Chapter 5
»Dan ook tegen dit werk doen zich eenige bedenkingen op. Want om, ter bekorting mijner rede, niet terug te komen op alles, wat daaromtrent reeds in de verbalen der beraadslagingen van de afdeelingen nopens het hooren der belanghebbenden, de verzekering van wettig verkregene regten, de berekening van het productive des werks, en meer andere punten is gezegd, en naar mijn oordeel in de beantwoording der Regering niet tot bevrediging en geruststelling van U Edel Mogenden is opgelost; om al verder niet te treden in een betoog van de noodzakelijkheid, dat nieuwe wetsbepalingen, op het stuk van de onteigening, het daarstellen van zulke groote werken, als in dit wetsontwerp worden voorgedragen, dienen vooraf te gaan; wil ik thans alleen opmerken, dat de gegrondheid van het gevoelen van velen onzer, dat dit werk, hoe nuttig hetzelve ook wezen moge, echter meer uit het oogpunt van plaatselijk, districts- en gewestelijk, dan wel uit dat van algemeen belang moet worden beschouwd, onder anderen dááruit blijkt, dat Rhijnland, volgens het overgelegde plan en teekening, eene volledige verbetering in het Katwijksche kanaal zoude erlangen, eene verbetering, waartoe anders, zoo als door de vijfde afdeeling te regt is aangemerkt, bij den onvolmaakten toestand, waarin dat kanaal zich bevindt, Rhijnland toch verpligt zoude zijn, vroeger of later over te gaan. Ook is dit gevoelen niet alleen door de beantwoording der Regering niet wederlegd, maar zelfs aanmerkelijk versterkt door hetgeen aldaar sub 5º. en 9º. te lezen is, namelijk »dat de kosten, om den oever van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, thans zeer groot zijn; dat de geheele oostelijke oever door eene steenen glooijing voor verdere inbraak moet worden beschermd; dat daartoe de som van omtrent f 30,000 jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rhijnland wordt aangewend; dat dit district door de bedijking van het Meer daarvan zal worden bevrijd; en dat dit niet het éénige voordeel is, hetwelk hetzelve door de droogmaking zal bekomen, maar dat ook het aantal van 16,700 bunders voor de uitlozing van deszelfs water zat moeten bijdragen, zoodat dit district het uitzigt verkrijgt, dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.""
»Kan het wel duidelijker, Ed. Mog. Heeren! dan hier geschiedt, uiteengezet worden, dat niet alleen het algemeene Rijks-belang, maar ook wel degelijk een meer bijzonder belang in dit werk is betrokken, en kan dan het gevoelen van de zoodanigen onzer, die van oordeel zijn, dat hetzelve niet voor rekening en op kosten van het Rijk alleen dient te worden ondernomen, maar dat ook plaatselijke, districts- en gewestelijke bijdragen daartoe in billijke evenredigheid behooren te worden aangewend, ongegrond worden genoemd?"
»In sommige afdeelingen is te kennen gegeven, dat het door de Regering geopperde, doch niet aangenomen denkbeeld, om de ondernemingen aan particulieren over te laten, en dus de kosten der werken uit particuliere negotiatiën te vinden, alles onder het oppertoezigt der Regering, niet geheel verwerpelijk voorkwam, althans in het geval, dat er uitzigt bestaan mogt, dat zich daarvoor associatiën van bijzondere personen mogten opdoen. Ten aanzien van de spoorwegen, zijn daartegen in de beantwoording gewigtige bedenkingen, vooral uit de noodzakelijkheid, dat de Regering van het tarief der regten meester blijve, ontleend, ingebragt: dan ten aanzien van de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer bestaan die bedenkingen niet, en ik zoude daarom dit werk wel aan eene maatschappij van bijzondere personen willen overgelaten zien, alles onder genot van zoodanige Rijks-, provinciale en districts-bijdragen, en verdere aanmoedigingsmiddelen, als noodig mogten worden geoordeeld, om dit gewigtige werk met een gegrond uitzigt op goed gevolg tot stand te kunnen brengen."
»Wat de verdere werken enz. [77]."
Daarna sprak de Heer Donker Curtius en zeide over dit onderwerp:
»Ten aanzien van de droogmaking van het Haarlemmer Meer denk ik minder ongunstig, (dan over den Spoorweg); maar de zamenvoeging van dit onderwerp met de Spoorwegen verhindert mij, om mijne stem bij dit onderwerp alleen te bepalen."
