Chapter 11
108. Vooreerst is het notoir, en men kan het ook ligtelijk begrijpen, dat er alsdan nimmermeer in de steden Haarlem en Leiden eenig vuil, stinkend of troebel water zal kunnen komen; want als de Haarlemmer Meer bedijkt en droog gemaakt zal zijn en tot land gebragt zal wezen, zal er geen ander dan klaar regenwater in de Meer komen, hetwelk zal staan op kleigrond, vermits de slooten en molen-togten in de Meer mede in de klei gedolven en gemaakt zullen worden, en de watermolens van de Meer alsdan het klare water in de ringsloot zullen malen; en daarenboven zal het duinval, dat aan de west-zijde van de Meer is, in de ringsloot door verscheidene kanalen komen zakken. Dat water zal alsdan in de ringsloot behouden wezen en niet vervuilen noch troebel worden door het stormen van de Meer.
109. Dat water komt mede in de steden Haarlem en Leiden; doch de principaalste uitwatering van Rhijnland moet door Haarlem en Sparendam komen, en aldaar uitgeleid worden, als ook mede bij het huis ter Hart. Hier staat nog op te letten, dat als de Meer tot land zal gebragt wezen, de omliggende plaatsen en landen nimmermeer gekweld zullen wezen door buitengewone hooge aanpersen en afpersen, waardoor de straten van Leiden nu dikwerf onder loopen, als de wind sterk uit het noord-oosten waait, en het Sparen een' voet 2 of 3 minder is dan gewoonlijk, zoodat de schepen er niet over kunnen komen, maar dikwerf drie of vier dagen tegen Haarlem en Sparendam moeten blijven liggen en toeven door gebrek aan water, waardoor de kooplieden dikwerf verkort worden en groote schade lijden, door het bederven van hunne waren.
110. Welligt zal iemand zeggen: als het een drooge zomer is, zoo zal er ook weinig water in de Ringsloot zijn. Maar datzelfde heeft plaats of de Meer bedijkt is of niet; want als het een drooge zomer is, dan is er nimmer veel water in de binnenpolder, noch op de Meer.
111. Daartegen zal ik een goed middel stellen: Men make de buitensluizen met contradeuren, of schore die deuren toe, en late niet meer water uitloopen, dan men in het schutten van de schepen van nooden heeft, gelijk men in Noord-Holland doet, als er weinig water is. Op die wijze laat men de nieuwe sluis of? dijker tot Sparendam en te Nauwerna? toestaan, om het water in te houden.
112. Dit zou ik ligtelijk hebben vergeten: Als het klare water in de Ringsloot staat, gelijk bevorens verhaald is, dan zullen de brouwers van Haarlem en Leiden dat water kunnen gebruiken, om daarvan te brouwen, en weinig of geen onderscheid in hetzelve kunnen vinden met het water, dat zij thans met groote kosten en moeite moeten halen.
113. Het principaalste en beste is nog, (wat kan er ter wereld beter wezen!) dat men in de nabijheid van een heerlijk, lofbaarlijk, gebenedijd land zal wonen, waarvan meestal des menschen nooddruft, door den zegen des Heeren, komen moet.
114. Alzoo de stad Haarlem aan twee zijden duinen heeft en aan de zuid-oost-zijde het groote water, en er niet veel goed land om de stad ligt, waardoor ook marktdagen sober en weinig moeten wezen, zoo zal het bedijken van de Haarlemmer Meer zulk een merkelijk profijt en voordeel geven, dat men het niet kan uitspreken.
115. In het beginsel, als het werk zal worden aangetast, zullen de werkmeesters (werkbazen), arbeiders en knechts dagelijks van doen hebben gereedschappen tot hun werk, hetzij hout, ijzerwerk, kordewagens en andere nooddruftige dingen, daarenboven kost en kleeding; al hetgeen zij uit de steden zullen moeten halen. In het kort, meest al hetgeen aan de Meer geconsumeerd en verarbeid zal worden, dat zal meestal in Holland blijven en weinig in andere landen gevoerd worden.
116. Alsdan dit groot, heerlijk, lofbaarlijk, notabel werk met de hulp van God bedijkt en in goede orde gebragt zal zijn en voltrokken, zoo zullen er eene menigte van boeren en huisluiden in de naaste steden komen met ros en wagens, ook mede met hunne granen: desgelijks met boter en kaas en met andere waren, hetwelk te lang zou wezen om te verhalen. Zoodat een iegelijk ligtelijk begrijpen kan (zoo als ook het gemeen spreekwoord waar is): waar het volk is, daar is nering en welvaart.
