Het Haarlemmer-Meer-Boek

Chapter 6

Chapter 63,661 wordsPublic domain

"En is nu dit regt verloren gegaan, heeft men deze revenuen niet geteld en ze soms laten varen?--In geenen deele, mijne Heeren!--De stad Leijden is nog, tot op den huidigen dag, de belangrijke vruchten van haren koop plukkende:--nog wordt de visscherij in de vroonwateren door de stad Leijden gepacht, en brengt zij een bruto jaarlijksch inkomen van f 2000 op;--tot op den huidigen dag staan, der stads regt aanduidende, palen rondom de geheele uitgestrektheid van het Meer, tot aan den ingang van het Nieuwe Meer toe, tot digt aan de poorten van Amsterdam; nog tot op den huidigen dag is een lid van den Raad met het Vroonheerschap te Leijden belast, en bestaat aldaar een speciaal stedelijke opzigter over al de vroonwateren: en hetgeen mede opmerking verdient, nog tot op den huidigen dag verleent de stad Leijden, tegen betaling van zekere geldelijke retributiën, verlof tot het baggeren, het uitdiepen dus van den grond zelven, in de vroonwateren der stad."

»Ik moet vooronderstellen, dat deze facta, welke waarachtig zijn, dat deze regten, op onloochenbare bewijzen steunende, aan de Hooge Regering, hoe vreemd dit ook klinken moge, onbekend zijn geweest, en zij vermeend heeft, dat dit groote water zonder vruchttrekkend eigenaar was;--ware het anders mogelijk geweest, dat zij, onder de voordeelen, welke gedurende de bewerking door het Meer zullen opgeleverd worden, ook de verpachting der visscherij (zie no. 11 der beantwoording) zoude opgenoemd hebben? Het zal toch moeijelijk zijn, weder tot de verpachting eener visscherij over te gaan, waarvan de eigendom reeds over meer dan twee eeuwen geleden door hare predecesseuren aan Leijden is verkocht geworden, en welke visscherij reeds voor verscheidene jaren door deze stad zelve is verpacht."

»Ik trek uit dit alles deze conclusie, welke zeker niemand van overdrijving zal kunnen beschuldigen:--dat men, alvorens tot de bedoelde onderneming te besluiten, de laatstgenoemde stad in haar belang had moeten hooren, en over de schadevergoeding, op welke zij eventueel de gegrondste aanspraak maken kan, eenige opening had moeten geven. Niets van dit alles is geschied;--men leze al onze stukken, de meegedeelde memorie der Meer-commissie, nergens zal men eenige vermelding van de bedoelde regten vinden, nergens eenig bewijs, dat men hieraan gedacht heeft."

»Evenmin als men de voorafgaande belangen der stad Leijden heeft in acht genomen, evenmin heeft men het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland opgeroepen tot het geven van zijn advies, of verzocht zijne bedenkingen en raadgevingen in het midden te brengen. Het is waar, dat twee Heeren ook Hoogheemraden van Rhijnland zijnde, bij het besluit van den 7den Augustus 1837, tot de commissie zijn geroepen;--doch het is tevens waar, dat die commissie niet gemagtigd was met de belanghebbenden de quaestie over het principe te onderzoeken, maar slechts geroepen, om een bepaald eindontwerp dier droogmaking en eene begrooting van kosten op te maken, terwijl het nog opmerking verdient, dat de Heer de Bruijn Kops, een der twee Hoogheemraden, bij het besluit als Burgemeester van Haarlem wordt aangeduid, en de Heer P. A. du Pui alleen met de bijvoeging van Hoogheemraad van Rhijnland voorkomt, en, vreemd genoeg, van het Bestuur, van de Regering van Leijden zelve, niemand bij de commissie was geroepen.--Het mandaat, aan de Heeren leden gegeven, was ook geheel personeel; het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden werd, volgens mijne berigten, met niets officiëel bekend gemaakt, en het konde dus ook in geenen deele over de zaak zelve officiëel met bedenkingen tusschen beiden komen."

