Het Haarlemmer-Meer-Boek

Chapter 2

Chapter 23,979 wordsPublic domain

»5. Alzo den tijt bestemt was, zoo zijn wij op de plaatze gegaan, ende gereetgestaan; doen is den Prince Mauritius, met zijn broeder Prins Henderik, met Graaf Willem van Vrieslant, met Graaf Ernst, ende meer andere groote Heeren en Edelluiden met de koetzen bij ons gekomen, ende daar alzo gelijk bij ons staande, doen zeide den Prince Mauritius: Mannen, ik ben nu gereet om te zien; waarop ik Jan Adriaansz. Leeghwater met een goede couragie in 't water gesprongen ben, en zeide: Adieu, mijn vroome Heeren; ende ik was daar zo lange onder het water, dat den Prince Mauritius met d'andere Heeren wel vernoegt waren, en doen ik weder boven 't water quam, doen vraagde mij den Prince Mauritius: Wat was dat geluit dat ik hoorde? waarop ik zeide: Ik heb luide geroepen; heeft mijn Heer dat ook verstaan? waarop de Prince zeide: Ik meende, dat het het brullen van een koe was.

»6. Daarna is Pieter Pietersz., een van onze medemakkers, in 't water gesprongen een stuks weegs verscheiden, dewelke alzo lang onder het water was als ik, waarover Pieter Pietersz. met zijne vingeren een weinig boven 't water speelde; doen zeide Graaf Willem van Vrieslant: Den kerel werd verzoepen; hij en kan hem nigt langer holden.

»7. Ende alzo Pieter Pietersz. mede op 't land komende, wij beide nog fris ende wel waren, zoo heeft den Prince Mauritius tegen ons gezeit: Mannen, ik zie dat de konste goet is; gaat niet uit den Hage aleer ik u gesprooken heb, en gaat in een goede herberge en maakt goede cier, hetwelke wij alzo gedaan hebben, ende daarna zijn wij weder bij den Prince gekomen op het Hof, daar hij ons een vereeringe gegeven heeft, ende ook mede Octroy van onze konste, hetwelke ik nog tot dezen dag bewaart heb."

»De tweede onderwaterduiking, geschiet tot Amsterdam.

»1. In 't jaar 1606, op Amsterdamsche kermis, zo is daar een koopman van de Rijp geweest, geheeten Meinert Cornelisz. Salm, die tot Amsterdam zeer wel bekent was, die van de konste van onder water te gaan tegen zommige bekende Borgers van Amsterdam gezeit hadde, dat de konste op de Wetering, buiten de Heilige Wegs-Poort, aan de slinkerhant, gedaan zoude werden in prezentie van 10 of 12 perzonen, aldaar mede prezent was Meinert Salm van de Rijp, Albert Verspek van Antwerpen, Dirk van Os van Amsterdam met zijn Soon, die nu Dijk-Graaf van de Beemster is, Frederik Jansz. met zijn Soon, Jacob Frederiksz. van Amsterdam, beide Olijslagers, Jacob Wrogt van Amsterdam, met Jan Louwen van de Rijp met zijn Huisvrouw, ende meer andere goede bekenden.

»2. Ende alzo dit geschiedde nabij de stad Amsterdam, zo is aldaar een grooten toeloop van volk gekomen ende vergadert van verscheiden steden, dorpen en plaatzen, so dat daar wel zeven of agt hondert menschen bij malkander waren, of meer: zo was daar een onder allen, die het niet geloofde, en zeide: Het zal wezen gelijk die man die vliegen zoude; wie is malder, de man die vliegen zal, of die gene die het zien zullen? waarop ik Jan Adriaansz. wederom zeide: Ik zal het volk niet bedriegen; ik zal 't voor haar oogen doen, dat zij dat zien zullen.

