Het beloofde land

Part 9

Chapter 94,270 wordsPublic domain

Eli zag dit alles in vreemd dof opmerken... ééns trokken zijn oogen naar de hut waar de Foksen hadden gewoond—onwillekeurig—zonder leidende gedachten.

Eindelijk zag hij de mannen naar ’t veld gaan.

„Nu,”—zei hij, onbewust hardop, en ging er heen.

Nog was, terwijl hij liep, die doode onverschilligheid in hem; zijn gedachten star op wat hij ging doen.

Eens dacht hij iets anders:

„Hester was gisteravond naar Boge gegaan—een zuster van haar moeder lag daar ziek—ze kwam eerst morgenochtend terug.”

Toen hij aankwam op het werk was er iets in zijn gezicht, dat het volk stil deed staan en hem aanzien en afwachten...

Eli zag rond—langzaam gingen zijn oogen van den een naar den ander—traag in zich opnemend de indrukken: die groep mannen stil hem aanziend onder die onbewegelijke grauwe lucht—en het wijde, droeve land rondom.

En langzaam begon Eli te spreken, met zachte, eentonige stem, alsof er iets was dat zijn gedachten wegtrok van hetgeen hij sprak.

„Ik heb lang gewerkt om dit niet te laten gebeuren, en ’t is nu toch gebeurd... ik dacht altijd het nog te redden—daarom heb ik deze week nog laten werken, het heeft niet geholpen, ik moet nu laten ophouden...”

Er was een dof zwijgen, als in niet-begrijpen... eindelijk kwam beweging onder de mannen.

„Voor goed ophouden?” vroeg een stem.

„Ja—voor goed.”

„En al dat moois, dat je beloofd hebt—waar blijft dat—is dat allemaal uit?”

Eli’s hoofd wendde langzaam naar den kant, vanwaar de stem kwam; hij zàg niet—er was iets in ’t zonderling langzame, duldende van zijn bewegingen, dat deed denken aan een blinde.

„Ja—dat ’s uit,” zei hij op denzelfden zachten toon.

Een man drong naar voren, ’t was Baats.

„Dat ’s gemeen van je—je hebt ons bedrogen—je hebt ons voorgepraat van alles—en toen wij konden uitscheiden, heb jij ons er weer toe gebracht door te gaan,—nou ’t je zelf niet meer schikt, nòu mot ’t maar uit zijn—maar je hebt te denken aan òns nou...”

Eli zag hem aan; met diezelfde zachte doode onverschilligheid, als onder een vreemden dwang, zei hij àf, als een kind, wat hij te zeggen had.

„Het is alles voor goed gedaan.”

Er kwam een groote opschudding nu,—gesmoorde dreigstemmen, die uitbarstten hier en daar; maar Eli, zooals hij daar stond, zijn gezicht vervallen, bijna stil berustend, als een die na langen strijd rusten moet, zijn zachte stille stem—het was alles zoo anders dan vroeger, het leek niet meer op Eli, het was niet zijn stem en zijn woorden, en het hield hun toorn gevangen in een vreemd gevoel van vrees.

Zoo zwegen zij weer; toen ging de oude Brandt naar Eli.

„Eli, de jongens moeten ’t geld van de twee maanden toch hebben—dat gaat zoo niet.”

De oude man, het gezicht verstrengd nu in strakheid van trekken, schrap staand voor zijn jongere makkers, zag in gespannen verwachting Eli aan.

Iemand drong zich naast Eli.

Dat was Maarten Ross.

De mannen gingen terug. Maarten had grooten invloed in ’t dorp—er kwam iets van vertrouwen in hen terug, nu een Ross zich plaatste naast Eli.

Eli sprak niet.

„Eli, zeg dan, wanneer wij ’t loon uitbetaald krijgen,—’t loon van de drie maanden.”

Maartens gezicht trok strak.

„Beloof niet overijld—en vraàg niet overijld—praàt ’t samen, Eli...”

Voor ’t eerst toen scheurde in Eli de stugge kalmte, en in plotselingen angst dreunde het in hem op: het geld, dat zij eischten—dat betaald moet worden—dat hij niet had—waar zou hij ’t vandaan halen...?

