Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 23
--Ik sticht geen misverstand, Ernest. Ik wil helder spreken. Het beste voor ons is dat alles weer helder wordt. Maar ik bid u, verduister niets met onredelijke gramschap. Ik zeg dat gij alleen dán, wanneer ik geen geweten meer heb, zult doen met mij wat Rupert doet met Francine. Francine zelf weet niet voor welke ziekelijke en duivelsche praktijken zij het werktuig is geworden. Maar zij zál het weten, Ernest. De hemel geve dat zij het wete, eer in haar alle frischheid is gesmoord!
--Wat gij daar zegt, siste Ernest tusschen zijn opeengeperste lippen, is van een ....
--Zeg het niet. Scheld niet. Ik vergeef u.
Er viel eene stilte. De wielen ronkten op in hunne guttabanden en piepten soms op hunne as. Men hoorde den achtslag van de paardenhoeven. Vere keerde zich geheel naar Ernest om, legde haar handen op zijnen arm. De klaarte die, ongelijk, van de straat binnen de portière stortte, viel in warrelende strepen op haar aangezicht. Eene roerende glinstering biggelde op hare wimpers. Ze sprak weemoedig, weifelend, bijna zonder hoorbare woorden maar met eene innigheid, die gansch den gloed verried, waarachter haar wanhoop vlamde:
--Ik smeek u, Ernest, wees aandachtig. Denk dat ik u waardig ben. Verneder mij niet. Als ge mij geen andere liefde kunt geven dan de kunstmatige en bedorven uitbuiting, de zedelooze en huichelachtige zinnelijkheid, die gij nu de ideale liefde noemt, gun mij ten minste uwen eerbied, want zulke liefde neem ik niet aan.
Ernest vatte haar bij de mouw en zijne vuist beefde.
--Wat .... wat denkt gij dat mijne zuster is?
--Het spijt mij dat ge onredelijk wordt .... Ik heb Francine zeer lief.
--Ik vraag .... Wat is zij?
--Zij is een meisje zonder ervaring .... een lichte geest en een hart van goud .... zij is wat ik wil blijven ook en wat ik God bid dat zij blijven mag .... waarom denkt gij dat ik Francine aanval, en voelt gij niet dat gij voor u zelf moet antwoorden?
--Ik zal u antwoorden ... voor haar, en voor mij.
Het rijtuig stond stil. Het wachtte bij de trap en werd seffens doorgezonden. De koude najaarswind zat hen op den rug en ze gingen vóor het vuur in de eetzaal zitten.
--Vere, zei hij na een tijdje, wat zoudt ge doen als ik u niet meer liefhad?
--Ik zou daar in berusten, dat ik niets gedaan heb om uwe liefde te breken ....
--Neen .... zoo niet .... Ik wil zeggen: hebt ge wel iets gedaan om die liefde te behouden? Ik heb u toch en eeniglijk genomen omdat ik u liefhad, en gij hebt me om geen andere reden aanvaard. Het is, ziet ge wel, om dat wat nu gebeurt, zoo gek, zoo onzinnig is! Ik vraag uwe liefde, maar ik vraag ze onvoorwaardelijk. Gij, reeds van in den beginne, gaaft ze mij--onder voorbehoud. Wat wil ik? Uw geluk en te gelijk het mijne. Begrijp toch eindelijk, dat het eene niet zonder het andere gaat, en dat mijn ikzucht voor uw welzijn bedrijvig is! Dat we, zonder daartoe door iemand gedreven te zijn, saam zijn gekomen, is wel het beste bewijs, dat er ergens voor ons beiden een gemeenschappelijk gebied is .... en wij zijn, allebei, er af getreden! Laten wij het, in eendrachtig overleg, weer opzoeken.
--Ja .... mijmerde Vere angstig.
