Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
Chapter 21
Ze bewoonden in Venetië het erfgoed van den ouden heer del Sarto, een vriend van Sörge, den vader. Het was een oud en rijkelijk huis op het groote kanaal, en de halve duisternis die er heerschte, was gelijk de schaduw van een lang vervlogen tijd. Vier eeuwen hadden hun donkerten in de bestoven hoeken opgestapeld en de geheimzinnige gewelven met hun roode nevelen omhangen. Sörge beschikte er over vier groote vertrekken, beladen met Indische gordijnen, tapijten en Italiaansche kunst, en waarvan de minst uitgebreide, doch gezelligste, langs een loggia met gekleurde ruitjes uitzicht gaf op de vaart. Mijnheer del Sarto had er aan gehouden den zoon van zijn overleden vriend zelf welkom te heeten. Hij deed het gulhartig en welgemanierd. Hij was een van die geestige ridders, die in eene majestatische stilzwijgendheid den trots besloten houden van een uitgeroeiden adel en die, stoïek en sierlijk over hun blazoen gebogen, geen moeite hebben om al wat, buiten dat, van de wereld nog overblijft met de minachting van een arend te aanschouwen. Rupert en Francine zagen hem tweemaal bij het dîner. Hij voerde er een keurig gesprek zonder gestrengheid en tevens met grooten ernst. Het Fransch dat hij gebruikte en dat hij eigenaardig op eene oud-florentijnsche gedachtenwending wist toe te passen, had meer weg van de taal die men in sommige koningsgezinde stadjes van Normandië nog even na de Restauratie sprak, dan van die welke men in het hedendaagsch faubourg St. Germain beproeft voor Gallische geestigheid te doen doorgaan. Hij zag er een banneling uit van het slag dat Barbey d'Aurevilly zoo gaarne en met eene zoo fiere spijtigheid beschreef, doch een banneling, dien men, nadat hij van alles beroofd werd, niets van wat zijn wezenlijke aard is, heeft kunnen ontstelen. Zijne beleefdheid was eene gratie Gods.
Den derden dag meldde mijnheer del Sarto dat hij naar het buitenland werd geroepen. Hij vertrok niet zonder Sörge aan te sporen zijn verblijf in het oude Venetiaansche huis, om wille van zijn eigen gedwongen afwezigheid, niet vroeger dan hij wel zinnens was, op te zeggen. Hij zou zich maar, zeide hij, kunnen troosten over die hinderlijke afwezigheid, indien hij, op zijn reis, mocht zeker zijn dat Sörge en mevrouw Sörge er zich niet aan stoorden. Zij gaven hem gewillig die verzekering, ofschoon zij het vertrek van den ouden heer betreurden; en zij bleven drie heerlijke weken, in de luisterende schaduwen van hunne vier kamers, de wondere uren tellen op het zilverig getinkel van eene oude Nurenbergsche klok.
Zij zaten dikwijls in de loggia te vespertijd, wanneer de zware daghitte in de natte avonddampen der kanalen ging bekoelen. Daar begon het zangspel van roerende verven. Linten van blikkerend licht kronkelden over de violette wateren en strengelden hunne snoeren saam met de roode en blauwe riemen die binnen de klappende vlakte wegbrokkelden onder de vaartstaken. Er hing in de stille lucht eene teere rozigheid en, boven de onregelmatige gevels en de uitklippende kornissen, blekten de purperen glansen van den stervenden zomer. Gondels wiegden voorbij.
Francine's stem kwam telkens meeleven in de algemeene welluidendheid. Ze vroeg dan zoo'n gekke dingen, die gelijk kleursprongskens waren over de paarse waterscherveling.
--Zoudt ge kunnen raden, deed ze lachend, welken dag van de maand we morgen zijn? Ik weet het waarlijk niet, Rupert ....
