Chapter 9
18. Nog daarenboven verhaalden zij mij, dat zij een' oud man gekend hadden, wien het heugde, dat de Zuid-Vennep wel dertig morgen lands groot was, waar nu niet één voetstap van te vinden is.
19. Nog een notabel stuk, hetwelk onlangs geleden is, dat aldaar omtrent een stuk lands weggedreven is, daar vijf boomen op stonden en wiessen, gelijk de schippers getuigen, die over de Meer voeren en het zelve gezien hebben.
20. Nog in het jaar 1642 een zeker getuigenis, dat daar bij den Ruigen-hoek, achter Burgerveen, de Meer in twee nachten met een sterk onweder vijf en twintig roeden lands in de breedte afgenomen heeft, in de maand van Maart, den 13en en 14en, zijnde donderdag en vrijdag. Zoodat deze waterwolf alles verslindt en vernielt wat daaromtrent is.
21. Nog bovendien, wat zijn daar al menschen bij mijn leven door het water van de Meer verdronken! Voor eenige jaren een koopman van Haarlem, genaamd Joost Cromlijn, met nog meer gezelschap, die bij hem waren, welke mede in de Haarlemmer Meer hun leven hebben gelaten.
22. Nog dat meer is, verscheidene burgers en huislieden, al hetwelk niet is op te noemen. Nog onlangs geleden, een visscher met zijnen zoon; behalve dien, eenige jaren geleden, een Oostindisch-vaarder, wien zoo vele groote zeebaren over het hoofd waren geloopen, die moest mede zijn leven op de Haarlemmer Meer zoo ellendig laten.
23. Dit komt mij nog in den zin, hetwelk ik niet kan voorbij gaan, van hetgeen dat mij zelven op de Meer wedervaren is.
24. Omtrent 22 jaren geleden, ben ik, Jan Adriaansz. Leegwater, met mijn' oudsten zoon Simon Jansz. in den Haag geweest, om Zijne Hoogheid onzen Prins van Oranje Maurits, zaliger gedachtenis, iets te communiceren en te spreken.--Toen ik mijne zaken gedaan had, zijn wij wederom gereisd naar Leiden, en des achtermiddags tot Leiden gekomen zijnde, zijn wij tegen den avond in een bierschip gegaan van Hoorn, nog meer gezelschap bij ons in het schip hebbende, om alzoo naar Haarlem te varen, en des avonds bij de Kaag komende, met een' sterken zuidelijken wind, en vermits de donkere nacht ons overviel, door de donkerheid een weinig vóór ons moesten zien, en alzoo de wind zoo dapper aanstijfde, zoo zijn wij tegen den lager wal aangekomen, en is het schip in den grond gesmeten, en een groot deel van het bier gespoliëerd; onze spriet van boven nedervallende, zeer vervaarlijk en tot groot gevaar voor ons leven, en alzoo het land ondergevloeid was door den aanpars van den sterken wind, zoo konden wij nergens ontvlugten, en zagen geene uitkomst om ons te bergen, zoodat ons gezelschap den moed geheel verloren gaf, en riep: »hier zijn wij, daar wij sterven moeten, laat ons nu den Heere bidden!" Zoodat wij aldaar den ganschen winterschen nacht met groot gevaar, kommer en verdriet moesten overbrengen, en eindelijk toen de dageraad begon op te komen, en de wind begon te leggen, de schipper het schip herstelde met pompen en baleijen, zoo is het eindelijk daartoe gekomen, dat wij met ons gezelschap het schip hebben begeven, op het land gekomen zijnde, door het water heen geslobt, en zijn het alzoo door de genade Gods met het leven ontkomen.
25. Daarom laat ons deze perijkelen niet altijd ter zijde stellen en te ligt achten, daar het spreekwoord waar is:
Qui amat periculum peribet in illo. Wie het perijkel bemint, die zal daardoor vergaan.