--Ja. We kennen malkander. We moeten vooraf goed aannemen, dat we ons wel tot iets willen "ontwikkelen," maar dat we niets "afnemen" van wat we zijn. Het is goed dat we bepalen: Zóo ben ik, en zoo zijt gij .... Dat zijn de onveranderlijke gegevens van het problema. Wat we willen vinden, is: de liefde van dat ik met de liefde van dat gij in eenklank brengen. Met andere woorden: we moeten ons met onszelven vereenzelvigen, de eene van ons met den andere, en ommegekeerd .... Ge verweet mij daar iets, dat ge kunstmatig noemdet. Nu, en waarom niet? Waarom niet kunstmatig? Waar begint voor u het kunstmatige? Ik redeneer toch! Als we nu door onbewuste oorzaken van malkander verwijderd zijn geraakt, waarom zouden wij niet met bewuste middelen eene toenadering beramen?
--Ik wist niet, hijgde Vere ontzet, dat we .... verwijderd waren van .... malkander....
--Neem dat nu weer niet verkeerd op, in Gods naam! Het is, bij wijze van spreken, dat ik het zóo zeg. Goed. Nu toon ik u Rupert en Francine. Francine is geheel in Rupert opgegaan. Zij is veranderd. Er is gebeurd wat ik even vertelde, Vere: Zij heeft zich ontwikkeld in haar man, in de liefde van haar man. Het is u vreemd, want nu herkent gij Francine niet meer. Maar hebt ge Rupert vroeger wel gekend? Misschien zoudt gij hem nu ook niet meer herkennen, misschien zou het u blijken dat hij zich in de liefde van Francine ontwikkeld heeft!
Vere brak dat onecht gepeuter. Wat haar het dichtst aan het hart lag, zag zij in snipperingen uitknippen, bloot leggen, met cijfers teekenen en in algebrische formulen schikken. En toch kon ze, op zulke wijs dat het door Ernest begrepen werd, niet uitleggen waar, voor haar, het kunstmatige begon. 't Was of men eerst haar hart wilde uitdrogen om dan, zonder bloedvergieten, te gaan zien wat er binnen-in zat.
Ernest nam hare bange aandacht voor eene beginnende goedkeuring aan.
--Ik heb, redeneerde hij al wuivend met zijne handen over de stille vlammen van den open haard, ik heb u dat voorbeeld van Rupert en Francine getoond. Wilt gij de oplossing van het problema naar ons gezamenlijk geluk leiden? Doe dan met mij wat Rupert met Francine gedaan heeft. Leer mij opgaan in u, daar waar gij dan eenderlijk in mij opgaan kunt. Ik heb u lief genoeg om u te kunnen volgen.
Hij ging een glans na, die op het gevernist tipje van zijn schoen blikkerde. Hij knipte met zijn nagel een stofje weg, dat onder het schuinsche licht schoon zichtbaar werd op zijn knie.
--Maar, vervolgde hij, zijne wenkbrauwen optrekkend, maar weet gij dat gij den weg niet kent, dat gij in u de geestelijke kracht niet hebt om uwe liefde te bemeesteren en zeer kalm de mijne te overzien, dat gij u radeloos met dien dubbelen last naar zwakken willekeur zult richten, dàn: laat mij probeeren. Gij hebt, mijne beste Vere, straks uwe woorden niet gemeten, toen gij spraakt van zinnelijke uitbuiting en huichelende zedeloosheid. Ik wil, laat het mij herhalen, niets afnemen van wat wij zijn, en ik hoop dat wij beiden gezond en deugdzaam zijn. Maar, nog eens, waar zal het zedelooze beginnen? ....
Vere stond recht. Ze wierp zijwaarts den sleep van haar muis-grijze soiree-kleed open, keek lang Ernest aan.
--Gij, sprak ze laag, gij hebt mij niet meer lief, mijn vriend.
--God!! ....
