Chapter 4
»Adressant beschouwt zoodanige proefneming strijdig met het regt van den grondeigenaar, die daaraan have en goed ziet prijs gegeven.--Hij zegt, dat de ondervinding hem heeft geleerd, dat in het voor- en najaar, wanneer er eenige dagen stilte is geweest, de groote meerboezem met eene stevige koelte in één' dag een' Rijnlandschen duim en soms hooger wordt opgemalen; dat in het najaar, bij aanhoudende westewinden, dikwijls in verscheidene weken, door den hoogen stand der zee, noch te Katwijk, noch te Sparendam of elders kan worden gestroomd, dat dan de Haarlemmer Meer, door aanhoudend malen, zoo hoog wordt opgezet, dat de onbedijkte landen en ook die in zomerkaden zijn gelegen, overstroomd worden, of dat bij storm de polders, door het woedend opzetten van het water, onderloopen;--hij vraagt, wat dan zoo vele sluizen kunnen helpen, en vermeent, dat dezelve zonder nut zullen dáár zijn, omdat wanneer de Haarlemmer Meer nu in weinige weken zoo hoog kan worden opgezet, alsdan de kleinere boezem in weinige dagen boven peil zal moeten zijn."
»Requestrant geeft in de tweede plaats te kennen, dat hij zich niet zal vermeten eenige berekening te maken of het stoomwerktuig te Sparendam voldoende zal bevonden worden, alsmede of de kanalen, op zoodanige uitgestrekte ruimte, al het water, dat in zijne streken en ook achter Leijden en in dien omtrek wordt opgemalen, zullen kunnen bergen, en spoedig genoeg naar hunne uitwatering te Sparendam en elders afleiden?--Hij vermeent evenwel, dat het doelmatiger zoude zijn, wanneer dadelijk bij den aanvang van het werk, zoo te Sparendam als ook te Katwijk, een stoomwerktuig wierd opgerigt, dat dan de Spieringermeer niet tot vóórboezem zoude behoeven te worden gehouden.--Hij gelooft tevens, dat het voorzigtiger zoude zijn, den duiker, die hen, bij gebrek aan water, uit den IJssel daarvan zoude voorzien, dadelijk daar te stellen; en vraagt, voor wiens rekening, wanneer eens de meer droog zal zijn, en daarna het nut van zoodanigen duiker wordt ingezien, dit nawerk zal komen, alsmede het onderhoud der stoomwerktuigen?--Hij beweert, dat de aangrenzende landbezitters met billijkheid een' genoegzamen waarborg mogen vragen, en schadeloos behooren gesteld te worden, even als bij eene onteigening hunner gronden,--dat de meer hun eigendom is, en dat de bedijking van dezelve met eene onteigening gelijk staat.--Hij geeft te kennen dat hun regt op de Haarlemmer Meer van uitmaling en boezem sedert eeuwen onbetwistbaar is gebleven,--dat zij sinds onheugelijke jaren in Rhijnland tot onderhoud der kostbare Meerwerken betalen, alleen om in die Meer altoos het overbodige water vrij en onverhinderd te mogen uitmalen,--dat zij nooit op eenig peil zijn gezet,--dat zij hunne landerijen met die voorregten hebben gekocht, en dat de directie van Rhijnland altijd met de meeste en onvermoeide zorgen voor de uitwatering heeft gezorgd.--Hij vermeent verder, dat de voornaamste grondeigenaren in Rhijnland, immers eene commissie uit hun midden, mogt worden gehoord, ten einde zoodanige maatregelen te beramen, als waardoor elke vrees voor onzekere uitkomst wierd weggenomen en hunne duurgekochte landerijen tegen groote onheilen wierden verzekerd."
»Adressant geeft eindelijk te kennen, dat de geopperde bedenkingen en zwarigheden hem gewigtig genoeg zijn voorgekomen, om dezelve aan U Edel Mogenden met allen eerbied, in het belang van het algemeen, maar vooral ook voor hen, die in Rhijnland hun land en bestaan vinden, kenbaar te maken, in de hoop en het vaste vertrouwen, dat dezelven in uwe vergadering zullen worden overwogen en velen met hem mogen worden gerust gesteld, door meer voldoende maatregelen op vaste gronden, zonder proefnemingen."
