Het Haarlemmer-Meer-Boek

Chapter 10

Chapter 103,931 wordsPublic domain

De oude en nieuw Zijp. De Berger-Meer. De Boekeler-Meer. De Diepe-Meer. De Daal-Meer. De Slootgaard. De Wog-Meer. De Wout-Meer. De Bleek-Meer. De Schaaps-Kuijl. De Benne-Meer. De heerlijke lofwaardige bedijking van de Beemster. De schone vruchtdragende Purmer. De Wormer. De Oosthuyzer-Braak. De Heer Huyge-Waard. De welgeordineerde en geformeerde bedijkte Schermer. De Schager-Waard. De Broeker-Meer. De Buiksloter-Meer. De Bel-Meer. De Braak: bij Medenblik. De Hoornsche Waal. De Schals-Meer. De Enge Wormer.

Met nog meer andere kleine Meren, en eindelijk nog de Starre-Meer.

Men zegt en vermoedt, dat er na den troebelen tijd in Holland, in Zeeland en andere omliggende plaatsen, omtrent 80,000 morgen lands bedijkt zijn. Voornamelijk blijkt dit mede uit de groote, heerlijke, lofwaardige bedijking van de Beemster, die het eerste jaar, toen zij droog was geworden, door des Heeren zegen zoo overvloedige vruchten heeft gedragen, dat het niet wel met de pen is te beschrijven.

66. Mij is verhaald door Dirk van Os, die het mij ook schriftelijk heeft overhandigd, dat hij op zijn eigen land in de Beemster, met zijnen broeder Hendrik van Os, het eerste jaar toen de Beemster droog geworden was, geteeld en gewonnen heeft zeven duizend zeven honderd drie en vijftig zakken Koolzaad, alsmede Raapzaad, behalve nog veel meer andere granen, zoo van Tarwe, Garst en Haver, die mede in overvloed op hunne landen gewassen waren. Nog heeft de zoon van Dirk van Os, te weten François van Os, mij zelven verhaald, dat hij in eene zaaijing in de Beemster gewonnen had, op 400 Rhijnlandsche roeden lands, drie gemeene lasten haver, dat is 108 zakken. Voornamelijk heeft het gewas van het Koolzaad het eerste jaar zoo veel en overvloedig in de Beemster opgebragt, dat men vermoedde, dat al de oliemolens in Holland, in dien tijd, wel een jaar lang daarop konden gaande blijven, en genoeg hadden om op te werken.

67. Naderhand heeft de Almogende God de Beemster van alles zoo overvloedig gezegend, dat het nu genoegzaam het groote Lusthof van Noord-Holland is, zoo in weiden, bouwlanden, boomgaarden, huizen, lusthoven, enz. Daar wordt ook gezegd en voor waarheid gehouden, dat er geen vermakelijker en lustzinniger weg in Holland is, dan de volgerweg in de Beemster, daar al die schoone heerlijke huizen en boomgaarden gebouwd zijn, te weten het huis van den Dijkgraaf Dirk van Os, François van Os, van Meerman, van Carel Loten, van Jan Loten, van Alewijn en meer anderen.

68. Daarenboven geeft deze Beemster in overvloed vette ossen, koeijen en schapen, met vele schoone paarden en hengsten; als ook overvloedig boter en kaas, met meer andere toespijzen, die in alle manieren deugdzaam en goed zijn, waar men duizend menschen mede kan spijzen en voeden, hetgeen aan de eigenaars der gronden goede inkomsten en renten geeft:

Omnia dat Dominus, non habet ergo minus. God geeft alle ding, en houdt zelf niettemin.

69. De Beemster in het gemeen kan ieder jaar nu wel opbrengen aan landhuur tweemaal honderd en vijftig duizend gulden aan vrij geld, en dan zijn alle ongelden, mede het molen- en dijkgeld, betaald. Daarenboven worden hierdoor ook grootelijks verbeterd de gemeene middelen van het land.

70. Dit kleine notabel stukje zal ik hier nog bij verhalen, dat men vermoedt, dat de eijeren van de hoenderen en Eenden in de Beemster thans meer opbrengen dan te voren al de visch, die in de Beemster werd gevangen.

Der Beemsters kruid, doet groot viertuil, is waardig om te prijzen; Haar stof geeft lof, fijn ende grof, 't is wel te bewijzen. Haar roem die gaat, ver over straat; verstaat mijn reden: Men vindt in 't Rijk, nooit haars gelijk, in land noch steden.