Hij was in een vloek opgesprongen. 't Was wel alles te vergeefs, zijn mooi zeggen, zijn draaien en wenden en voorzichtig zijn! Niets te doen met haar, niets te doen tegen dien kop van steen, waarover zij de vervelende droefheid van een week hart spreidde! Hij zou 't anders aanleggen, en weer anders, en met een goddelijk geduld een beetje gewilligheid afwachten--neen! om den duivel niet! 't Kon niet, ze wilde niet! Ze wilde eenvoudig niet! Hij kromde zich en ging het onder hare kin schreeuwen, en zijne vuisten balde hij zenuwachtig achter zijn rug. 't Werd weer een scène. 't Moest, 't moest altijd een scène worden met haar. Ze sloeg met hare tranerige lijdzaamheid u het bloed naar het hoofd; maar voel, voel toch, onder dien kop, die weent, de domme hardheid van een arduinrots waar geen bron kan borrelen! Ze zweepte u daarmee de gramschap in de oogen, tot ge er rood zoudt van zien! Gek, die hij was! Hopen dat ze hem toegeven zou--het redelijke, niets meer dan het redelijke .... hopen dat ze hare mistroostige, eentonige weemoedigheid afleggen zou, waarmede ze hem telkens tartte en zich boven hem verhief .... hopen dat ze naast hem zou meewillen--hij vroeg 't immers niet om zichzelf!--maar meewillen, niet langer oppermeesteren met een verdriet, waarvan zij hem natuurlijk, al zwijgend, voor de oorzaak deed doorgaan .... hopen dat ze zou opgaan in de toekomst, heerlijk op de stem en de wenken van haar man .... Dwaasheid! Al ijdele dwaasheid! Daar stond ze, daar smeet ze zijne zorgvuldige stelling met een slag van haar hoogmoedig leed omver, daar lengde ze zich uit in de ongenaakbaarheid van haren trots en haar verwaanden rouw!
--Dat ik u niet meer liefheb, schreeuwde hij, 't is waar misschien! Gij spoelt mij het hart in uwe tranen weg! Gij pauwstaart met uwe eerbiedwaardigheid.... of denkt ge soms dat ge te goed zijt voor wat ik van u maken wil? Wat spijt!
Hij spotte hatelijk, zong razend op alle tonen van zijn wild-jagende stem zijn teleurstelling en zijne woede, klopte met zijne hielen tegen den vloer.
Vere roerde niet. Ze was zeer bleek geworden. Haar groot lichaam schaduwde op tegen de eenige klaarte van een vijfarmigen kandelaar, die Ko op een Boule-meubeltje geplaats had. Ze keek hem aan vol treurigheid en, naderhand, vol medelijden. Haar blik, hare zwijgende deernis hitsten hem op. Hij begon eindelijk te schelden.
Zijne gemeenheid deed haar wijken zonder haar te raken. Hoog-hoofdig wendde zij zich om en ging langzaam naar de deur. Haar breede rug, dien hij nu zag wegschuiven vóor hem, scheen hem de beleediging te zijn van eene onverschillige verachting. Hij sprong toe.
--Hier, riep hij, gij zult luisteren, kanalje!
Hij vatte haar bij den arm en rukte haar naar voren. Ze struikelde in haar kleed. De zijde slag-ruischte. Nog rukte hij. Ze viel op hare knieën. Ze zei niets. Ze had niet gegild.
--Gij, gij, grinnikte Ernest, gij, met uwe manieren, kunt van mij een moordenaar maken. Sta op! Blijf daar niet zoo, alsof ge een lam waart, het slachtoffer van een lafaard .... Ha, ik voel u wel! Ge zijt geslepen! .... Sta op, zeg ik u! Sta dan òp!
Hij grabbelde naar haar elleboog, wilde haar in een woesten greep oplichten. Ze boog haar hoofd, huiverde, wachtte. Hij vuistte onder hare oksels, kneukelde zenuwachtig hare mouwen vast, voelde dat ze zwaar lag, niet mee opging, en stiet haar dan ver-uit, weg van zich af. De satijn had gekraakt, scheurde. Vere beukte op het tapijt.
