Part 8
In die lange dagen en avonden, als allen om hem heen waren, als alles in de smidse was vertrouwelijkheid en onderling stil geluk, zat hij erbij en dacht niet aan hen, hoorde of zag hen niet. Hij dacht slechts aan wat zijn zoon hem geschreven had...
Overwonnen.
Voor hem dacht hij het uit, veranderde, verbeterde het honderden malen, volmaakte het in zijn geest. Soms werd zóó hevig in hem de begeerte, Foeko’s werk te gaan zien, dat hij bijna bezweek.
Maar hij beheerschte zich; het geld, zoo langzaam verdiend, zoo moeielijk gewonnen, zou ook blijven waarvoor ’t bestemd was—en Foeko had nog meer noodig.
En hij ging niet.
Hij vocht het in zichzelf, terwijl hij zoo rustig zat, alsof elke begeerte in hem gestorven was.
Over de hei wachtte hij telkens den bode met hongerig verlangen; na de eerste brieven, uitvoerig vol van het werk, schreef Foeko weinig meer.
De vader troostte zich; had hij zelf, als hij verdiept was in zijn werk, ooit aan iets anders gedacht?
En hij wachtte.
Hij werkte onvermoeid den ganschen dag, tot ’s avonds zeer laat; zoo dikwijls mogelijk zond hij de geldsommen naar Foeko.
De jongen mocht geen zorg hebben; hij moest alleen het werk wrochten in éénige schoonheid.
Tine Ross zag haar zoon soms bezorgd aan, maar zij sprak er niet van, hoe zij dikwijls angstig lag te wachten, tot zij hem ter ruste hoorde gaan.
Met haar berustende, wijze kalmte zei zij tot zichzelf:
„Hij vindt, dat dit zijn plicht is tegenover zijn kind; dan is het immers niet mogelijk iets anders te doen.”
En zij wist niet, hoe groot Berends strijd was; hij was begonnen het werk uit te denken voor zijn zoon, en langzaam, langzaam overwon het hem.
Terwijl hij het kuischte, volmaakte in zijn geest met onbegrensde teederheid, werd het langzaam zijn eigen werk, was het, onbewust nog, weer geworden het oude streven.
Hij dacht nog, dat hij het voelde voor zijn zoon, maar inderdaad had hij het lief voor zichzelf. Hij zag het nu, heerlijk volmaakt:
Een man, niet jong meer, maar in den krachtigen leeftijd nog, forsch van gestalte, het gelaat opgeheven met een trek van smart en bittere ontgoocheling,—de hand gebald langs het lichaam als in machteloozen opstand tegen datgene wat sterker dan hij, hem overwon; overwonnen door machten, niets wetend van zijn strijden en droefheid, die vermetel namen waarnaar hij heeft gestreefd en gewacht met levenslangen honger...
Hij zag het—zàg het.
In stille nachten stond het voor hem, tartend, verleidend, hem bindend,—zag hij het beeld volmaakt, zich uitdrukkend in elken trek van het gelaat, elke spier van het lichaam.
Hij zag het, zooals hij nooit te voren een werk had gezien en doorvoeld.
Hij smachtte te gaan naar Foeko en ’t werk te zien—ééns maar! Maar hij deed het niet.
Den volgenden dag zat hij weer en werkte.
En niemand van allen, die dagelijks om hem waren, niet zijn moeder die hem liefhad boven alles—vermoedde iets van dat vuur, dat laaide en gedoofd werd, en weer oplaaide en wéér werd gedoofd—niemand wist iets van dien waarlijk grooten en zwaren strijd.
Op een nacht hoorde de oude vrouw gerucht in de werkplaats.
Toen stond zij op, en sloop er heen, en zelf in ’t donker, zag zij in ’t flauw verlichte vertrek. Berend Ross stond bij het slecht brandende lampje en in zijn hand was een kleine klomp klei, die hij langzaam vormde.
Tine begreep; het was zijn gelaat, dat ’t haar zei...
Zijn gelaat, dat nu voor haar opleefde, zooals zij het vroeger altijd gezien had.
De geduldige, zwijgende, berustende werker was weg—hij stond daar met stralend gelaat, oogen wijd open, verloren—zalig. En zijn handen arbeidden, vervormden met onzegbare teederheid de klei tot het heerlijk beeld in zijn geest—het beeld, dat alleen voor hem bestond...
Daar was niets anders.
Er was geen nacht, geen kou en geen slecht licht; er was geen tijd, geen plaats; er bestonden geen menschen, geen wereld, geen herinnering en geen toekomst. Daar was alleen volmaakt geluk.
Tine Ross zag het, doorvoelde het plotseling met scherpe pijn. Zij had gedacht, dat hij tot haar was teruggekomen, een droeve, maar tevredene, die de hoogste levenswijsheid had geleerd; nu kon zij hem geven, wat hij noodig had, liefde, troost—nu mocht zij het hem geven.
Maar dit was niet het gezicht van een, die geen begeerte meer kent, en den eenigen vrede gevonden heeft.
Dit was het oude, dat altijd geleefd had; zij had het vernietigd gedacht, en het was weer opgestaan, het had hem weer veroverd, vervuld met algeheele zaligheid... Het rukte hem weer van haar weg. Het kon hem niets anders geven dan leed, en toch was het sterker dan zij, het was de vloek van zijn leven, met zijn vreemde macht van grootste zaligheid en diepste ellende, en het was sterker dan zij met haar onwrikbare, trouwe liefde.
Sterker dan zij...
Zij ging terug naar haar eigen, klein kamertje: er was iets bitters, onbegrepens, dat haar weg deed gaan van hem éér hij haar zou zien; en daar lag zij, en trachtte het uit te denken—maar zij kon het niet—altijd stootte zij tegen dat ééne.
En zij schreide, in machtelooze droefheid, met langzame trage tranen, zooals zij niet had geweend in de jaren, dat hij van haar weg was.
Eerst in den morgen hoorde zij hem ter ruste gaan.
Den ganschen dag zat hij en arbeidde geduldig, zwijgend.
XIV.
Jozef Laret was teruggekomen; hij zat tusschen het volk, en vertelde het groote nieuws, dat hij zeker wist, want hij had het gehoord van Michiel Baak zelf.
Eli was bij Michiel gekomen om geld te leenen; maar een tweeden keer zou Michiel het niet geven, want van de heele Kloeve was dit jaar niets terecht gekomen.
Was dit waar? Zeker waar?
Zij vroegen het Laret, onrustig, hun wantrouwen, hun bijna gestilde wrok opnieuw gewekt.
Laret knikte.
„Het wàs waar, hij had ’t immers van Michiel zelf.”
„Dus—als Eli geen geld krijgt van Michiel kan hij ons niet betalen.”
„Natuurlijk niet.”
Heftiger kwam de wrok terug; zij dachten nu niet aan andere winters, als zij óók niet verdiend hadden, zij dachten alleen, hoe Eli hun vast loon voor den winter beloofd had, en dat zij het niet zouden krijgen.
En vergaten, dat zij vroeger dat vaste loon ’s winters niet geteld hadden.
Eli wist, hoe de wrok steeg; Larets terugkomst was ’t begin van nieuwe ellende.
De goede, heldere dagen van het mooie najaar waren voorbij; bijna voortdurend hing de lage nevel droef over de uitgebloeide heide; en in die kille naargeestigheid kwam de oude zorg sterker terug.
In dezen tijd begon Eli weer te drinken; in de slapelooze nachten tobde hij, en martelde zichzelf af.—Moest hij weer naar Michiel gaan—moèst het werkelijk? Er was immers niet anders?—Het werk meteen laten ophouden, ja,—maar dàt ’t eind van al dien strijd, van al dat vreugdeloos getob—het moest maar voortgaan, dàn zou hij wel naar Michiel gaan.
God, wat haatte hij het, om daar aan te komen, en te beginnen... en die kerel, die daar maar zat en niets zei en ’m aankeek—Eli Bag, die kwam vragen bij hèm...
En in plotselinge wanhoop dacht hij: „Zou ooit een ander zóó onder zijn rampen lijden als ik?—ik gà niet—dat doe ik niet meer...”
Maar den volgenden dag ging hij toch naar Michiel Baak.
Toen hij binnen kwam in het dompige kleine huis, waar Michiel aan de tafel zat, en iets op een groot stuk papier schreef, kwam in Eli de bittere, hevige afkeer terug van wat hij hier kwam doen.
Michiel lichtte zijn zonderling onbewegelijk gelaat op, en keek met doffe oogen naar Eli, zonder een groet.
Eli begon onmiddellijk:
„Ik heb geld noodig en...”
„Dat is de kwaal van allemaal die hier komen,” viel Michiel hem in de reden met een kort lachje.
„Ik vraag of je mij helpen kan,” zei Eli scherp met droge lippen.
De ander zag hem schuin aan, met een enkelen snellen oogopslag.
„Een Bag, die vragen moet, dat gaat ze niet af—” Hardop zei hij:
„Hoeveel?”
„Het is niet noodig de som te noemen, als je misschien van plan bent, ’t niet te doen.”
Michiel knikte langzaam:
„Ik doe ’t niet.”
„Onder geen voorwaarde?”
„Och, voorwaarde—we weten allemaal, Eli Bag is trotsch—maar wàt voor voorwaarde kan hij nog stellen!”
Er was iets in Eli’s gezicht, dat den ander aarzelen deed nog verder te gaan.—Minder scherp zei hij:
„Ik leen niet, als ik niet weet, dat iemand kan aflossen; je kàn niet aflossen,—en aan de menschen hun goed kom ik niet.—Zoo is het.”
Eli stond op; een onzinnige begeerte sidderde in hem dien man te doen boeten voor zijn laatdunkende, beleedigende woorden; maar hij bedwong zich, hij keerde zich om en ging heen.
Michiel zag hem na; met een flauw lachje boog hij zich weer over zijn berekening; in hem praalde hoog zijn trots: nóódig te zijn; ze hadden hem noodig, allemaal—èn hij had nog nooit iemand zijn goed ontnomen. Daarvoor had hij een zonderlinge vrees.
Eli liep langzaam den weg terug.
Het was nu wèten—zekerheid, er was nu geen uitweg.
Ophouden dan...
Het werk kon nog voortgaan, een maand misschien—hóógstens—dàn... En hoe langer hij nog voortging, hoe zwaarder het hem zou worden den termijn uit te betalen. Die belofte—die ze hem hadden afgeperst...
Hij beet zijn tanden op elkaar, en in stugger, onbuigzamer koppigheid dan ooit zei hij tot zichzelf:
„Het zoù voortgaan, zoolang als het kon nog—zoolang er nog eenige mogelijkheid was zou hij voortgaan...”
Maar diep in hem was toch de bittere zekerheid, dat het niet lang meer duren kon.
— — — — — — — — — — — — — —
Dicht bij Lode stond Maarten Ross op den weg.
„Ik wist dat je naar Michiel was, ik wou je wat zeggen.”
Maartens eerlijk, groot gezicht zag ernstig Eli aan.
„Ik weet niet, hoeveel je op ’t oogenblik noodig hebt, maar ’t is toch zeker maar tijdelijk,—nou wou ik je zeggen, ik kan je misschien zóólang helpen,—’t is niet veel wat ik heb, maar...”
Eli’s oogen trokken pijnlijk. Dit was erger dan bij Michiel. Met droge keel zei hij:
„Dank je—’t is niet genoeg.”
Maarten zag hem aan, er kwam een plotselinge vrees in zijn kalm gezicht.
„Dàt zei Eli—het kon dus niet genoeg zijn...”
„Bedoel je dat ik je zoo’n groote som nooit geven kan,—dat ’t te veel is?”
Eli knikte.
Maarten zweeg; samen liepen ze voort. Zij dachten beiden hetzelfde: Hester. Maar voor ’t eerst ziedde in Maarten een wrok op tegen Eli; zorgde hij zóó voor Hester—moest dit komen in plaats van het goede, rustige leven dat hij haar had willen geven!
Toen ze bij Eli’s huis waren, zei hij:
„Ik weet natuurlijk niet, hoe je staat—maar drijf het niet te ver—ga terug als ’t nog tijd is...”
Weer zweeg hij. Eli’s gezicht leek hem vervallen en oud sinds den vorigen dag... Hier wist hij niet meer te zeggen, en hij ging heen met toorn en medelijden in zijn hart, en een verlangen te helpen, waar niet meer te helpen viel.
Eli ging naar binnen.
Hoe kon hij het ooit aan de Rossen vertellen?
— — — — — — — — — — — — — —
En hij zei het hun niet; zij wisten den toestand door anderen, maar niet ten volle, en Eli sprak er niet van.
Voor Hester was dit bijna ondragelijk; haar angst om hem keerde terug, zij had geen rust als zij niet bij hem was.
En in dien tijd leed hun verhouding; niet door heftige woorden, niet door één bepaalde oneenigheid, maar door gedwongen zwijgen. Hester leed hierdoor het meest.
In Eli was de zorg voor het werk, het geld, reeds zoo groot, dat dit leed het alleen verzwaarde; maar voor Hester stond Eli boven alles; en elke smart om hem trof haar heviger dan iets anders.
Eens sprak zij hem erover.
Zij liepen samen in den laten namiddag den eenzamen weg naar Boge.—De nevels hingen laag en droef over het wijde, barre land, dat stil en koud droomde en den winter wachtte.
Daar was overal de stille, witte mist, die al dichter en dichter zich legde over de landen; één koude vrede, waarin onbewegelijk de kale boomen hun takken opstaken.
Soms viel een zware druppel van een tak, en klekte neer op de dorre bladeren.
Er was in dat alles een groot wachten; het jaar, dat rustte in droomen van zachten weemoed, na den zonnigen lichten zomer.
Een kraai klapwiekte loom en laag langs den grond, de zwarte wieken rustig gespreid.
En die troostelooze eenzaamheid rondom viel zwaar op Hester’s ziel; zij zag op naar Eli, die stilstond en uitzag over het verre land. En terwijl hij daar zoo zwijgend stond te staren, zag zij zijn gezicht zoo bitter en smartelijk, dat zij haar beide handen om zijn arm klemde, en haar hoofd tegen zijn borst drukte.
Hij zag neer in haar gelaat, en verstond haar stomme vraag hem alles te zeggen.
Een poos bleef hij haar zwijgend aanzien—toen schudde hij langzaam het hoofd.
Maar Hester nu dacht plotseling dat zij dit niet langer dragen kon—en zei alles uit, wat zij zoo lang had gezwegen.
„Eli, ik kàn ’t niet langer uithouden, dat je alles voor me zwijgt,—ik heb ’t gevoel in den laatsten tijd of je niet genoeg van me houdt,—want dan zou je mij het eerst vertrouwen...”
Ze eindigde in een snik; langzaam zei Eli het wreede:
„Dien eenen avond—je weet wel—toen heb ik je iets verteld van mijn ellende—toen heb ik je al zoo teleurgesteld, omdat ik niet was als jij hadt gedacht...”
Zij zag hem stom aan, met hartstochtelijke smeeking in haar gezicht niet méér te zeggen.
Hij zag ’t niet, ging door:
„Daarom deed ik ’t niet—ik kon ’t ook niet—ik weet niet, hoe ’t kwam, dat ik ’t dien avond wèl deed... ik kan ’t je nu ook eigenlijk wel zeggen,—zóó kunnen we ’t toch geen van beiden uithouden...
„Ik heb geen geld meer om ’t volk te betalen, nog een paar weken—ik word gek van ’t tobben hoe ’k aan ’t geld moet komen...”
Zij ging aan den kant van den weg zitten, hij kwam naast haar. Zij zweeg—en zag met niets-ziende oogen uit over het veld.
En zoo bleven zij langen tijd.
Eindelijk keek hij haar aan; het was of de beweging die hij maakte haar tot besef bracht; zij keerde haar gezicht naar hem toe, haar oogen waren dof als van tranen, maar zij schreide niet.