»3. Zo is 't dat ik een linnen kleed bij mij genomen hadde, hetwelke ik aandede, waarvan ik de zakken uittrok, en dede daar tien of twaalf peeren in, dat zij het voor hare oogen zagen, ende ik zeide tegen het volk: Deze peeren zal ik half op-eeten, opdat gij luiden niet en zegt dat ik de peeren in den grond gesteken heb. Ook hadde ik mede een schalmey bij mij, daar ik wel op konde speelen, dien ik mede bij mij in mijn zak dede, en zeide: Daar zal ik verscheiden voizen en Psalmen op speelen, dat gij dat boven water, op het land hooren ende verstaan zult; waarbij Pieter Pietersz. op het land bij het volk bleef; om het volk reden te geven en te onderregten.

»4. Onder allen was daar mede een Makelaar onder het volk, geheeten Lems, die hadde een schoon blad pampier bij hem, daar schreef hij zijn naam op, hetwelke hij mij gaf, waarop ik tegen hem zeide: Ik zal daar onder water op den grond op dat pampier met pen ende inkt schrijven, dat gij dat boven water op het land zult konnen lezen.

»5. Ende doen ik gereed was, ende wel wakker konde zwemmen, ende ook mede een jongman was, zoo gaf mij den Almogenden God de vrijmoedigheit, dat ik met een goede couragie in 't water sprong, mijn aangezigt na het volk toewendde, ende zeide: Adieu, gij vroome Borgers van Amsterdam, dat is u ter eeren, daar ga ik onder.

6. Zo is dat alzo geschied, dat ik de peeren onder water half op-gegeten heb, en vertoonde de peeren onder het volk, doen ik op het land quam; ende op hetzelve pampier schreef ik mede zo veel: dit heb ik voor Amsterdam in de Wetering ende onder water geschreven; ende op de schalmey speelde ik mede onder water op den grond, dat het volk, die op het land stonden, boven water gemakkelijk hooren ende verstaan konden; onder allen speelde ik mede den 23 Psalm: Mijn God voet mij als mijn Herder geprezen, dat die luiden, die op de kant van de sloot stonden, zeiden: Hoort eens mannen, dat speelt hij nu! Alzo had ik mijn plaizier ende recreatie onder 't water op den grond.

»7. Ende doen ik dogte dat ik aldaar lang genoeg geweest was, dat het volk wel vernoegt zoude wezen, zo ben ik met een goede couragie weder opgekomen, mijn aangezigt na het volk, en doen ik nog in 't water was, zo heb ik tegen het volk met een luide stemme geroepen: Wat dunken de luiden van de konst? waarop het volk antwoordde en zeide: De konst is goet.

»8. Ende doen ik weder op het land quam, doen vertoonde ik mijn geschrift, het pampier nog droog wezende, hetwelke veel luiden gezien en gelezen hebben, ende daarover zeer verwondert waren: ende den Makelaar Lems weder behandigt hebbende, die het nog zommige jaren daar naar bewaarde; ende als ik nog onder water was, zo was alreeds de tijdinge al in de stad, die man is al verdronken, hij en komt zijn leven niet weder: en doen ik weder op het land quam, zo hadde Frederik Jacobsz., Olijslager van Amsterdam, een nagt-glas bij hem genomen, en zeide tegens mij: Jan Adriaansz., weet gij wel hoe lange dat gij onder water geweest hebt?--Neen ik, Frederik Jacobsz., zeide ik. Doen zei hij weder tot mij: Dat glas is eens uit-geloopen ende eens half uit, dat is drie quartier van een uur. Doen waren daar verscheiden luiden, die tegen malkanderen zeiden: Hebt gij wel gezien wat dat hij gedaan, hadde doen hij in 't water ging? hij hadde hem met olij bestreken; ende d'andere zeide: hij hadde een root lapken in zijn mond genomen; in zomma, elk een zeide het zijne. Ik hadde gedaan gelijk de Comedianten doen, ik speelde het spel te regt, zonder iets te haperen ofte te manqueren; die het spel niet en kan, die en speel het niet. Ende als het werk gedaan was, zo waren daar veel liefhebbers, die haar milde hand toonden: ende onder allen was daar een man uit Zeeland, die zeide; omdat de konste zoo fraay is, zoo schenke ik u daartoe nog een Zeeusche Daalder.

