Chapter 8
»Er is in de afdeelingen ook gesproken van den wederstand, welken die droogmaking ondervindt bij twee adressen aan deze Kamer ingezonden. Wat betreft het eene van den Heer van Pallandt, dit is eigenlijk niet tegen de droogmaking zelve, maar tegen de wijze hoe, en behoort dus geheel bij de administrative en niet bij de wetgevende magt; deze Kamer kan toch wel niet beslissen, of er een stoomwerktuig te Sparendam al dan niet moet komen. Het andere van eenige grondeigenaars, waaronder een lid van Rhijnlands Bestuur, een Bestuur dat, hoe groot in magt en hoe groot in dezen ook opgevijzeld, inderdaad dan toch maar is een Polderbestuur in het groot, alleen in de middelen van uitvoering werkzaam door omslag en poldergelden door de grondbezitters opgebragt: ik zeg dit om te doen gevoelen, dat al die grondbezitters met ernst moeten wenschen, dat die al klimmende omslagen mogen verminderen, en dat vooruitzigt is er nu, dat er een breidel zal gelegd worden aan de verwoestingen van dien waterplas. Elk hunner te hooren was onmogelijk, hun aller vertegenwoordigers zijn gehoord, heb ik gezegd en herhaal ik; dus zal dat adres dan ook wel van geen overwigtig belang te beschouwen zijn."
»Stond deze zaak nu eindelijk op zich zelve, met ernst en ijver zoude ik de wet voor aannemelijk verklaren; maar, helaas! al te veel bezwaren ontmoet ik om over te stappen, om er dit ééne deel van te verkrijgen. Want behalve het reeds vroeger door mij gezegde over andere bezwaren, zoo is er nog een hoofdargument tegen, en dat is wel het voornaamste; (want over die kleine wegen en andere werken zal ik nu kortheidshalve maar niet spreken:) ik bedoel het financiëel gedeelte zelf en niet zoo zeer de grootte der sommen, die benoodigd verklaard worden; want geene sommen zijn te groot, als de vruchten daarvan zoo blijkbaar zijn te verwachten, dat alle twijfel over dezelve wegvalt; maar over het bezigen hiertoe van gelden, die moeten voortspruiten uit fondsen, aan welke eene vaste bestemming is gegeven en niet dan onzeker terug zullen zijn gekomen, dán en wanneer die benoodigd zullen zijn. Dit onderwerp nu nader te ontwikkelen zoude ik met welgevallen doen; maar in de processen-verbaal der afdeelingen en door vorige sprekers is hetzelve reeds zóó uiteen gezet, dat ik mij daarvan als nu vermeen te mogen onthouden, te meer, daar ik U Edel Mogendens aandacht welligt reeds te lang heb bezig gehouden."
»Ik moet tot mijn leedwezen derhalve Z. M. verzoeken, de wet in nadere overweging te nemen, enz."
Eindelijk verdedigde Z. E. de Minister van Financiën Jr. Beelaerts van Blokland, die tevens Lid der Kamer is, de wet, en zeide met betrekking tot het Haarlemmermeer:
»Een ander gewigtig doel van het in beraadslaging zijnde wets-ontwerp is het droogmaken van de Haarlemmermeer. Deze groote waterplas, die reeds in vroeger jaren, ja, ik mag wel zeggen in vroeger eeuwen (want reeds ten tijde van Prins Maurits werd de noodzakelijkheid ingezien), zoo veel stof tot bezorgdheid heeft opgewekt, is hoe langer hoe dreigender geworden, en de stormen in 1836 en het begin van 1837 hebben het gevaar al meer en meer aanschouwelijk gemaakt. De Regering, aan haren pligt tot 's Lands behoud getrouw, heeft dan deze gewigtige zaak tot een onderwerp van gezet en naauwkeurig onderzoek gemaakt, waarvan het ontwerp, aan U Ed. Mog. bekend, de uitkomst is; alle belangen zijn daarbij in het oog gehouden en zoo veel mogelijk vereenigd. Dit is het voordeel van een Bestuur op éénheid gegrond, dat tegenstrijdige, plaatselijke of bijzondere belangen, die in onze vorige staatsgesteltenis zoo dikwijls algemeen nuttige inrigtingen tegenhielden of dwarsboomden, aan het algemeen belang ondergeschikt kunnen worden, of liever, zonder schending van bijzondere regten zich in het algemeen belang en in het algemeen welzijn oplossen. Dezelfde redenen, die ten aanzien der ijzeren spoorwegen mij wederhielden in vele bijzonderheden te treden, wederhouden mij ook daarvan met betrekking tot dit groote werk, welks nut en noodzakelijkheid door kundige en bevoegde beoordeelaars algemeen is erkend: zoodra de commissie, met die taak belast, dezelve had afgewerkt, heeft de Regering niet gedraald in hare poging tot verwezenlijking eener zaak, die voor het geheele Rijk van het grootste belang is, omdat zij een groot gevaar zal afwenden, omtrent 17,000 bunderen lands aan het water zal ontwoekeren, en den algemeenen lands rijkdom zal vermeerderen. Maar is die noodzakelijkheid dan thans zoo dringend? Ik antwoord zonder aarzeling, ja: die noodzakelijkheid was reeds lang dringend, en wordt het dagelijks meer; vroeger konde de zaak niet worden bij de hand genomen, omdat het onderzoek moest voorafgaan; tot langer uitstel is geene reden, want dezelfde vraag, of het nu zoo dringend noodig is, kan even goed in een volgend, in een tweede, in een derde jaar, enz. gedaan worden, en zoude een uitstel tot een' onbepaalden tijd kunnen worden gerekt, tot het welligt te laat zoude zijn, en de verwezenlijking moeijelijker en kostbaarder zoude worden: gelijk één laatste druppel waters eindelijk den emmer doet overloopen, die lang vermeerdering bij stralen heeft verdragen, zoo kan één noodlottig oogenblik, door niemand te berekenen, onherstelbare rampen veroorzaken. Om deze of gene beschouwingen van ondergeschikt belang, behoort het aanvangen der zaak niet te worden uitgesteld, die kunnen in den voortgang der uitvoering worden in aanmerking genomen, en naar bevind van zaken daaromtrent worden te werk gegaan; want men zal toch de Regering niet zoo gedachteloos vooronderstellen, van niet op alle belangen, die ten dezen in aanmerking kunnen en moeten komen, te hebben gelet of te zullen blijven letten. Dat handelen naar bevind van zaken, gedurende het werk, verdient daarom niet met den naam eener gevaarlijke proefneming te worden bestempeld, zoo als in een der requesten is geschied; want wel verre, dat men de zaak aan proefnemingen zoude willen blootstellen, heeft men bij eene mogelijke gebeurtenis het hulpmiddel nevens de kwaal aangewezen. Dat ondertusschen dit gewigtig werk betere uitkomsten, in korteren tijd en met mindere kosten, dan wel vroeger was berekend, belooft, zal niemand behoeven te verwonderen, die de kracht van den stoom in aanmerking neemt: eene beweegkracht, welke onze voorouders niet gekend hebben, maar almede van den voortgang in beoefenende wetenschappelijke kennis getuigt, en zoo veel toebrengt tot de vervulling van tallooze behoeften en genietingen des levens."
