken, waarvan de zacht-verkleurende vrouwengezichten, de donzige schouders, de naakte armen op satijn, zijde, blonde en brokaat, de met diamant bedauwde bloemen zouden zijn.
In een logie, op den eersten rang, zaten Sörge en Francine. Ernest richtte langs daar zijn zilveren dubbelkijker.
--Wat een pracht, fluisterde hij; waar haalt Fran toch die vorstelijke manieren?
Van al die witte bloemen in rood-fluweelen perken was Fran zeker, zoo niet de schoonste, dan toch de bedwelmendste en de fijnst-bedeelde. Zij was niet in dezelfde luchten opgeleid en zij had, gelijk alle uitheemsche vrouwelijke harmonieën, midden de frissche klatering van tulpen en rozen, de vreemde bekoorlijkheid van eene orchidee.
Vere glimlachte stil en bedwong den zucht, die in haar boezem zwol.
--Hoe gelukkig is Rupert, vervolgde Ernest in verrukking, dat hij eene vrouw trof die met eene zoo teere en zoo rake gewilligheid zijn minste begeerten raadt! .... Zie, Vere-lief, ik ken Rupert genoeg om te weten dat Fran op alle oogenblikken, tot het kleinste kleurtje van haar linten en tot de haast-onzichtbare mouche die beneden het tipje van haar mond vlekt, geheel en eeniglijk zijn volle verlangen is. Daartoe is zeker veel gevoel, veel verscheidenheid en een scherp aanlegsvermogen noodig!
Hij hield niet op met zijn lof. Hij beschreef éen voor éen, met een fluisterstem waaraan de luidruchtige onverschilligheid van een schouwburgvergadering een bijzonder gewicht leende, al de lusten van een huwelijk, dat het zijne niet was. Hij krenkte, langzaam en gestadig, Vere met de voorzorgen die hij nam om, onder de geneugten van zulke ideale betrekking, geen eene van al die te noemen, welke hem Vere gegeven had. Zooals hij 't haar met prikjes in het harte stiet, was, voor hem, het beste huwelijk een, dat de ontkenning van het zijne scheen.
Ze leed genoeg om hem geen antwoord te kunnen geven. De muziek lawaaide rond haar en toeterde gelijk een muggenzwerm in hare ooren. Van de heerlijke zevende symfonie, waaromtrent zij dikwijls zei dat zij, in al die hoogte en wijdte, de vormen van een menschelijken Beethoven niet meer terugvond, hoorde ze niets. Een nevel van weemoed was om haar opgetrokken, en daarachter vreesde zij dat niets opklaren kon dan de vuren der wanhoop. Zij beneed het huwelijk niet, dat Ernest van jaloerschheid deed huiveren en zoo ver van het hare verwijderd was. Ernest benauwde haar--Ernest, die haar niet meer eerbiedigde en die haar, als eene hoer, wilde overgeven aan de zinnelijke leugens van een bedorven leven, Ernest, die eindelijk, in hare oogen, al zijne zoekende geilheid, zijne verborgen ontucht, zijne valsche verwende driften geopenbaard had. Zij kon 't niet anders opvatten dan zoo, en, eer het haar walgde, maakte het haar bang.
In de vestibule, binst de pooze, kwamen Sörge en zijne vrouw haar groeten. Vere zou gaan weenen hebben, als zij het kleine handje van Francine lichtelijk op de hare zag liggen.
--Lieve Vere, babbelde mevrouw Sörge, terwijl ze vol ongedurigheid een riemken van haar waaier brak, hoe kunnen wij 't hier uithouden? Ik snak ernaar om uit die akelige orgelkast te zijn. Rupert beweert dat hij er niet uit mag, zoolang de prins erbinnen blijft. Mooi vooruitzicht!.... Hebt ge gezien dat die prins een oorring draagt? 't Heeft voortdurend mijne aandacht van streek gebracht! .... Overmorgen kom ik u eens wat opknappen, hoor, ge ziet er alweer zoo neerslachtig uit, en ik heb in mijn lijf een vreugd, om uw heel huis onderstboven te zetten! ....
--Ja, doe dat, doe dat, lachte Vere.
--Ik zal Geizan meebrengen, als ze maar wil ....
--Wie is dat, Geizan, Francine?
--Onze poes.
Ze vingerde onachtzaam over de vonkende kantjes van den paarsen amethist, die tenden een rij briljanten aan haren rozigen halsband hing.
Sörge was dien avond, zooals bij alle ontmoetingen, uitermate beleefd. Hij sprak Vere aan, drukte in hare oogen zijn vredigen blik, bewaarde op zijne driftlooze lippen het onmerkbaar glimlachje, dat het beweeglijk slot was van zijne stille geheimzinnigheid. Hij liet over zijne effene woorden--alsof 't geen inzicht was en zonder erg gebeurde--de intonatie drukken van iets dat hij nochtans niet zeide en duidelijk beteekenen liet:
--Gij zoekt redenen om mij te haten. Haat mij, maar ik zal u nooit een reden geven. Wat scheelt het mij!
Hij groette, bij het afscheid, en boog fraai over Vere's hand. Men merkte gauw de fijnheid van zijne laarzen en de onberispelijke snedigheid van zijn soirée-rok.
Na het concert en toen ze naast Ernest in het rijtuig zat:
--Ernest, sprak langzaam Vere, zeg me eens oprecht wat ge dezen avond met mij hebt willen doen. Ik hoop altijd dat ik u klaar begrijpen mag; maar nu toch, Ernest, hoop ik dat ik u niet heb begrepen. Gij hebt mijzelf zoo dicht bij deze verklaring gebracht, dat ik ze niet meer ontwijken kan.
De zware ernst van hare woorden trof Ernest meer dan de trage lijdzaamheid, waarmede zij die uitsprak. Hij had niet gedacht dat hij op zulke manier een gesprek zou uitlokken, en hij had nu alle moeite om niet verlegen te worden. Hij boog zich achterover en leunde in een hoek van de koets, zoodat hij over zijne oogen, buiten de straling van het lantaarnlicht, de donkere schaduw voelde.
--Ik heb, zei hij aarzelend, geen inzicht, dat ik niet al ganschelijk heb uitgedrukt. Stel duidelijker vragen, Vere, want, waarlijk, ik versta u niet goed.
--Ge hebt u in mij gekrenkt. Hebt ge dat op geen enkel oogenblik gevoeld?
--Zeker niet. Als ik dat deed, was het geheel buiten mijn weten en vooral buiten mijne bedoeling.
Hij wachtte. Nu, dat men hem de ophelderingen vroeg, waartoe hij zoo dikwijls de aanleidende gelegenheid had gezocht, dierf hij ze niet dan gedwongen geven.
--Dat is wenschelijk, hernam Vere. Gij hebt echter zeer klaar en wreed genoeg laten onderstellen dat ons huwelijk eene dwaling was. Ik ben Francine niet en gij zijt Rupert niet. Ik heb er geen schuld aan, als ons huwelijk teenemaal niet op het huwelijk van Fran en Rupert lijkt. Het kan er niet op lijken en moest het er ooit gaan op lijken, dan zal het zijn dat ik mijn geweten verloren heb.
Ernest zette zich overeind. Hij was bezig met zich op te winden. Hij zocht langs booze wegen de gunstige middelen om verontwaardigd te zijn. Zoo doet de misdadiger als hij verraden is en, zijn misdaad vergetende, uitvalt tegen het verraad.
--Spreek helder, zei hij heesch.