»9. Daarna heb ik mijne kleederen weder aangetrokken, ende ben weder na de stad gegaan, aldaar ik een groot getal van volk bij mij hadde, die zeer begeerig waren om de man te zien, waarvan nu nog verscheiden luiden in de stad van Amsterdam zijn, die het gezien hebben ende daarvan konnen getuigen.

»10. Nu voort wat de konste belangt, men vint in 't Boek Jobs geschreven in het 28 cappittel in het 12 vers: Men keert den stroom des waters, ende brengt dat daar verborgen in is aan 't licht. So dat ik niet en weet eenige konsten te bedenken, die zo bequaam ende zo goet zijn om verborgen schatten van den grond te halen; men kan aldaar onder water een wijl tijds leven, ende zijne handen en voeten wel gebruiken, hetzij dat het een vadem diep is, ofte meer: al waar 't agt of tien vadem diep, de konst is even goet."

Indien dit verhaal alleen in de Kronijk van Leeghwater werd gevonden, zou men genegen zijn, de waarheid van hetzelve in twijfel te trekken; maar nog op den huidigen dag wordt het oorspronkelijk Octrooi, door de Staten-Generaal aan Leeghwater en twee andere daarbij vermelde personen, wegens die kunst, den 5den Mei 1605, en dus kort nadat zij in 's Hage proeven van hunne bekwaamheid gegeven hadden, verleend, en waarvan Leeghwater (hierboven bl. 19) gewag maakt, nog bij de nazaten van Leeghwater bewaard, en ik ben het aan de vriendelijke tusschenkomst van den Wel-Eerwaarden Zeer Geleerden Heer J. van Gilse verschuldigd, dat ik in staat ben gesteld, een fac-simile van hetzelve hier bij te voegen. Dit Octrooi werd reeds door wijlen den Heer J. Meerman in den jare 1807, in den Konst- en Letterbode [21], aan het licht gebragt. Het oorspronkelijke is op parkement of francyn geschreven en van den volgenden inhoud:

»Die Staten Generael der Vereenichde Nederlanden, Allen den ghenen die desen jegenwoordige sullen sien ofte hooren lesen. saluyt.--Doen te weeten, dat wy ontfangen hebben de supplicatie, aen ons gepresenteert by Pieter Pietersz., Jan Adriaensz. ende Wilhem Pieters, alle woonende in de Rype, inhoudende hoe dat sy supplianten geinventeert ende by Zyne Princelycke Excellentie geprobeert hebben, seker waterconste, soo om onder twater te gaen, staen, sitten, liggen, eeten ende drincken, lesen ende scryven, singen ende spreken, voorts om eenige bruggen ende sluysen te repareren off te nyente [22] te doen, cabels onder schepen die gesoncken zyn, vast te maken, om die uuyten gront te winden, item om peerlen, ende andere costelycke goederen op ten gront te soucken, mitsgaders om eenige missiven ofte brieven heymelyck onder twater te dragen ende brengen, boven dien zyn Asem bequamelyck te mogen halen, tzy oft het diep is een, twee, vyff, sess offe meer vademen, verzoeckende ende biddende oitmoedelyck, (nademael zy beducht zyn, dat men haerlieder inventie soude namaecken), dat Wy hen souden willen verleenen onse openen brieven van Octroy, om de voorsz. heure Inventie voor eenige jaren alleene in de Vereenichde Provincien te mogen maken, met verboth van deselve na te maken, in geenerlye wyse, int geheel ofte ten deele, by verbeurte van sulcke nagemaecte Inventie, ende daerenboven van seekere groote Penen, by ons daertoe te ordonneren. Waerom Soo ist, dat Wy, genegen wesende ter Bede van de voorsz. Supplianten, deselve geoctroyeert hebben, ende octroyeren mits desen, dat zy voor den tyt van thien jaeren naestcommende, alleene in de Vereenichde Provincien sullen mogen maken ende gebruycken de voorsz. Waterconste, by hen geinventeert om onder twater te gaen, staen, sitten, liggen, eeten ende drincken, lesen ende scryven, singen ende spreken, voorts om eenige bruggen ende sluysen te repareren offe te nyeuwte te doen, cabels onder schepen, die gesoncken zyn, vast te maken, om die uuyten gront te winden. Item om peerlen, ende andere costelycke goederen opten gront te soucken, mitsgaders om eenige missiven offe brieven, heymelyck onder twater te dragen ende brengen, bovendien zyn Asem bequamelyck te mogen halen, tzy off diep is een, twee, vyff, sefs offe meer vademen, verbiedende een yegelyck van wat qualiteyt offe conditie hy zy, de voorsz. geinventeerde Waterconste int geheel ofte ten deele in de Vereenichde Provincien natemaken, ofte elders nagemaect inde selve te brengen, om die te gebruycken, op te verbeurte van het nagemaecte werck, ende daerenboven van de somme van twee hondert Guldens, tappliceren deen derddendeel daervan tot behoeff van den Aenbrenger, een ander derddendeel tot behoeff van den officier, die de executie doen sal, ende het resterende derddendeel tot behoeff van de voorsz. supplianten, ende dit alles mits dat het zy eene nieuwe Inventie, te vooren in dese Landen niet gepractizeert, ende sonder preiuditie van alle voorgaende generale, ende particuliere concessien. Gegeven onder onsen cachette [23], in Sgravenhage, den vyffden Mey XVIc ende vyff."