Haar lach kon ook wel een van die zilverlingen zijn die op een golfje van 't kanaal een ring van licht doen wippelen. Ze deed hem leuteren, vlak onder Rupert's oogen, en hij deed fraai in den veelvervigen avond. Sörge nam dan haar klinkend hoofdje in beide handen en rook de diskrete geuren van haar puur-gouden haar.
Een ander maal wilde ze op zijne knieën zitten. Ze kon niet rustig blijven en blies over zijn voorhoofd, tot het hem eene onverdraaglijke kitteling werd, Als ze dan eindelijk moe werd en tegen zijn borst aanleunde, voelde ze Rupert's zachte hand met eene ongemeene voorzichtigheid de spoelvormige broosheid van hare vingeren betasten, elk kneukeltje met eene nauwkeurige aaiing omdoen en even sidderen op den kouden toets van hare ringbriljanten. Zoo deed hij gemeenlijk, en ze gewendde zich eraan daarbinst zoetekens weg te sluimeren. Soms streelde hij op die manier haren arm, teekende onder zijn zoekenden duim de fijne vormen van hare ronde spieren, peuterde lang en verduldig om haren elleboog en het scheen haar dat de beenderen bloot kwamen onder dat bedreven gevlei. Soms ook was hij lichtelijk langs de randen van haar oor aan het vingeren, vereenzaamde tusschen de vijf nieuwsgierige tipjes van zijne hand die rozige schelp, die haar dan ineens niet meer toebehoorde, en haperde schroomvallig, op het lauwe oorlapje, over den harden smaragd van hare dormeuse. En telkens was 't alsof ze moe werd--of werd ze werkelijk moe daardoor?--en ze duizelde langzamerhand te lore in een slaap vol blauwe misten en vèr-orgelende muziek, waarbinnen ze vergroot en doezelig de vormen en de klanken van de wereld zonder aandacht naging. Het was binst die rusttijden, die de albeheerschende werkelijkheid van hare liefde uitlengde in eene vreemde ekstase, dat Rupert zich meester maakte van haren geest.
Wanneer zij, in den beginne van September, het adellijke huis van mijnheer del Sarto verlieten, was Francine eene oneigen Francine geworden, het afhankelijke eigendom van Sörge en eene die het liefelijk geweten van een getroeteld burgermeisje verloren had.
Rome beviel haar niet. Te Interlaken sleten ze het aanzienlijke hotelleven van dat beminnelijke stadje en deden onverschillig mee aan de geblazeerde luiaardij van kosmopolitische aristokraatjes, welke in een far-niente van rijk allooi de leêgheid van hunne ziel en de verveling van hunne kapotte zinnen trachten te verbergen. Ze bezochten de vele salons als in het voorbijgaan en gingen rond de speeltafel staan. Die menschen daar, met hunne trage manieren en hunne loome sierlijkheid meegesleept in de warreling van het driftwekkend kansspel, benauwden Francine; maar ze zocht die benauwdheid iedermaal te hervoelen, en iedermaal bevond Rupert dat ze naderhand zinnelijk scherper was. Hij stilde haar dan; beter: hij bedwelmde haar in de praktijk van zijn berekende liefde en volmaakte de stichting van zijne opslorpende overmacht.