117. Hierbij zal ik nog achteraanstellen de calculatie van deze bedijking, wat ieder morgen lands, mijns oordeels, omtrent zal kosten. Voordezen heb ik dit nog eens gesteld; maar over sommige werken was ik wat te ligt geloopen, en hoop nu op alles te letten, zoo veel als doenlijk is, naar de genade, die mij de Almogende God gegeven heeft.
118. Vooreerst zullen er moeten wezen omtrent 160 kloeke achtkante watermolens, waarvan elk omtrent zal kosten 5600 gulden, bedragende te zamen 869,000 gulden.
119. De Haarlemmer Meer is omtrent in het ronde 25 duizend roeden, zoo als bij raming in den omgang is bevonden, behalve het plempwerk; als men nu rondom koopt in de breedte 40 roeden lands, om daarvan te gebruiken 10 roeden tot den ringdijk, en 12 of 14 roeden tot de gemeene ringsloot, dan blijft er omtrent 16 roeden achter den dijk liggen, waar men de molens op kan zetten en stellen, en waarvan men ook de kolken en kolkdijken bekwamelijk van zal kunnen maken, en van welk overgebleven achterland men den ringdijk mede kan onderhouden. Als iedere roede lands kost 10 stuivers in koop, dat is 20 gulden iedere roede in de lengte, en men dit vermenigvuldigt met 15000 roeden, bekomt men te zamen 300,000 gulden.
120. De ringsloot zal zijn twaalf roeden in de wijdte, en acht voeten diep, is, op de lengte van eene roede, omtrent 84 schaft aarde, om den dijk mede te maken. Iedere schaft zal aan arbeidsloon omtrent kosten 10 stuivers, bedraagt iedere roede in de lengte 42 gulden, en dat vermenigvuldigd met 15000 roeden in de rondte van den geheelen omgang van den dijk, bedraagt te zamen 630,000 gulden.
121. Voor alle zaken, zal het beste wezen, dat men den ringdijk in de breedte make; want het is beter daarna den dijk op te hoopen, dan ter zijde aan te klampen of te verbreeden, en ook mede, dat men den achterdijk van binnen, van de kruin af, vijf à zes roeden breeder make, dan die van de Beemster of andere bedijkte Meren, en de notsloot op halve diepte en op half water keerende, voor het dóórlekken en aanpersen van den ringdijk, en het water van de ringsloot, met eenen suffisanten kadijk van achteren tot eene waterkeering en separatie van de landen; want de dijk blijvende voor het gemeen, is alzoo bekwaam en vruchtbaar tot hooilanden, als anderzins, om voor het gemeen te verhuren.
122. Ook moet de ringsloot aan de westzijde, of den geestkant, vier roeden worden verwijd, hetwelk de principale vaart en uitwatering zal wezen, die ook het eerst moet gemaakt worden, om de doorvaart van Haarlem niet te beletten, noch te verhinderen; ook niet die van Gouda, ten einde ieder wèl te contenteren; en dat wel van de Ton van Haarlem af, tot aan de Wetering toe, hetgeen is omtrent lang 7000 roeden, en iedere roede in de lengte, met den aankoop van het land en arbeidsloon, zal omtrent kosten 15 gulden, bedraagt nog 105,000 gulden.
123. De Plempwerken zijn omtrent lang 1600, iedere roede zal omtrent kosten 200 gulden. Te weten, de vóórboezem over de eilanden van Ruigoord, met het gat bij den Overtoom over te plempen, ook mede bij de Ton van Haarlem, desgelijks mede bij de Kaag. De Wetering, met nog meer andere kanalen en slooten, bedraagt nog, als het te zamen gemultipliceerd is, de somma van 320,000 gulden.
124. Den Ringdijk aan de westzijde, daar de principaalste vaart zal wezen, van de Haarlemmer Ton af, tot aan de Wetering toe, van buiten aan de ring-sloot geheel te beschoeijen, zal iedere roede in de lengte omtrent kosten twaalf gulden, bedraagt de 7000 roeden in de geheele lengte 84000 gulden.
125. De binnenwerken, te weten, die wegen en slooten, molen-togten en vaarten, kolken en kolkdijken en andere affairen, worden doorgaans gerekend een derde deel te kosten van de buitenwerken, en bedragen dus nog omtrent 778,000 gulden.