Ter ordonnan. van de voorn. Heeren Staten-Generaal.

(was geteekend:)

AERSSEN. 1605.

De waarheid van het verhaal van Leeghwater is alzoo boven allen twijfel verheven; maar zonderling is het, dat nergens elders blijkt, dat hij, die meer dan 40 jaren na het bekomen van dit Octrooi leefde, of zijne makkers naderhand eenig gebruik van hetzelve hebben gemaakt, of dat bij het eindigen van dit Octrooi hunne kunst de eigendom van het publiek zou zijn geworden, of dat zij die kunst naderhand aan anderen zouden hebben medegedeeld. Men zou bijna moeten vermoeden, dat het geheim met het overlijden der Geoctroijeerden is verloren gegaan. Wij stemmen het den Heer Meerman [24] gereedelijk toe, dat men zich moet verwonderen, in het Octrooi te hooren gewagen van eene inventie, die men na zou kunnen maken, of elders gemaakt in het land invoeren van een werk, dat verbeurd zou kunnen worden verklaard enz., daar men uit het bovenvermeld verhaal van Leeghwater zou moeten opmaken, dat hij en zijne makkers zonder eenig toestel in het water sprongen. [25] Een mijner vrienden vermoedt, dat het toestel van Leeghwater en zijne makkers eene duikerklok zou zijn geweest, welke zij bevorens heimelijk ter plaatse, waar zij hunne kunst zouden vertoonen, onder water bragten. Ik ben niet ongenegen dit zijn vermoeden te deelen, hoezeer mij echter het heimelijk brengen van brieven naar elders, alsdan nog niet duidelijk is.

Hoe dit zij, uit al het hiervoren gezegde kan men opmaken, dat Leeghwater een bekwaam waterbouwkundige was: dat hij tevens Landmeter, Molenmaker, Metselaar, Timmerman, Schrijnwerker, Horologiemaker, Waterduiker--ja wat niet al?--is geweest. Ik mogt hem dus met regt een' duizend-kunstenaar noemen.

Hij was daarenboven ervaren in de Fransche en Duitsche talen, en, naar de veelvuldige aanhalingen te oordeelen, ook niet geheel onbekend met de Latijnsche.

Veelvuldige reizen zijn door hem gedaan. Behalve al de zeven toenmalige Vereenigde Provinciën, bezocht hij Braband, Vlaanderen, Henegouwen, Duitschland en zoo als hij het noemt, Oostland, waartoe hij Riga, Elzeneur, Elzenberg enz. brengt. Ook reisde hij in Westphalen, Lotharingen, Frankrijk en Engeland. Achter zijne Kleine Kronijk vindt men een breed register van de meeste door hem, tot zijnen vierenzeventigjarigen ouderdom, bezochte plaatsen. [26]

Maar dit is niet alles. Wij spraken van tijd tot tijd van zijne schriften; ook als schrijver heeft hij verdiensten. Het is waar, zijn stijl is hoogst eenvoudig, en »zijne werken dragen de kenmerken van geschreven te zijn door een' ongeletterd man, die door zijne eigene verdiensten uit eenen geringen stand opgekomen was. Maar zij getuigen," zoo als de Heer Van Lijnden te regt zegt: »niettemin van 's mans kunde en bekwaamheid." [27]

Drie gedrukte werkjes worden van Leeghwater vermeld, en wel:

1º. Korte beschrijving en klein Kronykje van Haarlem; een boeksken, waarvan mij in Boekenlijsten twee uitgaven [28] voorkwamen, doch hetwelk ik nimmer gezien heb.

2º. Een kleyne Cronyke en voorbereiding van de afkomst en het vergroten van de dorpen Graft en de Rijp, en van meer verscheiden notabele oude stukken en gebeurtenissen.--»Het is," zoo als de Heer De Wind naar waarheid zegt, »eene Kronijk van al wat hij hoorde, vernam en deed; alles voorgedragen in eenen eenvoudigen, maar zeer naïven stijl, zoodat dit boekje zich met het grootste genoegen lezen laat." Gezegde Heer De Wind heeft, in zijne Bijdrage over Leeghwater, het een en ander uit dit werkje overgenomen. Ook van deze Kronijk bestaan verschillende uitgaven. Wij vonden melding gemaakt van eenen druk van den jare 1654; doch deze was waarschijnlijk niet de eerste, omdat op den titel, even als op dien der volgende drukken, vermeld staat: »en nu op nieuws hier by gedaen de beschrijving van den grooten brand, voorgevallen in de Rijp, op den 6den Febr. 1654." [29] Waarschijnlijk bestaat er eene uitgave van den jare 1649. De door mij gebruikte is van den jare 1714 en die van den Heer De Wind van 1727 [30].

Doch het vermaardste zijner werken is:

3º. Zijn Haarlemmer-Meerboek, hetwelk een ontwerp tot bedijken en droogmaken van het Haarlemmer-meer bevat, door hem, naar het schijnt, aan de Staten van Holland, aan den Stadhouder Frederik Hendrik, aan de Burgemeesteren en Raden van Amsterdam, Leiden, Haarlem en Gouda, en aan den Dijkgraaf en de Heemraden van Rhijnland, in den jare 1641, aangeboden. Of de eerste druk van dit werk reeds in 1641 verscheen, is wel waarschijnlijk, doch niet zeker. Op den titel van dien eersten druk [31] vindt men geene vermelding van het jaar der uitgave, maar op de laatste (de 35ste) bladzijde staat onder de letters J. A. L. W. het jaartal 1641. [32] Zeker is het, dat reeds in 1642 de derde druk het licht zag, [33] en de Heer Van Lijnden spreekt (bl. 42) van eenen vierden, die in 1643 uitkwam. [34]

De Heer Mr. J. T. Bodel Nyenhuis noemt in de 3de lijst zijner opgave van beschrijvingen der Gewesten, Steden en Plaatsen, in het Koningrijk der Nederlanden, geplaatst in het VIIIe Deel van het Tijdschrift de Vriend des Vaderlands, No. 11, eenen vijfden druk (Amst.) van den jare 1654.

Het jaar waarin de 6de druk verscheen heb ik niet gevonden; doch de 7de zag in 1669, [35] de 8ste in 1714 [36] het licht.

In 1724 verscheen reeds weder eene nieuwe uitgave [37]; welke in 1727 door eene tiende werd gevolgd [38]. De elfde verscheen negen jaren daarna in 1736, [39] terwijl eindelijk eene twaalfde in 1749 het licht zag [40].