»Maar heeft de Regering, met gemeen overleg der Staten-Generaal, wel het regt tot deze droogmaking? Deze bedenking, door een' geacht spreker in het midden gebragt, is zeker van gewigt, en verdient dus eene bijzondere beantwoording: aan de stad Leijden zoude de eigendom der Haarlemmermeer toebehooren; zij had dien titulo oneroso verkregen, en kon derhalve, zonder hare toestemming, daarvan niet worden ontzet; zij was ondertusschen in hare belangen niet gehoord, evenmin als Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rhijnland. Ik antwoord daarop: 1º. dat het niet juist is te zeggen, dat die steden en het Hoogheemraadschap niet zouden gehoord, of niet in de gelegenheid gesteld zijn geweest, derzelver belangen te doen gelden; het collegie van Rhijnland is geraadpleegd over het benoemen van twee leden uit deszelfs midden in de commissie om dit werk te onderzoeken en daaromtrent te advijzeren; de Heeren de Bruijn Kops en du Pui zijn daarop gedesigneerd en benoemd, omdat de eerste was Burgemeester van Haarlem, de tweede Secretaris van Leyden, en dus, zoo in die hoedanigheid, als in betrekking van Hoogheemraden, in staat waren, de belangen dier steden en van Rhijnland te doen gelden, gelijk die ook in aanmerking zijn genomen. 2º. Wat den eigendom van Leyden betreft, wilde ik wel eens weten, of die stad voor de Haarlemmermeer zich in de grondbelasting heeft aangegeven, gelijk zij verpligt zoude zijn indien zij eigenaresse was van dien waterplas, want water is zoowel in het kadaster begrepen als land; maar te regt is zij in de grondbelasting niet aangeslagen, omdat zij geen' eigendom van de Meer heeft. 3º. Al wat uit de voorgelezene oude oorkonden blijkt, is, dat zij indertijd gekocht heeft het vroon, dat is de visscherij in een groot gedeelte van de Meer: wat kan daaruit op zijn hoogst volgen? Dat zij het regt op die visscherij behoudt, zoo lang de Meer water blijft. Zij is van dezelfde conditie als ieder ander visscher, arm of rijk; maar de droogmaking dáárom tegen te houden, daartoe bestaat geen regt; indien hier een eigendom bestaat, dan staat daartegen over het regt van onteigening ten algemeenen nutte, en de uitoefening van dat regt, volgens de nog bestaande wet van 1810, kan niet verhinderd worden, maar eene vraag van schadeloosstelling doen ontstaan volgens de grondwet en het gemeene regt. Dergelijke belangen zijn ook niet uit het oog verloren: opzettelijk is daarover in het algemeen het Departement van Justitie geraadpleegd, en de uitkomst van dat onderzoek is geweest, dat de zaak daarom niet behoefde opgehouden te worden, maar dat elke opkomende reclame zoude moeten worden onderzocht, elks regten, hetzij bij den gewonen regter, hetzij elders, overwogen, en daarop regt gedaan, zoo als bevonden zoude worden te behooren. 4º. Geen bijzonder belang kan het algemeen belang in den weg staan; zij zijn voorbij, die rampzalige tijden, toen eene enkele stad de nuttigste en in het algemeen belang noodzakelijkste werken konde verhinderen; zij zijn voorbij, en gelukkig voorbij, die tijden, toen de stad Leijden aan hare gedeputeerden ter staatsvergadering van Holland de instructie konde geven en met eede doen beloven, dat zij nooit in de droogmaking der Haarlemmermeer zouden toestemmen. Wij, Ed. Mog. Heeren! hebben een' anderen eed afgelegd: wij zijn als leden der Staten-Generaal verbonden, het algemeen belang met al ons vermogen te bevorderen, zonder ons door provinciale, plaatselijke of bijzondere belangen daarvan te laten aftrekken."
»Welke, de voordeelen dezer droogmaking zullen zijn, behalve het beveiligen van een groot gedeelte des lands, en daaronder de hoofdstad des Rijks, tegen een onherstelbaar verderf, is niet wel a priori met eene volledige, dat is onbetwistbare juistheid te berekenen; maar wanneer men aanneemt, dat de droog gemaakte landen, door elkander gerekend, f 200,--per bunder kunnen opbrengen (door sommigen wordt die prijs op veel meer, door anderen op minder berekend), dan verkrijgt men voor de 16,700 bunders eene som van drie millioen drie honderd veertig duizend gulden; dit mag wel eene goede opbrengst geacht worden voor een werk, waarvan de kosten negen millioen kunnen hebben beloopen: maar dit is slechts een aanvankelijk voordeel uit de eerste schepping (om het zoo te noemen) dier landen te verwachten; die landen nemen ná de droogmaking en bebouwing in waarde toe; kudden vee worden op dezelve ter grazing geweid; het zuivel wordt in eene groote hoeveelheid vermeerderd; veldvruchten van verschillenden aard worden er geteeld; fabrijken worden er welligt hier en daar gevestigd; woningen en andere getimmerten worden er gebouwd; dorpen rijzen op; allerlei neringen en bedrijven komen er aan den gang; en terwijl het land aan het water zal ontwoekerd zijn, vinden daar duizende nijvere ingezetenen werk, duizenden worden aan armoede onttogen; van al deze vermeerderingen van welvaart, plukt het algemeen de schoonste vruchten, en deze werken weldadig op de schatkist terug, aan welke onderscheiden opbrengsten in reëele en personeele, directe en indirecte lasten toevloeien, welke dus ongevoelig de gemaakte kosten vergoeden. Eene verlichte Regering, welke dit werk zal hebben te weeg gebragt, en eene even verlichte volksvertegenwoordiging, welke door eene onbekrompene medewerking de Regering daartoe zal hebben in staat gesteld, zullen zich bij eene dankbare nakomelingschap eene eerzuil hebben gesticht, duurzamer dan metaal of marmer."
»Eene derde soort, enz. [92]"
»Ik heb de hiervorenstaande redevoeringen gegeven, zoo als zij in de Nederlandsche Staats-Courant zijn geplaatst [93]. Men ziet uit dezelve, dat ik bij den aanvang niet ten onregte zeide, dat van de vijftien Leden, »die over de voorgestelde wet het woord hebben gevoerd, er niet één is geweest, die zich tegen de droogmaking van het Meer heeft verklaard, ja dat de meeste hunner het het vewezenlijken van dit zoo lang reeds beraamd plan wenschelijk hebben genoemd."--De voorgedragene wet is met 46 stemmen tegen 2, zijnde die van de Heeren Beelaerts van Blokland en Weerts, afgestemd.--Mag men geruchten gelooven, dan houdt de Regering zich nog steeds onledig om dit plan te verwezenlijken, en zou Z. M.--wiens belangstelling in alle nuttige ondernemingen nog dezer dagen, door het Besluit tot het aanleggen van eenen ijzeren spoorweg naar Arnhem, op nieuw gebleken is,--den Minister van Binnenlandsche Zaken hebben gelast, om eenige proeven te doen nemen, ten einde te geraken tot de bepaling der beste wijze van uitvoering dier onderneming, ingeval men mogt besluiten, om daarmede eenen aanvang te maken. Is dit zoo, dan mogen wij ons vleijen, dat nog in onzen leeftijd die inwendige vijand, gelijk men het Haarlemmermeer met regt mag noemen, zal worden ten ondergebragt: en dat nog eenmaal het nageslacht, het alsdan bloeijend Haarlemmermeer, welig bebouwd en talrijk bewoond, aanschouwende, met dankbaarheid aan de zorgen van het voorgeslacht zal denken. De Allerhoogste schenke hiertoe Zijnen zegen!
Amsterdam, 1838.
Candore et ardore.
HAARLEMMERMEER-BOEK.
BESCHRIJVING EN VOORBEREIDING TOT HET BEDIJKEN EN DROOGMAKEN VAN DE HAARLEMMER-MEER.
Om te vertoonen aan de Edele, Wijze, Voorzienige Heeren, de Staten van Holland, en aan Zijne Hoogheid den Prins van Oranje, enz. Ook mede aan de Edele Heeren Burgemeesteren, Raden en Regenten van de groote Steden Haarlem, Leiden, Amsterdam en Gouda. Desgelijks aan de Edele Heeren Dijkgraaf en Heemraden van Rhijnland. Dat zij, als overste bewindhebbers, gelieven hierin een weinig te speculeren, en mede helpen handhaven eendragtelijk te zamen met goeden raad en daad, om dit groote, treffelijke, heerlijke en lofbaarlijke noodwendige werk eens bij de hand te nemen en met Gods hulpe te mogen bedijken en voltrekken. Hetwelk zou dienen tot nut, profijt en voordeel van het gemeene beste voor het Vaderland.
Concordiâ res parvae crescunt.--Eendragt maakt magt.
Voorzienige Heeren!
Aan vele lieden, die in de nabijheid van Haarlem, Leiden en Amsterdam woonachtig zijn, is het wel bekend, dat de Haarlemmer Meer nu tegenwoordig een groot, verderfelijk en schadelijk water is, gelijk eene binnenlandsche zee, die alle jaren eene groote afbreuk doet aan de omliggende landen en ingezetenen, gelijk een verslindende wolf, zoodat de vrees niet ongegrond is, dat het kind al geboren is, dat het zou kunnen beleven, dat die zelfde meer zoo veel zou inslijten, dat ze nabij de poort van Amsterdam zou komen, en verscheidene dorpen daar rondom geruïneerd zouden wezen. Dat men ook mede den Haarlemmerdijk aan de zuidzijde op verscheidene plaatsen met groote kracht van paalwerk tegen de Meer zou moeten houden. Hetwelk ik alhier navolgende bij verscheidene exempelen zal verhalen.
2. Verscheidene lieden van Aalsmeer hebben mij verhaald, dat bij hun leven, door deze Meer, eene groote menigte van Morgen-talen weggesleten is, bijna een kenning van het land af. Daarenboven is mij nog door twee geloofwaardige lieden verteld, dat het huis van hunnen vader had gestaan honderd roeden van de Meer, bij eenen landmeter gemeten, en dat tien jaren daarna het water van de Meer kwam tot aan het huis, zoodat men genoodzaakt werd het af te breken, zoodat in een jaar tien Roeden in de breedte werd weggespoeld. Te dien tijde gebeurde het ook, dat aldaar een bouwakker was gelegen van vijftien Roeden lang, die met een' grooten storm op éénen nacht gansch en geheel was weggespoeld.
3. Nog heeft mij Willem Jansz. Brechten van Aalsmeer verhaald, dat zijn grootvader zich herinnerde, dat het land van de Vennep en het land van den Ruigenhoek zoo nabij elkander kwamen, dat men de slooten daartusschen met een' stok kon overspringen. Deze en dergelijke voorbeelden zijn er vele; doch het zou te lang zijn ze alle te verhalen.
4. Maar ik kan niet nalaten te melden, hetgeen mij de Secretaris van Sloten onlangs verhaalde, dat namelijk de Meer in de nabijheid van Sloten vijftig roeden lands in de breedte op één jaar weggenomen heeft. Dat, met een' ijsgang, het ijs, 45 treden in de breedte, onder het zwoord van het land was doorgeloopen. En wat meer is, zekere Cryn Pietersz, van Nieuwerkerk, had des avonds eene fuik in de Meer gezet, aan de schor van het land; toen hij des morgens de fuik wilde halen, vond hij het land door eenen grooten storm des nachts tien vadems weggesleten en ingeloopen.
5. Cornelis Jonklaas van Aalsmeer, oud 64 jaren, bij mij wel bekend, heeft mij in de maand Maart 1641 verhaald, dat hij met zijnen vader op den Ruigenhoek gegaan heeft, dat zijn vader hem aanwijzing deed van een huis en erve, dat aldaar gestaan had, en dat zijn vader zich herinnerde, dat daar nog van de Meer af 500 roeden lands vóór het huis waren, en dat, bij zijn leven, het huis en de erve met die 500 roeden lands gansch en geheel was weggesleten.