»Uwe commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking hebbende tot eene wet bij deze vergadering aanhangig, ter inzage van de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie [71]."
Beide verzoekschriften werden ter griffie nedergelegd en de verslagen gedrukt en rondgedeeld.
Inmiddels werd het Ontwerp der Wet in de onderscheidene Afdeelingen der Kamer behandeld; uit de Proces-Verbalen der beraadslagingen bleek onder and., dat de Afdeelingen, alvorens zich met de zaak bezig te houden, eenparig verlangd hebben, dat, aangezien het tegenwoordig Voorstel drie onderwerpen bevat, welke met elkander niets gemeens hebben, hetzelve in drie Ontwerpen van Wet mogt worden gesplitst, waarvan het eerste zou handelen over den IJzeren Spoorweg, het tweede over het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en het derde over het aanleggen en verbeteren van andere werken van algemeen nut, enz.
»Nopens het droogmaken van het Haarlemmer Meer, heeft men de vraag geopperd, of daartoe nu werkelijk noodzakelijkheid bestond; welke de waarschijnlijke gevolgen zouden zijn, indien hiertoe niet spoedig werd overgegaan, en of er ook andere middelen aanwezig zijn, om die bezwaren uit den weg te ruimen? Voorts heeft men verlangd te weten, hoe veel kosten er, gemiddeld, in de laatste 10 jaren zijn aangewend, om de uitbreiding van het Haarlemmer Meer tegen te gaan; door wie de kosten zijn gedragen, en op welke wijze het Rijk vergoeding zal bekomen voor de ontlasting, welke uit eene bedijking en droogmaking zal voortvloeijen? Welke bezwaren, uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap Rijnland ontleend, het droogmaken tot nog toe in den weg stonden, en op welke wijze die uit den weg zijn geruimd. Hoe veel bunders men hierdoor voor cultuur denkt te verkrijgen, en of deze dadelijk, dan wel eerst na verloop van vele jaren, vruchtdragend kunnen zijn? Welke de voordeelen zijn, die, volgens de memorie, gedurende de bewerking door de onderneming zullen worden opgeleverd? Of het drooggemaakte Meer eventueel bij Rijnland zal worden gevoegd, en of er behoorlijk zal worden zorg gedragen voor het voortdurend onderhoud van de dijken, opdat dit niet ten laste van het Rijk moge komen?"
»Intusschen vermeenden onderscheidene leden reeds nu in het midden te moeten brengen, dat zij het droogmaken van het Haarlemmer Meer in vele opzigten als zeer nuttig beschouwen, niet alleen ter bevordering van de gezondheid der in de nabijheid wonende ingezetenen, als ten behoeve van Rijnland en van de Hoofdstad, en tot voorkoming van overstroomingen en uitbreiding van dit Meer. Eenige leden waren van gevoelen, dat, aangezien die droogmaking eigenlijk strekte ten nutte van Holland, de onderneming ook moest komen ten laste van de provinciale kas van Holland, en niet tot die van het Rijk, daar de Regering b. v. verklaard had, dat ten aanzien van de verbetering van rivieren, waarmede het belang en de welvaart van vier Provinciën in het naauwste verband staat, en de conservatie van de zeeweringen in Groningen en Vriesland de Rijksfinanciën niet toelieten, daartoe bij te dragen, terwijl overigens de ondervinding b. v. bij den Zuidplas geleerd had, dat de kosten bij de droogmakingen de ramingen verre overtroffen enz." [72].
De antwoorden der Regering betreffende dit onderwerp waren van den volgenden inhoud:
»1º. Het zoude, naar het inzien der Regering, overbodig zijn, om de nuttigheid en noodzakelijkheid van de onderworpen droogmaking in het breede te betoogen."