126. Nog voor het maken van sluizen en uitwateringen, bij het huis Ter Hart en andere geschikte plaatsen, ook mede de kleine sluisjes, door den ringdijk, waar de molens door zullen malen, 102,000 gulden.
127. Nog voor eene rekening, indien het gebeurde, dat men de Meer het eerste jaar, als de plempwerken gemaakt zijn, niet kon sluiten, en dat men de ringsloot zoo spoedig niet op hare behoorlijke diepte kon krijgen, en dat de plempwerken daarom groote schade zouden lijden, zoo zal men genoodzaakt wezen, vier of vijf greenen sassen of kolken te maken, ter bekwamer plaatsen, om in en uit de Meer te kunnen varen, zoo lang totdat de Ringsloot op hare behoorlijke diepte gemaakt zal zijn, en de molens zoo veel water uit de Meer gemalen zullen hebben, dat alle plempwerken ontlast zijn, wanneer men de sassen weder zal kunnen opbreken en den ringdijk rondom in haar geheel digt sluiten. Dit zal nog omtrent kosten 42,000 gulden.
128. Nog aan noordshout, om desgelijks te gebruiken tot klein schoeiwerk, met het onderhoud en het betimmeren van de watermolens, aleer men aan het kavelen komt, 83,000 gulden.
129. Nog voor den Dijkgraaf en de Heemraden, Bewindhebbers, Landmeters, Opzieners, Schuitevoerders, Boden, Knechts, enz. tot aan de kaveling toe, voor drie jaren 80,000 gulden.
130. Nog aan vier Heerenhuizen of Keten ter bekwamer plaatsen, op onderscheidene kanten van de Meer, om desgelijks residentie te houden, met vier of vijf heerenschuiten tot gerijf, (om van het eene werk naar het andere te varen,) met nog sommige houttuinen daarbij, 10,000 gulden.
131. Nog tot een' toeslag en meer andere kwade kosten in voorraad, hetzij riet, rijs, takken, hout, ijzerwerk, spijkers en arbeidsloon, als men in het bedijken is; om de plempwerken dagelijks te onderhouden, zoo lang als het water in de Meer nog kracht baren kan; om in den ringdijk de kwade steden te voorzien en nog andere kosten meer. Idem.
132. Eenige vergaderingen met de groote steden, desgelijks mede met de Heeren van Rhijnland, en andere huislieden van omliggende dorpen, om alzoo gelijkerhand in het goede met elkander te accorderen, en om alzoo dit groote, heerlijke, lofbaarlijke werk met Godes hulp te beginnen, en tot een goed einde, met alle orde, in kavelingen te brengen, 70,000 gulden.
133. Nog zijn twee voorname zaken, die wel bedacht dienen te wezen. De eene is, dat de ringsloot en de trekweg mede door de stad Leiden moeten gaan, opdat het stroomende water van de molens mede door Leiden heen en weêr zou zwieren en stroomen.
134. De andere is: indien het gebeurde, dat de grond of slibber voor Sparendam begon op te droogen en te vervuilen (vermits Sparendam in eene hop of inwijking gelegen is), hetwelk de scheepvaart zou verhinderen en beletten (waarvoor ons God wil verhoeden), zoo zal men verpligt zijn de Nieuwe vaart, van Haarlem af, tot aan het huis Ter Hart toe, te verwijden, zoo vele roeden, als het noodig zal zijn, om aldaar eene kolk te ordonneren, en sluizen te maken, waar men altijd behoorlijk kan doorschutten op het IJ, om alzoo eene bekwame diepe vaart te behouden tot welstand van de stad Haarlem en van anderen, die deze vaart moeten gebruiken en van doen hebben. Voor deze twee notabele stukken wordt nog gerekend 100,000 gulden.
135. Dit alles bedraagt al te zamen zes en dertigmaal honderd duizend gulden. En als de Meer uitbrengt 20,000 morgen, zoo komt ieder morgen te kosten 180 gulden.
No. 118 f 896,000. » 119 » 300,000. » 120 » 630,000. » 122 » 105,000. » 123 » 320,000. » 124 » 84,000. » 125 » 778,000. » 126 » 102,000. » 127 » 42,000. » 128 » 83,000. » 129 » 80,000. » 130 » 10,000. » 132 » 70,000. » 134 » 100,000. --------- f 3,600,000.