71. Alle liefhebbers en beminnaars van bedijkingen, die gezind zijn om dit groote, heerlijke, treffelijke en lofbaarlijke werk, de Haarlemmer Meer, mede te willen helpen handhaven om te bedijken, en tot goed land te maken, zullen gelieven te weten, dat men hetzelve niet slappelijk zal moeten beginnen, maar met een' voorbedachten zin en goeden moed. Dat men het werk ook met goede raad en daad zal moeten aantasten en mannelijk doordrijven. Gelijkerwijs een wijs Koning of dapper Prins eene sterke stad zoekt te beleggen en te winnen met alle vlijt, naarstigheid en moed, alle amunitie van oorlog daartoe zoekt te prepareren en te bereiden, met schepen en wagens alle voerage zoekt aan te brengen, zijn leger en omheining met wateringen, vesten, bolwerken, transementen, schansen, redouten, halve manen, contre-escarpes, hoornwerken, batterijen, loopgraven, traversen, stormbruggen, en al hetgeen daartoe is dienende, ook mede hout en ijzer, victalie, bier en brood, alsmede geschut, kruid en lood, en van alles zich zoo verzorgt, dat er in geene manieren iets moet mankeeren. Dus doende durft hij zijnen vijand onder de oogen zien, en toch mede de stad getroost zijn, om alzoo op de oorlogsmanier dapper te strijden en te volharden, zoo lang totdat hij de stad gewonnen heeft, en daarvan meester mag blijven. Opdat al de officieren, ruiters en knechten, prijs en eer bevochten hebbende, hunne soldij met eere zouden mogen ontvangen, en alzoo het harnas afleggen, gelijk als in het boek der Koningen beschreven staat.

Ne glorietur accinctus, aeque ut discinctus. Die het harnas aandoet, zal zich niet beroemen, gelijk degene die het afgelegd heeft. De kroone ligt niet in het begin, noch in het midden: maar het einde kroont het werk.

Men zegt gemeenlijk: wèl begonnen is half gewonnen.

Maar veeleer is dit spreekwoord goed:

Vincit assiduus labor. Aanhouden is het regte middel zoo men zeit, Om te verkrijgen 't geen dat er verborgen leit.

Gelijk ook mede de geleerden voor een spreekwoord hebben:

Absque labore gravi non venit ulla seges. Zonder arbeid komt er geen koren in de schuur.

72. Het zou kunnen gebeuren, daar groote werken ook hunne zwarigheid hebben, dat het fortuin niet altijd naar wensch liep, even als een schipper van een groot schip, die de zee gebruiken moet, soms wel onvoorziens met een' zwaren storm overvallen wordt, en daardoor zijn anker en touw moet verliezen, en niet altijd voor den wind gaat; doch daarom geeft hij den moed niet verloren, maar schept nieuwe courage met zijn bootsvolk, om het schip wederom te maken, te heelen en te boeten, en denkt alzoo, gelijk de Franschman zegt:

Si la fortune me tourmente, l'espérance me contente.

73. Vele menschen zijn welgezind tot groote rijkdommen, kostelijke schatten en juweelen, tot groote klompen goud en zilver, daar men boter voor kan koopen. Dit blijkt dagelijks, daar velen hun leven daarvoor wagen en in groot gevaar stellen, om te varen naar Oost- en West-Indiën, Groenland, IJsland, Guinea, Angole, Turkije, Barbarijë, Grieken, Perzië, Alexandrië, de Archipel, Moscovië, het Weygat, Magalena, Peruana, Zweden, Denemarken, Riga, Revel en meer andere vreemde eilanden, steden en plaatsen, Oost en West gelegen, die te veel zijn om op te noemen. Waar maar eenigzins vermoeden is, om voordeel en winning te doen, daaraan wordt geen arbeid, kosten of moeiten gespaard, om hetzelve te aanvaarden, te onderzoeken en te volbrengen,

74. Maar laat ik voortvaren en tot mijn eigenlijk onderwerp komen, om hetwelk ik begonnen ben te schrijven, te weten over die groote zilver- en goudmijn, de Haarlemmer-Meer, waar zoo vele kostelijke schatten in verborgen zijn. Welke Meer reeds voor vele jaren heeft bestaan, in het beste en in het middelste gedeelte van Zuid-Holland ligt, naar mijn oordeel, op de allergeschiktste en gewenschte plaats der Zeventien Provinciën, nabij Haarlem, Leyden en Amsterdam, wèl bedijkt binnen de Zeedijken, op de hoogte van twee en vijftig graden, om welke men niet behoeft naar vreemde landen te varen om haar te zoeken. Ik waarschuw en vermaan alle minnaars van bedijkingen, dat ieder hunner zijn voordeel zoeke waar te nemen, en medewerke, om een' nagel, spijker of bout aan dit schip te slaan, en raad te geven.