»Doch ook, wanneer het mij op zich zelf werd voorgelegd, zoo als het thans is voorgesteld, zou ik, bij gemis van oplossing van vele ingebragte bezwaren, huiverig zijn, daaraan voor als nog mijne toestemming te geven, 1º (en dit alles is ook toepasselijk op de ijzerbanen) omdat ik het oogenblik onzer Staatkundige positie en geldelijke aangelegenheden daartoe min geschikt acht; 2º omdat mij de zaak, tot hiertoe, meer vatbaar schijnt voor particuliere onderneming, des noods met subsidie uit 's Lands Kas, dan voor eene onderneming der Regering; en 3º omdat ook dan, wanneer ik de onderneming, zoo als zij wordt voorgedragen, als volkomen aannemelijk keurde, ik niet van oordeel ben, dat daartoe eene disponibelstelling van het gansche benoodigde fonds bereids nu vereischt wordt, veel minder dat het eene behoefte zou zijn, om tot dat einde casu quo toegestemde fondsen van derzelver wettelijke bestemming te detourneren [78]."
De Heer Romme was de derde spreker, en zeide:
»Evenmin wil ik, door de afstemming der onderwerpelijke Wet, gehouden worden als tegen het droogmaken der Haarlemmer Meer op te treden; ook deze onderneming beschouw ik als nuttig en wenschelijk, en zoude mij aangaande de mogelijke uitvoering van dat belangrijke werk op de ervarenheid en het beleid van de directie van onzen algemeenen waterstaat willen verlaten; maar dewijl bij deze onderneming algemeene, gewestelijke en plaatselijke belangen betrokken zijn, zoo behooren ook deze in verhouding tot het voordeel, hetwelk de onderneming eventueel voor hen kan doen ontstaan, of den last, waarvan zij dien ten gevolge ontheven worden, daartoe bij te dragen. In zoo verre dezelve echter niet door eene oogenblikkelijke en dringende noodzakelijkheid mogt geboden worden, zoo wordt de verdaging van dien, mede uit een finantiëel gezigt, aanbevolen [79]."
Breedvoerig sprak de Heer Luzac over dit onderwerp, hetgeen hem, als inwoner der stad Leijden, natuurlijk moest ter harte gaan. Zie hier zijne redevoering:
»Ik was voornemens geweest, bij de uiteenzetting mijner gedachten over het onderhavig wetsontwerp, en de redegeving van mijn ongunstig votum, de orde, waarin de diverse onderwerpen zijn opgenoemd, te volgen, en na eene algemeene consideratie te hebben vooropgezet, mitsdien: 1º. over den spoorweg van Amsterdam op Arnhem; 2º. over den zijtak van Rotterdam op Utrecht;--in de derde plaats over het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, te spreken, om, in de vierde plaats, de overige bedoelde werken te behandelen, en met de beoordeeling van het voorgestelde finantiëel middel te besluiten."
»Ik zal dit voornemen echter laten varen en mijne taak aanmerkelijk beperken: het onderwerp der spoorwegen zal ik stil ter zijde laten liggen, en mij bij de tweede hoofdbedoeling der wet, het droogmaken van het Haarlemmer Meer, ééniglijk bepalen; ik kan mij toch ook met de bedenkingen van U Ed. Mogenden omtrent de spoorwegen, zoodanig als dezelve door de Regering zijn voorgesteld, in al de afdeelingen bestreden, evenzeer vereenigen, als met vele der gezigtspunten, zoo even door ons geacht medelid uit Holland (Donker Curtius) uit een gezet."
»De algemeene consideratie, welke, naar mijn oordeel, de beraadslagingen over dit wets-ontwerp domineert, is de finale ongepastheid en ongeschiktheid van het tegenwoordig oogenblik tot het aanvangen der bedoelde werken. Het komt mij voor, dat, bij de verwachte schikking onzer quaestiën met België, de voorzigtigheid ons moet gebieden, de verwezenlijking derzelve af te wachten, alvorens ons in ondernemingen te steken, welke (de nuttigheid volkomen eens aangenomen), aanvankelijk toch reeds op ene uitgaaf van 24 millioen geraamd worden, en ons tot beschikbaarstelling van nog vele andere millioenen zullen kunnen noodzaken."