»Als wij nu echter nagaan, dat dit collegie meer dan zes eeuwen lang het wijd uitgestrekte district van Rhijnland heeft beheerd, en met zoo krachtige regten en privilegiën der oudste Heeren des Lands is beschonken geworden, dat het maakt en verzorgt al de belangrijke uitlozingen van deze vruchtbare landstreek,--dat het, onder zijn gebied en surveillance, 268 watermolens, die alle op den boezem van deszelfs district uitmalen, geplaatst ziet, waardoor van zijnen ingewikkelden waterstaat, en het getal der polders op hetzelve uitlozende, te oordeelen is; als wij nagaan, dat onder deszelfs bestier de sluizen op halfweg Haarlem staan, welke men, volgens het gemaakte project, met eene vierde opening wil vermeerderen en de reeds in den jare 1253 aan hetzelve toevertrouwde sluizen op Sparendam, alwaar men ook eene nieuwe bouwen wil, en eventueel, als het noodig bevonden wordt, een stoomgemaal van 180 paardenkracht zal oprigten;--als wij bedenken, dat onder deszelfs directie de sluizen van Katwijk behooren, waarvan men den aan- en toevoer ook verbeteren wil;--als wij ons herinneren, dat het de superintendentie over het geheele Meer voert, al de werken ter beteugeling besteedt en bekostigt, en hieraan--om het cijfer, door de Regering zelve opgegeven, te behouden--jaarlijks meer dan f 30,000 te kosten legt,--dan mag ik zeker vragen, hoe men bij de Regering heeft kunnen besluiten tot eene onderneming van dien omvang, van dit gewigt, van zoo veel gevaar, zonder het genoemde collegie, ik zal niet zeggen in deszelfs belang te hebben gehoord, want dat belang is en kan niet anders zijn, dan dat van het algemeen, van de grondeigenaars van Rhijnland, onder welke al de leden eene eerste plaats bekleeden,--maar zonder met hetzelve alles bedaardelijk te hebben gewikt en gewogen, zonder deszelfs voorlichting verzocht, zonder deszelfs ondervinding geraadpleegd, zonder deszelfs bezwaren te hebben uitgelokt?

»Het klinkt schoon, Ed. Mog. Heeren! 16,600 bunderen water in welige landsdouwen te herscheppen; het is aangenaam, zich, in den drooggemaakten polder, fraaije bouwmanswoningen en vette landerijen en dartelend vee voor te spiegelen, en niemand van Rhijnlands ingezetenen, veel min het collegie van Rhijnland, zoude niet gaarne zeer veel toebrengen om dit heerlijk tafereel te verwezenlijken en hunne bundergelden, zoo door een groot accres van contribuerende deelgenooten in deze gemeenschap, als door het wegvallen der onkosten, welke het Meer jaarlijks veroorzaakt, aanzienlijk te zien verminderen. Doch die verwezenlijking is, helaas! nog hoogst problematiek, en de vreeze, dat deze onderneming, in stede van 16,600 bunderen water tot land te brengen, de oorzaak zal zijn, dat meerdere duizende bunders goed vruchtbaar land in het vervolg zullen bedorven worden, heeft ons deze onderneming altijd, ik zeg niet met weerzin tegen de zaak zelve, doch met schroomvalligheid doen beschouwen."

»Tot verdediging van die schroomvalligheid hebben wij nu slechts het rapport der staats-commissie zelve in handen te nemen, in hetwelk wij met duidelijke woorden geschreven vinden, dat zij zelve niet geheel gerust, niet zeker is »van den invloed, dien de droogmaking van het Haarlemmermeer (dit zijn de eigene woorden van het rapport) nog altoos op den stand van Rhijnlands boezemwater hebben zal, en de noodzakelijkheid, die daaruit om tot het stichten van een stoomgemaal van 180 paardenkracht te Sparendam over te gaan, mogt geboren worden, hetwelk onder de bewerking eerst met volledige zekerheid zal kunnen blijken.""

»Let wel, Ed. Mog. Heeren! op deze woorden: onder de bewerking zal eerst de invloed der droogmaking op den stand van Rhijnlands boezem met volledige zekerheid kunnen blijken."--Maar dan zal het misschien veel te laat zijn, dan zal de droogmaking begonnen, de geregelde waterloop gestremd, de dijk gelegd zijn,--en wat zal er dan kunnen gebeuren, indien die invloed eens zóódanig ware, dat geene stoomkracht van 180 of meerder paarden het overtollige water tijdig genoeg, want hierop komt het aan, zal kunnen aftappen?--Alsdan zullen de verst afgelegene polders kunnen onderloopen, Rhijnlands algemeene waterstaat voor lang bedorven zijn, en nieuwe poelen en meren de oude komen vervangen!"