6. Nog heeft de voorzegde Jonklaas mij bij die gelegenheid verhaald, dat zeker oud man, genaamd Gerritje Fel, zich herinnerde, dat op eenen nacht een zeker getal verdolven akkers was weggeloopen, hetwelk wel 40 roeden in de breedte was. Zoodat er deze wolf altijd zijne klaauwen inslaat, en niet schroomt den eigenaars hunne landen te benemen.
7. In hetzelfde jaar, nu onlangs geleden, in de maand van October, ben ik geweest te Haarlem, alwaar ik met verscheidene burgers veel heb gesproken over den inhoud van mijn Haarlemmer-Meerboek, en over het bedijken van de Meer; toen ben ik ook gekomen bij eene oude vrouw, geheeten Angenietje Jacobs, wonende in de kleine Houtstraat, die mij verhaalde, dat haar vader in zijn' tijd een stuk lands had, gelegen bij Hillegom, tegenover de Vennep, en dat daar nog twee groote stukken lands aan den Meerkant vóór lagen, en dat bij haars vaders leven die groote stukken lands gansch en geheel waren weggesleten.
8. Nog wist deze vrouw te verhalen, dat zij van hare voorouders dikwijls had hooren zeggen, dat het land van de Vennep en het land van Hillegom zoo digt aan elkander kwamen, dat men met een rafter of plank over de slooten kon gaan van de eene plaats op de andere.
9. Nog een zeker burger van Haarlem, geheeten Jacob Joosten, die heeft mede, in den tijd van drie jaren, bij de veertig morgen lands op het westend van Aalsmeer verloren, die door het water van de Meer zijn weggespoeld.
10. Omtrent eene week daarna, alzoo ik begeerig was van de oude gelegenheid van de Haarlemmer Meer nog meer te weten, ben ik bij eenen ouden huisman gekomen van Aalsmeer, dien ik voor dezen lang gekend heb, met wien ik veel heb gesproken. Deze verhaalde mij, dat hij in zijne jonkheid dikwijls met eene turfpont met zijn' vader over de Haarlemmer Meer gevaren had, en dat hij zich herinnerde, dat de oude kerk van Rijk bijkans een kenning van de Meer af stond, van welke kerk het kerkhof thans gansch en geheel is gesleten, en verre in de Meer ligt, omtrent honderd roeden van het land af. Ook wist deze oude man te verhalen, dat de mond van de Spiering-Meer in dien tijd naauwelijks half zoo wijd was, als hij nu tegenwoordig is.
11. Allen, die in deze omstreken van de Haarlemmer Meer bekend zijn, en eenige jaren daar van daan zijn geweest, en alsdan eens weder terug komen, zijn verwonderd, en staan bijkans of zij vreemd zijn, en die plaats nooit gezien hadden, door de groote verandering, die daar dagelijks geschiedt.
12. Nog een weinig tijds daarna hen ik gekomen bij den Secretaris van Sloten, aan wien ik dit voorgaande verhaalde, die tegen mij zeide, dat zijne voorouders wisten te zeggen, dat er nog eene kerk buiten deze weggesleten kerk van Rijk gestaan had, en dat toen men deze buitenste zuidersche kerk niet langer tegen het slijten van de Meer kon behouden, de Boeren besloten de kerk, die nu ook weggesleten is, meer landwaarts in te zetten, zoo verre als men een wit paard kon zien of beoogen, en meenden alsdan dat zij nu en altijd van het water van de Meer bevrijd zouden wezen, hetwelk daarna geheel anders gebleken is, en te bezorgen staat, dat het hoe langer hoe slimmer zal worden.
13. Nog wist de Secretaris mede te verhalen, dat aldaar omtrent nog een oude dijk-stal in de Meer ligt, die de Konings- of Keizers-weg genoemd wordt, vermits de Keizer in dien tijd er wel over gewandeld heeft.