--Hartevreetster! grijnsde hij tusschen zijne tanden. Hij zonk zelf neer op een stoel, afgemat, en keek haar aan. Langzaam kroop ze weer overeind, zuchtte, hief haar wit aangezicht op naar hem, draaide hare ronde oogen traag om, vol afgrijzen. Ze verliet hem, moeilijk stappend in hare rokken, waarvan ze onhandig den sleep had opgeschorst. Ze raapte een écaille-kam op die uit heur haartooisel was gevallen, en den briljanten-diadeem die ernevens lag, bleef even staan, als om te rusten, op den drempel, en ging de vestibule door, de trap op, naar boven.
Ernest zat, trillend nog van gramschap, stijf recht-op tegen den pijler van den schoorsteen. Hij zakte nadien ineen, naarmate hij bedaarde, plooide voorover thoope, en, leunend met beide ellebogen op zijne knieën, liet zijn kin rusten in de lauwe palm van zijne handen. Zoo bleef hij een heelen tijd, nadenkend, wijd-uit mijmerend over alles wat zijn leven was en zou zijn, dubbend en triestig wordend.
Hij schudde eindelijk zijne schouders, wreef zijne vingeren koortsig overeen, stond recht als iemand die 't na rijp overleg opgeeft. Nu naar boven gaan, haar opzoeken, week worden in de zoelte van haar lichaam, gelijk 't iedermaal gebeurde, weer, op slot van rekening, de zwakkeling zijn .... hij wilde niet, neen, deesmaal hard, sterk--hij voelde zich sterk.
Hij trok zijn mantel aan, nam zijn klaphoed, zijn rotting, vertrok.
Op straat, in de late Oktobermisten, die de hooge olmen van de Regentielaan met grijzen bloesem omhingen, stond hij een oogenblik aarzelend na te peinzen. De lantaarnlichten deden hunne gele klaarten uitdoezelen op de melkdampen van den nachtnevel. Een doove stilte dikte van alle zijden aan.
Ernest liep tot op de Schaarbeeksche plaats en sprong in een huurkoets, die hem langs de middellanen bracht in de Bisschopstraat.
Het leven van de Curiosity-Shop was, toen hij er vóor Dumdie, den groenen neger, binnentrad, in zijn vollen gang. Al de tafels waren bezet en boven elke tafel steeg het dubbel rumoer van brommende mannenstemmen en het uitklinkend, spelend vrouwengezeur. Een paar heeren keken om naar Ernest, die korrekt groette.
--Hee! Verlat!
't Klonk in een lach op uit een hoek, niet verre van den toog waar, boven hare ontzaglijke schouders en de pronkstellage van haren boezem, het nauwe hoofdje van mevrouw Morganès troonde. Jujube, in zijn scharlaken livrei, gleed vooraan. Hij ging, vóor Verlat's voeten, een paar stoelen wegruimen en wees den weg naar Florjan Pacôme, die, roodlachend onder zijn verwarde haarkrullen, naast Roy-Dour op een ovale Florentijnsche schabel zat. Hij drukte Ernest de hand en schoof dwaas-pinkoogend een bankje bij. Jujube bracht een plat kussen van gebloemde brocatel.
--Ik kom hier, zabberde Pacôme half-dronken, al drie avonden te reke, om u te zien. Roy-Dour is zot naar u, en ik heb u wat te vertellen.
Roy-Dour, bijgenaamd Marjolene, had binnen het wondere kraal van hare lippen en, zooals Homeros zegt, achter den barreel van hare tanden, welke prachtig waren, de stem van een heeschen belleman. Hoe kon, zonder het te beschadigen, zulke klank ooit zulken barreel overschrijden! .... Wat Roy-Dour gemeenlijk te zeggen had en dan ook zonder de minste preutschheid zei, was niet van zulk slag dat het de lompheid van die stem kon doen vergeven. Hare woorden pasten bij hare stem, zooals Anatole's lepelooren bij zijn idioot doorpompenden kemelschedel pasten.