»Dit tijdig genoeg van het overtollige water verlost zijn, is het voorname punt, waarop alles aankomt,--dat wordt door hen, die denken alles met de stoomkracht te zullen kunnen dwingen, te veel over het hoofd gezien: zij verliezen uit het oog, dat door de ringvaart het water wel eindelijk in zee te Katwijk, of op Spaarndam of op Halfweg kan uitgepompt worden, doch dat de weg, welken het water nemen moet, te lang is, dat er te veel tijd verloren gaat, voordat de, bij de droogmaking zoo zeer verminderde en versmalde toevoermiddelen, het overtollige water bij de eindelijke uitlozing zullen aangebragt hebben, en dat mitsdien die landerijen, welke in de verder afgelegene hoeken van Rhijnland, achter den Rhijndijk en ten zuiden dier rivier gelegen zijn, niet dan zóó laat in den zomer zullen droog geraken, dat zij, geene voldoende vruchten kunnende opleveren, zullen moeten verlaten worden."

»Men schijnt hier geheel de lessen der praktijk, ons door het Katwijksche kanaal en de aldaar gevestigde sluizen gegeven, te vergeten: vier eeuwen lang sprak men over de weder-opening van den mond des Rhijns bij Katwijk, tot verbetering, tot herstelling van Rhijnlands waterstaat; de theorie sprak luid, en toonde, hoe alles met die weder-opening zoude gered zijn: ten koste van millioenen schats, waaronder Rhijnlands ingelanden lang zuchtten, werden die schoone sluizen, de bewondering des vreemdelings, gesticht en het kanaal gegraven,--en wat heeft nu de ondervinding geleerd? Dat de theorie gefaald heeft; dat het nut, op verre na, niet zóódanig geweest is als men gehoopt en gewacht had; dat zulke kanalen, waarbij in dit gedeelte van ons laag gelegen land niet die voortstrooming kan plaats hebben, welke het water snel doet uitloopen, maar zeer zwakke hulpmiddelen zijn."

Dáárin is vooral de bedenkelijkheid der onderneming gelegen, en het is mij onmogelijk hier de openhartigheid niet te prijzen van den steller van het rapport, die, door eene enkele periode, alle vroegere en tegenwoordige bekommeringen over den invloed der onderneming volkomen regtvaardigt. Ik hoop dan ook, dat die van onze geëerde medeleden, uit de 5de sectie, die het bij het laatste proces-verbaal doen voorkomen, alsof de Meer-commissie, »om Rhijnland te believen, de zaak voor hetzelve smakelijk te maken en aan zijne vooroordeelen te gemoet te komen, bepalingen in het plan had opgenomen, die afkeuring verdienen," hieruit zullen ontwaren, dat men ook zonder met oude en belagchelijke vooroordeelen behebt te zijn, veel zwarigheid in deze zaak vinden kan, hoe weinig men ook genegen is hare wenschelijkheid te betwisten."

»Ik noemde zoo even, met een woord, de Staten der provincie, alsmede in deze, op eene onverklaarbare wijze, voorbij gezien, en beroep mij op de art. 223 en 224 der grondwet, waarbij het toezigt over alle indijkingen en droogmakingen aan de Staten der provinciën, binnen welke zij gelegen zijn, verbleven is, om hieruit af te leiden, dat de deliberatie over het al of niet ondernemen der droogmaking, welke toch de basis der aanwijzing van de fondsen zijn moet, grondwettiger bij de Staten der provincie dan bij de Staten-Generaal te huis behoorde."

»Er ligt voor mijn gevoel iets stuitends in, om eens een ander voorbeeld te kiezen, dat de Staten-Generaal zouden delibereren over de al of niet droogmaking van het Sloter- of Tjeuke-Meer in Vriesland, zonder dat de Staten dier provincie collegialiter van het plan en de wijze van uitvoering eenige officiëele kennis zouden dragen: het bevreemdde mij, nergens in de gewisselde en overgelegde stukken eenig bewijs gevonden te hebben, dat de Staten van Holland over deze onderneming zijn gekend geworden."