26. Dit is zeer schadelijk en bedenkelijk voor alle huislieden, die daaromtrent in de veenen wonen. Heeft deze Meer toen zij nog klein en ondiep was, en weinig kracht had, gelijk een kind, dat jong is, al deze geheele landen en lieden weggenomen en vernield, wat zal zij nu voortaan doen, nu dat zij groot en magtig geworden is, gelijk een jongeling, die kloek en vroom (dapper) is, en nog alle jaren toeneemt tot zijne mannelijke kracht, en dan begint te komen aan de smalle stukken en brokken, die meest allen aan turf ondergraven zijn, en van zich zelve niet wel kunnen staande blijven, en alle dagen hoe langer hoe meer tot niet gemaakt en verdolven worden. Zij verslindt wel al de landen, die daaromtrent zijn, zoodat daar naauwelijks een tuinstaak op zijne regte plaats zal kunnen blijven, en zal de boeren aldaar tot arme slaven en bedelaars maken, zoodat zij kwalijk zullen weten waar zij henen zullen. In somma gelijk het al gezegd is, zoo de Meer in deze voortgaat:
Zoo moet het veen daar heen, En de Boer komt in geween.
27. Dit is klaarblijkelijk te begrijpen en te verstaan, dat al dit weg-gesleten land meestal door de sluizen van het huis Ter Hart en Sparendam naar het IJ geloopen is, en dat niemand daarvan profijt gehad heeft, gelijk ook te bedenken staat, dat de droogte van Pampus daar nog dagelijks door gevoed wordt, vermits de Zuiderzee zich dáár in de breedte begeeft, en de stroom geene scheuring of kil kan maken of houden, hetwelk zeer schadelijk is voor de zeevaart.
Bij voorbeeld:
28. Neem een' emmer en schep dien vol troebel water, en laat dan den emmer een' dag stil staan, en giet daar dan het klare water stillekens af, zoo zal daar eene groote kade slibber op den bodem blijven zitten, hetwelk notoir is, en bij velen wel bekend. Even zoo is het met het vuile water en de slibber, dat uit de Haarlemmermeer komt; hetzelve moet mede zijne plaats hebben hier of daar, achter in die inwijken en in de hoppen, waar de stroom zijn' loop en gang niet heeft; want waar de kil naauw is, daar moet zij noodwendig hare scheuring en diepte houden.
29. Dit zal ik mede hierbij verhalen: de regte kil, te weten, het naauw tege den Volenwijk en Amsterdam, hetwelk, naar mijn gevoelen, zoo wèl en bekwaam van wijdte en diepte is, als men het redelijker wijze naar de natuur zou kunnen begeeren en wenschen, tot voordeel en profijt van de Zeevaart en van den Staat, hetwelk veel tonnen gouds voor Amsterdam waardig is, heeft daarbij zulk een' grooten achterboezem, het IJ en de Wijker Meer, dat de stroom daar altijd met eb en vloed heen en weêr voorbij Amsterdam moet zwieren, en mijns oordeels nog hoe langer hoe beter zal worden, vermits de zeegaten, het Texel en het Vlie hoe langer hoe wijder en grooter worden.
30. Om nu weder tot mijn voorgaand onderwerp, het bedijken van de Meer, te komen. Zoo iemand lust heeft mijn Meerboek door te lezen, zal hetzelve hem kundig maken, hoe men die groote schade kan voorkomen en verhoeden, en ook hoe men die treffelijke voordeelen en beneficiën, met Gods hulp, kan vinden en bekomen.
31. Merkt nu op alle liefhebbers, die het Vaderland beminnen, en neemt uw profijt wèl waar, en wacht niet zoo lang tot dat het te laat is, opdat onze nakomelingen ons niet beschuldigen, dat wij den schoonen tijd verzuimd hebben, dien God ons gegeven heeft. Wie oogen heeft, die kan dit wel zien en bemerken, zonder verrekijker, dat het nu de regte tijd is, om dit groote werk bij de hand te nemen.