KORT VERHAAL VAN DE MEREN, DIE IN NOORD-HOLLAND BEDIJKT ZIJN, TEGEN SARDAM EN DEN HUIGENDIJK
HETWELK AL TE ZAMEN GESCHIED IS NA HET JAAR 1608, EN OOK MEDE VAN DE SLUIZEN EN UITWATERINGEN, DIE UIT DIEN HOOFDE GEMAAKT EN GELEGD ZZIJN, WELKE DE NIEUW-BEDIJKTE MEREN HEBBEN DOEN MAKEN EN BEKOSTIGEN.
136. In den Eersten zoo is de Beemster bedijkt, is groot zuiver land 7545 morgen. Nog de Purmer bedijkt is groot 3000 morgen. De Wormer, groot 1790 morgen. De Schermer, groot omtrent 6000 morgen. De Enge Wormer, groot 190 morgen. De Schalsmeer, groot 75 morgen.
137. Dit alles bedraagt 18,600 morgen, zoodat de boezem aldaar nu tegenwoordig kleiner is, dan eer de meren bedijkt waren.
138. Hiertegen hebben de Heeren van de Beemster doen maken een kanaal of eene uitwatering, beginnende van de Schermer af, voor Ursem, langs den Walegsdijk, loopende mede voorbij Avenhorn en den ouden dijk, tot aan den kant van de Zuiderzee, met nog eene nieuwe sluis of duiker aldaar in den zeedijk gelegd, om het water te lossen.
139. Nog heeft de Beemster doen maken den grooten steenen Duiker op Sarendam.
140. De bedijkers van de Purmer hebben doen maken het Sas, op het Oost-einde van de haven van Edam.
141. De Heeren bedijkers van de Schermer hebben doen maken het kanaal of de uitwatering door het Kromenier en Wessaner veld, strekkende tot aan Nauwerna toe, alsmede nog de steenen sluis, die op Nauwerna gelegd is op het IJ.
142. De bedijking van de Wormer heeft doen maken eene sluis op den Nieuwendam, die uitwatert op de Wijker-meer.
143. Tegen deze nieuwgemaakte sluizen en uitwateringen malen tegenwoordig 45 watermolens meer dan te voren op den grooten boezem deden, welke boezem omtrent 18,600 morgen kleiner is, dan toen de meren nog niet bedijkt waren. De drie sluizen, te weten de Duiker op Saardam, de sluis op Nauwerna en die op Nieuwendam zijn geheel tegen de Natuur aangelegd.
144. Vele menschen in Noord-Holland kennen deze gelegenheid en uitwateringen zeer wel, en weten, dat meest altijd en doorgaans in deze kwartieren de wind zuid-west, zuid en zuid-oost waait.
145. Dit maakt veel laag water op het IJ; maar daartegen perst de Zaan altijd afwaarts en ten noorden aan. Desgelijks doet mede de nieuwe vaart van Nauwerna, als ook mede de uitwatering naar den Nieuwen dam, die toch zeer weinig nut en profijt kan doen, en zulks vermits die uitwatering door de Wijker-meer altijd vol geslikt en verdroogd is.
146. Alzoo is het ook mede met meest al de polders, die in Zuid-Holland liggen, die op de Schie en de Rotte malen en hare uitwatering hebben op de Maas; deze hebben eenen kleinen boezem en kunnen met zuid-weste-winden weinig water door hunne sluizen lozen, door het aanparsen van de Maas en het afparsen der kanalen.
NOTA.
147. Indien de Heeren bedijkers van de Beemster, in het begin der bedijking, met de Heeren van de uitwaterende sluizen, en met de stad Hoorn waren overeengekomen (hetwelk in het begin op een' zeer goeden voet stond), om de uitwatering te maken door Avenhorn en de Naamsloot, welke een zeer schoon, diep, regt kanaal en wijde sloot is, loopende ten naaste bij noord-oost-waarts aan, tot op den hoek van den Zeedijk bij de watermolens, staande bij het Hulkjen, strekkende voort tot aan de stad Hoorn bij den Zeedijk langs, dan hadden al deze nieuwbedijkte meren, met de oude landen daar omtrent gelegen, tegen den Huigendijk en Spaardam, al te zamen volkomen wel gediend en met hare uitwateringen wel geholpen geweest; ja zouden zelden of nimmermeer des winters verlegen geweest zijn met het hooge water, komende de afpersing van de Naamsloot en de afpersing van de Zuiderzee, geheel volgens de Natuur naar wensch.