»Ik wil de spoedige en gunstige beëndiging onzer geschillen verwachten, en vraag, of wij, na dezelve, niet beter het standpunt zullen kennen, waarop wij ons staatshuishouden zullen kunnen en moeten inrigten; of wij dan niet beter zullen kunnen beoordeelen, welke middelen wij tot verbetering onzer inwendige communicatiën moeten aanwenden; of en hoe wij Hollands grooten waterplas in welige landsdouwen zullen kunnen herscheppen?"
»Doch, enz."
»Ten opzigte van het droogmaken van het Haarlemmermeer is mijne bedenking echter van de meeste kracht; daar deze onderneming, welke reeds meer dan twee eeuwen ter sprake gebragt is, voorzeker wel in zeer rustige tijden mag ondernomen worden, en het uitstellen daarvan het algemeen waarlijk niet met zoo vele en zoo eminente gevaren bedreigt, als men dit soms wil doen gelooven. Bedenken wij toch, dat bij het opkomen van ieder plan tot bedijking, in 1617, 1632 enz., de ondergang van Holland door het Meer steeds als zeer aanstaande werd aangekondigd. In 1742 voorspelde doctor Zumbag de Koesvelt dien ondergang als zeer nabij, indien men zijne droogmakings-projecten niet volgde; zij bleven achter, en reeds bijna eene eeuw is nu gunstig over zijne profetie heengevlogen."
»Eenig uitstel zal hier weinig schaden, terwijl het onvoltooid laten des werks, ten gevolge van moeijelijkheden, waarin het vaderland nu kan gewikkeld worden, de schromelijkste gevolgen na zich kan slepen. De intempestiviteit alleen zoude mij dus reeds doen huiveren, aan het ontwerp van wet mijne toestemming te geven."
»Doch ik wil mij achter dit algemeen bezwaar niet verschuilen, en tot de wet zelve overgaan:--ik laat, zoo als ik zeide, de quaestie der spoorwegen geheel ter zijde liggen, om dadelijk en uitsluitend het onderwerp van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmermeer te behandelen."
»Hierbij doet zich al dadelijk eene zeer belangrijke vraag op, welke ik de aandacht en het onbevangen oordeel van U Ed. Mogenden moet aanbevelen,--zij is deze: »kunnen en mogen de Staten-Generaal de Regering in deze ondersteunen;--kunnen en mogen zij dit, in den stand, waarin de quaestie van het droogmaken van het Haarlemmermeer zich thans nog bevindt?" Ik houde mij overtuigd, dat deze vragen niet wel anders dan ontkennend kunnen beantwoord worden, en zal aan U Ed. Mogenden mijne redenen openleggen.--Wat is »hetgeen men het Haarlemmer- of Leijdschemeer noemt?" Is het een waterplas, welke, als b. v. de Zuiderzee, kan gezegd worden, aan het algemeen te behooren?--Is het een waterplas, welke onbeheerd, onverzorgd ligt--welke aan het domein vervallen is; over welken de algemeene Regering des Lands eenige onmiddellijke administratie heeft? Voorzeker neen!--Het is een waterplas, geheel in de provincie van Holland gelegen, tot deze alleen behoorende: hij is, en was van de overoudste tijden af, onder het oppertoezigt van een bijzonder collegie gesteld, hetwelk de zorg heeft en volbrengt, van hem, in het belang van het geheel hem omgevend district van Rhijnland, gade te slaan, en naar gelang der hiertoe bestaande middelen te beteugelen."
»Het is, en dit is opmerkingswaardig, als eene rentegevende bezitting van de stad Leijden te beschouwen; een bezit, door die stad titulo oneroso verkregen, hetwelk haar, zonder de grootste onregtvaardigheid, niet eigendunkelijk en zonder voorafgaande voldoende schikkingen, kan of mag ontnomen worden.--De Hooge Regering, Ed. Mog. Heeren! kan en moet over de bedoelde droogmaking niet beslissen, zonder voorafgaand bepaald overleg en medewerking der steden Haarlem en Leijden, zonder hierin het Hoogheemraadschap van Rhijnland, zonder bepaaldelijk ook de Staten der provincie gekend te hebben."
»Dit klinkt U Edel Mogenden welligt vreemd; doch die bevreemding zal spoedig ophouden, wanneer ik U Edel Mogenden eenige feiten uit onze Geschiedenis zal hebben kenbaar gemaakt, en U Edel Mogenden eene authentieke akte, door Willem den eersten en de Staten des Lands verleden, zal hebben doen zien: zij zal ophouden, zoodra ik U Edel Mogenden omtrent de waarachtige en nog ten huidigen dage standhoudende omstandigheden zal hebben toegelicht."