32. Naar mijn oordeel kan ik niet verstaan noch begrijpen, dat iemand tegen het bedijken van de Haarlemmer Meer iets zou kunnen hebben, of daardoor eenige schade zou kunnen lijden, maar wel dat men hierdoor grootelijks in alle manieren verbeterd, en niemand verhinderd noch verminderd zal zijn.
33. Even als het allernoodigst is, te zoeken en te zorgen voor de behoudenis der ziele, even zoo is ook de dagelijksche onderhoud en nooddruft noodwendig voor 's menschen leven.
34. Als dit schadelijk water aldus voort zal gaan, en hier geen schut wordt voor geschoten, zoo zal het land in weinige jaren zoo ellendig en schandelijk bedorven zijn, dat het niet zal zijn te remediëren. Want als de Meer begint te komen aan de smalle bedolven akkers, van welke vele geen vadem breed zijn, hetzij tot Kudelsteert, Kalslagen, het westeinde van Aalsmeer en vele andere plaatsen daaromtrent, zoo zal het wezen gelijk de kanker, of een kwaadzeer, dat altijd in zich zelf verrot en nimmermeer ophoudt, zoodat daar weinig of geen land aan de Meer zal blijven, om hier namaals een' dijk te kunnen maken, ingeval het hierna gebeurde, dat men de Meer door nood zou moeten bedijken, of het ware, dat men verscheidene dorpen dáár wilde inhalen, hetwelk ongerijmd voorkomt en gansch niet gelegen. Derhalve zal het noodig zijn, zonder langer te beiden, deze groote schade en bederf uit te keeren, terwijl het nog tijd is.
35. Sommigen hebben voorgeslagen, om de Meer aan de kanten te bezetten, zoodat het water verder geene afbreuk zou kunnen doen, en geen land meer zou wegnemen; maar dit is naar mijn oordeel bijkans ondoenlijk.
36. Zal men de kanten rondom de Meer met hout beschieten, zal zulks, naar mijne rekening, wel kosten met alle materialen, het zijhout, ijzerwerk, steenwerk en rijswerk, met het arbeidsloon, op iedere Rhijnlandsche roede in de lengte vijf en zeventig gulden, hetwelk bedraagt in den omgang 16,000 roeden, dat is in het geheel twaalfmaal honderdduizend gulden.
37. Zal men de Meer met een strand maken, dat zal meer kosten dan met hout te beschoeijen. Haar met riet te beplanten, zou verloren arbeid zijn, vermits in veenlanden, waar zulke sterke waterslag tegen komt, de grond van onderen altijd, tot aan de klei toe, opbreekt, en men dien grond niet wel bezetten of bewaren kan. Ja wat meer is, daar breken wel somtijds groote gaten, een stuk wegs van den kant van de Meer af, waar de koebeesten in verdrinken.
38. Het is een ieder bekend, dat het zand altijd drijfachtig van natuur is, en altijd weg zou spoelen, zoodat men dit werk bij de zeestranden niet kan vergelijken, welke geheel vlak zijn, en hier geene overeenkomst mede hebben, vermits de zeestranden dikwijls zoowel op- als afspoelen.
39. Wat betreft houtwerk en schoeijingen, deze zouden groot gevaar hebben, om met zware stormwinden weg te spoelen. Kortom, goede raad is hier duur, om de kanten van deze Meer te bezetten. En of het al gebeurde, dat deze voorgeslagen middelen eenige jaren konden bestaan, zoo weet ik niet, wie de eerste onkosten zou willen doen, of zoodanige lasten zou kunnen dragen. De Polders, elk in zijn' ban, zijn niet magtig hetzelve uit te voeren. Die van Rhijnland zullen ook geen' lust hebben dit te doen. De groote steden zullen zich mede vrij willen houden, en voor het gemeene land is het mede ongeraden. Kortom, het beste dat is, als voren gezegd is:
Het water te malen uit de Meer, Dan ligt de vijand heel ter neêr.