»Men moet zich aan den eenen kant voorstellen een' uitgestrekten waterplas van duizenden bunders, die voor de publieke welvaart niet alleen geene de minste vruchten oplevert, en voor de som des algemeenen rijkdoms verloren is, maar die bovendien, in weêrwil van de aanzienlijke kosten, die, ter verhoeding van rampen, moeten worden aangewend, de verwoesting steeds verder dreigt uit te strekken, zoodat de vrees geenszins ongegrond is, dat hij zich eenmaal tot voor de poorten der hoofdstad zal uitbreiden, onherstelbare rampen zal veroorzaken, en in eenen staat kan geraken, die de droogmaking, waartoe men eenmaal zal moeten besluiten, meer en meer moeijelijk en kostbaar maken zoude."
»Men stelle zich aan den anderen kant voor, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en door die producten den algemeenen rijkdom toegenomen, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeeld."
»De keus kan dan zeker niet twijfelachtig zijn, al ware het, dat er eenige opoffering daarvoor moest plaats hebben."
»Het heeft in vorige tijden niet aan ontwerpen, noch aan het voornemen ontbroken, om tot deze droogmakerij over te gaan; doch er waren daarmede zwarigheden verbonden, die niet gereedelijk konden worden uit den weg geruimd.
»Gelukkiglijk is dit thans het geval niet meer, en de Regering vermeent, dat, zoo ooit, dan thans, het oogenblik geboren is, dat tot deze zoo weldadige en verlangende onderneming, zonder bedenking zal kunnen worden overgegaan."
»2º. Eene onderneming van dezen aard zou echter geenszins aan eene Provincie kunnen worden opgedragen; zij is daarvoor volstrekt niet vatbaar, en dit te minder: vermits de voordeelen, die er uit moeten voortspruiten, niet uitsluitend zouden zijn voordeelen voor eene enkele Provincie, maar wel degelijk voor den geheelen Staat."
»De Regering heeft er zich steeds voor verklaard, om de algemeene verbetering der rivieren, als eene zaak van algemeen belang, voor hare rekening te nemen; alles wat daaromtrent geschiedt wordt uit 's Rijks kas bekostigd, en ook thans is men nog onledig met de overwegingen omtrent eene uitgestrekte verbetering der rivieren: met zulke groote ondernemingen laat zich het onderhavig plan het naast vergelijken; terwijl, wat de conservatie der zeeweringen betreft, dit eene zaak is van eenen anderen aard; want, over het algemeen, is het onderhoud van alle rivier- en zeedijken ten laste van de belanghebbenden, en alleen dan, wanneer de kosten van dit onderhoud hun vermogen te boven gaan, kan het Rijk met eenen bepaalden onderstand tusschen beiden komen."
»3º. Het kan niet gezegd worden, dat de kosten van uitvoering van waterstaats-werken in den regel de ramingen overtreffen. Bij verre de meeste werken is dit het geval niet, en ook is dit tot nog toe bij de droogmaking van den Zuidplas geenszins gebleken."
»Men meent dan ook, met genoegzamen grond, als zeker te kunnen stellen, dat de droogmaking van het Haarlemmer Meer voor de geraamde som zal kunnen worden bewerkstelligd. Het zou overbodig zijn, omtrent alle berekeningen deswege in de bijzonderheden te treden, daar deze gegrond zijn op veelal kunstmatige onderzoekingen, en onderworpen zijn geweest aan eene kommissie, uit de voornaamste belanghebbenden en deskundigen zamengesteld."
»4º. Het kan niet wel met volkomen waarschijnlijkheid worden voorzien, welke de opbrengst zal zijn van den verkoop der droog te maken landen, vermits zulks van zeer vele omstandigheden kan afhangen, die vooraf moeijelijk te berekenen zijn."
»Daar evenwel de waarschijnlijkheid bestaat, dat de gronden zeer goed voor weilanden en de veeteelt zullen geschikt zijn, en de situatie ook daartoe alle aanleiding geeft, zoo mag men met eenigen grond eenen redelijken prijs voor den eventuelen verkoop der landen verwachten; terwijl in allen geval de aanzienlijke voordeelen, die het Rijk door de onderneming niet ontgaan kunnen, nog eene rijke vergoeding zouden opleveren, indien de opbrengsten der gronden zelve beneden de bestede kosten blijven mogten."