Ze deden rijtoertjes in de streek. Tegen de lederen kussens van de kales achteroverleunend voelde Francine de geteemste dag onder de theekleurige zijde van haar zonnescherm poeieren en zacht lichten. De noen-warmte dibberde blauw en rozig om de randen van haren bleek-bebloemden hoed. Ze luierikte goddelijk. Hare gedachten gingen uitnevelen in mistige vergezichten, over landschappen, waar de felle zon de teere kleuren omdoezelde en soms zilverflitste op een noesche klip van opalen ijsglazuur. Sörge beraamde met subtielen overleg de rijke vruchten van die luiheid, welke haar aderslag vertraagde en de weeke wimpering van hare oogleden verzwaarde over de gestilde glansen van haren groenen blik. Zij was, in zijn gedachten, gelijk een goudblozende perzik, die onder de roerlooze straling van de zonziftende broeikastruiten, stil en heerlijk te rijpen hangt. Zij vergaarde in de langzame soepelheid van hare leen, die op de veêrgolven van het rijtuig wiegde, de wijde kracht van den dag, en tot in de tippen van hare kraalroze vingeren zamelde ze spaarzaam de levende hitte thoope, de lucht, het licht, de bezielende zomerzon. Sörge zag dit trage, zekere werk gebeuren, en hij koesterde, terwijl hij onachtzaam een zonderlijk aapje van ivoor over zijn knie bestreelde, het vooruitzicht van een zonneoogst, die uit dit rilde meisjeslichaam moest dijen en openklaren in al het zongrage spel van eene fijnkundige liefde.
Alzoo omringden Francine, van allerzijds, de duizenden invloeden, welke de aandachtige bewerking van Sörge deed ontstaan. Voor hem moest ze het zinnelijk tuig worden, dat in hem eene wereld van nieuwe gevoelens zoude wekken. Geduldig, hardnekkig, onfeilbaar zette hij zijn plan door, en Francine, die niet weten kon waarheen hij haar wilde leiden, was hem dankbaar dat hij, naar het ongeraden doel, de wegen zoo zacht en zoo tooverachtig maakte.
Het landschap nabij Interlaken heeft boven alle andere landschappen dit voordeel, dat het van die andere te gare de gezamenlijke schoonheid bezit. Het is verscheiden in zijn eenheid en weelderig in zijn sober-zijn. Alle geluiden zijner luchten roeren over een zóo uitgebreid klankbord, dat, naar het gemeenlijk schijnt, de snaren ervan in het eindlooze zijn gespannen. Zijne verven en diepten wisselen langs eene teerheid van schakeeringen zoo sluw, dat men erbij slechts de looze speling van zijne lichten en schaduwen kan vergelijken. Het aait niet alleen het schoonheidsgevoel--want welk gevoel zal ooit voor zulke overdadige schoonheid organisch bewerktuigd zijn?--het verdrukt den geest door hem te sterk te treffen en eindigt met uitsluitend lichamelijk in te werken op het bedwelmd gestel.
Was het werkelijk dit physiek vermogen van een veelzijdig landschap, dat Francine aantrok, of had Sörge zóo hare zinnen voorbereid dat het eene aantrekkelijkheid móest worden? De geheime roerselen der ziel zijn niet zoo te bepalen en meer dan eens is men waanzinnig genoeg om voor een proef van onze wilskracht eene uitkomst te houden, welke dikwijls en eeniglijk aan het vreemd toeval van gunstige omstandigheden te danken is. Sörge was overtuigd dat Francine's zinnelijke ingenomenheid met het Thunsche hoogland door zijn zorgen was gewekt, en zulke overtuiging kon hij jegens zichzelf verrechtvaardigen door de kunstige pogingen, welke hij ten opzichte van Francine's onbewuste emancipatie op geen oogenblik van den dag verzuimde aan te wenden. Hij wilde niet dat Francine in Brussel terugkeerde, eer ze onherroepelijk zijn eigendom was geworden, en hij dierf ze niet aan den invloed die eene mevrouw Verlat of een pastoor Doening niet anders dan uitoefenen zoude, onderwerpen, of ze moest uit het schadelijk bereik van dien invloed en gansch in hem, haren meester, zijn vergroeid. Hij merkte dat zijne behandelingen zeer vruchtbaar waren en dat Francine niet lang aan de behendige en rake grepen van zijne omzichtige bemeestering kon weerstaan. Na de eenigszins wanordelijke indrukken langs de Rijnboorden en de uitspattende impressies in de parvenu-deftigheid der Duitsche handelssteden opgedaan, had hij haar zonder overgang in Venetië gebracht. Zij had daar voor het eerst en zeer scherp, het was hem niet ontsnapt, het nest gevoeld, het nest, dat hij wel wist nooit te kunnen eerbiedigen en waarvan hij haar dan de tijdelijkheid had gewezen als de eenige bekoring, die eraan kon verbonden zijn. Zij had hem vol verwondering geloofd en reeds op haar weg naar Rome had zij de loggia met de beschilderde ruitjes vergeten, de eikenhouten alkoof met de Smyrnasche gordijnen en het gezellig uurgeklingel van de Nurenbergsche klok. Hij gewende haar dus aan de eigenzinnige, aan de gevoelde ontkenning van al wat hijzelf niet was, hij, de heer van haar gretig lijf en de leider van hare korte gedachten.