Toen zag hij op; zijn gezicht veranderde, zijn oogen straalden met een kouden, harden glans.

„Het zal betaald worden.”

„Geef een borg!” riepen ze luid—ongeduldig driftig.

... „Een borg! Wat voor zekerheid geeft hij—hij heeft ook niet gehouden wat ie vroeger beloofde... niks... een borg...”

Maarten duwde krachtig Baats, die naar voren drong, terug.

„Ik”—begon hij langzaam en vast—„ik wil...”

„Ross is borg!” schreeuwde Loes—en in plotseling gezonken drift, zeiden zij zacht onder elkaar—„Ross is borg...”

Toen was Eli’s stem, koud, helder:

„Ross is geen borg—dat is niet noodig. Ikzelf geef mijn woord...”

Er viel een stilte—waarin zij allen stom zagen naar Eli, die zóó gevallen, zich met zijn ouden hoogmoed boven hen plaatste... Brandt keerde zich om.

„Je hoor ’t, jongens, Eli geeft zijn woord—dan moeten we dat vertrouwen... ga nou maar naar huis,—d’r is nou niks meer te doen...”

Onwillig gingen ze,—liepen langs Eli norsch en zwijgend; en hij stond en zag hen heengaan—een voor een...

Brandt ’t laatst, met gebogen hoofd; toen hij bij Eli kwam zag hij op, met een brandend verwijt in zijn oud gezicht.

„Ik heb erin geloofd—wat je allemaal zei,”—sprak hij heesch—„’t was moòi—’t was iets moòis—ik heb er op mijn ouden dag hard voor gewerkt—èn verlangd dat ’k er nog iets van zien zou—nou is ’t allemaal niks...”

Hij liep door, met sloffende, moede voeten.

Eli zei niets; hij zag den ouden man na, met dien harden, scherpen glans in zijn oogen...

Iemand raakte hem aan; hij keerde zich om en zag Maarten Ross naast zich.

Toen viel Eli’s gezicht in, het werd weer oud en vervallen, en met dezelfde vreemde, eentonige, zachte stem, als waarmee hij in ’t begin had gesproken, zei hij:

„Dank je—dàt je me helpen wou.”

Maarten schudde het hoofd; met moeite sprak hij de woorden, die vriendelijk moesten klinken:

„Ga mee naar ons, en blijf daar.—Ga niet alleen zitten,—we kunnen allemaal erover beraadslagen wat je zal doen....”

Maar Eli antwoordde niet; even stond hij stil en keek naar het bewerkte stuk hei... toen liep hij naar huis met snelle, onvaste schreden, in een wild verlangen alléén te zijn.

— — — — — — — — — — — — — —

In zijn eenzaam huis zat Eli nu—onbewegelijk, met stille, strakke oogen.

Het wàs nu uit—het wàs gedaan—er was niets meer.

Zelfs de angst, die de vorige weken gevuld had, was er niet meer.

Alles was gebeurd, zooals het gebeuren moèst.

Er was hem niets bespaard—niéts.

En nòg wisten zij niet, dat zijn belofte het geld te betalen van geen waarde was....

Als hij had kunnen stèrven, toen hij daar stond, dat zou goèd geweest zijn—maar niet zich zóó vernederen, niet zich moeten laten welgevallen, dat een ander borg was—niet moeten zeggen, dàt hij niet wist of hij betalen kòn...

Dàt niet...

Hij kromde zich, zat geknakt onder het bewustzijn, waartoe hij was gedreven...

Hij had zijn woord gegeven—en zij hadden hem geloofd.

Dat was nu ’t eind—dat was ’t volk, waarvoor hij eerlijk had willen werken; hij had hun het geld beloofd, terwijl het niet in zijn macht stond iets te beloven; maar dat ééne oogenblik van diepe ellende had hij niet óók nog kunnen dragen: de vernedering hun te zeggen, dat hij hun schuldenaar moest blijven.

Nu was ’t nog niet gedaan—nu moest dàt ook nog komen.

Hij zat daar en staarde met strakke, droge oogen: een overwonnene.

Wat alles had kùnnen zijn, wat hij had kùnnen volbrengen, dat was te niet gedaan door tegenspoed, op een tijdstip dat hij niet in staat was het als een sterke te dragen.