»5º. De kosten om de oevers van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, zijn zeer groot, en gaan verre het vermogen der onmiddellijk belanghebbenden te boven."
»De geheele oostelijke oever moet thans door eene steenen glooijing voor verdere inbraak worden beschermd. De som van omtrent f 30,000 wordt daartoe jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland aangewend, zonder dat men zeggen kan, dat hiermede alle gevaar kan worden voorgekomen."
»6º. Onder de droogmaking zal worden begrepen het geheele eigenlijke Haarlemmer-Meer, benevens het Leidsche- en Kager Meer, met uitzondering echter van het Spiering-Meer, hetwelk men algemeen gemeend heeft niet in de droogmaking te moeten begrijpen, zoo om den boezem van Rijnland niet te veel te verkleinen, als om voor de uitlozing eenen gereeden toegang naar de sluizen te behouden."
»De uitgestrektheid der droog te maken gronden zal dien ten gevolge een aantal van omtrent 16,700 bunders lands bedragen, die dadelijk als vruchtdragend moeten worden beschouwd."
»7º. De Regering vermeent, dat zij niet zal behoeven te verzekeren, dat alle bijzondere belangen en verkregene regten op de volledigste wijze zullen worden onder het oog gehouden. Zij is zoo zeer overtuigd, dat zulks behoort te geschieden, dat daaromtrent reeds overwegingen hebben plaats gehad, en zij acht het een harer voornaamste pligten te zijn, om hiervoor in alle gevallen te waken."
»8º. De onderneming moet geacht worden zeer uitvoerlijk te zijn, en, in vergelijking met andere uitgevoerde droogmakingen, zelfs geene bijzondere zwarigheden op te leveren. Het spreekt van zelf, dat de waterplas geheel moet worden bedijkt, terwijl de uitmaling, hetzij door windmolens, vereenigd met de kracht des stooms, hetzij door stoomwerktuigen alleen (waaromtrent nog overwegingen plaats hebben), zal moeten geschieden; de juiste tijd, binnen welken de uitvoering zal kunnen worden tot stand gebragt, kan intusschen niet worden bepaald, aangezien dit van vele meer of min gunstige of ongunstige omstandigheden afhangt, en zijnde de keuze, ten aanzien van het in meerdere of mindere mate aanwenden van stoomwerktuigen, tot uitvoering en het duurzaam drooghouden van het Meer, daaromtrent van een' grooten invloed."
»9º. Hierboven is reeds vermeld, welke sommen jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland, ter beveiliging der oevers, moeten worden aangewend. Daarvan zal dit district bevrijd worden; doch dit is niet het éénige voordeel, dat hetzelve door de droogmaking bekomt; het aantal van 16,700 bunders zal, in zoodanige evenredigheid als billijk zal worden bevonden, althans voor de uitlozing van deszelfs water, moeten bijdragen, zoo dat dit district het uitzigt verkrijgt, dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt."
»10º. De belangen van het gemelde Hoogheemraadschap hebben vroeger de uitvoering dezer onderneming in den weg gestaan, vermits men vermeende, dat deszelfs uitlozing daardoor zoude worden belemmerd."
»Men heeft daarin nu echter, door deze gemaakte ontwerpen, op de meest voldoende wijze kunnen voorzien, zoo door een' overblijvenden ruimen boezem, als de stichting van meerder uitlozende sluizen, de volledige verbetering van het Katwijksche Kanaal, en het aanwenden der stoomkracht, om, ingeval van nog bestaande noodzakelijkheid, den boezem onmiddellijk naar vereisch te ontlasten."
»11º. De voordeelen gedurende de bewerking, bestaan in de verhuring der dijken, de verpachting der visscherij, die der van tijd tot tijd droogkomende landen, en eenige opbrengsten van dien aard."