40. Niet dat men deze Meer alleen zal bedijken om de groote voordeelen, die daarin te vinden zijn, maar ook mede om de groote schade, die door het nalaten te wachten is.
41. Alzoo ik, Jan Adriaansz. Leegwater, een beminnaar en liefhebber ben van bedijkingen (dycagie) en droogmaken van Meren, ook een groot gedeelte van mijn leven daarmede heb doorgebragt en versleten, zoo aan het bedijken, ordineren, stellen en fabrijken van de watermolens van de Beemster, desgelijks ook mede van de Purmer, Wormer, Bijlmeer, de Waard, de Schermer en meer andere Meren, moerassen en polders, zoo ben ik mede ontboden geweest, van de Edele Hoogmogende Heeren Staten en Zijne Hoogheid den Prins van Oranje, om in het Leger te komen voor 's Hertogenbosch, om aldaar te inventeren om het water uit het leger te malen, en de watermolens bij Engelen weder gangbaar te maken, hetwelk ik met Gods hulp gedaan heb, gelijk bij velen wel bekend is.
42. In het jaar onzes Heeren, op hetzelfde pas, als het leger van den Koning van Frankrijk voor Rochelle lag, zoo ben ik verzocht geweest van een' Fransch Edelman, genaamd Abraham Fabert St. de Molin, een raadsheer van de stad Metz in Loreyne, (Lotharingen), welke op last kwam van den Hertog van Epernon (Mr. Duc de Parnon), om te komen te Bordeaux (Bordeus), alwaar ik Mr. Fabert gevonden heb met zijn' knecht, om zamen te gaan 12 mijlen buiten Bordeaux (Bordeus in Gasconie), bij een moeras, dat aan den Hertog behoorde, groot omtrent 4500 morgen, gelegen bij een klein stedeken, genaamd la Sparre, waarvan het moeras genaamd is: Le Marais de la Sparre, daar wij inspectie van het voorzegd moeras genomen hebben, gepeild, geboord, gemeten, en alles van de uitwatering wèl onderzocht, tot goed contentement van St. de Molin. Dit gedaan zijnde, zoo heb ik eene zekere kaart met een verhaal daarvan gemaakt in de Fransche taal, en wij zijn daarmede in het leger geweest voor Rochelle, bij Mijnheer den Hertog (Mr. Duc de Parnon), die aldaar als opperste Veldheer was, en hebben hem alles vertoond, en verscheidene malen met hem gesproken van de gelegenheid van dien, hetwelk hem wel beviel en hij voor goed heeft opgenomen, en eindelijk heeft hij mij tot Bordeaux, door zijnen rentmeester Constantyn, met pistoletten eerlijk doen betalen, waarvoor ik hem nog hoogelijk bedank.
43. Nog omtrent twee jaren daarna ben ik weder door St. de Molin tot Metz ontboden, om met hem te gaan in Lotteringen, omtrent twee dagen reizens boven de stad Metz, op een zeker moeras gelegen in de lengte, bij drie kleine steden, geheeten; Vic, Moien-Vic en Merzaal, alwaar ik met St. de Molin inspectie genomen heb, en daarna in het stadje Vic bij de zes weken gelogeerd geweest ben, bezonjeerende over het werk met den kanselier van diezelfde plaats en jurisdictie, en heb aldaar eene kaart van dit moeras gemaakt en andere teekeningen van de gelegenheid der zaak, waarvan ik kopij aan den kanselier gelaten heb aan Mr. Fabert, mede kopij tot Metz heb gebragt, en eenige dagen tot Metz bij hem gelogeerd, en alzoo een goed afscheid met hem heb genomen; en ben alstoen den Moezel afgevaren naar Trier, en zoo voort naar Coblens, van daar tot Keulen, en den Rhijnstroom afgevaren tot Arnhem en zoo voort naar Holland.