»In het werk van den beroemden Frans van Mieris, in den jare 1770, door Mr. Daniel van Alphen te Leijden uitgegeven, onder den titel van Beschrijving der stad Leijden, deel II, pag. 605, leest men:--»dit groote water (het Meer) draagt thans zijn' naam naar de steden tusschen welke het gelegen is: doch eertijds bestont het uit verscheidene kleine meeren, die van elkanderen gescheiden lagen, in dier voegen dat men langs het land van de Vennip en het uiterste van den Ruigenhoek, daar men met een schouw over het Meer gezet wierdt, op Aalsmeer of ander waard in Amstelland, of naar Woerden en Utrecht geraken konde: doch men vindt aangeteekend, dat deze weg, door overstrooming in het jaar 1496 onbruikbaar geworden, en de menigte der kleine meeren tot eenen geweldigen plas gemaakt is, nogtans zijn de namen der eertijds afgezonderde wateren tot heden overgebleven.""
»Al deze wateren waren nu, onder den algemeenen naam van Vroonwateren, dat is te zeggen, vrij onbelaste wateren, bekend, en werden in den jare 1433 door Hertog Philips van Bourgondië in erfpacht aan de stad Leijden gegeven: zoo als te vinden is in het Groot Charterboek van van Mieris, IV deel, pag. 1017."
"Margaretha, weduwe van Graaf Willem VI, herhaalde deze uitgifte in 1434 en 1435, en Philips, Hertog van Bourgondië, stelde, in de maand Junij 1451, orde, »dat die van Leijden in de gepachte vroonwateren niet verkort of beschadigd zouden worden."
»De stad Leijden namelijk had veel nadeel door het visschen van bijzondere personen ontvangen, en nu beval Hertog Philips in gezegd jaar 1451, wel uitdrukkelijk: »dat niemand in het gemelde water zonder bewilliging van de stad Leijden zoude visschen, noch eenige ruigte mogt snijden noch vervoeren, op zekere boeten, door den schout van Leijden, van de overtreders te vorderen." Men leze de handvest, bij van Mieris pag. 699."
»Op dezen voet, bij welken de vrije of vroonwateren tusschen Leijden en Haarlem nog geheel in eigendom aan den souverein verbleven, is de stad Leijden, voor 75 Wilhelmus schilden, jaarlijks te betalen, pachter geworden en gebleven, tot na de afzwering van Philips II en de vestiging van dezen Staat, door Willem den Eersten."
»En wat is toen gebeurd?--Ik bid U Ed. Mogenden hierop uwe aandacht te willen vestigen: »toen is," zegt Van Mieris, Beschrijving van Leijden, pag. 605, »het vroon tusschen Haarlem en Leyden, in het jaar 1583, geheel aan de stad Leyden verkocht geworden, en die stad is sedert in dat uitgebreide gebied door de Hooge Overheid gehandhaafd."
»Dit is geen sprookje, mijne Heeren! geene onzekere overlevering: de acte van verkoop is voorhanden, en te vinden in de Handvesten der stad Leijden, door Van Mieris, in 1759, uitgegeven, pag. 705.--Het zij mij vergund de belangrijkste periodes aan U Ed. Mogenden mede te deelen."
»De akte is van den 31sten December 1583; boven aan leest men: »Door den Prins van Oranje, de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden van Holland, representerende de Staaten van 't Land, aan de stad Leijden verkogt het vroon tusschen Haarlem en Leijden, &c. &c.--en zij begint aldus:"
»»Willem, bij der gratien Goodts, Prince van Orangnen, Grave van Nassou &c. &c.--mitsgaders die Ridderschappen, Edelen en Gedeputeerden van de steden van Hollandt, representerende de Staten van den selven Lande: Doen te wetenen, dat naerdyen bevonden is de Domeynen van Hollandt, in voorleden tyden, ende verscheyden jaeren successivelycken, zoo by 't vercoopen ende versetten van dien, als belastinge van renten daer op gestelt, zeer vermindert, becommert ende beswaert te zijn, in der vougen, dat uyt die jaerlycxe vruchten ende incomsten derzelver de voorsz. renten ende lasten daer op staende nyet en mochten worden voldaen, waerdeur &c. Omme hier tegens te voorsien,--wy raetsaem bevonden hebben, by zeeckere commissarissen, soo uyt de Edelen ende Gedeputeerden van de steden, als uyt den Raide Provinciael--te doen procederen, tot vercoopinge van diversche partyen van Domeynen. Welcke commissarissen onder andere overcomen zyn met die Burgermeesteren, ende Regeerders der stede van Leyden, als dat sy luyden in coope hebben ende behouden zullen, ten behouve van heurluyden stede, de partyen van Domeynen hier naer verklaert.""