14. Dit is mede nog heel notabel om aan te teekenen: na datum van dien heb ik eene groote kaart van Rhijnland gezien, welke geteekend was zoo als de Haarlemmer Meer van ouds geweest is, waarbij ook schriftelijk verhaald stond van de gelegenheid der zaken; dat in dien tijd de mond van de Spiering-Meer geheel digt was, en al te zamen heel land, en dat daar toen geene waterlozing bij het huis ter Hart was, en dat men toen met wagens van Haarlem af kon rijden, benoorden den Meerkant om, door Vijfhuizen en Nieuwerkerk op Amsterdam; desgelijks kon men mede rijden met den wagen van Haarlem af naar Vennep, met eene schouw over het Vennepper veer, naar den Ruigenhoek, en alzoo door Aalsmeer naar Amsterdam of naar Utrecht. Zoodat in alle manieren wel is te vooronderstellen en te verstaan, dat deze voorzegde Meer van oude tijden zeer klein en ondiep geweest is.
15. Zie hier nog eene verklaring, welke ik niet heb kunnen voorbijgaan. In de maand van November 1641 heb ik met een' zeker man gesproken, die mij verhaalde, dat hij in de maand van October tot Leimuiden geweest is, en gevaren van Leimuiden tot de Wetering toe, en voorts van de Wetering door het Griet weder naar Leimuiden, en heeft het werk aldaar zoo ellendig en afgrijselijk gezien en bevonden, dat (God betere het!) zeer te beklagen is, dat die landen aldaar alle jaren zoo dapper afnemen, verminderen en smal worden, en dat aldaar maar een Weerlands vóór de veendobben in de lengte vóór ligt; dat men dáár naauwelijks een' ringdijk en eene ringsloot zou kunnen maken, en dat, zoo de Meer nog eenige jaren zoodanig blijft liggen, en er dan een zware ijsgang uit het noordoosten of noorden komt, gelijk als ligtelijk gebeuren kan, de Meer alsdan dáár zou kunnen inbreken; zoo zou de Meer met de Drecht gemeen wezen, en alsdan zou de zeewolf zijne passagie in de veenen nemen, en doorwroeten dezelve aldaar zoo dapper met zijn onbesturig wezen, dat velen, die daaromtrent wonen, zouden moeten opbreken, en hunne woonplaatsen ruimen.
16. In het jaar 1642, omtrent Mei, ben ik weder over de Haarlemmer Meer gevaren naar Aalsmeer, en alzoo door het veld het oosteinde inkomende, heb ik die landen aldaar zoo ellendig bevonden, aan stukken en brokken. Een groot deel was met den beugel van de boeren uitgehaald, en het andere resteerende werd van de Meer gansch en geheel vernield en verslonden, hetwelk zeer droevig is om te zien. Ik ben alstoen weder bij mijne oude kennissen, Willem Jansz Brechten en Arent Brechten, gekomen, met wie ik veel gesproken heb van de omstandigheid van de Meer, welke mij verhaalden, dat daar bij een mans leven wel zóó veel lands, benoorden Aalsmeer, van de Meer weggesleten is, als het land nu tegenwoordig breed is, dat tegen de Meer en het dorp Aalsmeer ligt.
17. Nog verhaalden mij deze lieden mede, dat zij wel 13 of 14 huislieden gekend hadden, die op den Ruigen-hoek woonden, die zij bij namen noemden, die aldaar huizen, erven en groote landerijen gehad hadden, dat welhebbende lieden waren, welke huizen, erven en landen nu gansch en geheel van de Meer weggespoeld en vernield zijn. Is dit niet droevig, en zeer beklagelijk, dat men in het midden van ons vaderland dit groote verderf moet zien en lijden, hetwelk men, menschelijker wijze, met Gods hulp wel beschutten kan?