„Heb je—al dien tijd die ellende gehad—alleen—en ’t mij niet gezegd?—ik ben niets voor je geweest al dien tijd—ik kon je niet helpen...”
Haar stem stierf; hij sloeg zijn arm om haar heen, en drukte haar hoofd tegen zich aan.
Toen zei zij:
„Waarom laat je nu niet ophouden?”
Zijn gezicht werd hard en strak.
„Dat begrijp jij niet—en niemand,—daarom kon ik er niet van spreken.—Ik kan dat werk, waar ik alles van gehoopt heb, dat mij al mijn krachten heeft gekost, niet opgeven. Niemand beseft, wat het voor mij is; geen oogenblik feitelijk dat ik hier was, heb ik geleefd voor mezelf, voor jou, alles heb ik moeten geven aan het werk,—en zij—ze voelen er niets voor—en nooit,—dat weet ik nu wel,—als beesten heb ik ze erheen moeten drijven—ze met geweld aan ’t werk moeten houden—ze willen geld en niet anders...”
„Ze voelen zich bedrogen,” zei Hester zacht.
Hij schokte zijn schouders op.
„Ik—ik kan ’t niet opgeven—er is toch altijd nog mogelijkheid, dat ik geld krijg;—als alle hoop is uitgesloten—dan—zal ik ’t doen, dan zal ik ’t hun zeggen...”
„Eli, praat dan kalm met hen—zeg ’t niet zóó—in een booze bui—ze zullen woedend zijn—ik ken ze... Laat ik er bij zijn als je het zegt—ik heb geen rust meer van angst.”
Hij lachte kort.
„Angst? dat hoeft niet—waarvoor zou je bang zijn?...”
Hij sprak met een vreemd, onzeker gevoel in zijn hoofd; hij sprak, alsof ’t hemzelf eigenlijk niet aanging, in het besef, dat hij zeker wist wat over een paar weken gebeuren zou, en erover praatte alsof er groote mogelijkheid van uitredding bestond.
Hester zag hem aan; en in haar kwam over haar twijfel en angst het oude geloof in hem terug; het oude, heerlijke geloof, dat zóó moeilijk zich dooden liet:
„Hij zou ’t nog in orde kunnen brengen—hij zag ’t beter in dan zij en de anderen—hij had ’t immers altijd nog overwonnen, waarom dan nu niet?”
En in die nederige overgave, zichzelf verwijtend dat zij zóó aan hem had getwijfeld,—zóó gretig in hem willende vertrouwen, legde ze haar betraand gezicht met enkel liefde tegen zijn wang.
„’t Was dwaas van me—ik weet zeker, dat je alles goed zal maken.”
Hij antwoordde niet; hij legde zijn bevende hand op haar hoofd en kuste haar zwijgend.
Dien avond alleen, sloot hij zich op en dronk, zooals zijn vader gedronken had—tot hij vergat...
XV.
Twee weken kropen om.
Nòg ging het werk voort; want de vorst was niet ingevallen, die het voortwerken onmogelijk maken zou.
En somber, met steeds korter dagen, ging November voorbij.
Soms waren het stille, witte mistdagen, laag en kil over het land; dat was nog het beste.
Maar dan weer kwamen de dagen, dat de storm den regen onafgebroken zweepte over de vlakte—en het schoone land van dien zomer werd van een eindelooze naargeestigheid.
Eli dacht dikwijls: „als het nog zomer was, zou alles zóó ellendig niet zijn.”
En uiterst vatbaar voor indrukken, den laatsten tijd meer dan ooit te voren, drukte die altijd grijze, sombere lucht hem ondragelijk.
De vorige week, toen hij ’t loon zou betalen, had hij ’s nachts ’t uitgedacht: hij zou hun zeggen, dat hij de volgende week niet meer kon laten werken, dat hij niet in staat was meer ’t loon te betalen. Hij wist precies de woorden, waarmee hij het hun zeggen zou, en op hun verwijten antwoorden.
Maar toen hij het loon ’s avonds uitbetaalde, liet hij hen heengaan zonder iets te zeggen.
