Chapter 7
»Maar hoe het ook zij: uit het regt, dat Leijden heeft op een gedeelte van het Meer, volgt niet, dat het droogmaken van dien plas ongeoorloofd zoude zijn; maar, dat het droogmaken niet behoort te geschieden, zonder behoorlijke schadeloosstelling. Of zoude men, om eene visscherij te behouden, welke 's jaarlijks, volgens den spreker, twee duizend guldens opbrengt, geheele landstreken aan een wis verderf moeten overgeven en eene stad als de hoofdstad des Rijks in het grootste gevaar moeten brengen? En dit toch zal eenmaal het geval zijn, indien het Haarlemmermeer niet wordt beteugeld. Zoo ooit onteigening ten algemeenen nutte billijk en regtvaardig is, dan is zij het in dit geval."
»Het verdient hier opgemerkt te worden, dat vele van die meertjes, welke de spreker heeft opgenoemd, niet op de kaarten, die in later tijd gemaakt zijn, gevonden worden; waarschijnlijk heeft het inéénloopen van sommigen derzelve het Leijdsche meer doen ontstaan, even zoo als dit vroeger door welige landsdouwen van de meer noordelijk gelegen meren afgescheiden, naderhand met dezelve in één is gesmolten, zoodat het Leijdsche meer in vervolg van tijd ook met het Haarlemmermeer, met het Oudemeer en het Spieringmeer vereenigd zijnde, meer en meer tot het IJ is genaderd en thans dien geduchten plas uitmaakt, over welken wij handelen."
»Het is waar, hetgeen de spreker zegt, dat reeds zoo dikwerf de klagten over het gevaarlijke van dat Meer zijn opgerezen, dat men bijna twijfelen zoude, of dat gevaar wel zoo groot zij. Maar juist dat herhalen dier klagten bewijst het gevaar; want dit bewijst, dat de landerijen, welke in de golven zijn verzonken, niet in ééns en door eene groote en onvoorziene omwenteling der natuur zijn vernietigd; maar door de langzamerhand voortgaande uitbreiding dier wateren. Zoo dikwerf als zware stormen in de waterkeeringen doorbraken en verlies van land veroorzaakten, werden die klagten opgeheven. Wanneer de wateren wederom geweken, de waterkeeringen óf hersteld óf met de vóórliggende landen verdwenen waren en de eigenaars derzelve het verlies, als door eene vis major veroorzaakt, hadden moeten dragen, dan, ja, zwegen die klaagstemmen voor het oogenblik; maar nieuwe rampen deden nieuwe klagten ontstaan, en nieuwe landeigenaars deden op nieuw dezelfde klagten hooren; doch ook dán werden deze stemmen wederom gesmoord. Intusschen bleef de vijand niet rusten, zijn geweld vermeerderde met zijne uitbreiding: de dorpen Nieuwerkerk, Rijk en Vijfhuizen verdwenen; de visscherij moge er bij gewonnen hebben; maar het gevaar werd hoe langer hoe grooter. In de vorige eeuw was de Akerweg nog tot waterkeering dienende tegen het Meer; het herstellen der doorbraken in denzelven, en van de waterkeering, werd toen door de landmeters van Rhijnland begroot op f 140,400 of f 188,660, naar mate dat het werk meer of minder volkomen zoude zijn. Doch men heeft toen tot andere min kostbare maatregelen de toevlugt genomen:--die Akerweg is geheel vernield,--vóór- en achterliggende landen zijn verdwenen: wij zien omtrent den Osdorper-weg, die veel meer noordelijk gelegen, toen een binnenweg was, thans dezelfde zwarigheden ontstaan;--wij zagen dien ook verschillende malen dóórbreken, en wij zagen het Haarlemmermeer de landerijen en noordelijke polders tot aan de poorten van Amsterdam en den Haarlemmerweg met groot geweld innemen."