»12º. De uitlozing van den toekomstigen polder zal op den boezem van Rijnland plaats hebben; doch de vraag, of deze polder ook onmiddellijk tot dat Hoogheemraadschap behooren, en, even als alle andere polders, een gedeelte daarvan zal uitmaken, zal later, overeenkomstig de bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen, kunnen worden uitgemaakt."
»13º. De dijken van het droog te maken Haarlemmer Meer komen natuurlijk ten laste van den eventuëelen polder, en moeten door denzelven onderhouden worden, even als zulks in alle andere gevallen plaats heeft, en er is geene de minste reden, om te vermoeden, dat dit niet naar behooren zoude geschieden, daar het bestaan der droog te maken landen hiervan afhankelijk is, en overigens daaromtrent ook een zorgvuldig toezigt plaats heeft [73]."
Nadat deze antwoorden wederom in de Afdeelingen van de Tweede Kamer waren onderzocht, en, in de vergadering van 31 Maart, de Centrale Afdeeling een nader Verslag had uitgebragt [74], werd in de Zitting van den 2den April over de voorgestelde Wet beraadslaagd. Acht en Veertig Leden [75] waren tegenwoordig, waarvan vijftien over de wet het woord hebben gevoerd.
De eerste spreker was de Heer van Swinderen, welke zeide: [76]
»Is ten allen tijde in ons vaderland het groot belang, hetwelk de ingezetenen hebben in den waterstaat, in vaarten en wegen, levendig gevoeld; zijn in het bijzonder de menigvuldige bedijkingen, en de in de laatste jaren aanmerkelijk vermeerderde en verbeterde vervoermiddelen daarvan sprekende bewijzen; het heeft ons dan ook niet kunnen bevreemden, dat de Regering hare aandacht gevestigd heeft, zoo wel op het droogmaken en in eenen vruchtbaren grond herscheppen van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden waterplas, als op het meer snel en minder kostbaar vervoer van personen en goederen over ijzerbanen, die reeds in andere landen in gebruik zijn gesteld. In tegendeel, wanneer wij ons met de Regering dien uitgestrekten en dreigenden waterplas voorstellen als in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en hierdoor den algemeenen rijkdom vermeerderende, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeelende,--wanneer wij tevens het hooge belang gevoelen van den buitenlandschen handel, en denzelven wenschen te behoeden voor een gevaar, hetwelk geenszins hersenschimmig wordt genoemd,--dan kunnen de ontwerpen van wet tot zulke gewigtige oogmerken strekkende, ons niet dan welkom zijn, en de zorg, met welke het thans in openbare beraadslaging zijnde ontwerp in alle de afdeelingen is overwogen, levert een ondubbelzinnig bewijs op, dat het gewigt van hetzelve levendig door U Ed. Mogenden wordt gevoeld."
»Geen wonder dus, dat de inlichtingen, welke ons ter dezer zake door de Regering zijn gegeven, vooral ook de op ons aanzoek ons ter inzage verleende memoriën en berekeningen van die kundige en vaderlandslievende mannen, welke over deze onderwerpen zijn geraadpleegd, en welke hunne gevoelens en inzigten zoo uitgewerkt aan de Regering hebben medegedeeld, door ons met de meeste belangstelling zijn ontvangen geworden."
»Ik wenschte dan ook, Ed. Mog. Heeren! dat het ontwerp van wet mijne geheele toestemming mogt kunnen erlangen, en dat ik niet in den tijd en de wijze waarop, zoowel als in de middelen door welke, de uitvoering van de in dat ontwerp, alsmede in de toelichtende memorie en in de beantwoording der ingebragte bedenkingen, omschrevene werken zal plaats hebben, zoo vele bezwaren vond, dat ik daardoor van die toestemming, immers voor alsnog, wierd weêrhouden."