148. Waarmede ik alhier wil te kennen geven, dat al de sluizen en uitwateringen, die van de Haarlemmer Meer tegenwoordig bij het Huis ter Hart, op Sparendam en elders zijn, al te zamen goed op zoodanige winden leggen, gansch en geheel met de Natuur zoo geschikt, als men maar zou kunnen begeeren en wenschen tot bekwame en volkomene uitwateringen.
149. Bij het bedijken der Haarlemmer Meer kan men nog overvloedig bekwame sluizen maken.
150. Zoodat men, naar mijn oordeel, dit voorschreven groot, noodwendig, lofbaarlijk, heerlijk en profitabel werk, het bedijken van de Haarlemmer Meer, niet behoort achterwege te houden, maar alle vlijt en naarstigheid behoort te doen en aan te wenden, om het werk te bevorderen, en dat buiten schade van de groote steden en van de oude landen van Rhijnland, of van iemand anders, aldaar omtrent gelegen.
151. Ik heb met reden klaarlijk aangewezen, dat, door het bedijken der Meren, meestal de boezems tegen den Huigendijk, het IJ en Saardam in Noord-Holland zijn weggenomen, en het water alsnu in zee lossen moet door de smalle, naauwe, lange uitwateringen en kanalen, hetgeen nog redelijker wijs gaan kan, alhoewel het met de zuid-weste-winden, die meest in Holland waaijen, tegen de Natuur komt, waarmede ik hier te kennen wil geven, dat de boezem van de Haarlemmer Meer hier niet mede te vergelijken is, welke het water wijd en breed kan verspreiden, en dat voornamelijk in den voorboezem benoorden het Huis ter Hart, hetwelk op den kant van het IJ ligt; desgelijks mede in eene groote wijde ringsloot, van omtrent zestien duizend roeden in het rond, en omtrent zestien roeden wijd, min of meer; als ook in de vaart tusschen Haarlem en Amsterdam; in het Sparen tot aan Sparendam toe, dat mede digt aan de sluizen ligt; desgelijks mede in den Amstel, de Braassem-Meer, in de vaart naar Leiden, en meer andere slooten en wateringen, zoodat, mijns bedunkens, men zelden meer dan bevorens verlegen zal zijn met het hooge water in de ringsloot. Daarenboven kan men ligter een half vat leêg tappen dan een okshoofd; het spreekwoord zegt: het water loopt waar het laagst is; hetgeen ook waar is: de eb moet lager loopen dan het binnenwater, indien het water in zee gelost kan worden; en het water kan genoegzaam in de Noordzee en in de Spaansche zee (oceaan) ontlasten, welke de moeder is van al de wateren, waar al de rivieren in uitloopen, zoo als de Schriftuur zegt, en de zee hoogt daar niet van.
152. Nog is het volgende mede een zekere regel, als het in den herfst of winter veel nat weder is en het sterk regent, zoodat de binnen-polders met hun water verlegen zijn, dan is de Haarlemmer Meer ook altijd vol water, en of dáár dan al eens eb komt, kan dit zeer weinig op zoodanigen grooten waterplas bedragen. Zoodat de regte zin van al het werk is:
»Veel bekwame goede sluizen op den IJ-kant, Doet het water wel aflossen uit het oude land."
153. Vermits ik in mijn voorgaand Haarlemmer-Meerboek zeer vele verschillende notabele artikelen voorgesteld en bewezen heb, wegens het bedijken en droogmaken dier meer, zoo is het, dat zich eenige tegensprekers opgedaan hebben, die dit niet kunnen lijden, en die dit noodwendig, treffelijk, heerlijk werk omver zoeken te stooten, en den octroyanten en verzoekers van dien een' bullebak voor oogen pogen te stellen, schermende met blinde slagen naar hunne eigen schaduw; gelijk aan een schip, dat zonder stuurman en zonder kompas roerloos door de zee vaart, met onbevaren volk heen en weêr zwierende, en de regte haven niet vinden kan, eindelijk door kwaad beleid geheel moet vergaan.
154. In de maand Junij 1642 is mij een boeksken ter hand gesteld, hetwelk is uitgegaan op naam van zekeren Claes Arentsz. Colevelt, Landmeter tot Leiden, of van eenen anderen wargeest, die sustineert en voorgeeft, dat het beter zou wezen, dat men de Haarlemmer en Leidsche meren water liet blijven, dan dat men haar tot goed land zou maken, hetgeen gansch en geheel is strijdende tegen mijne natuur en gevoelen.