Te Interlaken had hij tot hare algeheele overgave besloten. Hij besteedde er eene kleine maand aan de voltooiing van zijn zonderling veroveraarswerk, en hij slaagde des te zekerder, daar hij, in deze zooals in al zijne andere bezigheden, zonder haast zijne middelen gebruikte: elk middel voor het genot dat hij eraan had en alsof hij zich om het einddoel, waarnaar het streefde, niet bekreunde. Het was nagenoeg stellig dat Francine, na haar verblijf in Interlaken, met eene heel andere gevoelsintonatie hare vroegere verhoudingen te Brussel waarnemen zou. Sörge ijverde vlijtig om de schakel, die Francine's huidigen ontwikkelingsstand aan den vorigen moest verbinden, te vijlen tot hij brak. In haar hart en in haren geest zou Sörge haar eenig verleden zijn, en geen verleden zou daar verder reiken dan Sörge.
Ze wandelden langs het Thunermeer, schijnbaar met geen ander inzicht dan het lichte toeristeninzicht dat men op het gelaat van al die Oberlandwandelaars leest. Het is opvallend hoe de reizigers in Zwitserland de oppervlakkigheid van hun levensvoeling gemeen hebben. Men kan van die menschen niet zeggen dat ze iets hebben verlaten, een vaderland of een huisgezin. Daar is niets achter hen, daar ligt niets onder hun uitzicht. Wat hier de werkelijkheid is, schijnt hun gemeenschappelijk ideaal te wezen, en zoo toonen zij, in hun gezamenlijk voorkomen, de oppervlakkigheid van iemand, die niet lijdend is, niet teleurgesteld is, niet verlangend is, van iemand, kortom, die, zonder een verleden als een kerkhof en zonder een toekomst als een paradijs, burgerlijk-gezapig zijn ideaal beleeft. Dit was niet met Rupert en Francine het geval, maar het leek wel alsof het ook met hen het geval was. Zoo overweldigend, inderdaad, zoo algemeen-opslorpend is die oppervlakkigheid dat zij haar loom kenteeken op het voorhoofd van een paar uitzonderlijke strijders merkt, welke in het aanschijn van het mooi en vreemd-aandoenlijk bergland hun strijd vermogen door te strijden. Het geluk van Francine kon niet vergeleken worden bij de akademische wonne, die het almachtig gemeengoed geworden was van de dikke kortgeneusde en bolgewangde Duitschers, de Montmartersche kampioenen van den alpenstok, de Schotsche staalbraaien en de Engelsche missen, die platborstige amazonen van het preutsche Albion. In Francine echter was het besef van wat blijft, van wat opsteekt in het verleden, gelijk kruisen op een doodenakker, haast ganschelijk verloren, en hierdoor kon zij, net als de genietende toeristen en in eene bewondering-van-éen-stuk, van op den Abendberg, vóor den Eiger, den Mönch en de Jungfrau staan.