Men dronk. De champagne-kurken sprongen bescheidenlijk, stil in het servet van een dungelipten kelner uitgesnut. Men telde de flesschen aan de kurken die op een Delftsch bordje, midden de tafel, werden neergeleid, en men las de eerlijkheid op het gezicht van Jujube. De Tjekken-muziek die zachtjes opklonk, spreidde over al die dooreenspattende geluiden van het shop-leven een wasem van geduldige welluidendheid, die vlijtig-maar de leêgten aanvulde, de uitschietende kreten doofde en, in 't gezamenlijke, eene aangename eenheid herbracht.
Juffrouw Bella d'Irsy, dikke vriendin van Marjolene, kwam, in een zalm-rozig tullen kleed binnen, werd, onder buigingen en een vriendschappelijk voorstellen, in het gezelschap "van het hoekje"--Pacôme zei 't al niezend--toegelaten. Terwijl Verlat hare hand aannam, merkte ze dat zijne manchet geheel verfrommeld was.
--Hebt ge in een vuistkamp gestreden, vroeg ze, of zat Marjolene op uwe hand?
Het knoopje hing los aan de hemdlob te bengelen en 't had, in de keurige nauwgezetheid van zijne overige dracht, een potsierlijk uitzicht. Hij kreeg een kleur, lachte peinzend.
--Het spijt hem, mademoiselle, meesmuilde Pacôme, dat hij, niet wetend dat ge komen zoudt, naar u niet heeft gewacht. Maar, si le coeur vous en dit, ga naast hem daar zitten ....
Juffrouw Bella d'Irsy zette zich, legde op de tafel haar zilveren toilettaschje en bekommerde zich verder niet om Pacôme's geestigheid. Men bracht nieuwe Cliquot en de gouden toten snoot weer, alsof ze verkouwen waren, de gladde kelner in zijn doek.
De verrassing van den avond was, op klokslag halftwee, de intrede van mijnheer du Bessy en Henriëtte. Het was wel de eerste maal dat de shop met een bezoek van het nette baronetje vereerd werd--eene eer, die waarlijk Dumdie niet half genoeg op prijs stelde, want de deur knipte haast, onder Dumdie's hand, het neustipje van mijnheer du Bessy af. Het was de smeekende stem van Henriëtte te danken dat ze, traag en wantrouwig, op een grepje weer geopend werd. Mijnheer du Bessy keek, onder de rozige belichting, eenigszins verlegen rond. Een pioenblos drong tot in de rechte kamlijn van zijn geverfde haren, toen hij, tusschen al die ruischende hoofden, het aangezicht van zijn neef herkende.
Men maakte, in "het hoekje", zoo goed men maar kon, plaats voor hem, en hij zette zich neer in het zweet van zijne schaamte. Pacôme had, half-ernstig, iedereen voorgesteld.
--Madame Marjolene, alom Roy-Dour! Juffrouw Bella d'Irsy, étoile! Mademoiselle Henriëtte .... hoe is de rest alweer?.... pardon .... Monsieur le Baron!
Hij woog, zat-lomp, op het woord, en mevrouw Morganès verwaardigde zich even haar hoofd om te draaien, heel eventjes, boven de hespen van hare schouders.
--Jujube!
Deze sprong overeind, slikte haast den frank in, dien hij zat af te zuigen om glad schoon te krijgen.
--Passez, beval de aztekkop van mevrouw Morganès met een stem die uit een bock-buis scheen op te piepen, passez un cendrier à monsieur le Baron!
Er werd buiten op de ruiten geklopt en Anatole goot drie wijnklakken in een grooten beker saam en droeg hem, onder een servet, op straat.
--Wel! lachte Verlat, lieve oom, hier meende ik niet dat ik u ooit zien zou!
--Ja, kuchte Oomken, ik ben wat lang bij de Oreade gebleven. Ze kwam van het concert, en Sörge was niet in zijn schik, zeide hij. Het is hier wel prettig ....
Hij geraakte bezwaarlijk op zijn gemak, wreef koortsig in zijne handen, bloosde weer onder de stilte die, na zijne woorden, over tafel viel. Pacôme lachte oolijk:
--Ha .... Ha .... zóo! .... Sörge is niet in zijn schik?
--Ik zag 't niet, weerlegde mijnheer du Bessy, ik zie nooit iets aan hem.