44. Nog ben ik mede verscheidene malen in Oostland geweest, in het gebied van den Hertog van Holstein, om aldaar mede te helpen fabrijken en te ordineren om moerassen en meren te helpen droog maken door het ordineren van dijken, dammen, sluizen, kaaijen, heulen, molens, molentogten, kolken, wateringen en andere affairen, al te zamen dienende tot zoodanige werken, gelijk in Holland bij vele lieden wel bekend is.
45. Nog ben ik verscheidene malen verzocht, en ben ook geweest op onderscheidene Meren, Polders en Moerassen, zoo in Holland, Vriesland, Embderland als in andere omliggende landen en plaatsen, om zoodanige werken mede te helpen in goede orde te brengen, hetwelk al te lang zou wezen om te verhalen, willende het voor dezen tijd daar nu bij laten rusten en mij voegen tot de navolgende artikelen en onderwerpen en alzoo met mijn Meerboek voortgaan, om het tot een goed einde te brengen.
46. Alzoo nu in Noord-Holland meest al de Meren bedijkt, droog gemaakt en tot land gebragt zijn, en vele lieden in Holland gezind zijn in bezigheid (in het labeur) te wezen, en meest altijd wat bij de hand nemen, voornamelijk als daar profijt is te halen, zoo is het, dat ik voor dezen daar menigmaal op gespeculeerd en gepractiseerd heb, om de Haarlemmer Meer te bedijken en tot goed land te brengen, hetwelk mij zeer doenlijk voorkomt, als de Almogende God ons Zijn' zegen en goede gratie wil verleenen, zonder welke wij niets kunnen verrigten, gelijk in den 127en Psalm geschreven staat:
Nisi Dominus aedificaverit domum in vanum laborant qui aedificant eam. Zoo de Heere het huis niet bouwt, zoo arbeiden zij te vergeefs, die daaraan bouwen.
47. Zoo is hiertoe (mijns oordeels) zeer goede gelegenheid en bekwame middelen, om hetzelve met menschenarbeid te verrigten en te weeg te brengen, en ik twijfel niet, of er gebrek zal zijn aan eenige stof, aarde of ronde Goden, als het werk slechts ordelijk, met goeden raad en accoord wordt aangelegd en begonnen. Ook kan ik niet anders gevoelen noch bemerken, of het zou de allerprofijtelijkste bedijking wezen, die er ooit in Holland gedaan is, en dat voornamelijk om het groote ligchaam en menigte van land, dat in de Meer begrepen ligt, en er weinig of geene Meren in Holland bedijkt zijn, die zoo veel goede gelegenheid hebben, als deze Haarlemmer Meer, hetwelk ik hierna met goede voorbeelden zal doen blijken en verhalen, naar de gaven, die mij de Heere gegeven heeft.
48. Zeker is, dat de grootste Meren altijd de minste onkosten hebben te dragen en het profijtelijkst uitvallen. Blijkende tegenwoordig aan de groote, heerlijke, lofwaardige, profijtable, kostelijke, bedijking van de Beemster, die in het eerst het ongeluk gehad heeft om in te breken, doch daarna weder door Gods hulp met goede orde en moed is aangevangen en voltrokken en in kavelingen gebragt is, zoodat zij genoegzaam anderhalfmaal bedijkt is. Ná de bedijking heeft ieder morgen omtrent 250 Gulden gekost, behalve den koop van het water, en de kosten van de gansche Beemster hebben omtrent 1,900,000 Gulden bedragen. Maar alle Meren, die naderhand bedijkt zijn, en kleiner waren, hebben veel meer gekost op ieder morgen. De oorzaak, hiervan is, dat de kleine Meren altijd de meeste roeden dijks op de morgentalen hebben, en andere onkosten, die de kleine Meren niet dragen kunnen.
Hier volgt zeker bewijs van de grootheid van verscheidene Meren.