Later was dit hem een kwelling, te denken, hoe hij het oogenblik had laten voorbijgaan; als hij het toen had gezegd, zooals hij zich vast had voorgenomen, was nu het ergste gebeurd.
Hij kon ’t niet doen.
Toen deed hij een laatste poging; hij trachtte een nieuwe hypotheek op de Kloeve te krijgen.
’t Mislukte.
En nu begonnen die dagen van ondragelijke kwelling, wetende niet in staat te zijn aan ’t eind ’t volk te betalen.
Iederen morgen dacht hij: „ik kàn niet vandaag er heengaan en meewerken of alles is als vroeger.”
En elken morgen ging hij.
Het volk scheen ’t niet te vermoeden.
Toen Eli betaald had, nadat hij bij Michiel was geweest, was ’t wantrouwen verminderd.
„Als hij nog geen geld had, waar zou hij ons dàn van betalen?” zeiden ze.
En de oude Brandt vermaande:
„Bedaard jongens. Eli is altijd eerlijk geweest.”
Elken dag was in Eli de verzoeking sterk, den achterweg te nemen, als hij naar de smidse ging, niet langs de woningen van het volk,—en elken dag overwon hij zich, en ging er langs en groette, soms zelfs met ’n enkel woord tot de vrouwen.
Hij dronk veel; als hij het nu een dag liet, was hij totaal verslapt en uitgeput; iederen dag nam hij zich voor ’t niet te doen, en altijd weer bezweek hij ’s avonds.
Hester en niemand vermoedde dit, hij verborg het nog volkomen.
Adam wist het; maar hij wist het al lang en had het verwacht.
En bij toeval wist Berend Ross het.
Op een avond, terugkeerend van Geert Dule, aan wien hij zijn werk had verkocht, kwam hij even bij Eli binnen. Eli had vergeten zijn deur af te sluiten.
Toen hij binnenkwam rees Eli op, en Berend zag hem half beschonken, onvast op zijn beenen, hem aanstarend met een woesten schrik in zijn oogen.
Berend deed toen, wat zijn eenvoudige eerlijke natuur hem zei.
Hij ging niet dadelijk heen, en zag hem niet verwonderd of ontsteld aan.
Half van Eli afgekeerd, ging hij kalm voor ’t raam zitten, en zei:
„Ik kom net terug van Geert Dule—de heele voorraad is weer weg; en je weet wel, die dansende beer? daar heeft hij ’t dubbele voor gegeven...”
Eli antwoordde niet, hij zat doodstil ineen gedoken.
Berend sprak bedaard voort.
„Ik heb gedacht, jij was er zoo verzot op en Hester ook, ik zal voor jullie een nieuwen snijden, dan kan jullie ’m in je huishouden zetten later...”
Eli maakte een onwillekeurige beweging...
Berend verstond het.
„Och—jullie hebben nou zorg, en je denkt, dat is nog zoo ver, dat zal misschien wel nooit gebeuren—maar dat zal ’t wel—eindelijk kom je d’r wel—altijd wel anders dan je vroeger hebt gedacht.”
„Ik zou niet weten—hoe...” zei Eli—„hoe alles voor mij nog goed wordt...”
„Och, dat begrijp je dan ook niet—dat heb ik ook altijd gedacht—en nou—wordt ’t toch goed...
„Zie je,—dàn zet je je d’r eens tegen in—en dàn ben je baloorig en drinkt eens om je verdriet te verzetten—maar dat is voor één keer—geeft ook al niet... ’t eenige is—je moet maar doorploeteren—je er doorvechten en—en altijd maar werken blijven—dan kom je er op de een of andere manier—en ’t zal wel een goede manier zijn dan... en zoo doe jij ook—natuurlijk, al denk je nou van niet—eindelijk kom je er toch weer toe. Waarom jij niet? Jij kan meer dan de meeste menschen, als je maar sterk genoeg bent om vol te houden—is ’t niet met ’t een, dan met ’t ander.”
„Je weet niet alles,” zei Eli.