»Aan den Koning, aan de Staten van het gewest, aan Rhijnland is hulp verzocht tegen het gevaar, waarin het land, tusschen het IJ en het Haarlemmermeer gelegen, verkeert. De Koning, de Staten van het gewest hebben zich hulpvaardig betoond: ook de onderhavige wet is een bewijs van de gezindheid der Hooge Regering om te helpen; maar de wijze, waarop het droogmaken van het Meer wordt voorgesteld, is niet voldoende, om het gevaar te weren. Ook behoeft men hier geene proefnemingen te doen, waar men zich met genoegzame zekerheid tegen de kwade gevolgen, welke uit de onderneming voor Rhijnlands boezem gevreesd worden, kan waarborgen. Het gevaar, dat men in het verkleinen van dien boezem door het droogmaken van het Meer veronderstelt, moet door andere middelen worden weggenomen, dan door het onaangeroerd laten van het Spieringmeer; want om dit aan die bedoeling te doen beantwoorden, zoude het voor de polders, die tegen den Haarlemmerweg gelegen zijn, en voor den toekomstigen polder zelven, dubbel gevaarlijk worden. Ik eindig dus met den wensch, dat, welke ook de gevolgen van het tegenwoordig ontwerp van wet zijn, het Z. M. den Koning moge behagen, dit punt in bijzondere overweging te nemen [86]".
De tiende spreker was de Heer Druyvensteyn, welke aldus sprak:
»Dat ik mij verpligt vinde mijne stem aan het voorgedragen wetsontwerp, tot uitgifte van losrenten ten laste van de overzeesche bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare werken te ontzeggen, is niet om mij daardoor te verklaren tegen het aanleggen van spoorwegen, veel minder om mij te verzetten tegen het droogmaken van het Haarlemmermeer, en zelfs niet om aan de Regering de gelegenheid te ontnemen, door bijdragen, verschillende werken van algemeen nut en belang te helpen verbeteren, maar, al in de eerste plaats, omdat ik het oogenblik, waarin wij zijn, voor dergelijke belangrijke werken niet gelukkig gekozen vind, en een verwijl, al ware het dan ook maar van korten duur, wenschelijk en voorzigtig beschouw, en ten andere, maar ook bepaaldelijk, omdat ik mij met het aangewezen fonds niet kan vereenigen."
»Of een spoorweg in ons land enz."
»Wat de droogmaking van het Haarlemmermeer betreft, hoe vele ontwerpen zijn daartoe niet reeds gemaakt, met Leeghwater en welligt reeds vroegere te beginnen; hoe vele wenschen zijn daartoe gedaan; hoe dikwerf is het noodzakelijke aangetoond, en hoe is dit Meer, onder het maken van al die plannen en berekeningen, uitgebreid, in werking en kracht toegenomen, en hoe zal hetzelve eindelijk bij zoodanigen voortgang gevaarlijk worden en eene droogmaking gebiedend vorderen?"
»Ik ben zeer voor het droogmaken van het Haarlemmermeer, en behalve het hiervoren gezegde, vereenig ik mij met de woorden der Regering in de eerste antwoorden op dit onderwerp gegeven, dat de keus niet twijfelachtig kan zijn, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen te zien; maar ik verschil van opinie omtrent de wijze van uitvoering: ik wenschte de onderneming aan partikulieren toebetrouwd te zien en, om daarbij eens in den geest van het onderwerp in eenen landelijken zin te spreken, bezig ik het spreekwoord: wien de koe behoort vat ze bij de hoornen. Bij eene eigen onderneming wordt die spreuk met ernst voor oogen gehouden, en de bewustheid van voor het groote kantoor te werken leidt niet tot nuttelooze kosten."
»In Noordholland zijn in vroegere eeuwen veertig, en welligt meer, zoo groote als kleine waterplassen, door particuliere ondernemingen in land herschapen, en mogen wij hierin den ondernemenden geest onzer voorvaderen opmerken, het tegenwoordig geslacht mag er ook op roemen, dat de moed voor groote zaken nog niet is verloren, en het droogmaken van het Haarlemmermeer nog geen onderwerp is om tegen op te zien; maar door ondervinding wijs geworden, kan zoodanige onderneming niet onvoorwaardelijk plaats vinden: bijna alle droogmakingen, ten minste in Noord-Holland, hebben, zelfs bij de geringere arbeidsloonen en bij zeer lage prijzen der levensmiddelen, óf eene ongunstige óf hoogstens eene zeer matige uitkomst opgeleverd, en bij eene vrij zeker schadelijke uitkomst, zoo als bij de droogmaking van het Haarlemmermeer toch wel het geval zal wezen, zoude de onderneming door particulieren, zonder gunstige conditiën, eene dwaasheid zijn."
»Maar de Regering kan hierin te gemoet komen: laat dezelve voor deze droogmaking, ook met inbegrip van het Spieringmeer, dat, zoo ik mij niet vergis, ook het idee der commissie is, eene billijke bijdrage aanbieden, vrijdommen verleenen en al wat tot deze zaak wenschelijk kan zijn, gemakkelijk maken, en daartegen bepalingen vasthouden, die van de zijde der Regering niet verloren mogen gaan."
»Zoo zal bij voorbeeld Rhijnland in deszelfs bestuur en regten bescherming behoeven, het zal van belangrijke bezwaren ontheven, maar ook met andere moeten belast worden; voor de ontlasting van het boezemwater, dat zich op een' veel kleineren omtrek zal beperkt vinden, zal met naauwgezetten ernst moeten gezorgd worden; de landerijen, die aan dezen verkleinden waterboezem zullen grenzen, en na de bedijking van het Meer als oude landen zullen voorkomen, zullen welligt tegemoetkoming behoeven voor het aanleggen, verhoogen of verzwaren hunner waterkeerende dijken; de plaatsing der watermolens en stoommachines, de verbetering en vermeerdering van sluizen, zal niet naar willekeur moeten geschieden; het getal der beide eerste zal aanvankelijk onzeker, maar nader in verband met de blijkbare behoefte worden vastgesteld, en meer dergelijke zaken, als door de ondervinding zullen aangewezen worden, noodzakelijk te zijn."
»Onder het voorbehoud van alle zoodanige bepalingen aan de zijde der Regering, zal het Haarlemmermeer worden drooggemaakt, zonder andere belangen te kort te doen of te benadeelen, en hoe hoog de bijdrage der Regering ook moge worden bepaald, ze zal niet onzeker en altoos minder zijn, dan de kosten eener eigene onderneming; de regten van Rhijnland zullen bewaard, de belangen der omgelegen landen zullen beschermd worden, een gevaarlijke plas zal niet meer bestaan, en aan het algemeen belang wordt eene hoogstwenschelijke en nuttige bijdrage gebragt.--Ik herzegge, aan het algemeen belang, want de provincie mag er door verbeteren, en van de mogelijkheid eener gedeeltelijke overstrooming bevrijd worden, maar 's Rijks kas alleen zal éénmaal, al moge zulks nog verre verwijderd zijn, de vruchten van het drooggemaakte Meer plukken."
»Wat eindelijk het laatste gedeelte der wet betreft, enz. [87]."
Hierop volgde de Heer de Bordes, welke zeide:
»Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer betreft, ben ik overtuigd van al het heilzame van hetzelve, en ik erken tevens, dat dit gedeelte van het ontwerp van wet zich om zeer vele redenen, uitgedrukt in de memorie van toelichting van het Gouvernement, aanbeveelt."
"Het betoog van het geëerd lid uit Leijden voor het uitsluitend regt van de genoemde stad op het Haarlemmermeer, hetzij dan op den grond van hetzelve, hetzij op de visscherij in dien waterplas, uit oude stukken ontwikkeld, is mij zeer belangrijk en wetenswaardig voorgekomen;--maar wanneer ik ook bij nader onderzoek dier stukken eene nog meer volledige overtuiging van dat regt mogt verkrijgen, zoude het voor mij geene genoegzame beweegredenen opleveren, omdat naar mijn inzien het regt der stad Leijden dan gelijk zoude staan met alle andere particuliere eigendommen, die tot bevordering van algemeen nut, behoudens eene billijke schadevergoeding, onteigend kunnen worden."
»Doch, hoezeer ik dan aan de eene zijde overtuigd ben van het nuttige der zaak, gevoel ik aan den anderen kant de billijkheid, dat een werk van zoo veel nut voor deze provincie, en waarbij het Hoogheemraadschap van Rhijnland ook zoo zeer betrokken is, niet uitsluitend worde daargesteld ten, koste van de algemeene schatkist."
»Het is wel waar, de voordeelen, welke uit die droogmaking zullen voortvloeijen, zijn niet alleen eigen aan de provincie Holland, maar ook de algemeene Staat heeft er belang bij, om die gevaarlijke binnenlandsche zee uit het midden van den vaderlandschen grond te doen verdwijnen; doch dat belang is toch meer bijzonder dat van het gewest, waarin die waterplas zich bevindt, en vooral ook dat van het Hoogheemraadschap, hetwelk daardoor zal bevrijd worden van de groote kosten, die de beveiliging van de oevers van het Haarlemmermeer jaarlijks vordert."
»Ik zoude derhalve met velen mijner medeleden instemmen, dat wel de Rijks schatkist zich met een aanzienlijk gedeelte van de vereischte kosten bezwaren kan, maar meen tevens, en wel vooral ook, omdat de toestand van 's lands kas zoo veel uitsparing vereischt, dat de mede-geïnteresseerden in die kosten moeten deelen."
»En daar ik dit in de concept-wet niet aangetroffen heb, en vooral ook, daar ik voor de algeheelheid der kosten hetzelfde fonds vind aangewezen, hetwelk ik voor den ijzeren spoorweg moet afkeuren, heb ik ook gemeend aan dit aangelegen werk, hoe wenschelijk op zich zelf, mijne stem niet te kunnen geven;--moetende ik daarbij aan de beoordeeling van meerkundigen overlaten, in hoe verre de geprojecteerde uitvoering van het ontwerp aan gegronde bedenkingen, of aan die, welke wij in deze zitting hebben hooren aanvoeren, onderhevig is, en of de raming der kosten als voldoende kan worden geacht."
»De wijze van voorziening in de vereischte kosten belet mij ook te stemmen voor de werken van verschillenden aard, en ik oordeel tevens met de afdeeling, tot welke ik behoord heb, dat die werken in de wet zelve hadden behooren uitgedrukt te worden, en dat ten aanzien der kosten, voor ieder derzelve vereischt, eene afzonderlijke opgave van hetgeen de algemeene lands-kas daarin zoude behooren te dragen, in de wet had behooren gevoegd te worden."
»Eene geregelde toestemming der Staten-Generaal in deze buitengewone credieten scheen mij zulks te vorderen."
»Het alles te zamen trekkende, is het dus niet, omdat ik het nuttige der voordragt niet gevoel, maar om den vorm, waarin hetzelve is voorgesteld, en vooral om de wijze van voorziening in de benoodigde kosten, dat ik mij gedrongen zie Zijne Majesteit eerbiedig te verzoeken deze wet in nadere overweging, te nemen [88]."
De Heer van Hoorn van Burgh »achtte de droogmaking van het Haarlemmermeer hoogst wenschelijk en heilzaam, en wees bij het betoog hiervan vooral ook op de polders van Woubrugge en anderen, die nog onder de gevolgen zuchtten der stormen van November en December 1836, en de daardoor veroorzaakte overstroomingen van het Haarlemmermeer. De vermenging echter van twee ongelijksoortige onderwerpen en het onraadzame der voorgedragen financiëele maatregelen, deden hem tegen de wet stemmen [89]."
De Heer Repelaer zeide: »Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer aangaat, hoe wenschelijk die zaak op zich zelve ook beschouwd moge worden, en in de gevolgen van belang voor het Rijk moge zijn, zoo doet zich echter alhier de vraag op, of het raadzaam is, zoodanige onderneming juist in de tegenwoordige omstandigheden te beginnen: indien er toch geen periculum in mora bestaat, zoude men dan die bewerking niet tot geschikter gelegenheid kunnen uitstellen? zijn er zoodanige dringende redenen aanwezig, welke de droogmaking van dat Meer zonder uitstel en gebiedend vorderen; waarom dan dezelve, het zij met eerbied gezegd, aan deze vergadering niet kenbaar gemaakt? Mogten er echter geene zoodanige overwegende redenen bestaan, ware het dan niet beter een gunstiger tijdstip daartoe uit te kiezen [90]?"
De veertiende spreker was de Heer Hooft, welke dus sprak:
»Ik was voornemens, om een uitgebreid advijs uit te brengen over de onderhavige wet; maar toegevende aan het verlangen van vele leden en in aanmerking nemende de lang gerekte aandacht van U Edel Mogenden, waarvan ik geen misbruik wil maken, zoo zal ik, daar vele van mijne bedenkingen reeds door andere leden zijn opgenomen, verder van het woord afziende, mij alleen bepalen tot één punt, waartoe ik mij verpligt gevoel. Daar het U Ed. Mogenden bekend is uit de stukken, welke wegens het Haarlemmermeer zijn medegedeeld, dat ik behoord heb tot de commissie, welke daarover rapport heeft uitgebragt, en als strijdig met de bemoeienissen dier commissie, voor dezelve, maar vooral voor de Regering, welke die commissie heeft benoemd, eenigzins grievend is voorgedragen, namelijk alsof het Bestuur van Rhijnland ten deze niet ware gekend; iets dat niet alleen in de afdeelingen, maar ook bij de beraadslaging van heden, en wijders in een adres aan deze Kamer gerigt en in de dagbladen opgenomen en publiek geworden, is beweerd: hierover nu moet ik U Ed. Mogenden zeggen, dat op gevraagde voordragt van Rhijnland door Z. M. de Heer du Pui, Secretaris van de stad Leijden, in die commissie is benoemd geworden, even als de Heer de Bruyn Kops, Burgemeester van Haarlem, welke ook is lid van het Bestuur van Rhijnland, zoodat twee leden van dat Bestuur in de commissie zitting hadden; dat die Heeren, even als ik voor Amsterdam daarin zitting hebbende, met ruggespraak met onze committenten hebben gehandeld, zoodat die Heeren den Heer opzigter van Rhijnland, Hanegraaff, in onze deliberatiën en ter visie der stukken hebben medegevoerd, zoowel als ik een' deskundige uit de hoofdstad; dat al de bezwaren van Rhijnland tegen het ontwerp der droogmaking zijn overwogen en geweken, voor het namens dat Bestuur aan onze commissie ingeleverd en door dezelve in deszelfs geheel overgenomen plan met teekening en raming van kosten voorzien, (thans nog ter inzage op de griffie van deze Kamer liggende), van de geprojecteerde verbeterde uitwatering te Katwijk; en dat wijders het bij onze commissie ook door mij sterk aangedrongen voornemen om de droogmaking van het Spieringmeer aan te raden, is opgegeven, alleen toen wij de zekerheid meenden te hebben, dat bovengemelde medewerking van Rhijnland getuigde van de goede gezindheid ten deze van dat Bestuur, en hetzelve daardoor genoegzamen waterboezem erkende te hebben."
»Na al dat aangevoerde, laat ik het beoordeelen, of Rhijnland al dan niet gehoord is, over aan de natie. Ik heb gezegd [91]."
In de Nederlandsche Staats-Courant van den 21 April 1838, No. 95, heeft de Heer Hooft dan ook de redevoering, welke hij had vermeend in de Kamer uit te spreken, doen drukken; ik neem uit dezelve hier over hetgeen tot het Haarlemmermeer betrekking heeft en aldus luidt:
»Heb ik iets gezegd over de ijzerbaan, althans zullen U Edel Mogenden dit van mij verwachten van het Haarlemmermeer, eene zaak, die ik daarentegen gaarne derzelver beslag zag verwerven, door deze hoogst gevaarlijke en al meer en meer toenemende vernielingskracht uitoefenende binnenlandsche zee te zien droog gemaakt en herschapen in eene welige vlakte, waartoe de wensch van allen, die de zaak kennen, zich zoo ernstig uitstrekt; en ook daaronder mag ik mij rangschikken, zoowel als grondeigenaar, alsook als belastingschuldige van Rhijnland, en vermeen dus mijne stem in die betrekking, met mijne mede-slagtoffers van de woelingen van dat Meer, zoowel voor de droogmaking te mogen verheffen, als andere bunderpligtigen aan Rhijnland, die tot dus verre gespaard zijn, er tegen willen spreken. Maar, Ed. Mog. Heeren! wat zal ik al veel bijvoegen bij hetgeen staat in het u bekend rapport der commissie van onderzoek deswege, waar ik de eer gehad heb van mijne teekening onder te stellen, en dat het noodzakelijke, het uitvoerlijke, en, in één woord, het aannemelijke daarvan vrij overtuigend moet bewijzen."
»Ik beken, dat ik gaarne gezien had, dat deze onderneming zich ook had kunnen uitstrekken over het zoogenaamde Spieringmeer; maar toegevende in dezen aan de zwarigheden, die zich in de uitvoering opdeden bij een zeer gewigtig waterbestuur in die streken, welks medewerking veel waard was en waarvan de tegenwerking niet verkieslijk was, zoo heb ik dat stuk geteekend in de volle verzekering, dat het Bestuur van Rhijnland, waarvan twee leden het rapport mede geteekend hebben, en na gehoudene ruggespraak met hunne medebestuurders, aan die commissie hoogst belangrijke hulpmiddelen hebben gesuppediteerd en door deze zijn overgenomen;--ik beroep mij, om niets meer of anders te noemen, op het project met teekening en raming van de uitbreiding van het Katwijksche kanaal, ter griffie dezer Kamer in natura aanwezig en door Rhijnlands Bestuur opgemaakt, aan de commissie overgegeven: is dit hooren van dat Bestuur, of is het dit niet? (Ik vraag dit tot wederlegging van het ongegronde van den kreet, alsof dat Bestuur onkundig van de zaak was).--Zoo heb ik, zeg ik, dat stuk geteekend, al wordt de droogmaking niet zoo volledig als ik die wenschte: andere leden dier commissie met mij het wenschelijke van het droogmaken van het Spieringmeer opgegeven hebbende, alleen omdat wij op Rhijnlands medewerking staat maakten. Maar ik zie, dat ik uit ijver voor de zaak te verre ga, en mij inlaat in eene aanprijzing van dezelve, die minder het onderwerp onzer beoordeeling moet zijn: de vraag, of er gelden uit de schatkist voor moeten gegeven worden, is alleen van onze competentie, en ja antwoord ik daarop."
»Het is geen werk voor nageburen of omliggende grondbezitters, deze zijn reeds óverbelast in al de Rijks lasten: dit is één- en andermaal bewezen, toen wij over de grondlasten beraadslaagden; deze zijn bovendien nog zóódanig gedrukt door molen-, polder- en andere ongelden, dat abandonneren van hunne bezittingen eerder het voornemen zoude zijn, dan nieuwe lasten te dragen; met grond dus mag men 's Rijks hulp in dezen zoo goed vragen en verwachten, als wij jaarlijks andere provinciën, zoo als Zeeland en Overijssel, in verhouding tot de overige, overwigtige aandeelen zien trekken bij de begrooting in de waterwerken van het geheel; en let men er dan op, aan wie de eindelijke voordeelen van de opbrengsten der drooggemaakte gronden zullen baten, is het dan niet in de Rijks cassa, dat verre het meerendeel van al de directe en indirecte belastingen, die door de zich aldaar te vestigen bevolking zullen opgebragt worden, zullen vloeijen?"
»Eene zwarigheid nog moet ik opnemen, die noch bij de commissie bovengemeld, waar de bezwaren der stad Leijden door de welwillendheid van Z. M. zijn ingezonden geweest, noch in de aanmerkingen der afdeelingen is geopperd, maar nu voor het eerst in de beraadslaging is opgekomen tegen de droogmaking van het Haarlemmermeer, en deze is: dat dit Meer een eigendom dier stad zoude zijn, en die stad niet gehoord zoude zijn in dezen."
»Het is waar, er was in die commissie geen lid van de Regering dier stad, hoezeer de Secretaris van dezelve als lid van Rhijnland daarin zitting had. Het punt van eigendom is niet geopperd, zeide ik; doch was dat opgegeven, wel nu, het antwoord zoude zijn geweest, als men dan dien eigendom bewees: Gij, eigenaar! zorg dan, dat uw eigendom niet schade aan derden. En hoe hoog dit nu opgevijzeld is, even sterk zoude die stad dit eigendoms-regt zoeken af te schuiven, wanneer al de gelden, die het Rijk, Rhijnlands bunderpligtigen en alle zij, die schade door de Meer-wateren geleden hebben of lijden, moeten dragen, betaald zijn, op die stad eens verhaald wierden. Ik geloof dus weinig aan dat bezwaar te mogen hechten, en juiche toe, dat wij eene grondwet hebben, die in art. 215 het toezigt over die werken aan den Koning opdraagt, om die eigenaren, die door veronachtzaming van het onderhoud van hunnen eigendom anderen schaden, op den regten weg te brengen. Wat het hooren betreft, kan ik hier nog bijvoegen, dat de commissie, alléén op de vraag dier stad, een' duiker ter inlating van water van den IJssel heeft voorgedragen, en daartoe is besloten, al zijn de kosten niet in de raming opgenomen. En waarom niet? omdat die stad niet, even als Rhijnland voor de verbetering van het ja thans niet voldoende, maar nu verbeterd zullende worden Katwijks kanaal, eene begrooting en raming van kosten heeft opgegeven."