--Mogelijk .... maar ik was ook op dat concert, en ik zag het wel! kwijlde Pacôme in een grijns; hij was in het geheel niet in zijn schik .... Hee, Roy-Dour! was Sörge in zijn schik? En waarom, Roy-Dour, mijn duifje, was Sörge niet in zijn schik? Sörge niet in zijn schik, de onzichtbare Sörge zichtbaar niet in zijn schik,--dat is al iets zeer ongemeens, zou ik denken!
--Steek uw snuit in uw eigen vuil, gromde Marjolene.
--Dat zal ik, dat zal ik, grinnikte flauw de andere, op mijn tijd en als ge mij vuil genoeg hebt gemaakt--née .... Wel, wat vuil is er aan Sörge? Bij uw deugd! Roy-Dour! Waar is het vuil, daar ik mijn snuit niet mag insteken? .... Kijk zoo boos niet, om een grapje, kind; we zijn hier al grapjesmakers ondereen, niet waar, monsieur du Bessy?
--Zeker, beaamde mijnheer du Bessy, die zich allengerhand op vasten grond voelde; en die booze blik van mevrouw strookt allerminst met het rein-palladisch profiel, dat, geloof ik, zij Minerva zelve ontstolen heeft ....
--Wat charme! kreet met een leutig gilletje de lieve Bella in haar aardbes-rose kleed.
Florjan Pacôme, die zich verslikt had, hoestte en klopte nadien op Verlat's hand.
--Kerel, hikte hij, Milly d'Orval is in de stad terug en heeft Sörge uit zijn schik gesmeten. Zij was op het concert. Zij zat in de logie van een Italiaanschen gezant, en het schijnt dat ze niet eens naar Sörge heeft omgekeken. Dat is de geheele geschiedenis, Ernest ....
Het werd laat. Verlat die zenuwachtig was geworden, nam den baronet onder den arm en, nadat hij zooveel flesschen had betaald als er kurken in het Delftsch kommeken lagen, verliet met Henriëtte en du Bessy de rood-bedampte shop.
Henriëtte werd in een huurkoets thuis gebracht en te voet liep Ernest de stad op, nevens het kort-schokkend getrippel van zijn oom. Hij sprak niet. Tot driemaal probeerde Oomken hem uit zijn zwijgende mijmering te wekken. Hij sprak maar niet, drilde zonder opkijken langs de gevels, steeg bezij de Sinter-Goedelekerk, die over zijn rug hare grijze gewelven ophoopte in den mist, en, langs den Treurenberg en het park, bereikte de Regentielaan. Vóor de deur bleef hij staan. Mijnheer du Bessy klopte zachtjes op zijn schouder.
--Zeg-'es, Nessie, vroeg hij stil, scheelt u wat? Ge doet zoo vreemd .... Breng die d'Orval ook ú uit uw schik, jongen?
--Malligheid!
Hij schokschouderde, draaide den sleutel in 't slot, stiet de hooge poort open in de vestibule waar de nachtveilleuse, binnen haar groen-geruit bakje, bibberklaarde, en smeet zijn mantel en zijn hoed op de tafel van de eetzaal.
Op het kleine Boule-meubeltje stond nog de vijfarmige kandelaar te lichten. De kaarsen waren tot een halven duim van de zilveren dopjes afgebrand. De vlammen joepten boven de zwarte pitten.
--Oom! vroeg hij fluisterend, zijt ge boven? .... Vindt ge de trap? ....
--Ja-a! ....
Een handschoen van Vere lag op het tapijt, onder het verlakt tipje van zijn laarzen. Hij blies gauw, gichtig, kwaad, de vijf kaarslichten dood.
III.
AFTOCHT.
Mevrouw Verlat bleef lang te bed en, tot over den middag, in hare kamer. Zij kwam beneden als men haar pastoor Doening aanmeldde. Zwijgend drukte zij hem de hand en ging zitten, op hare eigenste plaats, onder de marmeren kap der schouw. Pastoor Doening merkte dadelijk hare groote neerslachtigheid en hij bleef vóor haar rechtstaan en toekijken en schuddebollen.
--Weer wat nieuws! .... zuchtte hij peinzend.
Hij verhief zijne stem en, met eene innigheid die op de uiterste snaar van zijne gewone bescheidenheid trilde:
--Het zou mij spijten, mevrouw, zei hij, indien, wel wetende dat ik u troosten kan, gij mij uw leed verzwijgen wildet. Uw vertrouwen ....
--Dat hebt ge, goede vriend, viel Vere hem in de rede. Vandaag juist wilde ik geen ander zien buiten u .... Ik moet u met woorden zeggen wat hier omgaat en wat ge zelf toch al gevoeld hebt .... Het is, ofschoon ik uwe edelmoedigheid ken, eene vernedering voor mij, en het zal mij eene verzachting worden indien ge mij alles verzwijgen laat, wat ik u zonder spreken kan zeggen. Zet u.
Zij wachtte een lange poos. Er roerde, gelijk gemeenlijk, geen gerucht in deze groote, schaduwrijke kamer. De oude Ko kwam, nauwelijks opgemerkt, over het tapijt schuiven, zette een drievoetig tafeltje dichtbij en plaatste er twee kopjes met melk en een kom met oranjewater.
--Moet ik vreezen, zei pastoor Doening, dat de spanning tot een breuk gekomen is?
--Ik heb uw raad noodig, sprak Vere zacht. Ik moet vermijden wat nog vermijdelijk is, en redden wat ik redden kan .... Het huwelijk van Francine heeft hier, mijn vriend, het huis wel ledig gemaakt! Gij hebt Francine bij haar terugkeer gezien. Zij is ons bijna vreemd geworden, en ik vraag mij af, wat zij zijn zal, als zij ons geheel onbekend zal voorkomen. Zij is, nu alreeds, het tweede kind dat ik verloren heb. Ik ween over haar ....
--Schijn .... misschien enkel schijn, aarzelde Doening; misschien strijdt zij later tegen wat zij nu, onbewust en met een gretig hart, aanvaardt. We mogen toch in God berusten, gemoedelijk berusten in God, wiens inzichten verborgen zijn.
Mevrouw Verlat sloot hare oogen, bleef zoo een tijdje. Een vermoeid wee lag over haar aangezicht.
--Oomken, mijmerde ze, is jong geworden door wat hij noemt Francine's geluk. De brave man durft haast niet meer bij me blijven, zoo bang is hij eene droefheid te krenken, welke hem neerdrukt. Hij vlucht me. Ik heb, dat weet ik wel, geen troost van hem te verwachten, maar het verdriet me dat ik hem met mijn leed nu schrik ga aanjagen. Ik heb toch een leed! Ik heb een leed, en ik kan er niet bij lachen .... het wordt een masker dat de tijd afschuwelijker maakt, dat ik draag op mijn voorhoofd en dat, rond mij, de harten van mijn vrienden benauwt. Men verlaat mij. Ik ben alleen. Ik word koud. Ik word de dood van dees huis, dat op een graf gelijkt.
--Ik .... durf ....
--Neen, zeg niets. Gij .... ja .... och ja .... Ik heb dezen morgen het schrijn geopend en het gouden hartje bezien dat, nu bijna een jaar geleden--heugt het u wel?--ge mij gegeven heb. Het is stom en glanzend. Het ligt, onveranderlijk, op het donker fluweel. Ik denk .... zoo .... dat het misschien het laatste hart is, dat mij zal overblijven .... getrouw ....
Pastoor Doening roerde het rinkelend lepeltje in de witte melk, keek aandachtig op de randen van zijn kopje, schonk naderhand voorzichtig het geurige oranjewater. Vere lei hare vingeren lichtelijk op de knoopjes van zijn mouw, vroeg:
--Is het noodig dat ik u over Ernest spreek?
Hij antwoordde niet, keek niet op, lepelde stille. Haar duim drukte op zijnen arm.