155. Gelijk als hij hetzelve afbeeldt met een schip op het eerste blad, waarmede hij zijn gevoelen wil bewijzen, daar hij lust en pleizier schijnt te hebben, om nog met groote schepen in het midden van Holland door de veenen te varen, al zou ook alles bederven en in ruïne loopen wat daaromtrent is.
156. Daarbij stelt hij, dat verandering en nieuwigheid zwarigheid baren.
157. Als dat waar zou zijn, dat men geen ding zou mogen veranderen, vernieuwen of verbeteren, zoo zouden onze voorouders in vele zaken dapper gemist en gedoold hebben, welke voor ons den weg bereid hebben, waardoor nu Holland, door den zegen des Heeren, in vele treffelijke werken opgekomen en verbeterd is.
158. Omtrent drie honderd jaren geleden, was Holland nog gansch en gaar weinig, en was op vele plaatsen weinig met volk bewoond. Toen ter tijd lagen de lage landen in Zuid- en Noord-Holland nog met de buiten-wateren gelijk, en vele dammen en zeedijken waren nog niet gesloten noch gestopt, zoodat meest al die landen weinig goede vruchten konden dragen, anders als riet, rap, bobelen, biezen, dompen en ander onkruid, zoodat men daar weinige koebeesten op kon houden.
159. Het is omtrent honderd vijf en zeventig jaren geleden, dat er niet één watermolen in Zuid- of Noord-Holland was, om de landen droog te houden, gelijk mij van verscheiden geloofwaardige lieden van Delft verhaald is. Was dat in het eerst ook niet eene groote verandering en nieuwheid? Daardoor zijn nu al die voortreffelijke landen, door Gods zegen, opgekomen, verbeterd en gebeneficeerd, gelijk ook mede door de watermolens zoo vele groote meren en moerassen droog gemaakt en tot land gebragt zijn, zoo als hiervoren verhaald is.
160. Is dit niet een der principaalste middelen, waardoor Holland opgekomen is? Alsmede door de zeevaart: welke middelen onze voorouders met groote naarstigheid behartigd hebben, en waartoe de Almogende God Zijnen zegen heeft gegeven.
161. Waarmede ik alhier te kennen wil geven en aan Colevelt gevraagd wil hebben, of deze veranderingen eenige zwarigheid of schade baren? Ik kan zulks niet zien noch bemerken. Wat waren meest al de steden in Noord-Holland? Wat was Amsterdam voor drie honderd en vijftig jaren? Maar een visschersdorp, hetwelk nu, door Gods zegen, door verscheiden middelen en nieuwigheid, eene treffelijke koopstad is geworden, waar nu al die heerlijke, schoone, treffelijke gebouwen getimmerd zijn en waar nu bijna de beste gelegenheid tot de scheepvaart is, die in Europa te vinden is, en nog daarbij al die schoone, heerlijke en sierlijke beplanting op de straten en burgwallen, gelijk eene koningswarande, waardoor Amsterdam nu wel eene nieuwe wereld, of eene wereld op zich zelve genoemd mag worden.
162. Indien Colevelt elke verandering en nieuwigheid omver wil smijten, dan kan men ook wel zeggen, dat de handel op Oost-Indiën ook eene nieuwigheid is, welke gedurende mijn leven is opgekomen, en waarvan Dirk van Os, een van de eerste oprigters (auteurs) van is geweest, zoo als ik hem zelven heb hooren verhalen, welke handel nu bijkans zoo magtig is als menige Koning.
Om nu te komen tot de verandering van de andere Noord-Hollandsche steden.
163. De stad Alkmaar heeft, gelijk men zegt, haren naam gekregen van Al-meer, omdat zij rondom tusschen meren gelegen was; zij was in dien tijd ook van geene beduidenis, maar nu is zij eene bekwame, wèlgeordineerde Land-stad, met voortreffelijke marktdagen.
164. Wat was Hoorn in vroegeren tijd? Niets. Waar de stad Hoorn nu ligt, waren eenige huizen en werden genaamd: het Hoorntje; zoo als ik voorheen wel door een' oud man van Groosthuizen heb hooren verhalen. Thans is Hoorn door de verandering eene bekwame stad en wel eene zeestad.
165. Men zegt, dat Enkhuizen haren naam gekregen heeft van Enkele huizen, omdat daar eenige huizen bij elkander stonden, welke plaats nu door de verandering en den zegen des Heeren de principaalste zeestad is, voor de groote visscherij en haringvangst.