„Nee—misschien staat alles wel heel slecht voor je nou—maar als je daar overheen bent, begin je maar weer wat anders. Zoo hou je jezelf erboven.”
Eli zweeg; op dit oogenblik was hij niet in staat een indruk op te nemen—maar later herinnerde hij zich Berend en zijn woorden op dien avond als iets helders in dien grauwen tijd.
Toen Berend opstond om heen te gaan, vroeg hij:
„Morgen kom je zeker aan?”
„Ja.”
Buiten de deur wachtte Berend even, tot hij Eli van binnen had hooren sluiten; toen ging hij weg.
Er was iets van ontspanning in Eli gekomen; hij sliep dien nacht rustiger. Een paar keer werd hij wakker en herinnerde zich Berends woorden.
„Dan begin je weer wat anders—jezelf er door vechten...”
Berend liep langzaam naar de smidse. Dicht bij huis kwam hij den postbode tegen. Had hij een brief van Foeko gebracht? Hij schaamde zich het den man te vragen, drie keer deze week had hij al vergeefs gevraagd.
Binnengekomen, waar zijn moeder en Hester zaten, wachtte hij even of zij iets zeggen zouden; zij zeiden het altijd dadelijk als er een brief was gekomen.
Maar zij zeiden niets.
Stil ging hij naar zijn werkplaats.
En langzaam trachtte hij zich te wennen, niet op te zien, als de bode langs kwam.
XVI.
Het was de laatste dag.
Eli had niet geslapen: rusteloos woelde hij en tobde het uit. Het was nu gekomen, dit was nu waarvoor hij gewerkt had, waarvan hij alles had gehoopt.
Hij had er alles aan gegeven, hij had het lief, eer hij Hester liefhad—het was alles geweest, waaraan zijn leven, zijn vreugde en zorgen zich vastknoopten. En de mislukking ervan had hem overwonnen.
Nu was toch alles gekomen, wat hij als jongen al gevreesd had, het werk zelf had hem gedreven naar de kwaal, die hij erdoor had willen ontvluchten; al dat mooie, dat hij gehoopt had, en zeker in de toekomst gezien,—dat was weg—en ’t allerellendigste was ervoor in de plaats gekomen... Hij wist nu wel dat hij bezweken was in den jarenlangen strijd.—Wat was ’t langzaam gekomen, hij zag ’t plotseling helder voor zich—en de laatste weken had hij geregeld gedronken.
Het was tòch gekomen—hij was nu als zijn vader.
Alleen, niemand wist ’t nog—maar dat zou ook niet lang meer duren...
Elken dag had hij ertegen gestreden—en elken dag was ’t hem te machtig geweest.
Hij had toch ééns gedacht, dat hij sterk was toen hij dit alles begon—als hij daaraan terugdacht zag hij zichzelf als een vreemde; hoe had hij het ooit kunnen verwachten!
Machteloos tobde hij den kouden donkeren nacht door; als een onoverkomelijke verschrikking zag hij den dag voor zich.
Er was geen oogenblik vrees in hem voor ’t volk—voor wat zij hem mogelijk zouden doen,—hij beefde terug voor de smart, die hij ondervinden zou, als alles wat met ’t werk samenhing van hem weg zou gaan; dit was ’t wat hem de vorige week had doen zwijgen, wat hem nu als nooit te voren lijden deed, wat ’t hem had doen uitstellen van dag tot dag als een lafaard; hij kòn er niet van scheiden.
Tegen den morgen kwam in hem een algeheele onverschilligheid; de uitputting na zijn lijden van dien nacht.
Hij stond op, en kleedde zich aan, en wachtte den dag af.
Er was nu in hem geen ellende meer, zelfs geen enkele gedachte kwam duidelijk in hem op.
Hij wachtte.
Langzaam en grauw zag hij den dag komen; een lage grijze lucht hing zwaar neer over het dorp.
Op de kleine, armelijke hoeve van Brandt blafte de kettinghond tegen een kat, en ging toen weer liggen, de kop op de voorpooten... een paar verkleumde musschen zaten stil in den boom voor ’t huis.