75. Om met de hulp van God hiertoe te kunnen komen, en om deze groote zilver- en goudmijn te vinden, en de kostelijke schatten en juweelen op te graven, bestaat voornamelijk uit twee of drie merkwaardige dingen. Het eerste is, een zware, breede, digte, sterke, wèlgeformeerde en gemaakte Ringdijk. Het tweede is, dat men daar nog bij moet hebben goede, bekwame, groote, sterke, achtkante water-molens, die alle in goede orde gezet, gemaakt en gesteld zijn, waar men het land mede uit de valleijen moet zoeken. Het derde is, goede, bekwame sluizen en uitwateringen ter gelegener plaats en op het IJ, om alle belanghebbenden van de groote steden en ook de oude landen voldoende te bevredigen. Daarbij nog geschikte (bekwame) wateringen en vaarten door de Meer.

Beschouwing (Propoost) van den dijk.

76. Gelijk de planken of de huid van een schip het voornaamste is, waar het schip op moet zeilen, alzoo is het ook met een' sterken digten Ringdijk, die het water van de Meer moet keeren.

Van de watermolens.

77. Een sterke digte cementbak is met pompen haast ledig te halen; desgelijks is eene wèlbedijkte digte meer met watermolens wel droog te malen.

Dit is ook noodig om aan te teekenen.

78. Alzoo ik mede in het begin van het bedijken van de Beemster gediend heb als Ingenieur en Fabrijk van het zetten en stellen van de watermolens, tot het voltrekken toe, zoo is het, dat ik, op verzoek van Dirk van Os, en de Hoofd-Ingelanden, altijd zekere aanteekeningen (notici) daarvan gehouden heb, en dikmaals gepeild heb en bevonden, dat de molens van de Beemster in een etmaal, met goeden wind, een' duim waters op de geheele Beemster in de hoogte konden uitmalen, en ook somtijds wel anderhalven duim, en dat op vijf- of zesthalf honderd Rijnlandsche morgen, een' gang molens. Zoodat men de Beemster in twee jaren drooggemaakt heeft, wel verstaande de inbraak niet medegerekend; en dat het derde jaar malens gekaveld werd, en elk zijn land bij loting ontvangen heeft.

79. Ik heb mede in het bedijken van de Beemster, en ook naderhand, niet kunnen bemerken, dat de grond iets lek was, zoodat het water nimmer gewassen of verhoogd is, als het niet regende.

80. Nog zekere calculatiën alhier gemaakt, hoe vele tonnen waters een bekwame groote achtkante watermolen op een etmaal uitmalen kan. Hetwelk ik Jan Adriaansz. in mijne jonkheid, in den tijd van mijn' zaligen vader Adriaan Symonsz. Leegwater, van de Rijp, in den polder van Rijp en Graft menigmaal gepeild heb, en bevonden met twee watermolens, gerekend een' voet in het vierkant, en zes voet hoog voor eene tonne waters.

81. De voorschreven polder van Rijp en Graft is groot, omtrent 1400 morgen, Geest-meer, Ambachts-maat, en is omtrent zoo veel water als land, dat is 700 morgen waters, hetwelk twee watermolens, in een etmaal, een' duim in de hoogte konden uitmalen.

82. Die zelfde morgentalen gebragt in vierkante roeden, en daarna tot vierkante voeten, waarvan 72 duim in de hoogte gerekend en dat een voet vierkant voor eene ton waters, zoo is het, dat twee molens, naar deze rekening, in een etmaal uit kunnen brengen 896,000 ton waters, en een molen 448,000.

83. Zoo iemand in deze zaak omtrent het droogmaken van de Haarlemmer Meer eenigzins twijfelmoedig mogt wezen, vreezende voor eenige zwarigheid van den grond of lekking van den Ringdijk, zoo zal ik alhier, met Gods hulp, om alle twijfelmoedigheid weg te nemen, goede en duidelijke (klare) voorbeelden verhalen, welke mij door ondervinding bekend geworden zijn.

Experentia docet.