49. De Ringdijk van de Beemster is groot in het rond omtrent 10,000 Rijnlandsche roeden, de Beemster zelve is groot 7545 Rijnlandsche morgen gekaveld land, behalve de wegen, wateringen, molentogten en de Ringdijk, hetwelk bedraagt op ieder morgen land omtrent een en een kwart roede dijks.
50. De Purmer is groot ongeveer 3000 morgen en heeft omtrent 6000 roeden dijks, dat is op ieder morgen 2 roeden dijks.
51. De Wormer is groot 1800 morgen min tien, en heeft stijf derdehalve roede dijks op ieder morgen, dat is nog eens zoo veel roeden dijks op ieder morgen als de Beemster.
52. Nog zijn er verscheiden andere Meren, die mij wel bekend zijn, die omtrent 5 of 600 morgen groot zijn, die omtrent vijf of zes roeden dijks per morgen hebben.
63. Het poeltjen of weeltjen bij Hoorn, alsmede het Schalsmeer bij Knollendam, zijn elk omtrent groot 75 morgen en hebben op ieder morgen omtrent 12 roeden dijks.
Derhalve blijkt klaarlijk, dat de kleinste meren altijd de grootste onkosten hebben te dragen, alsmede de kosten van andere bijvallende zaken, te weten van Dijkgraaf en Heemraden, Landmeters, opzieners, werkmeesters, schuitevoerders, Boden, knechts, enz., hetwelk niet al te beschrijven is, waarvan altijd de grootste de meeste lasten en onkosten gemakkelijker dragen kan.
54. Een klein voorbeeld en zekere Geometrische kunst zal ik alhier verhalen, hetwelk een vaste regel is.
55. Neem een koordje, dat eene elle lang is, en vult dat met kleine stukjes hout, die gelijke grootte hebben. Stel, dat daar 25 stukjes in kunnen, wanneer de einden van dat koordje aan elkander komen. Neem dan een koord, dat 2 ellen lang is, zoo zullen daar honderd zoodanige stukjes in kunnen, voordat de einden van dat laatste koord aan elkander komen. Alzoo is het ook met eene kleine of groote Meer, naar evenredigheid. Wel te verstaan, dat hoe beter de Meer of bedijking in het ronde gelegen is, hoe de inhoud grooter valt.
[Afbeelding: Twee concentrische cirkels verdeeld in vierkanten.]
56. Nog een ander voorbeeld, om zekere vierkante stukken te bedijken. Neem een vierkant stuk, dat een morgen groot is, zoo moet gij vier zijden bedijken. Neem twee stukken aan elkander, zoo zult gij niet meer dan zes zijden bedijken. Neem dan vier vierkanten aan elkander, gelijk als hierboven geteekend staat, zoo zult gij niet meer dan acht zijden bedijken, en alzoo voort naar evenredigheid, zoo heeft altijd de grootste Meer den minsten dijk op de morgentallen.
+---------+---------+ | | | | 1 | 3 | | | | +---------+---------+ | | | | 2 | 4 | | | | +---------+---------+
57. Nog een voorbeeld. Gelijk ik hier voorgesteld en bewezen heb, dat eene groote bedijking vele morgentallen in zich heeft, en weinig roeden dijks op ieder morgen bedraagt, zoo zal ik alhier nog een kluchtig stukje voorstellen, hetwelk niet mogelijk schijnt te wezen; datzelve zal ik van de hoogte nemen en brengen het in de breedte, en wordt nog eens zoo groot.
Neem eene ton, die langwerpig van fatsoen is, en vult die tweemaal vol met water, of drooge waar, en zaag dan de duigen regt in het midden door, en neem dan al die halve duigen, voeg ze dan in de wijdte, in het rond aan elkander, en maak daar dan een' bodem in dezelfde kroosing, waar de bodem te voren in geweest is, zoo zullen in die duigen die twee gemeten tonnen waters in kunnen. Hetgeen ik zelf beproefd heb, en Probatum est.