Hij was bezweken nu—maar inderdaad wàs hij reeds overwonnen geweest van het eerste oogenblik af dat de tegenwerking begon: hij had iets groots kunnen wrochten als het Lot met hem was geweest, maar hij was te zwak om zich staande te houden in een kwellenden, langen strijd.

Er was nòg iets: hij zag het licht niet, dat zóó dicht bij hem was...; hoè hij Hester liefhad, hij had toch nooit die groote, belangelooze, geheel zich gevende liefde kunnen peilen, niet den vollen omvang ervan.

En daarom kon zij hem niet redden.

Zelfs nu dacht hij niet aan Hester als aan een toevlucht; waar hij altijd zou ontvangen worden met een liefde die niet kòn veranderen, die liefde begreep hij niet in haar.

Hij dacht alleen dat hij nu zelf bij haar alle geloof in hem moest vernietigen; hij had haar leven verwoest, hij had haar niets dan ongeluk gebracht...

— — — — — — — — — — — — — —

Het volk was stil naar huis gegaan; in den avond zaten velen om ’t groote vuur bij Loes—en bespraken het over en over, in een grimmigen, half voldanen, half bangen wrok.

„De winter—die nou kwam... er was niet gespaard...”

„Zoo’n bedrieger—wat hebben we nou?...”

„Zoo iets had Jelle ons nooit gedaan... hij heeft niks van Jelle.”

„Ik geloof, dat hij ’t eerlijk gemeend heeft,”—zei Baats, „maar ’t was een stom verzinsel...”

„En wij draaien d’r maar voor op.”

„Hij moet ’t geld nog uitbetalen.”

„Ja—dàt moet ie...”

Brandt sprak niet mee; met doffe oogen zat hij te suffen in den hoek bij ’t vuur.

Maar Maarten Ross ging dien avond twee keer naar Eli’s huis; hij kreeg geen gehoor...

Langzaam en bezorgd ging hij weer naar huis.

„Weer voor niets,” zei hij binnenkomend, waar grootmoeder en Berend zaten.

Tine Ross zag op.—„Goed dat Hester pas morgen thuiskomt,” zei ze.

Berend bukte zich weer over zijn werk.

„Dat gaat mis,” mompelde hij, „’t helpt niets, Hester moet ’t maar weten,—zij is de eenige, die er misschien wat aan doen kan...”

„Hij drinkt,” zei Maarten kortaf,—„ik wist ’t al een poos.”

Grootmoeder Ross zat lang zwijgend, een strenge trek kwam om haar mond.

„Als Hester ’t niet weet, moèt ze ’t weten,—waarom verzwijgen jullie zoo iets...”

Maarten fronsde het voorhoofd.

„Als je van iemand houdt,” zei de oude vrouw toornig,—„niet zooals die gek van een Wirs vrijt met Mina Baats,—maar zooals wij hier houden van onze mannen en vrouwen, is hij je dan minder lief omdat hij ziek is of ongelukkig? Eli kòmt er wel weer bovenop—maar hij moet gehòlpen,—dat ongeluk heeft hij van zijn vader... ik ben er wel bang voor geweest—maar toen ik wist, dat zij van hem hield, heb ik niks meer gezegd,—dàn valt er niks te zeggen,—dat is ’t mooie, ’t goeie, wat voor ieder mensch komt, vroeg of laat, en dat mag je ’m niet afnemen... Jullie wèten ’t en zèggen ’t niet!! Wat denk je van Hester?—dat zij niet flink genoeg is?—ze heet Ross—zij moet ’m helpen.”

„Ze wist ’t,” zei Maarten zacht... „dàt was haar onrust...”

„Zoo?”

Tine Ross zag haar kleinzoon aan, voor ’t eerst begon ze iets te begrijpen; ze klemde de lippen opeen, en zweeg.

Dien nacht viel de eerste sneeuw.

XVII.

Laat in den avond, toen alles sliep, ging Adam Feke naar Eli’s huis.

Eéns klopte hij; toen niemand kwam stak hij een sleutel in ’t slot, en opende de deur.

Het huis was stil en donker, hij liep de gang door, en kwam in Eli’s kamer.

Eli sliep.

Adam stak het licht aan; op de tafel zag hij een leege flesch.—Hij borg haar weg,—toen bukte hij zich over Eli heen, en keerde hem een weinig om, om hem in ’t gezicht te zien.

Hij werd niet wakker.

Adam liet hem zacht weer los; een poos zag hij hem aan, zooals hij lag, zijn hoofd op zijn arm, zwaar snurkend; daarna zette hij het licht op de tafel, en ging op een stoel naast ’t bijna uitgedoofde vuur zitten.

De nacht viel...

En Adam zat en luisterde naar al de geluiden van nachtstilte—die hij kende en herkende als oude vrienden.

Maar later in den nacht was er iets nieuws.

Iets dat zacht neergleed langs het venster.

Adam stond op, en zag uit.

„De sneeuw,” zei hij, „ik verwachtte ’t...”

Ook die zag hij terug als een oude bekende; dat was nu de winter—dit werden weer de avonden als hij bij ’t vuur zat, en de wereld lag wit om hem heen; dan was er een rust in al dat wit, die de zomer en de herfst niet gaven; dit leek zoo goed en zoo rein, alsof het ’t eind was van alle dingen.

Hij keerde terug naar ’t vuur; vroeger had hij dit niet zoo gevoeld, toen dacht hij ’t einde anders, verlángde het anders.

Nu niet meer—hij wist nu, „Het Einde” kon nooit anders zijn, hij kon het zich nooit anders meer denken dan blank en rustig...

Eli kreunde zacht... Adams gedachten trokken naar hem.

„Voor hèm ook—voor Eli ook. Hij stond er nu nog midden in,—overal òm hem de ellende,—dat gebeurde zoo in je leven,—alles tegelijk, en dan was je wanhopig,—maar je kwam er uit,—en dan later—véél later, Het Einde—stil verlangd, rein... voor hèm ook—Jelle’s kind...”

De nacht verging... de sneeuw viel snel en dicht, en begroef alle herinnering aan zomer, in strak-wit.

XVIII.

Hester zou dien morgen terugkomen.

Om tien uur kwam Maarten binnen bij Tine.

„Ik ga Hester tegemoet,” zei hij.

De oude vrouw zag hem aan.

„Uit je werk? De sneeuw ligt niet zoo hoog—ze kan den weg wel houden.”

Hij zweeg en keek naar buiten.

„Als ze ’t hier in huis hoort, is ’t vroeg genoeg,” ging Tine voort.

Hij schudde ’t hoofd met de onverzettelijke koppigheid der Rossen.

„Ik wil haar tegemoet gaan.”

En hij ging.

Hij liep met snelle schreden den besneeuwden weg; overal lag het land wit en stil om hem.

Een vreemde ijverzucht deed hem zoo gaan; hij vertrouwde een ander niet toe haar het groote leed te zeggen. Er bleef niet veel voor hèm over, maar dat ééne tenminste: haar te kunnen helpen met zijn medegevoel.

Bij Boge zag hij haar aankomen. Zij liep snel, als gedreven door onrustig verlangen.

„Is er iets?” vroeg ze, zoodra ze bij hem was.

„Ja—daarom kwam ik je tegemoet—ik wou met je praten.”

Ze zweeg en wachtte af.

„Gisteren heeft Eli moeten zeggen tegen ’t volk dat hij niet meer kon volhouden...”

„Was jij erbij?”

„Ja—er is niets gebeurd—ze zijn naar huis gegaan—en hij ook.”

Ze keek hem aan, hem smeekend met haar oogen àlles te zeggen, maar hij zag hardnekkig voor zich.

„Er is niets gebeurd, hij heeft moeten beloven den termijn uit te betalen—dat zal hij doen.”

Hij keek nu op, en zag haar stilstaan, bleek voor zich uitstarend.

„Heeft hij—dat beloofd?”

„Ja.”

Ze wendde langzaam haar hoofd naar hem om; en zij zagen elkaar zwijgend en lang aan, met diepe oogen elkaars gedachten peilend.

„Ik heb gezegd, dat ik borg wou zijn—maar dat wou hij niet...”

Ze kwam naar hem toe, aangetrokken, met dankbare, droeve oogen.

„Goèd van je.—Wat moeten we doen?—kùnnen we niets doen?—wat heeft hij gisteravond gedaan?—en ik was er niet—ik was niet eens bij hem...”

Ze schreide wanhopig, met hartstochtelijke snikken; hij zag ’t, en dacht opeens aan vroeger, toen ze nog kinderen waren, en hij haar verdriet wegkuste...

Hij had haar nooit meer gekust, sinds hij wist, dat ze Eli liefhad.

Zacht sloeg hij zijn arm om haar heen.

„Kom—’t is te koud om lang zoo stil te staan...”

Ze droogde haar tranen, en liep nu stil naast hem voort.

„Ik ben gisteravond nog tweemaal aan zijn huis geweest, maar hij deed niet open.”

Ze knikte; ze zàg het; hij had daar alleen gezeten in zijn ellende en had niemand bij zich kunnen verdragen,—zoo was hij.

„Ik ga nu—zeg ’t maar aan grootmoeder.”

„Zal ik meegaan?”

Ze zag hem aan, gejaagd. „Maarten—liever niet—ik—voor hém niet...”

„Nee—nee,”—hij knikte geruststellend—„dan ga ik hier maar weg.”

Kalm liep hij terug naar de smidse.

Eli sliep nog, toen Hesters stap klonk voor ’t raam.

Adam herkende den stap; zacht ging hij haar tegemoet.

„Dag Hester.”

„Adam...”

Ze stond voor hem, zwaar ademhalend, en zag de kamer rond, zag naar de rustbank waar Eli lag.

Het licht van de witte sneeuw buiten viel hard door de groote, vierkante ramen; de groote ramen, die Eli noodig had omdat hij in schemer en half-licht niet leven kon.

„Hij slaapt,” zei Adam; even zag hij haar aan, toen ging hij de kamer uit, en liet haar alleen met Eli.

Maar ze bleef staan waar zij stond, bleek, met wanhopige oogen, en kon zich niet verroeren van haar plaats. Toen eindelijk, met knikkende knieën, sleepte ze zich voor de rustbank—en zag naar hem.

Zag zijn gelaat—veranderd in een groote verwording van trekken.

En begreep.

’t Spook van dien eersten avond—’t was teruggekomen—’t was nooit weggeweest—hij had ’t voor haar verborgen—maar ’t hàd bestaan al dien tijd...

En gelijk met dit doorvoelde ze het andere,—zijn lichtvaardige belofte bij zijn smart,—dat alles te samen was hem te zwaar geweest,—daarom kwam Maarten vergeefs—daarom was Adam hier,—diè wist ’t,—als alles hem te zwaar werd was dàt zijn troost... drinken.

Ze zonk in elkaar, haar hoofd tegen den rand van de bank.

En zij was niets voor hem geweest;—zij had gedacht, dat haar liefde hem òphouden kon,—’t was alles dwaling geweest,—hun levens hadden niet in elkaar gegrepen,—alles wat zij voor hem gevoeld had,—het beste van zichzelf, wat zij hem gegeven had... dat was alles vergeèfs geweest.

Ze dacht plotseling terug, hoe ze vroeger zich Eli voorgesteld had.—Was dat dan te mooi geweest om wáár te zijn?

Toèn—in dien tijd—toen ze hem nog niet bezat—toen ze hem nog zag in zijn gewaande grootheid,—toèn was ze niet ongelukkig geweest—dat zag ze nu.

Ze kreunde, en beet haar tanden op elkaar...

Dàt ook nog—moest telkens een nieuw besef haar ellende komen vergrooten!

Ze richtte zich op, en zag naar hem met groote, strakke oogen, in onbewusten dwang hem dwingend tot opzien.

En langzaam—zwaar—werd Eli wakker.

En langzaam drong tot zijn bewustzijn door haar zijn hier,—alles wat gebeurd was,—hij zag haar gezicht, zooals hij het nog nooit gezien had...

Toen begreep hij, dat zij nu alles wist,—en hij keerde zijn hoofd naar den muur—en bleef zoo liggen.

Maar in haar zonk weg wat een oogenblik te voren haar geheel had beheerscht, haar beleedigd zelfgevoel,—en uit den dood van al haar oude idealen werd een geheel nieuwe aandoening geboren, die haar vervulde; een moederlijk, diep-teeder medelijden, alles dragend, alles vergevend.

En ze boog zich over hem, en zag hem aan met zachte, droeve oogen, en zei woorden van ongekende zachtheid.

„Eli—je mag ’t niet erg vinden, dat ik nu gekomen ben—en dat ik ’t weet.—Ik weet ’t nu allemaal, Eli,—en dat is zoo goed,—ik had veel eerder alles moeten weten,—dat is mijn schuld, dan had ik je kunnen helpen,—nu ben je maar heel alleen geweest... Je moet niet denken, Eli, dat ik er verdriet van heb,—dat is niet waar,—alleen om jou, dat jij al die ellende hebt, maar samen komen we er wel weer uit... en hoor eens, ik...”

Maar Eli greep plotseling haar hoofd tusschen zijn beide handen, en boog het omlaag tegen zijn borst... dat zij hem niet meer kon aanzien—zóó.

Hester bleef tot den avond; stil zaten zij en Adam bij Eli.

Hij was rustig geworden, maar krachteloos onder de uitputting van de laatste weken; een vreemde kalmte was nu over hem gekomen, en hij lag dof-tevreden in ’t besef Hester bij zich te hebben.

Toen het donker werd, en hij insluimerde, voelde Hester zelf een groote vermoeidheid; zij streed ertegen, zij was nooit moe anders...

Adam zag het; oplettend keek hij haar aan.

„’t Helpt niet,”—zei hij zacht lachend, „je bent te moe—ga maar naar bed—ik blijf immers hier...”

Hester stond op; voorzichtig kuste ze Eli—en ging heen.

Adam bracht haar tot den weg; toen ging hij weer naar binnen op zijn oude plaats.

Het sneeuwde niet meer; de maan stond strak en helder aan de lichte lucht—en Adam zat daar en zag den nacht voorbijgaan evenals den vorigen.

Eéns werd Eli wakker; onrustig kwam hij overeind.

Hij zag Adam, die zat uit te zien in den lichten maannacht—en zoo stil en kalm was dit om aan te zien, dat ’t hem in zijn zwakte vervulde met een kinderlijke gerustheid.

En hij sliep weer in...

Maar Adam sliep geen enkelen keer in; hij waakte bij ’t kind van Jelle Bag.

„Oude man, wat zit ge zoo stil en ziet uit in den donkeren nacht? Wij zijn gekomen, ziet ge ons niet?”

„Sneeuw—en ijs—zijt ge daar eindelijk, om weer te vertellen van de vele wondere dingen, die ik nooit zal zien?—van de hooge bergen, hooger dan de wolken, besneeuwd in eeuwige, ijzige pracht...

„Ik zit hier en denk aan den zomer... Ziet ge de hei in paarse heerlijkheid van bloei? Vlammend rood gaat de zon onder...”

„Van dat weten wij niets, wij zijn gekomen in kouden, donkeren nacht...

„De paars-bloeiende hei is wit—wit—en de roode zon is mat, en verlangt te rusten...

„Oude man—waaraan denkt gij?”

„Ik hoor een vogel zingen op ’t kerkhof, hij zingt iederen avond,—daar zijn de groene graven van de velen, die hier hebben geleefd;—er is een nieuw graf gedolven,—een zwarte plek in al het groen...”

„Het is àl wit—de oude groene graven en het zwarte nieuwe—en de vogel, die ’s avonds zong, is gevlogen naar warme landen.”

„Sneeuw—gij weet van dat alles niet; ik hoor den wind ruischen door de hooge pijnen—ik zie ze wuiven met hun frissche, groene pluimen in de lucht.

„Ziet ge den vlierboom? De wind voert den geur van zijn witte bloesemtrossen ver over de heide.

„Aan ’t eind van het dorp staat een doode boom,—vóór jaren trof hem de bliksem,—ziet ge de zwarte streep langs zijn stam?—nu klimmen de jongens in hem, en staan juichend op zijn krakende, doode takken...”