84. Aangaande den duinkant of de westzijde van de Haarlemmer Meer, alzoo het gemeene spreekwoord is, dat zandgronden lek zijn: dat is eensdeels alzoo; maar hiervan is eene goede verzekering, en dat, uithoofde onder dat zand goed veen en klei liggen, gelijk zulks dagelijks blijkt en bevonden wordt, vermits onder het zand of de nollen goede turf gegraven en gedolven wordt, en onder het veen geen zand ligt tot aan de klei toe.

85. Dit zelfde blijkt mede aan den Lisser-poel: deze, schoon nabij de duinen gelegen en nog onlangs bedijkt, wordt ook wel droog gehouden.

86. De Soetermeersche Meer, die aan de zijde aan de veenen ligt, is mede onlangs bedijkt en wordt ook wel droog gehouden.

87. Zoo ook werd uit de Hem-meer, die aan het harde gelegen is, tegenover de Kaag, met geringe moeite het water uitgemalen, en het land zeer goed droog gehouden, welke Meer meerendeels toebehoort aan Sr. Jan van Baarle.

88. De ringdijk van de Beemster is in het begin meestal uit veenlanden gemaakt. Die van de Purmer desgelijks. De dijken van de Wormer en Waterlandsche Meren zijn mede al tezamen van veenlanden gemaakt, zij worden alle digt bevonden en goed droog gehouden. Bij het bedijken is vooral hoog noodig, dat men het zwoord- of grasveld, dat onder den dijk komen zal, goed wegneme, opdat de aarde te beter sluite, en de dijk digt zou wezen.

89. Eindelijk de Schermer, die ten naaste bij van gelijke natuur is als de Haarlemmer Meer, en aan de noordzijde bijkans van gelijke diepte, zal ook met vier molens boven elkander moeten malen; zoo ook heeft de kil van de Beemster twee molens in het diep staan, die vier hoog malen.

90. Aan de Oostzijde, aan de Noordoostzijde en aan de Zuidoostzijde van de Schermer, is de ringdijk geheel van veenland gemaakt; aan de Westzijde van die Meer van Jan Boies af, tot aan den Akerslooter-koorn-molen toe, is de ringdijk geheel van zand of geest-land gefondeerd en gemaakt, en daar is naauwelijks eene Meer van al de bedijkte Meren in Noord-Holland, die zoo spoedig en ras droog gemalen is, als deze Schermer.

91. Het is mij wel bekend, dat er eenige Meren zijn, wier droogmaking niet wil gelukken; maar daar, is de reden van: óf omdat de klei te diep ligt, óf omdat die Meren aan een bergachtig land, of grof zand gelegen zijn, dat geen water schut, zoo als ik hetzelve wel gezien en bevonden heb; óf omdat de grond met struiken of bladen van boomen opgehoogd en bezet is, en hierdoor lek en sponsieus blijft. Gelijk het ook blijkt, dat eenige dezer Meren niet vast toevriezen, al vroor het bijkans nog zoo sterk; hetgeen een teeken is, dat de grond open, sponsieus en lek is.

92. Aangaande den grond van de Haarlemmer Meer, kan ik anders niet bevinden en verstaan dan alles goeds, alzoo ik haar voorheen met den Burgemeester van Aalsmeer en eenige arbeiders, op vele verschillende plaatsen, gepeild, gebeugeld, gediept, getast en wèl onderzocht heb, en anders niet kan bemerken of bevinden, of deze Meer heeft een' bodem van goede klei, doorgaans dik 7, 8 en 9 voeten, gelijk bevorens verhaald is. En de Haarlemmer Meer is doorgaans diep negen Rhijnlandsche voeten, of tien houtvoeten, bijkans van gelijke diepte als de kil van de Beemster of Schermer. Op sommige plaatsen is de grond aan de kanten van de Meer met veenachtige slibber vermengd, een voet of anderhalf dik; dezelve is bekwaam, om met den ploeg door malkander in de klei te vermengen, en alzoo tot goed land te maken. Daarenboven, hetgeen een goed teeken is, als het eene gewone vorst is, vriest de Haarlemmer Meer zoowel en zoo vast toe als eenig ander water, zoodat men daar overal met paard en sleê over rijden kan zonder treuren. Het blijkt daaraan, dat de grond digt en vast moet wezen.

93. Dat de grond van de Haarlemmer Meer goede klei is: dat is de allerbeste, waar men op betrouwen kan, dat de grond digt zal wezen. Het is mede een goed fondament voor den Ringdijk en in alle manieren heel goed voor het dóórlekken en opwellen, zoo als te voren gezegd is.