»»Eerst, d'erffpacht van vyff en 't zeventich Wilhelmus schilden, verscheynende tot twee termynen 't jaer--die de voorschreven stede jaerlycks schuldig is, van 't vroon tusschen Leyden ende Haarlem, voor de somme van twee duysent achhondert ponden van XL grooten Vlaemsch 't pondt:--Item, &c."--Vervolgende de akte, na de opnoeming van andere verkochte recognitiën, thijnsen en regten, aldus: »Ende alzoo de voornoemde stede van noode is daervan te hebben haerder verseekertheyt, Onze open brieven daertoe dienende; soo ist, dat Wy, hebbende de voorsz. vercoopinge voor aengeneem, ende willende te goeder trouwe procederen mitte voornoemde stede, ende haer verseeckeren zoo 't behoort, hebben denselven verkoft, gecedeert en getransporteert, vercoopen, cederen ende transporteren bij desen, de voorsz. partyen van Domeynen, hier vooren geroert, vry, zonder opstal van eenige renten, omme deselye voor haer, off actie van haer hebbende, in vryen eygendom te besitten ende gebruycken, sonder dat daervan eenige nacoop, naestinge off lossinge zal mogen geschien.--Beloven voorts de voorsz. coope by alle tractaten van peyse te houden staen, ende te doen approberen, ende de voorn. stede--te garanderen vry, costeloos ende schadeloos te houden van alle actien, aenspraken ende pretensien, die selve ter cause van de voorsz. coope gemoveert sullen mogen worden. Oock en sullen de voorz. partyen van domeyen bij geen mesuren ofte delicten verbeurt mogen worden, ten ware d'eygenaer van dien eenige verraderye tegen 't gemeen Vaderland aanrichte." Dat nu de stad Leijden deze domeinen, zegt de acte, gekocht heeft, zal hierdoor wel bewezen zijn, even zeer als het buiten kijf is, dat de stad zich aan geene verraderije tegen het gemeene Vaderland heeft schuldig gemaakt, en ze hierdoor kan verloren hebben; doch het blijkt ook, dat zij de kooppenningen voldaan heeft, want de quitantie, in dato 14 November 1584, is bij Van Mieris, pag. 707, achter het bedoelde stuk gedrukt."
»Na deze lecture veroorloof ik mij nu deze eenvoudige vraag, quo titulo de Hooge Regering, welker predecesseuren dezen verkoop gedaan hebben, en tegen alle aanmaningen plegtig gegarandeerd, nu zonder toestemming van den eigenaar dezer regten, tot het droogmaken van het Meer, het doelloos worden van het verkochte, kan besluiten? Hoe zij deze vergadering hiertoe kan willen doen medewerken? Is het eerste gedeelte van art. 164 der grondwet dan zonder kracht geworden?"
»En nu kan men niet over de uitgestrektheid van dit vroon twisten; want van deze blijkt weder uit eene keure van den 28 Februarij 1594: »duidelijk leerende, zoo als Van Mieris zegt, pag. 707, hoeverre zich het vroon der stad Leyden uitstrekt, en uit welke wateren hetzelve bestaat.""