»Bij dit alles, waarmede ik de geëerde aandacht van U Ed. Mogenden reeds veel te lang heb bezig gehouden, zij het mij nog vergund, met weinige woorden het denkbeeld te bestrijden, bij de antwoorden der Regering, onder no. 12, aangegeven, alsof het nog eenigzins twijfelachtig zoude zijn, waaronder de eventueel drooggemaakte polder zoude behooren; men zegt namelijk, »dat dit later overeenkomstig de bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen zal kunnen worden uitgemaakt."--Dit kan en moet, dunkt mij, niet quaestieus gesteld worden:--wanneer wij toch in dezelfde periode lezen, »dat de uitlozing van den toekomstigen polder op den boezem van Rhijnland zal plaats hebben," en wanneer wij, het oog op de kaart van het hoogheemraadschap werpende, zien, dat de nieuwe polder geheel omgeven zoude zijn van Rhijnlands werken, van Rhijnlands grondgebied, dan gelooven wij, dat niet het interieure polderbeheer, het huishoudelijk bestuur, maar die superintendentie, welke Rhijnland over al de polders, in het hoogheemraadschap gelegen, uitoefent,--aan niemand beter en geregelder dan aan dat collegie kan overgelaten worden.--Wat hier de grondwet of andere bestaande wettelijke verordeningen anders leeren kunnen, verklaar ik niet te begrijpen!"

»Over het financiëel oogpunt, en de eventuëele voordeelen der onderneming, zal ik in geene bijzonderheden treden. Ik wil alleen, door mijn stilzwijgen, niet doen gelooven, dat ik de gevraagde som van ruim 8 millioen voldoende acht; ik geloof integendeel, dat zij veel te laag is genomen, en dat, om maar een enkel punt te kiezen, de enorme dijk, welken men, ter afsluiting van het Spieringermeer, dwars door het groote meer heen leggen wil, zóódanig kan tegenvallen, dat hierop alleen misrekeningen voor tonnen schats kunnen plaats hebben.--Ik ben overtuigd, dat wanneer men eens aan den gang zijn zal, het rubriek der onvoorziene gebeurtenissen tot in het oneindige zal gechargeerd worden, en merk hierbij op, dat bij het rapport zelf nog werken zijn opgenoemd, als bijv. de duiker, welke tot inlating van water eventuëel in den IJssel zoude gelegd worden, waarvoor geene kosten zijn uitgetrokken."

»Ja maar," zegt men, »uit den verkoop van 16,600 overschoone bunders land zullen al die extra-kosten, met de primitief uitgelegde 8 1/2 millioen, gevonden worden. Leest slechts in de memorie van antwoord der Regering, hoe »die dreigende waterplas, in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten zal opleveren," en zijt dan overtuigd, dat de drooggemaakte bunders het uitgeschoten kapitaal ruim zullen teruggeven.--Geloove dit die wil, ik niet: ik kan het mij zelven niet wijs maken, wanneer ik de geschiedenis naga van zoo vele droogmakerijen, als vroeger in ons Gewest van Zuid-Holland ondernomen werden. Deze geschiedenis leert ons, dat eerst bij de tweede en derde generatie van nijvere bewoners, en nadat de eerste ondernemers zich bedorven en geruïneerd hebben, de landen eenige waarde bekomen, en zij aanvankelijk zeer magere produkten opleveren. Levendig herinner ik mij, uit de jaren toen ik als advokaat te Leijden werkzaam was, hoe ik de nijvere pachters in de Nieuwkoopsche droogmakerij voor de eigenaars der kavels heb moeten vervolgen, niet ter verkrijging van eenigen billijken interest der betaalde gelden, hieraan was niet te denken, maar tot bekoming van het noodige, om de polderlasten aan te zuiveren; vele fiksche boerenwoningen heb ik aldaar door eenen eigenaar zien stichten, bij wiens overlijden men, tegen aanzuivering der achterstallige polderlasten en de kosten des transports, woningen met de landerijen en al, bijna om niet konde bekomen."

»Nu waren al die vorige droogmakingen nog van beperkten omvang, in vergelijking van die, welke bij het wetsontwerp wordt beoogd: vele van deze werden door associatie van particulieren ondernomen, die bij het bovenkomen der landen genoodzaakt waren dezelve in cultuur te brengen:--maar hier, waar de Regering met 16,600 bunders dras moerassig land, in kort opeenvolgenden termijn, zal voor den dag komen, is het niet te gelooven, dat iedere bunder de waarde van f 100--zal kunnen gelden, en het is eer te verzekeren, dat bijaldien het Amortisatie-Syndicaat zóó lang zal moeten bestaan, totdat de kapitalen, welke men hetzelve bij deze gelegenheid wil ontnemen, uit de bedoelde onderneming zullen zijn terug gekeerd, de aanneming van deze wet aan de bedoelde institutie tot een certificaat van het ver uitgestrektste leven zal kunnen verstrekken [80]."