58. De Haarlemmer Meer is voorheen groot bevonden omtrent 20,000 morgen, en is in het rond omtrent 16,000 roeden, hetwelk bedraagt op ieder morgen omtrent drie vierendeels van eene roede dijks, bijna eene halve roede minder dan de Beemster per morgen. Hetgeen niet slechts een voordeel is bij het leggen van den dijk, maar ook in het dagelijksche onderhoud, dat altijd en voortdurend blijft.
59. De voorzegde Haarlemmer Meer heeft nog verscheidene andere goede conditiën en gelegenheden, die andere Meren niet hebben.
60. In de eerste plaats heeft deze Meer eenen bodem en grond van goede klei, welke kleibodem doorgaans dik is 7, 8 à 9 voeten en meer, gelijk ik denzelven heb doen peilen, beugelen en diepen, zoo als ik hierna klaarder zal doen blijken en verhalen.
61. Ten tweede heeft de Haarlemmer Meer de schoonste en beste gelegenheid om het water te lossen, die men maar bedenken kan, omdat de winden, in Holland meestal zuiden, zuidwest en zuidoost waaijen en het water alsdan komt toezakken en vallen naar het IJ en de sluizen, en dan is het meest altijd laag water op het IJ en in de Zuider-Zee. Daarenboven is daar nog zulke schoone gelegenheid om sluizen en uitwateringen te maken bij het huis ter Hart, ook te Sparendam en andere gelegene plaatsen, alle naar wensch; als ook om een' vóórboezem of kolk te maken benoorden het huis ter Hart, op het IJ, over de eilanden heen, waar de molens op zouden kunnen malen, om de Spiering-Meer mede te mogen bedijken, opdat al die oude landen om de Meer mogten bevrijd wezen van de afbreuk en het slijten van dat groote, verderfelijke water.
62. Ten derde, zoo heeft deze Meer weinig plempwerk naar evenredigheid van hare grootte, waarin geene andere Meren haar gelijk zijn.
63. Ten vierde, hetwelk nog het principaalste is, zoo is deze Haarlemmer Meer zoo bekwaam gelegen als zij redelijkerwijze doen kan. Zoodat de Burgers van Haarlem, Leiden en Amsterdam zouden kunnen hunne landerijen en goederen op éénen dag bezigtigen, en hunne zaken verrigten, en des avonds weder elk in zijne stad te huis komen, en met gemak in hunne huizen mogen logeeren.
64. Ten vijfde, en ten laatste, zoo is het land om de Meer zoo weinig van prijs en onkostelijk om den dijk daarop te leggen, veel minder dan zulks bij andere Meren het geval is; bovendien zijn daar zeer weinige huizen in den weg, zoodat men den Ringdijk en de ringsloot bekwamelijk zonder verhindering zal kunnen rooijen, maken en leggen naar behooren.
Zoodat in alle manieren dit wel te verstaan is, De Haarlemmer Meer het best zal zijn dat ooit gedaan is.
65. Het bedijken van Meren, en het brengen van schadelijke, verderfelijke wateren tot goed land, is een van de noodwendigste, profijtabelste en Godzaligste dingen in Holland; want Holland is met vele groote steden en dorpen bezet, wordt daarbij sterk bewoond, en daarenboven is er geen land, alwaar men de boter en kaas zoo schoon, goed, smakelijk en rein kan maken, zoodat in andere Landen de voorzegde waren zoo begeerd zijn en getrokken worden, dat ze om hare deugd nimmer overvloedig genoeg schijnen te zijn, zoodat de oude landen niet minder van prijs werden, maar altijd meer en meer gelden gelijk blijkt uit de veelvuldige Meren en Moerassen, die in Noord-Holland vóór en na de Beemster bedijkt en tot land gemaakt zijn, welke ik hier navolgende zal verhalen
Het eerste is bedijkt: