Chapter 3
De plannen van Leeghwater en Veeris vonden al dadelijk tegenstand, vooral bij de Ingelanden van Rhijnland, welke vermeenden, dat, door het droogmaken van het Meer, de boezem van hun gewest te klein zou worden; en reeds in 1642 gaf N. van Haegh, onder den titel: C. A. Colevelt's [46] bedenckingen over het drooghmaken van de Haarlemmer en de Leydtsche Meer, Honderd Twee en Zeventig articulen in het licht, welke hij, zoo als hij in het voorberigt zegt: als een liefhebber van het Gemeenebest, had gecopieerd uit eenige Bedenkingen zamengesteld door Coleveld, handelende op het uit- en droogmaken van de Haarlemmer en Leidsche Meer, waarbij hij, naar zijn goeddunken, nog eenige punten had bijgevoegd, hetgeen hij hoopte dat de schrijver hem niet ten kwade zou duiden. Uit dit voorberigt zou men dus opmaken, dat deze bedenkingen zonder voorkennis, immers zonder medewerking van Coleveldt zijn uitgegeven. Hoe dit zij, de bedenkingen van Coleveldt werden door Leeghwater in den 4den en volgende drukken van zijn Meerboek bestreden.
Toen de tiende druk van het werk van Leeghwater in 1727 uitkwam, werd ook in dat jaar het tegenschrift van Coleveldt herdrukt [47]. Deze herdruk gaf aanleiding, dat C. Velsen, Landmeter van Rhijnland, in dat zelfde jaar, onder den titel van Aanmerkingen over de tegenwoordige staat van de Haarlemmer Meer [48], een werkje in het licht gaf, waarin hij het plan van Leeghwater tegen de bedenkingen van Coleveldt verdedigde, op de noodzakelijkheid van het droogmaken van het Meer aandrong en de wijze aan de hand gaf, waarop dit zou kunnen geschieden, »in voege, dat de steden Haarlem, Leiden en Amsterdam, alsmede het Hoogheemraadschap van Rhijnland, van veel beter natuur," (het zijn 's mans woorden) »omtrent de waterstaat en scheepvaart zullen wezen, als tegenwoordig."
Dit werkje van Velsen vond zoo veel belangstelling, dat nog in hetzelfde jaar 1727 van hetzelve een tweede druk in het licht kwam [49].
Hij oordeelde zoo ongunstig over de Bedenkingen van Coleveldt, dat hij in de voorrede van zijn werkje zegt: »dat hij er niet anders in kon vinden, als een deel opgeraapte schimpredenen, op papier gebragt zonder order en met groote drift; dat het doorzaaid is met zoo vele belagchelijke stellingen, dat hij niet begrijpt, hoe het in den tijd van zijn geboorte, zoo veel geloof heeft kunnen verdienen, en dat men het nu heeft waardig geacht, om het weder het licht te doen zien."
Het werkje van Velsen is zeer lezenswaardig.
Vijftien jaren hierna, in Julij 1742, overhandigden Nicolas Cruquius, en Jan Noppen, Toeziener en Melchior Bolstra, Landmeter van Rhijnland, als hiertoe gelast, aan Dijkgraaf en Hoogheemraden van dat Collegie, een uitvoerig plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer; hetwelk te vinden is in de nieuwe Nederlandsche jaarboeken van April 1773, (bl. 385-405); en waarvan de hoofd-inhoud wordt medegedeeld in de tegenwoordige staat van Holland, (VIe deel der Teg. Staat der Vereenigde Nederlanden, bl. 186-196) [50].
Tegen dit plan opperde de stad Leiden bedenkingen, welke door de gemelde Toeziener en Landmeter, bij eene Memorie van het jaar 1745, werden wederlegd; zoo als gelezen kan worden in de voorm. jaarboeken van 1773, bl. 406-419.
Intusschen verscheen te Leiden, in het jaar 1743, een ander plan tot droogmaking van het Meer, van Conradus Zumbach de Koesfeld, Med. en Stads Dr., Lid van de Koninklijke Societeit van Wetenschappen te Berlijn, hetwelk volgens den Heer van Lijnden [51] dit bijzonders had, dat de schrijver, tot uitsparing der kosten, wilde beginnen met alleen de wateren, die in het meer uitkomen, af te dammen, en, eerst na de droogmaking, een' ringdijk, uit de klei van het Meer, daar te stellen [52].
Maar behalve de opgenoemde [53] werden er nog verschillende andere plannen tot droogmaking van het Haarlemmer Meer gevormd, welke door den druk niet zijn gemeen gemaakt. Zoo spreekt de Heer Baron van Lijnden, (verh. bl. 43), van een ongedrukt werkje, dat in 1659 of 1660 schijnt geschreven te zijn, waarin een plan voorkomt verschillend van die van Leeghwater en Veeris, en maakt vervolgens (bl. 44 en 45) melding:
1º. Van een plan opgemaakt, ten gevolge van een verzoekschrift door Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, om te worden gemagtigd tot het maken van eene uitwatering te Katwijk en tot het bedijken van de Haarlemmer en Leidsche Meren, aan de Staten van Holland in 1750 ingediend.
2º. Van een plan door de Landmeters D. Klinkenberg en B. Goudriaan, bij eene Memorie aan gecommitteerde Raden van Holland, benevens aan den Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, den 31 Jan. 1769 ingeleverd [54].
3º. Van een plan in den jare 1808, op last van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken [55], opgemaakt door den Inspecteur A. Blanken Jansz.; hetwelk in de archiven van den waterstaat berust.
Geen tijdvak echter leverde zoo vele schriften over het droogmaken van genoemd Meer, als dat tusschen de jaren 1819 tot 1823.
In het eerst gezegde jaar, in 1819, gaf de Heer Mr. J. C. Baron du Tour, ten gevolge van het bekend geworden plan der Heeren van Lijnden, Roëll en Repelaar, eene verhandeling over het Haarlemmer Meer in het licht [56], welke eene historische beschrijving van de wording, vergrooting en gesteldheid van dat water, en eene uiteenzetting der plannen van Leeghwater, Veeris en Bolstra bevat.
In het volgende jaar verscheen te Zutphen een werkje, onder den titel: verhandeling over de droogmaking van het Haarlemmer Meer en aangelegen veenplassen, doormengd met landbouwkundige aanmerkingen, door J. Engelman, Oud-Landmeter bij 's Lands Waterstaat [57], waarin de noodzakelijkheid en nuttigheid van het droogmaken van dien ontzettenden plas wordt betoogd, en een ontwerp tot droogmaken wordt opgegeven.
Doch al wat tot dus verre over het Haarlemmer Meer en over het droogmaken van dien plas was geschreven en uitgegeven, werd in uitgebreidheid en uitvoerigheid overtroffen door het belangrijke werk van den Heer F. G. Baron van Lijnden van Hemmen, Commandeur van de Orde van den Nederl. Leeuw, Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, enz. enz. enz., onder den titel van verhandeling over de droogmaking der Haarlemmer Meer [58].
Dit werk, hoe men ook over de uitvoerbaarheid en nuttigheid van het daarbij voorgesteld plan, en over de juistheid der daarbij gevoegde berekeningen, moge denken, zal steeds bij de behandeling van dit onderwerp onschatbaar blijven.
Alles is hier duidelijk, op eene hoogst, ook voor de in het vak van den waterstaat oningewijden, bevattelijke wijze, en met kennis van zaken ter nedergesteld. Het is voorzien van onderscheidene hoogst nuttige staten en tafels; en bij het werk is gevoegd een atlas met vier kaarten en eene afzonderlijke plaat.
De 1ste kaart wijst den voormaligen staat van Holland aan, met zijne Meren en Plassen, vóór die bedijkt waren. Bijna de helft was toen water.
De 2de toont ons dat zelfde Holland in 1820, met zijne drooggemaakte Meren en Plassen. Welk een lagchend gezigt!
De 3de geeft ons, in 6 vakken, de onderscheidene gedaanten en grootten van het Haarlemmer Meer: sedert 1531 tot 1808. Welk eene schrikwekkende vertooning!
De 4de kaart stelt voor, hoedanig, volgens het plan des Heeren van lijnden, na de droogmaking het Meer met vaarten doorsneden en in kavels verdeeld zou kunnen worden. Aangename voorstelling! Terwijl eindelijk op de plaat eenige werktuigen ter uitmaling zijn afgebeeld.
Dit werk des Barons van lijnden gaf aanleiding tot het ontstaan van verschillende geschriften. Nog in hetzelfde jaar 1820 kwamen er vier stukken in het licht.
Al dadelijk verscheen een werkje, tot titel voerende: Het ontwerp van droogmaking van het Haarlemmer Meer, beknopt, maar volledig voorgedragen in eenen brief van een' Heer te Utrecht aan zijnen vriend te Amsterdam [59]. Het bevat eene naauwkeurige opgave van den zakelijken inhoud des werks van den Heer van lijnden.
Kort hierop volgde een stukje, getiteld: vrye gedachten van een ingeland van Rijnland over de Verhandeling van droogmaking der Haarlemmer Meer, uitgegeven door den Heer F. G. Baron van Lijnden van Hemmen [60].
Waartegen de Heer van Lijnden nog hetzelfde jaar uitgaf: antwoord op de vrije gedachten van een ingeland van Rijnland [61].
Doch op het einde van dat jaar verscheen in het licht eene Memorie van den Hoogleeraar Jacob de Gelder, overgegeven aan het Hoogheemraadschap van Rijnland, behelzende deszelfs consideratie over het ontwerp van den Heer Baron van Lijnden tot Hemmen, strekkende ter droogmaking van het Haarlemmer Meer [62].
Op welke Memorie de Baron van Lijnden, in den jare 1822, aanteekeningen in het licht gaf [63], ter wederlegging van de bedenkingen des Hoogleeraars.
Indien ik wèl onderrigt ben, heeft de Heer de Gelder eene tweede Memorie ter perse gezonden; doch deze is, zoo verre mij bekend is, niet uitgegeven. Mij ten minste kwam zij nimmer in handen.
In den jare 1829 verscheen te Brussel [64] een werkje van Alex. de Stappers, Mémoire sur le desséchement du lac de Harlem, et sa conversion en forêt. De schrijver zegt in het Voorberigt, dat hij in Mei 1829 aan het Gouvernement het voorstel heeft gedaan, om aan hem voor altijd het Meer en eenige nabijgelegene plassen af te staan, ten einde ze door eene Maatschappij, zamengesteld uit 12000 Aandelen, ieder van f 500.--, droog te maken, en wel door middel der pompen, voor welke hij op den 9den dier maand een Octrooi van uitvinding gedurende 15 jaren heeft bekomen. Hij stelt voor, tusschen Bennebroek en Lis een Kanaal naar de Noord-Zee te graven, om, in geval de sluizen van Katwijk en Sparendam niet voldoende mogten zijn, door hetzelve het water van het Meer en van Rhijnland te doen afloopen. Een groot gedeelte van het drooggemaakte Meer wil hij in bosch herscheppen, en geeft hoog op van de voordeelen, die de droogmaking zou opleveren. De politieke omstandigheden schijnen den Heer Stappers te hebben belet, verdere pogingen ter bereiking van zijn doel in het werk te stellen. Het werkje, schoon wat winderig, is niet onbelangrijk.
Eindelijk moeten wij nog melding maken van het onlangs uitgekomen werk van den Heer G. J. Pool, Med., Chir. en Stads Doctor te Amsterdam, onder den titel: de droogmaking der Haarlemmer Meer, mits met de noodige voorzorgen in het werk gesteld, voor de gezondheid der naburige bewoners en arbeiders niet schadelijk [65]. Moetende strekken ter bestrijding van het gevoelen van velen, dat de droogmaking van eenen zoo grooten plas, als het Haarlemmer Meer, tot heerschende ziekten in de omliggende plaatsen aanleiding zou kunnen geven. Welk gevoelen ook de Heeren van Lijnden en Stappers in hunne werken hebben bestreden.
Deze talrijke geschriften over het droogmaken van het Haarlemmer Meer en over de gevolgen, die zulk eene onderneming zou kunnen hebben, getuigen van het belang, hetwelk men te allen tijde in deze zaak heeft gesteld. Maar aan Leeghwater komt de eer toe, van, zoo ver men kan nagaan, het eerst een plan tot droogmaking wereldkundig te hebben gemaakt. Dit plan is door de meeste der volgende schrijvers, maar bijzonder door den Baron van Lijnden, ten hoogste geprezen, en zijn werk is, na al wat er na zijnen tijd over dit onderwerp is geschreven en na al de vorderingen, welke men sedert dien tijd in bijna alle Wetenschappen, voornamelijk in de waterbouwkunde en aanverwante vakken, ook door het gebruik van stoom heeft gemaakt, nog altijd eene vraagbaak voor hem, die over het droogmaken van het Haarlemmer Meer wil schrijven of spreken.
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer, en over het droogmaken van dezen plas, was en is nog aan de orde van den dag [66], nadat Z. M. bij besluit van den 7den Augustus 1837, No. 51 [67], »in aanmerking nemende," (het zijn de woorden van het besluit zelf) »dat de ondervinding van den laatsten winter de noodzakelijkheid heeft doen geboren worden, om de droogmaking van het Haarlemmer Meer op nieuw in opzettelijke overweging te nemen," eene commissie, bestaande uit de Heeren: H. Ewijk, Raad-adviseur bij het Departement van Binnenlandsche zaken, Voorzitter, Jonkr. W. Barnaart van Bergen, Lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, M. G. Beijerinck, Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Zuid-Holland, C. J. de Bruijn Kops, Burgemeester der stad Haarlem, Jonkheer L. R. Gevaerts, Lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, P. T. Grinvis, Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland, Jonkheer D. Hooft Jacobsz., Lid van den Raad der stad Amsterdam, D. Mentz, Inspecteur van den Waterstaat en P. A. du Pui, Hoogheemraad van Rhijnland, had benoemd, ten einde de verschillende reeds bestaande ontwerpen van droogmaking van dat Meer te onderzoeken, vervolgens een bepaald eindontwerp en begrooting van kosten dezer onderneming op te maken en van hare werkzaamheden uiterlijk op den eersten November 1837 aan Z. M. verslag aan te bieden.
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer is niet verminderd, nadat in de Zitting van de Tweede Kamer der Staten Generaal van den 28sten Februarij j. l., met eene Koninklijke boodschap, een ontwerp van wet, omtrent de uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld ten laste der overzeesche bezittingen tot het doen van voorschotten voor openbare werken, was ingekomen, waarbij onder anderen eene som werd bestemd en aangewezen, tot het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, alzoo Z. M. in overweging had genomen, (het zijn de woorden van het ontwerp) dat het belang van den Staat vordert, om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan [68].
Hoezeer die wet is afgestemd, kan het echter voor elk, die belang in deze zaak stelt, niet onwelgevallig zijn, al hetgeen omtrent dezelve is voorgevallen te kennen, en de gevoelens der volks-vertegenwoordigers over dit belangrijk onderwerp te vernemen. Meenig een' zal het, dunkt mij, welkom zijn, alles wat over deze zaak, ten gevolge van de voorgestelde Wet in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, is verhandeld, voor zoo ver het openbaar is gemaakt, alhier bijeen verzameld aan te treffen.
Bij de voornoemde Wet was gevoegd eene memorie ter toelichting, welke ten opzigte van het punt der droogmaking van het Haarlemmer Meer aldus luidt [69]:
"Wat de droogmaking van het Haarlemmer Meer betreft, vermeent men, dat het wenschelijke en nuttige dezer onderneming geen breed betoog zal behoeven."
»Het is algemeen bekend, hoe grootelijks deze waterplas gedurende de laatste eeuwen zich heeft uitgebreid, en hoe vele vruchtbare gronden daardoor zijn verslonden geworden. Met opoffering van zware kosten heeft men daaraan dan wel eenigermate paal en perk gesteld; doch nog jaarlijks moeten aanzienlijke sommen worden aangewend, om het verder inbreken voor te komen, en in weerwil daarvan heeft de ondervinding nog onlangs geleerd, hoe groote verwoestingen door het geweld van dezen plas kunnen worden, aangerigt, welke eenmaal zoodanig kunnen worden, dat de rampen niet dan met enorme kosten zouden kunnen worden hersteld, of zelfs onherstelbaar zouden worden."
»Daarbij nu komt, dat in het midden des lands eene onvruchtbare waterplas of liever binnenlandsche zee van omtrent 18,000 bunders lands gevonden wordt, die voor den landbouw, de industrie en de bevolking verloren is, en die, wanneer zij eenmaal mogt zijn drooggemaakt, en in vruchtdragenden grond herschapen, ook door deszelfs gunstige gelegenheid nieuwe bronnen van welvaart openen kan, en in de gevolgen voor het algemeen of het Rijk aanzienlijke voordeelen moet opleveren, door het verschaffen van arbeid en middelen van bestaan aan duizende handen en nijvere menschen, en het daardoor in evenredigheid vermeerderen van 's Rijks inkomsten; in één woord, door het toenemen van den publieken rijkdom, hetwelk van het een en ander het natuurlijk gevolg moet zijn."
»De ondervinding en het besef van het een en ander moest natuurlijk leiden tot het denkbeeld, om door het droogmaken van dezen waterplas het eene voor te komen en het andere te bewerken; en in der daad zijn daartoe in vroegere en in latere tijden ontwerpen te berde gebragt en beraamd, waarvan de uitvoering echter steeds is achterwege gebleven, hetzij dat tijden en omstandigheden daartoe hebben medegewerkt, hetzij dat zich daartegen bedenkingen opdeden, voornamelijk ontleend uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap van Rhijnland, die niet altijd gereedelijk waren uit den weg te ruimen."
»De omstandigheden, waarin dit distrikt ten aanzien van deszelfs uitwatering verkeert, zijn echter in de latere tijden zóódanig veranderd, en de middelen, die men thans kan aanwenden, om alle bedenking daaromtrent weg te nemen, zóó gereed, dat men alsnu tot de onderneming der droogmaking veilig zal kunnen overgaan."
»De opzettelijke en naauwkeurige overweging, die ten aanzien hiervan is ingesteld, heeft dit ontegenzeggelijk doen zien, en dienvolgende is dan ook het ontwerp beraamd, welks uitvoering thans gereed is om te kunnen worden ondernomen, om weldra de heilrijke vruchten te dragen, die daaruit moeten voortvloeijen."
»Eene onderneming van dezen aard, mitsgaders al de voorzorgen, die daarbij moeten worden in acht genomen, kunnen niet anders dan aanzienlijke kosten vereischen, zijnde de geheele som, hiertoe noodig, berekend op ruim acht millioenen gulden, welke som nogtans natuurlijk niet op éénmaal zal worden vereischt, maar successivelijk zal moeten besteed worden, en voor een goed gedeelte slechts als voorschot kan worden beschouwd en zal worden gerecouvreerd uit den verkoop der drooggemaakte gronden en de verdere voordeelen, die de onderneming gedurende de bewerking zal opleveren; terwijl, al mogt uit het een en ander de geheele uitgeschoten som niet kunnen worden teruggevonden, het ontbrekende als uitnemend wel besteed geld zal moeten worden aangemerkt, en door de vermeerdering van de algemeene welvaart en rijkdom rijkelijk zal worden vergoed."
»Behalve enz."
Met betrekking tot dit onderwerp van wet, werden aan de Kamer drie verzoekschriften ingediend, waarvan één in de vergadering van 7 Maart ingekomen, als niet voldoende aan de vereischten van de grondwet, ter zijde werd gesteld. Het tweede was van Jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde; waarop door de commissie van de verzoekschriften, in de zitting van den 23sten Maart, bij monde van den Heer van Welderen Rengers, werd uitgebragt het navolgend verslag:
»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde, landeigenaar onder Rijnland. Verzoeker geeft te kennen, dat aan de Staten-Generaal een ontwerp van leening van 30 millioen is aangeboden, om daaruit, onder andere werken van openbaar nut, ook de Haarlemmer Meer droog te maken; dat de landeigenaars onder Rijnland, vertegenwoordigd door hunnen dijkgraaf, hoogheemraden en hoofd-ingelanden, over dit belangrijk onderwerp niet zijn gehoord geworden; dat deze echter een verkregen regt vermeenen te hebben op de Haarlemmer Meer, als boezem voor hunne landen."