»Over, enz."

De vijfde spreker was de Heer Mr. Frets, welke zeide:

»Over het uitdroogen van het Haarlemmermeer en over andere werken spreek ik niet. Het wenschelijke van een en ander is in mijne oogen groot: maar niet genoeg, om daarvoor het minder wenschelijke van den geprojecteerden spoorweg ter zijde te stellen. Indien de Regering had kunnen goed vinden om de onderwerpen te splitsen, had ik daarover een afzonderlijk oordeel kunnen uitbrengen [81]."

De Heer op den Hooff liet zich over dit onderwerp dus uit:

»Over de droogmaking van het Haarlemmermeer zal ik niet spreken, ik laat dat aan andere leden over. Een geacht spreker uit Leyden heeft ons daarover veel gezegd, wat mij toeschijnt opmerking te verdienen."

»Ik twijfel verder met een gedeelte der vijfde afdeeling, waartoe ik de eer had te behooren, of, wanneer men daartoe mogt overgaan, de zaak niet met inbegrip der Spieringmeer op eene betere en min kostbare wijze zou kunnen worden uitgevoerd, dan nu is voorgesteld.--.--Ik eindig, Ed. Mog. Heeren! met den opregten wensch, dat het tegenwoordig ontwerp van wet,-- --weldra wederom geheel of gedeeltelijk, en wel gesplitst, veranderd en gewijzigd, aan deze vergadering moge worden aangeboden, en dat hetzelve alsdan de goedkeuring moge wegdragen,-- -- --waardoor het belang van het Vaderland, naar mijne overtuiging, zal worden bevorderd [82]."

De Heer Sandberg zeide, »dat hij tegen het droogmaken van het Haarlemmermeer enz. zou moeten stemmen, vermits de gelden uit de bij de wet voorgestelde 30 millioen zouden moeten worden besteed [83]."

De Heer Backer »betwistte de nuttigheid en het voordeel niet, dat eenmaal de droogmaking van het Haarlemmermeer aan Holland zal toebrengen, maar vond zwarigheden in de financiëele schikkingen, die de Regering tot het volvoeren ook van deze onderneming voorstelt. Ook had hij wel gewenscht, dat men het voornemen om het Meer droog te maken, nog eenigen tijd had vertraagd, totdat over deze zaak meerder licht zoude zijn verspreid; dat men met de opiniën der onderscheidene belanghebbenden meer bekend zal zijn geworden, en de betrekkingen tusschen den droog te malen polder en Rhijnland beter geregeld zouden zijn [84]."

De Heer van Reenen behandelde dit onderwerp uitvoerig en zeide hoofdzakelijk:

»Met blijmoedige dankbaarheid vernamen vele inwoners der polders, welke sedert zoo vele jaren geteisterd zijn geworden door het dagelijks toenemend geweld van het Haarlemmer-water, dat de beveiliging tegen hetzelve een onderwerp uitmaakte van de zorg des Konings. Gedurende ruim twintig jaren had ik het bestuur over een poldertje, dat op zich zelf klein is, doch al de nadeelen gevoelt, welke de omliggende polders van Sloten door het Haarlemmermeer-water lijden. Natuurlijk waren dus de lotgevallen van die landstreek en de geweldige uitwerkingen, welke het Haarlemmermeer, bij westelijke en zuid-westelijke winden, op dezelve uitoefent, zoowel als de middelen om dien geduchten vijand te weren, een punt bij mij van gedurig onderzoek. Ik zag, dat de geschiedenis en de physieke aard der gronden zelve bewijzen, hoe groot het gevaar is, dat van dien kant eene landstreek dreigt, welke, tusschen het Meer en het IJ gelegen, boven de 18000 guldens in de grondbelasting van het Rijk draagt; aan Rhijnlands bundergeld meer dan 9600 guldens opbrengt; jaarlijks groote sommen tot polderlasten moet dragen; en geene hulp van Rhijnland ontvangt in deszelfs verdediging tegen het Haarlemmermeer. De verwoestingen, welke die plas in de aan denzelven grenzende polders, zoowel in vroegeren tijd als in de laatste jaren, en ook onlangs in 1837 heeft aangerigt, zijn te wèl bekend, dan dat ik de oplettendheid van U Edel Mogenden zoude behoeven te vermoeijen met eene beschrijving der rampen, die dezelve, ten gevolge der jaarlijks toenemende kracht van dat water, op verschillende tijden hebben geleden."