»De aanhef dezer keure luidt aldus:"
»»Alsoo de stad Leyden in den jaere 1433 van H. M. Hertoge Philip van Bourgongien, in der tyd Grave van Hollandt, het recht vercreghen heeft tot de visserien van de Meeren, ghelegen aen verscheyden partien tusschen Leyden, Haerlem, ende Amsterdam: ende sulcx van den selven tyd aen, in geduyrighe ende vreedsamighe possessie, ende gebruyk is gheweest, van de volgende wateren ende visscheryen, die men van oudts mit eenen name ghenoemt heeft het vroon--als de Zyl, 't Zweylant, de Norremeer, de Hemmeer, de Valckemeer, of 't Vennemeertgen, de Spriet, de Kever, de Zeven, 't Hellegat, de Zassemeer, de Greveling, de Aa, Huykersloot, de Cagermeer, de Astermeer, de Leydtschemeer, de Haarlemmermeer, de Hellemeer, de Verremeer, de Stommeer, 't Griet, de Brasemeer, de Oudeweteringhe, de Gooch, ende de Nieuweweteringhe.""--
»Hoe, in het vervolg van tijd, over die regten, over die bezitting, is gedacht geworden, alsmede hoe onze voorvaders het bedijken en droogmaken van het Meer beschouwden, is overtuigend te lezen uit eene resolutie van de Groote Vroedschap der stad Leijden, van den 6den October 1632 (bij van Mieris pag. 710), waarin deze woorden voorkomen: »Hebben de H. H. Burgemeesteren van dese stadt Leijden, de Grote Vroedschap derzelver stede voorgedragen dat--gemerkt de voorsz. Meeren dese stadt in eigendom toebehooren, ende dat de bedijkinge van dien, extreme groote schaden en interesten, jaa (dat Godt verhoede), den geheelen ondergang van de voorsz. stadt soude konnen veroorsaaken, of daarom niet goed en dienstig en ware in tijds vast te stellen, dat voortaan op 't stuk van de bedijckinge der voorz. Meeren--van wegen dese stadt niet en sal mogen werden gedelibereert nog geresolveert, dan bij de voorsz. Vroedschappen, ende alle de leden van dien tegenwoordig, of immers daartoe geconvoceerd zijnde: mitsgaders bij eenparige stemmen van alle deselve, sonder dat overstemminge daarinne plaatse sel mogen hebben."
»Nu moet men niet zeggen, dat die Leijdenaren zich hieromtrent te veel aanmatigden, en in deze resolutie, als getuigen in derzelver eigene zaak, reprochabel zijn; want ook de regterlijke Autoriteiten van dien ouden tijd erkenden en handhaafden de regten der stad op 't vroon, zoo als weder te zien en te lezen is, door eene uitspraak van commissarissen van den Hove van Holland, van Julij 1656, gegeven tegen den Bailluw van Kennemerland, »welke meende geregtigd te zijn het vischwant en de fuiken in de vroonwateren der stad Leijden, met geweld te mogen weghalen. (Zie van Mieris pag. 713.)"
»Ik vertrouw, dat U Ed. Mogenden, na de mededeeling dezer stukken, mij toch zullen toestemmen, dat hier van iets meer, dan van verouderde vooroordeelen quaestie is, en dat met zegel en brief kan bewezen worden, dat zonder de stad Leijden hierin te kennen, naar regt en billijkheid, niets behoort ondernomen te worden; ten zij wij weder wilden terugkeeren tot die ongelukkige tijden, toen de dienaren van Philips II, op de klagten onzer voorvaders over het schenden hunner regten, geen beter antwoord wisten te geven, dan hun in derzelver verbasterde taal toe te voegen: non curamus vestros privilegios."
»Onze voorvaders, die reeds in 1617, daarna weder in 1632, over het droogmaken der bedoelde plassen hoorden spreken, en deswege allerhande plans zagen maken, overdachten deze zaak met ernst en bedaardheid, en oordeelden haar van zoodanige veruitziende gevolgen, dat zij eene resolutie namen, op den 14den November 1662, bij de Groote Vroedschap der stad Leijden, »omme haar bij 't aankomen van ieder veertig (of raadslid), na het doen van den eed in die qualiteit, voor te lezen van namelijk niet te resolveren in het bedijken van de Leijdsche en naast aangelegen meeren." (Zie van Mieris, pag. 714.)"
»Ten slotte moet ik opmerken, dat de gestrengheid dezer resolutie op den 13den Julij 1750 is opgeheven geworden, de leden der groote Vroedschap van de gedane belofte toen zijn ontslagen, en wij sedert dien tijd weder over het droogmaken van het Meer ons gevoelen te Leijden vrijelijk mogen uiten."
»Tot verdere toelichting, Ed. Mog. Heeren! dezer belangrijke quaestie, moet ik hierbij voegen, dat even min als de bedoelde koop kan betwijfeld worden, even min quaestieus is, wat in de bedoelde regten aan de stad Haarlem, wat aan Leijden toebehoort.--Uit eene overeenkomst toch, door de Regenten van beide deze steden op den 6den November 1698 aangegeven, en almede bij van Mieris, pag. 715 en 716 te vinden, blijkt, dat alleen aan de stad Haarlem de visscherij in het Spieringermeer toekomt, terwijl het vroon van al de overige wateren en plassen, het Haarlemmer- of Leijdsche-meer, geheel ten bate en voordeele van Leijden kwam."