Het was hare en Sörge's geliefkoosde wandeling. Zij stegen langs verschillende wegen op den Abendberg en gingen zich ergens neerzetten, zoo ver mogelijk, op afstand van een schilderachtig hutje, dat nochtans niet door Baedeker is opgegeven en niettemin den toeloop der meeste wandelaars aantrekt, misschien omdat daar een bruine St. Bernardshond met zijn goeden zwaren kop schuddebollend om en rond luibeent. Zij liepen tamelijk ook. De wijde gonzende ruimte gaapte overal en ze zagen de dalen, als door eene holte van licht, tusschen hun pakjes dennegroen, hun wiegende weiden spreiden. De ruimte suisde. Te midden zaten zij en ginder brokkelden, tegen het diepe blauw van zonnehemels, de klippen van den groenen Eiger, den paars-bleeken Mönch en de wit-rozige Jungfrau. De hooge ijsranden diggelden in het harde licht, dat op die eeuwige schervels kaatste en brak. Wolken voeren vooraan, hingen over de laagte, waar, gelijk eene heerlijke turkoois, het meer stil spiegelde. Witte wolken, mauve bezoomd, met een beweeglijke klaarte binnen hunne trage lenden van dons, schoven op bogenhoogte door de lucht, borgen in hun misten de kleurdingen van den overkant, den ontzaglijken horizon van roerlooze reuzen. Lager, afzakkend noesch neerwaarts, schaduwden de donkergroene sparrebosschen gelijk tapijten, die het warme leven, dat daar begon, vóor het nederzinken zouden beschutten tegen den sneeuwkouden dood, dewelke, ginder boven, in zijne almacht en zijne majesteit troonde.
Krassende kraaien waggelden in het groote licht. Het licht zong.
--O, mijn Rupert, kwam dan Francine huiverend aanvleien tegen Sörge's borst, voelt gij die ruimte! .... Ze maakt mij bang, en ik wil altijd maar voort zoo bang zijn ....
--Ze maakt u klein. We zijn heel klein--twee stippelingskens in deze kracht van vormen, in dezen vloed van gonzende luchten en verven, ongezien ....
--Ik zou willen hier blijven, altijd .... altijd ....
Hij kuste haar, vingerde zoetjes over hare handen, teekende met zijn streelenden nagel de plaats van hare ringen en van elken steen op elken ring.
--Niet altijd hier, fluisterde hij, altijd bij mij! Ge wilt toch zeggen: altijd bij mij, liefje?
Hij zag, als hij zoo hare gevoelens omdraaide, telkens hare groene oogen rond opengaan onder de schaduw van hare gouden haren, en wijd-kijken in de vredige diepte van zijn eigen blik. Ze ging geheel in verbazing open vóor hem, en hij wierp dan in die weerloos ontsloten ziel de kristallizeerende dropjes van zijne eigenaardige leering.
Hij sprak zoetjes met een effen geluid van zijne stem, die iedermaal zeer overtuigend was.
--Wat rond ons bestaat, zei hij, is alleen zóo behaaglijk omdat het voorbijgaand is. Wij zijn blijvend, wij zijn "altijd." Het overige is voorloopig. Wij moeten aan al die voorloopige dingen onze heerlijke standvastigheid toetsen. Maar, Fran-mijne-zoete, vergeet het niet: onze eeuwigheid houdt op, als wij zwak genoeg zijn om haar met de buitenwereld te deelen.
--Ik zal u eeuwig liefhebben, meende ze naderhand, schuchter en verlegen.
--Dat kunt ge, indien, voor u, al de rest tijdelijk wordt.
Eene wolk kwam aantiegen, blauwde dik op tegen de bergflanken en mistte om hen. De lucht was warm-vochtig, eene klein-druppelende klampigheid met eene onzichtbare zon daar te midden. Francine liet haar hoofd neerzakken op Rupert's schouder. Haar onregelmatig adempje dampte in de nevelen en zij voelde op haar voorhoofd de rustige nadering van Sörge's mond. Ze sloot hare oogen, trok zich geheel terug in de mooie fluweelen van een violetten nacht, ging er droomend de purperen beelden na, die onder de vleiing van Sörge's licht-roerende lippen opwiegden gelijk een sombere gloed.