94. Van de watermolens zal ik alhier mede een weinig verhalen en noteren.

95. Dit is de gewone gang en wijze in Noord-Holland bij het bedijken van meren, zoo als de ondervinding het geleerd heeft.

96. Als men zoo hoog moet opmalen, als men aan de Beemster en Schermer op het diepst heeft moeten doen, dan stelt men vier molens boven elkander tot een' gang, die elkander toemalen van vier of vijf en dertig voeten stijls, en dat gemeenlijk op vijf honderd Rhijnlandsche morgen een' gang molens, wèl verstaande, hoe meer gangen molens op eene kolk malen, hoe beter, en het zal noodig wezen, dat men op de Haarlemmer Meer zoo veel gangen molens op eene kolk brengt als immer doenlijk is, en dat om de volgende oorzaak: als er een molen, twee of drie onklaar zijn, zoo kunnen de overige molens nog malen, en op den gang blijven, en ook mede dan wordt de ringdijk te minder gebroken met de kleine sluisjes, die in den ringdijk moeten liggen, waar de bovenmolens moeten doormalen.

97. Het is ook eene hoognoodige zaak, dat men verscheidene kruisvaarten door de Meer maakt, even als in de Schermer, en zulks tot gerief van de Deelhebbers en huisluiden, om hunne waren met kleine schuitjes aan den ringdijk te kunnen brengen, als ook vooral de materialen, die men tot het bouwen en timmeren noodig heeft, en mede ook tot eene gemeene onderkolk of boezem van de laagste molens.

Om nu te komen tot het principaalste, waar alles aan gelegen is.

98. Als dit groote, heerlijke en lofwaardige werk, met de hulpe Gods, voltrokken en gekaveld zal zijn, dan zal men met den zegen des Heeren daarop kunnen telen en vinden de allerbeste, kostelijkste schatten en juweelen, die tot 's menschen nooddruft en onderhoud van doen zijn. Als men het land behoorlijk ploegt, bebouwt en bereidt, gelijk als in den beginne Adam, onzen eersten vader, opgelegd was, toen hij het gebod van God overtreden had, dat hij in het zweet van zijn aanschijn zijn brood zou eten. Gelijk ook mede in de H. Schrift geschreven staat: Zoodanig als de akkerman is, zoodanig is ook de bouwing.

Bouwt op het nieuw, zaait niet onder den doorn, Werpt dan in uwen akker het goede koorn: Zoo zal God u geven, tot een baat, Eene overvloedige, opgehoopte, volle maat.

In manibus Domini sorsque, salusque mea. Mijn heil en mijn geluk staat in den zegen des Heeren.

Volgt nu van de heerlijke vruchten des velds.

99. In de eerste plaats zal in deze Meer zijn te vinden velerhande granen, als tarwe, rogge, gerst, haver, erwten, boonen, boekweit, koolzaad, raapzaad en meer andere gewassen; ook gemeste kalveren en vette schapen, meer dan twintig duizend hoornbeesten, met nog daarbij velerhande vee en gevogelte, mede in overvloed. Boter en kaas, honig en melk, met velerhande toespijs, fruit en wijnbeziën, hetwelk niet alles is te bedenken en te noemen. Het zou zulk eene verandering in Zuid-Holland geven, dat men het wel het achtste wonder zou mogen noemen: dat te voren eene schadelijke Meer, een bederfelijke poel, een verslindende wolf is geweest, dat zou men alsdan den grooten Zuid-Hollandschen lusthof wel mogen noemen; of het Hollandsch Tresoor, waar men eene menigte van menschen, door den zegen des Heeren, mede zou kunnen spijzen en voeden, hetgeen tevens de gemeene landsmiddelen, met zoo vele duizenden zou stijven en verbeteren, dat het niet wel is te zeggen. Hiertoe zullen ook wel noodig zijn duizend boeren met hun gezin, knechten en dienstboden, om het land te bouwen en te bearbeiden, hetgeen te zamen wel zes duizend menschen zal bedragen.

100. Alzoo ik voor dezen gehoord en verstaan heb, dat sommige burgers van Haarlem en van Leiden in eenige zaken wat zwaarhoofdig zijn, meenende, dat hunne vaarten en wateringen eenigzins zouden verminderen of verslimmen; zoo zal ik hier met goede redenen bewijzen, dat heel anders en contrarie het geval zal zijn, op grond der ervarenheid van hetgeen ik voor dezen dikwerf gezien en opgemerkt heb.