Al de vermelde drukken zijn in quarto.

Toen Leeghwater zijn Meerboek schreef, was hij zes en zestig jaren oud: hoe lang hij hierna nog leefde is mij niet gebleken; maar in 1649 was hij nog in leven, blijkens de laatste bladzijde van zijne kleine Kronijk. Hij was echter reeds in den jare 1654 overleden, want op den titel der uitgave van dat jaar staat: in zijn leven Ingenieur en Molenmaker in de Rijp [41].

Leeghwater behoorde tot het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, hetwelk destijds zeer talrijk in de Rijp en andere Noord-Hollandsche plaatsen was. Dat hij een Godvruchtig man was en 's menschen afhankelijkheid van den wil des Allerhoogsten diep gevoelde, bewijzen zijne schriften.

Meerdere bijzonderheden heb ik wegens onzen verdienstelijken landgenoot niet kunnen vinden, de opgegevene zijn grootendeels uit zijne eigene schriften ontleend [42].

Uit het Haarlemmer-Meerboek, No. 24, blijkt, dat Leeghwater eenen zoon had, Simon genaamd, dien hij den oudsten noemt; uit de kleine Kronijk leeren wij bl. 36, No. 35, eenen tweeden, met name Adriaen, en bl. 30, No. 7, eenen derden, Jan genaamd, kennen.

Nog heden bestaan er afstammelingen van den beroemden man, en wel:

1º. Pieter Leeghwater, wonende te Koog, geboren in 1786, die een zoon is van den in 1807 overledenen Jan Cornelisz. Leeghwater en diens eerste vrouw Ariaantje Heertjes.

2º. Trijntje Leeghwater, geboren in 1797, eene dochter van voorn. Jan Cornelisz. Leeghwater en diens 3de vrouw Maartje Kuik. Deze is gehuwd aan Pieter Haremaker te Zaandijk; [43] en

3º. Cornelis Jansz. Honig, zoon van den Heer Jan Cornelisz. Honig, te Zaandijk, en diens overledene echtgenoot, Neeltje Leeghwater, welke was eene dochter van Louwrens Leeghwater en Aaltje Ouwerijk, en eene kleindochter van Cornelis Louwrensz. Leeghwater en Trijntje Peper.

Behalve deze leeft er te Wormerveer, in den ouderdom van 80 jaren, een Jan Louwrensz. Groot, wiens moeder mede Leeghwater genaamd was.

De éénige mannelijke afstammeling van Leeghwater, die dien naam voert, is, voor zoo verre ik heb kunnen nagaan, gemelde Pieter Jansz. Leeghwater, daar deze ongetrouwd is, staat het te vreezen, dat met hem het geslacht van Leeghwater zal uitsterven.

Bij de voornoemde afstammelingen van den beroemden man is zijne nagedachtenis nog in eere: behalve een exemplaar van het Meerboek en van de kleine Kronijk, zijn aan mij, namens den voornoemden Heer Jan C. Honig, door bemiddeling van den Heer van Gilse, ter hand gesteld:

1º. Het origineele Octrooi van den jare 1605.

2º. De bovenvermelde, met de pen vervaardigde, eigenhandige teekening.

3º. Een koperen Alidade (liniaal met vizieren) van een werktuig om hoeken te meten, met het jaartal 1619, afkomstig van onzen Leeghwater.

4º. Een zilveren vergulden Penning, geslagen op de overwinningen van Prins Frederik Hendrik, en die, volgens het verhaal van vader tot zoon, mede van onzen Leeghwater afkomstig is, als door hem óf ten geschenke ontvangen, óf gekocht ter gedachtenis van zijne verrigtingen voor 's Hertogenbosch. [44]

Behoef ik wel te doen opmerken, dat zoo vele herhaalde uitgaven van het Haarlemmer-Meerboek als ik opnoemde, twaalf in den tijd van iets minder dan eene eeuw, getuigen van de belangstelling, die het werk van Leeghwater verwekte? Nog is die belangstelling niet geweken. Zijn werk is nog altijd belangrijk voor ieder, die over de droogmaking van het Haarlemmer Meer wil spreken of schrijven. Nog steeds wordt zijn Haarlemmer-Meerboek gezócht, en de schaars voorkomende exemplaren worden op boekverkoopingen ruimschoots betaald.