»Groot was de hoop van die polders en van vele ingezetenen des lands, die zoo dringend van de Hooge Regering hulp hadden afgesmeekt, toen zij vernamen, dat de droogmaking van het Meer, welke zij als het éénige middel tot het bewaren van een belangrijk gedeelte des Rijks beschouwden, het onderwerp van een voorstel van wet uitmaakte."

»Ook ik verheugde mij, dat zoo doende, nu, terwijl het nog tijd is, een maatregel zoude worden genomen, die, indien dezelve vroeger had plaats gevonden, kostelijke landen en dorpen zoude hebben bewaard en het nutteloos verspillen van vele schatten zoude hebben uitgewonnen: doch die ook nu nog ten minste het gevaar kan wegnemen, dat, wel in een verwijderd, doch niettemin physiek zeker verschiet, duizende bunders land, verscheidene dorpen, ja zelfs de hoofdstad bedreigt: het gevaar namelijk, dat het Haarlemmermeer, vereenigd met de Veenplassen en het IJ, eene zee zouden daarstellen ten Zuiden en Westen der hoofdstad, weinig minder dreigende en gevaarlijk dan die, welke ten Noordoosten dier stad is gelegen. Wat daarvan de gevolgen zouden zijn, moge de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee en van het Haarlemmermeer beslissen."

»Maar groot was mijne teleurstelling, toen ik, het ontwerp van wet inziende, en de medegedeelde stukken omtrent de droogmaking onderzoekende, bevond, dat die wet door mij niet kon worden aangenomen: niet alleen uithoofde van de middelen, waaruit de kosten gevonden zouden worden; maar ook om de wijze, waarop het droogmaken van dien plas werd voorgesteld, daar deze het gevaar van die noordelijke polders en van de hoofdstad niet alleen niet afweert, maar in zeker opzigt vermeerdert, door het niet droogmaken van het Spieringmeer. Ik zal thans niet treden in andere bedenkingen tegen het werk, zoo als het voorgesteld wordt, noch aanwijzen, hoe de bezwaren kunnen worden weggenomen; want de zaak, op welke het heden voornamelijk neder komt, is het financiëele punt."

»Gaarne had ik gezien, enz."

»Indien ik mij overigens met de wet konde vereenigen, zoude ik den spreker uit Leijden op zijne gemaakte bedenkingen in het breede antwoorden. Ik ben zóó zeer overtuigd van zijn verlicht oordeel en rondborstig karakter, dat ik geenszins twijfel, of hij zoude toestemmen, dat de door hem gemaakte bedenkingen het droogmaken van het Haarlemmermeer niet behooren tegen te houden, indien dit op goede grondslagen ondernomen kan worden; eenige aanmerkingen moet ik evenwel ook thans maken."

»Uit oude stukken toont ons de spreker, dat aan Leijden het vroon van vele meertjes in oude tijden door de souvereinen dezer landen is geschonken en dat vervolgens titulo oneroso anderen door die stad zijn verkregen. Maar welk regt is verkregen? Niet het eigendoms-regt, maar de visscherij: dit blijkt uit de door dien spreker aangehaalde oorkonden zelve [85]. Ook was het de gewoonte der Graven in dien tijd, dit weten wij ook uit andere voorbeelden, niet om het eigendoms-regt op die wateren aan iemand te schenken, maar om de visscherij aan gemeenten, kerken of pieuse instellingen, ter verpachting, toe te staan: zoo is ook in dien tijd de visscherij in het Sloterdijkermeer aan de kerk te Sloterdijk geschonken: en evenwel heeft dit niet belet, dat de Staten van Holland en West-Vriesland, op den 7den December 1641, octrooi hebben verleend tot het droogmaken van dien polder. Deze is dan ook sedert dien tijd in zeer vruchtbaar land veranderd, doch thans weder, ten gevolge der stormen van 1836 en 1837, in een' waterplas herschapen, met welks droogmaking men bezig is."