„Oude man, wij weten niet van zomer en kleur,—wij zijn zacht gevlogen op de groene pijnen, die hun donkere pluimbossen wuifden in den wind,—ze zijn wit.

„Wit als de vlierboom, die den geur van zijn bloesem over de verre heide zond.

„Zoo wit als de doode boom, dien de bliksem trof;—de kinderen, die in zijn takken klommen, zijn naar binnen gevlucht, en warmen zich bij ’t vuur.

„Oude man, wat zit ge, en staart zoo stil?”

„Ik weet, daar zijn voetsporen op den weg... kleine, trippelende kindervoetjes naast een grooten mannenvoet...

„En een oude vrouw kwam langs; zij ging naar haar man,—jaren waren zij gescheiden,—waarom—dat weten zij alleen,—nu is hij ziek en vroeg naar haar,—zij ging haastig, met onvaste schreden, haar kleed sleepte langs den grond...

„Waar zijn al de voetsporen?”

„Oude man, begraven,—de voetstappen van het vroolijke kind en van den vader,—wij bedekten ze.

„Èn de snelle, onvaste voetstappen van de oude vrouw, die haar liefde nooit verloor.”

„Haar kleed haakte aan een dorren tak,—het was haar beste,—eens had zij er lang voor gespaard,—ze trok het ongeduldig los en zag niet om,—een smal strookje scheurde af...”

„Het is als begraven—de weg is wit, alsof niemand daar ooit gegaan is...

„Oude man, wat zit ge daar nog en ziet uit...?”

„Een klein stukje papier woei langs den weg,—het was ééns de grootste schat van een man, de laatste woorden die zijn dochter hem schreef,—een schertsende liefdenaam slechts... Bij zijn dood vonden vreemden het,—zij begrepen niet—en gooiden het weg;—het was jaren het éénige dierbare van een mensch—nu waait het langs de wegen...”

„Het is al weg—half vergaan—het kleine papiertje, dat jaren de vreugde was van een mensch—de sneeuw bedekte het—de weg is wit—wit.

„Wat zit ge nog, en verlangt—en zoekt? Is niet de blanke vrede goèd?”

„Sneeuw—de levende vreugden en smarten van den mensch kunt ge toch niet begraven!”

„Oude man—zij ook zullen ondergaan in den blanken, dooden vrede.”

XIX.

Een zonderlinge stilte lag nu over het dorp.

Er was iets weg, en het liet een leegte na... het werk, de grieven ertegen, de altijd keerende wrevel, dat alles was nu weg.

Zij zeiden tot elkaar: het kan nu alles weer worden als vroeger.

Alleen het wantrouwen of Eli het geld zou uitbetalen bleef. Er waren velen, die toch, ondanks alles, in zijn eerlijkheid geloofden: „dàt zou een Bag nooit doen,” en Eli’s verhouding tot de Rossen gaf dat vertrouwen steun.

Laret was Maarten Ross tegengekomen en had hem trachten uit te vragen, maar Maarten had zijn schouders opgehaald en was onvriendelijk doorgeloopen.

Sinds dien wrokte Laret ook tegen de Rossen.

Adam was weer naar huis gegaan, en Eli was hersteld; toch kwam hij de eerste dagen zelden uit.—In zwijgende, starende dofheid zat hij thuis en leed het uit, de groote smart van het leege, het gemis van zijn arbeid.

Hij leed hieronder alsof een levend wezen van hem was weggegaan; de eerste dagen dacht hij bijna niet aan het geld, dat hij moest betalen, zóó sterk was dat leed in hem. Zèlfs was hij dankbaar, dat Adam wegging,—nu kon hij alleen zijn.

Toch ging hij eindelijk den tweeden avond naar Hester.

In Hester was na dien dag iets anders gekomen; zij had een gevoel, alsof er iets uit haar leven was weggevallen, dat het tot nu toe gevuld had; en onbewust dreef het haar telkens weer naar de werkplaats van Berend, in een zonderling verlangen dat rustige, geduldige gezicht te zien, en die moedige, heldere oogen; het drèèf haar als naar een geneesmiddel, dat iets van zijn rust aan haar meedeelde.