Het kwam mij alzoo niet ongepast voor, om eene dertiende uitgave van dit werk het licht te doen zien, vooral in deze dagen, waarin de belangstelling in het ontwerp der droogmaking van het Haarlemmer Meer, dat groote plan van Leeghwater, weder meer algemeen is. Het kan toch niet onwelgevallig zijn te weten, wat over dit onderwerp vóór nu twee eeuwen gezegd is, door eenen man, grijs geworden hij het droogmaken van zoo vele meren, wier bloei en welvaart thans het sieraad en den rijkdom van Noord-Holland uitmaken; door eenen man, die sprak uit eigene ondervinding, niet naar theoriën, dikwerf slechts fraai op het papier, maar minder geschikt om ten uitvoer te worden gebragt.

Ik heb bij deze uitgave gebruik gemaakt van den hierboven vermelden achtsten druk. Op verzoek van den uitgever, die zulks voor ons lezend publiek noodig oordeelde, heb ik hier en daar den stijl een weinig veranderd, doch mij hieraan slechts zeldzaam schuldig gemaakt. Ik wilde den eenvoudigen, naïven, ongekunstelden stijl van Leeghwater zoo min mogelijk bederven. De spelling heb ik naar de thans in gebruik zijnde gewijzigd.

Het Lofdicht van Heyndrik Albertsz., dat voor het Meerboek gevonden wordt, heb ik weggelaten, omdat het geene kunstwaarde bezit. Om dezelfde reden heb ik de gedichten, die Leeghwater in en achter zijn werk gevoegd heeft, niet overgenomen, omdat zij wel van 's mans rijmlust, maar geenszins van zijne dichterlijke bekwaamheid getuigen. Enkele rijmpjes heb ik echter vermeend te mogen overnemen.

Het kaartje en de afbeelding van den Schrijver, welke ik bij deze uitgave heb gevoegd, worden in den eersten druk niet gevonden. Men zal ze, zoo ik mij niet vergis, hier met welgevallen aantreffen. De afbeelding is naar eene teekening van J. de Keyser en gegraveerd door J. Lamsveld; onder dezelve staan de volgende niet zeer dichterlijke regels van J. J. Schipper [45].

»Dit is Leegwaters Beeldt, Aenschouwers, siet vry toe, Zyn geest, die altyt werckt en nimmer meer wort moê; Aen 't geen zyn Vaderlandt tot welstant kan verstrecken, Zich in syn Meerboek zal ten deel aen u ontdecken: Wat d' ander rest belangt, die spreyt zich wyt en breet, En vat, in zijn vernuft, wat yemand wist off weet."

Ook in den 2den en 3den druk van het Meerboek wordt de afbeelding van Leeghwater niet gevonden. Waarschijnlijk verscheen zij het eerst in den 4den of 5den druk. In den 7den vond ik haar, doch niet door Lamsveld, maar door S. Savrij gegraveerd. Daar deze in een' der hoeken het getal 43 heeft, vermoed ik, dat Leeghwater in 1643 door Keyser is geteekend, toen hij 68 jaren oud was.

Na Leeghwater verschenen er verscheidene andere geschriften over het Haarlemmer Meer, welke ik kortelijk zal vermelden.

Bijna gelijktijdig met het werkje van Leeghwater, kwam er nog een ander plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer in het licht, opgesteld door Jacob Bartelsz. Veeris. Dit werk maakte echter minder opgang. »Volgens den Heer Van Lijnden (Verhand. bl. 43), verschilde het plan van Veeris in zoo verre van dat van Leeghwater, dat bij hetzelve bepaald was een voorboezem, met een' dijk over het eiland Ruigoord, op welken dijk 15 bovenmolens zouden gesteld worden."