Wanneer de natte wolk verstreken was, raakte hij, met zijn eenen vinger, de tipjes van hare wimpers. Ze ontwaakte. Ze blikte rond. De prachtige zomer laaide vlekkeloos op het verre kleurgedoe van de blanke ijstoppen, de paarse lenden, de groene laagte en het stille meer, dat in een kom van sierlijke pijnranken rustte gelijk, binnen zijn kostbaar schrijn, een uitgelezen turkoois.
Langzaam gingen ze huiswaarts, al luisterend, onderwege, naar het kleine geklingel dat over de weiden belde en de zoete luiheid verried van een in lommer gedoken vee ....
Op een avond--kort vóor hun vertrek uit Interlaken--zaten ze in een dubbelen rieten zetel onder een laag tuinpriëelken van het hotel. Vóor hen, boven de rillende vlakte van een zilveren vijver, sprong een ruischende fontein, als een tuil van lichtjes, open in de zwoele lucht. Francine zweeg, vermoeid van een ritje, dat ze met Rupert na den middag ondernomen had. Het was, binst die stonden van stilte, dat hare hersens, opgejaagd door wat er Sörge overdag met gezochte woorden had laten invallen, steeds in naarstige koorts te werke gingen. Nu hijgden, in haar, de drift van de zoevende ruimte en het verlangen om hoog in die bedwelmende gonzing op te gaan. Het docht haar dat ze iets wilde vragen dat verboden was.
--Rupert! fluisterde ze in zijn hals.
Hij mijmerde, telde het lichte gedrop van de springfontein. Hij had het ivoren aapje op haren schoot neergeleid en rondde het kopje in den vouw van zijn duim. De tuin lag vredig; maar verder, over de terras, rumoerde het ongezellig hotelleven.
--Rupert, vroeg ze, ik moet, eer we weggaan, hier nog iets doen. Het spookt in me, Rupert, het maakt me angstig, het zal me, vóór ik het voldaan heb, niet loslaten ....
Hij wendde, op haar gelaat, zijne oogen, die nog vol waren van de moede mijmering. Hij glimlachte minzaam. Rustig, vreemd geklemtoond in loom lippenspel:
--Wat? vroeg hij.
Hij zag zonder verbazing de gichtigheid van hare blikken.
--Laat mij, fleerde ze onder zijn mond, de Jungfrau bestijgen ....
Ze voelde in eene huivering, terwijl ze 't zei, de grootschheid van de koude stilte ginder boven, de ontzaglijke duizeling van die besneeuwde eeuwigheid. En de adem van hare wilde begeerte klopte daarin, gelijk sporen op het harde ijs.
Sörge had in zijne volle hand plots het aapje vastgeklemd, en de hevigheid van dien schielijken, woesten toets schokte door gansch zijn lichaam. Eene ongewone siddering beefde in zijne stem.
--Ik begrijp u niet goed. Hoe komt ge daaraan?
Nooit wachtte hij zoo ongeduldig op haar antwoord. Nooit voelde hij zoo scherp de vrees dat zij hem ontsnappen zou. Ze richtte zich op. Haar elleboog raakte hem niet meer.
--Ho! bad ze hartstochtelijk, op de tipjes van mijn teenen, daar hóoge, op het hoogste tipje van de klip! ... En het ijs om mij, puur, wit, wit, wit! .... En dan, de koepel van den hemel! ....
Ze kruiste in ziekelijke begeestering hare armen over hare borst en lengde hare tien vingeren, binnen de vouwen van haar shawl, op haren blooten hals. Toen vertelde ze van haar rusteloos verlangen, van den eenzamen Jungfrau-trots, van 't vernederende zoo altijd die hoogte te zien en ze niet te benaderen, van de lauwte in de laagte en de frischheid van gindschen uitersten dood. Zonder orde smeet ze de flitsen van eene vlammende passie in het luie fulp van den avond .... En Sörge luisterde, sprak niet, klemde het ivoren aapje in zijne gebalde vuist.