101. Eertijds, voordat de Beemster en Purmer bedijkt waren, heb ik dikwerf gezien en bevonden, dat de doorvaart of haven van Purmerend zoo verdroogd was, dat daar naauwelijks eene ongeladen schuit kon vloten, en dat gebeurde telkens als er een stormwind uit het noord-westen woei; dan kwam het dikke water in de haven, en zette zich daar neder, en hoezeer men het met den beugel uithaalde, was het met iederen storm weêr hetzelfde. Desgelijks ook de Meer, beoosten Purmerend; welke slibber met een' ooste-wind uit de Purmer kwam. Maar nadat de beide meren, de Beemster en de Purmer, bedijkt zijn, heeft men dit gebrek niet bevonden.

102. Desgelijks de haven van Edam, alsmede de doorvaart van Nek en meest alle havens, die op zoodanige wateren of meren liggen; deze vervuilen altijd door het dikke, modderachtige water, dat met stormwinden inspoelt.

103. Daarenboven heb ik ook meermalen gezien (en er mede aan geholpen), dat men ten tijde, vóórdat de Beemster bedijkt was, als er eene geladen schuit in de haven van de Rijp in kwam varen, met groote krachten die schuit moest intrekken, om ter plaatse te komen, waar men moest lossen; en dat de haven zoo opgedroogd was, van den modder of de slibber, die uit de Beemster kwam, dat men het met beugelen en baggeren niet goed kon maken, uithoofde dat telkens, als het weêr uit het oosten sterk woei, het weêr even zoo vervuilde als te voren; wij moesten dikwerf en waren genoodzaakt de sluis van de Rijp open te zetten, en het water door de haven in den polder te laten stroomen, en den grond met stokken en beugels om te roeren, en alzoo de haven te verdiepen. Naderhand toen de Beemster bedijkt was en de watermolens klaar water uit de Beemster hebben gemalen, heeft men dergelijke gebreken niet gezien, noch vernomen; want als nu de haven eens uitgediept is, dan vervuilt zij zelden of nooit, en men heeft daarenboven nu altijd klaar water in de haven van de Rijp.

104. Als men met reden mag spreken, zoo is het (mijns oordeels en gevoelens), dat die van Haarlem en Leiden weltevreden behooren te wezen met het bedijken van de Haarlemmer Meer, en dat zij geene reden hebben zoodanige klagten en questiën in te brengen, maar grootelijks daardoor verbeterd zullen zijn en in het minst geene schade zullen lijden, maar veel eerder groot voordeel, gelijk ik hier met navolgende redenen zal bewijzen.

105. Met betrekking tot de doorvaart van Haarlem, zal dezelve in alle manieren beter en bekwamer zijn dan te voren; het gebeurt nu dikwerf, dat er schepen zijn, die met kostelijke koopmansgoederen zijn geladen, welke, als zij voor de Meer, bij de ton, komen, met eenen hoog-zuidenwind en storm genoodzaakt zijn aldaar te moeten blijven liggen, uit vrees dat zij groote schade zouden lijden. Ook mede met een' noordelijken wind in de Kaag insgelijks; men kan alsdan met schepen en waren niet voortkomen, vermits men het water van de Meer alsdan niet kan gebruiken, waardoor de koopman dikwerf groote schade lijdt en mede groot perijkel van zijne schepen te verliezen, hetgeen zich heel anders en beter zal toedragen, als de Meer bedijkt is.

106. Als er eene bekwame, wijde, diepe ringsloot of kanaal zal gemaakt zijn, van zestien of twintig roeden wijd, of zoo wijd als men dan met goede orde ordonneren zal, zal men die altijd met halven wind kunnen zeilen, en ook mede met gewone schepen oplaveren; en heel zelden zal het zijn, dat men die niet gebruiken kan, wel te verstaan, als er mede een bekwame trekweg zal worden gemaakt, om de schepen altijd met gemak en gerief met paarden in den wind te kunnen optrekken; de kooplieden zullen alsdan zelden of nimmer verkort of verhinderd zijn of schade lijden. Welke trekweg en kanaal mede zullen gemaakt worden, tot aan de stad Leiden toe, alsmede van de Zijlpoort af tot aan de Kaag of tot aan de Nieuwe Vaart, zoo als men het dan best geraden zal vinden.

107. Aangaande het water, dat nu dikwijls heel vuil en troebel is, dat zal zich heel anders begeven, dan het nu tegenwoordig doet, waardoor die van Haarlem en van Leiden grootelijks verbeterd zullen zijn, en het werk alsdan zullen moeten prijzen.