»Daar echter die bezwaren reeds in de processen-verbaal van de beraadslagingen der afdeelingen zijn te berde gebragt, zoude ik vreezen de aandacht van U Ed. Mogenden te misbruiken, indien ik thans in eene breede ontwikkeling van alle dezelven wilde treden, en ik zal daarom trachten deze bezwaren, zoo verre die in het verhaal der vierde afdeeling voorkomen, doch naar mijne meening door de antwoorden der Regering niet zijn opgelost of genoegzaam toegelicht, zoo kort mogelijk voor te dragen."
»En dan vallen in de eerste plaats in het oog drie algemeene bedenkingen, welke in de genoemde afdeeling zijn vooruitgezet, en die ik daarom thans slechts zal opnoemen, namelijk 1º. dat de tijd nog niet gekomen is, om zulke groote en kostbare ondernemingen, als zijn die van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en van het daarstellen van ijzerbanen, voor rekening van het Rijk tot stand te brengen, maar dat werken van dien aard, voor zoo veel dezelven niet door particuliere personen of maatschappijen onder toevoorzigt der Regering kunnen worden daargesteld, en niet door den drang van omstandigheden gebiedend worden geeischt, dan eerst behooren in overweging te worden genomen, als de Belgische zaak geschikt, de oorlogskosten verminderd, en de jaarlijksche vermeerdering van schuld opgehouden zal zijn; 2º. dat werken van zoo onderscheiden aard niet te zamen in één wetsontwerp behooren te worden vereenigd, maar in afzonderlijke ontwerpen vervat, opdat niet het goed en nuttig geoordeelde werk om het afgekeurd wordende verworpen, of omgekeerd het afgekeurd wordende om het goedgekeurde aangenomen mogt worden; 3º. dat het niet raadzaam schijnt, om tot zoodanige werken fondsen te bezigen, welke tot een ander doel zijn bestemd geworden, en door welker gebruik het reeds zoo ingewikkeld geldelijk beheer nog meer zoude worden gecompliqueerd; wordende deze bedenking, mijns oordeels, nog versterkt door de aanmerking in het slot der beantwoording van de Regering te vinden, volgens welke de openlegging van den staat van het Amortisatie-Syndicaat spoedig op handen is, en men dan met meerdere kennis van zaken over gebruik en restitutie van kapitalen, en over te nemen maatregelen van voorziening, zal kunnen oordeelen."
»Bij deze algemeene bedenkingen komen nog vele bijzondere, ten aanzien der onderscheidene werken bij dit wetsontwerp bedoeld, waarvan ik slechts eenige voorname zal in het midden brengen, en wel vooreerst ten aanzien van den spoorweg of ijzerbaan van Amsterdam naar Arnhem."
»Ik sprak enz.",
»Ook de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer beveelt zich van onderscheidene zijden aan. De herschepping van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden waterplas in eenen vruchtbaren met nuttig vee beslagen' grond, kan met treffende kleuren worden afgeschilderd: en ook het Rijk heeft daarbij zóó veel belang, dat het verstrekken van eenige sommen van staatswegen tot dat einde niet onaannemelijk worden geacht. Verder, ofschoon ik niet overtuigd ben van de gegrondheid van het bij sommige ingelanden van Rijnland bestaande bezwaar in eene droogmaking van het geheele Haarlemmer Meer, en ik zelfs eene zoodanige geheele droogmaking boven eene partiëele, om verschillende redenen, thans niet te ontwikkelen, verkieslijk houde, kan ik toch genoegen nemen met de ter gemoetkoming aan dat bezwaar door de benoemde belanghebbenden en deskundigen voorgestelde wijze van bedijking, in voege dat een klein gedeelte van dien grooten plas, onder den naam van Spieringermeer bekend, buiten bedijking blijft, om te dienen tot een' boezem, in welken het water wordt opgemalen, ten einde alzoo door sluizen te worden geloosd. Die boezem is, ook naar mijn oordeel, groot genoeg, om bij dagelijksche ontlasting al het dagelijks opgemalen of opgestoomd wordende water te kunnen bevatten; terwijl de door het opmalen of opstoomen veroorzaakte hooge stand des waters de lossing daarvan in diezelfde mate zal vermeerderen, als het boezem-water zal rijzen."