Er viel eene stilte, een ongemak, een verlegen herkomen van de peiselijke hotelgeruchten.
--Wilt ge niet? vroeg Francine.
Ze keek onthutst, werd, over den gloed van haren hartstocht, de onverschilligheid van den tuin gewaar en de koelte van Rupert's aandacht. Het krenkte haar en hare beschaamdheid wierp zich roekeloos om. Ze boog langzaam en vezelde, voor het eerst en voor het laatst, haar eigen meesterschap tegenover de meesterschap van haar man:
--Hebt ge schrik?
Ja. Hij had schrik. Hij wist dat ginder zijn stap onzeker zou zijn, dat hij boven de afgronden wanken moest, dat hij in de diepte van een kolk niet kon blikken en aan een koord, tusschen zijn leiders, gelijk een vod in de leêgte zou hangen. Hij sprak niet. Zijn neusvleugels trilden.
Francine boog meer en meer voorover. Haar voorhoofd taakte zijne kin, en zijne knevels bibberden in den geur van hare haarvlechten. Ze vatte, in hare koortsige handen, de hand die om het ivoren beeldje was dichtgevuist. Ze voelde dat ze klein werd onder zijne vervaarlijke stilte, en een korte snik die hare schouders ophief, kreet de radeloosheid uit, waarmede ze voor hare vermetelheid boette. Ze was haar zelve niet genoeg meer om zich het leelijk woord te verwijten, dat haar in een oogenblik en in een vlaag van onbewuste overmacht was ontvallen. Maar ze was wanhopig geworden, gelijk een drenkeling die onder zijne schartende nagels den uitersten barmstruik, met gras en al, voelt loswortelen. Rupert sprak:
--Als ik schrik heb, Fran, dan zou 't voor u zijn. Indien ge mij waarlijk liefhebt, kunt ge immers geen schrik hebben voor uw eigen!
--Neen, vezelde ze, ik meende: een schrik .... dat ge ginder hooger misschien niet zoo groot mocht zijn, als hier beneden. Het is zoo zot ook .... Ik wilde gaarne een edelweiss plukken.
Hij lachte ineens luid, te luid. Iets brak in den mooien avond. Het aapje viel weer op Francine's schoot.
--Nu dan, zei hij kortaf midden de schokken van zijn lach en terwijl hij hare leên omarmde, we zullen tot boven de Jungfrau gaan.
Ze juichte niet. Ze beweerde, na een tijdje, dat de tuin vochtig was geworden, en, inderdaad, het docht haar dat het fonteindruppeling zich fijn-spattend tot onder het lage priëel had uitgezet. Hij stak eene sigaret aan en stond recht. Ze gingen, traag en zwijgend, naar het hotelterras en de te felle belichting klaterde op hun aangezicht en kittelde in hunne oogen.
's Anderen daags was Francine zeer droef. Ze kon, zei ze, Interlaken niet meer verdragen en Rupert moest, wilde ze van haar reis een plezierig beeld bewaren, dadelijk alles voor het vertrek inrichten. Van een waaghalstocht op de Jungfrau was geen sprake meer, en ze verlieten het Thunermeer vier en twintig uren later, in een trein-coupé, die hen te Bern bracht. Onderweg, en juist als ze een laatsten blik op den rozigen sneeuwtop wierpen, tikte Rupert op hare vingeren en, een taschje openend:
--Ziehier, zei hij, die edelweiss die ge plukken woudt ....
Ze glimlachte, nam de broze bloem aan en de wit-fluweelen kroon bladerde vijfvoudig op hare hand.
--Ik wilde ze .... plukken juist, stamelde ze blozend.
--Ja, hernam Rupert, maar laat deze u herinneren dat het u vrij stond haar met mij op de klip te halen.