»Hij beweert, dat het voor al de landen ten zuiden van den Rijn gelegen, die door eenen dijk van den algemeenen boezen zijn afgescheiden en uit hoofde van derzelver lagere verkaaijingen aan een maalpeil zijn onderworpen, van het hoogste belang is, dat de voorgestelde maatregelen van droogmaking alle die waarborgen opleveren, welke ten voordeele van dezelve worden verlangd. Requestrant vermeent, dat uit het gemaakte plan van droogmaking blijkt, dat de boezem twee derden in zijnen omvang zal worden verkleind; dat daardoor de berging voor het water, hetwelk door de molens op den Haarlemmer Meer-boezem thans wordt uitgemalen, even zoo veel beperkter wordt. Hij betoogt, dat het gevolg hiervan zal worden, dat de landen zoo voor de kultuur van granen, als voor het weiden van beesten, onbruikbaar zullen worden, en meer dan tachtig duizend bunders zullen verloren gaan. Hij beweert, dat dit eene van de voorname redenen is, om welke men in vroegere tijden nimmer heeft durven overgaan tot het droogmaken van de Haarlemmer Meer. Hij geeft verder te kennen, dat het groot nadeel, hetwelk de landeigenaren bij eene eventuëele droogmaking van die meer zouden lijden, door het gemis van eenen genoegzamen boezem tot berging van het uitgemalen water, en door het even groot verlies van ontlasting van dat water op het IJ, konde worden voorgekomen, wanneer gebruik werd gemaakt van genoegzame stoomwerktuigen, om den winterboezem te houden op 14, 15 à 16 duimen beneden A. P., op welke hoogte die boezem altijd wordt gehouden en tot de cultuur der landen moet worden gehouden. Hij vraagt al verder, door wien het daarstellen en het onderhoud van zoo vele benoodigde werktuigen zouden moeten worden bekostigd, en vermeent, dat die kosten alleen ten laste van dezulken, door wie de Haarlemmer Meer zoude worden drooggemaakt, behooren gebragt te worden, en niet ten laste van Rijnlands eigenaren zoude kunnen komen, hetwelk uit de stelling van den requestrant schijnt te zijn eene der voornaamste grieven, waarom het request wordt aangeboden. Adressant eindigt met het verzoek, dat het U Ed. Mogenden behage, de belangen van Rijnlands landeigenaren ten deze in vaderlijke overweging te willen nemen en te zorgen, dat de Haarlemmermeer niet worde drooggemaakt, dan nadat de daartegen militerende grieven der landeigenaren onder Rijnland zullen zijn opgeheven en geheel weggenomen; dat zij in hunne belangen mogen worden gehoord en als eigenaren van de Meer, als boezem van geheel Rijnland beschouwd, voor de uitwatering der landen, in dat hun regt mogen worden gemaintineerd."
»Uwe Commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking hebbende tot eene wet bij deze Vergadering aanhangig, ter inzage van de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie." [70]
Het derde verzoekschrift was van den Heer G. J. A. A. Baron van Pallandt, waarop door de voornoemde Commissie mede bij monde van den Heer Rengers, in de zitting van den 26sten, werd gedaan het volgend verslag:
»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van G. J. A. A. van Pallandt."
»Verzoeker geeft te kennen, dat hij, doordrongen van en vervuld met het gewigt eener zaak van zoo veel belang als de droogmaking van de Haarlemmer Meer, en geheel ingenomen met dit grootsche plan, zich tot U Ed. Mogenden wendt, om, als een der belanghebbende grondeigenaren, onmiddellijk aan dien thans zoo gevreesden waterplas grenzende, zijne bedenkingen tegen de wijze waarop en de middelen waardoor die droogmaking waarschijnlijk zal plaats hebben, met allen eerbied aan deze vergadering bloot te leggen, in de hoop, dat U Ed. Mogenden hem mogen gerust stellen, door betere inlichtingen, of de bezwaren opheffen en keeren, of door andere meer doelmatige hulpbronnen doen vervangen."
»Hij geeft in de eerste plaats te kennen, dat, hoezeer de droogmaking van de Haarlemmer Meer, bij welgelukken, als een zegen mag worden beschouwd, echter proefnemingen, bij gelegenheid van die verbazende en kostbare onderneming, al de in- en aangelanden in eene groote ramp zouden storten.--Hij vermeldt, dat het hem uit het rapport der commissie van de droogmaking der Haarlemmer Meer, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 Aug. 1837, No. 51, is kenbaar geworden, dat men de kanalen van Sparendam en Katwijk verbeteren en sluizen wil bijbouwen, en, bij onvoldoende bevindingen, een stoomwerktuig van 180 paardenkracht te Sparendam wil plaatsen.--Hij geeft te kennen, dat men dus, in plaats van met wiskundige zekerheid een werk van dien omvang en van zoo groot gewigt te beginnen en te voltooijen, eene proeve wil nemen, of, nadat de genoemde Meer zal zijn bedijkt, de kleinere boezems de massa's water, die thans op den grooten boezem worden uitgemalen, zullen kunnen verzwelgen.--Hij merkt aan, dat men eerst dán, wanneer de molens zullen moeten stilstaan en de heerlijke en vruchtbare landerijen geheel of ten deele met water zullen zijn overdekt, waardoor het bestaan van den landman, althans voor een gedeelte van het jaar, zal zijn weggenomen, een stoomwerktuig zoude willen plaatsen."