Het beloofde land

Part 7

Chapter 74,265 wordsPublic domain

In deze eerste dagen na Georg’s dood leed Eli ontzettend en Hesters liefde kon hem niet helpen.

Zij voelde voor hém—voor zijn ellende, maar wilde zijn schuld wegredeneeren; zij kon met haar forsche gezondheid niet doorvoelen al het leed in die overprikkelde natuur. Voor ’t eerst zag zij hem, zooals hij werkelijk was; in deze dagen kòn hij zich niet voor haar ophouden, en gaf zich zelfs in haar bijzijn over aan de grootste melancholie.

En Hester begreep voor ’t eerst dat ze hem tot nu toe nooit gekend had, en gelijk met dit voelde ze ook pijnlijk hoe vreemd hij haar zoo was.

Maar langzaam, als zij hem ’s morgens zag na een slapeloozen nacht, geheel uitgeput—als hij ’s avonds bij haar zat, slap, sprakeloos, vervallen, kwam terug in haar het gevoel van den morgen, toen zij elkaar voor ’t eerst hun liefde hadden gezegd.—Toen had zij één oogenblik in hevige teleurstelling beseft, dat leven met hem niet zonnig geluk was, maar zij altijd hèm zou moeten opbeuren en troosten.—Dit had zij vergeten.

En nu wist zij het weer, zij zag het zoo duidelijk, met een schrijnende pijn eerst, dan het moedig opnemend met haar jonge, krachtige liefde. Zij nam het, zooals de Rossen hun levenstaak namen: ernstig, haar blijheid geschokt, maar rustig bereid alles te dragen wat van haar zou worden geëischt, in een groot kalm zelfvertrouwen. Want zij wist—hoèveel háár liefde dragen kon.

Eli had niet ’t minste besef, dat zij ook streed, geen vermoeden, dat zij leed om hem;—machteloos, voor al ’t andere ongevoelig, bukte hij onder ’t eerste groote leed van ongeluk door zijn schuld. En met dit kwam zwaarder terug alles wat er mee samenhing—de allereerste oorzaak: de zorg over ’t geld, de herinnering aan de laatste weken van zorg, terwijl hij in onduldbare prikkelbaarheid het werk voortzweepte; onredelijk niet verdragen kon dat iemand minder deed dan hij—de vreeselijke terugslag na die overspanning toen hij Georg had zien liggen—en het volk als één man tegen hem opstond—tierend, scheldend—en vergeten kon, wat hij voor hen gedaan had.

En eindelijk de avond—de avond—een spook van vreeselijke herinnering.

Zóó ondragelijk was hem de gedachte aan dien avond, dat hij maar werkte, voortzwoegde als een wanhopige, trachtend één oogenblik te kunnen vergeten.

In die dagen begon hij te drinken, niet afdoend,—niet genoeg om voor een poos het begrip van de werkelijkheid te verliezen,—maar geregeld, voelende de behoefte eraan om zich op te houden,—toegevend nu zonder te strijden.

Hij wist: nu was hij een stap nader gekomen aan de vervulling van zijn jarenlange vrees; maar zijn ellende verstompte zijn ouden angst.

Op een dag reed hij naar Lare—een klein gehucht op een paar uur afstand van Lode—en nam daar geld op bij Michiel Baak.

Baak was een lange man met doffe, onbewegelijke oogen in strak, geel gezicht; hij wist van iederen boer mijlen in ’t rond hoe hij geldelijk stond, en leende geld tegen hooge rente; maar hij was voorzichtig, en op zijn wijze eerlijk. Als hij wist, dat een man zijn rente nooit zou kunnen betalen, schoot hij hem geen geld voor, hij wilde geen beslag leggen op de hoeve of landerijen. Maar menige boer zuchtte nog onder de opbrengst der hooge renten van ’t geld, dat Michiel zijn vader geleend had. Hij wist volkomen hoe Eli stond en overlegde:

„Dezen keer kon hij Eli de betrekkelijk groote som geven—ook al bleef hij levenslang zijn schuldenaar; voor veel dingen was het goed Eli Bag tot schuldenaar te hebben.

Eli had nu ’t geld—die zorg was voorloopig weg.

Maar zijn wanhoop bleef.

Hij was op weg naar Hester. De schemering viel dien avond vroeg en grauw in.

Een kille damp hing neer over het land—en in de lucht joegen de regenwolken donker en laag.

Eli zag rond.

De herfst scheen gekomen—het was alsof nooit meer het goud van een zonnestraal zou vallen op de stille landen.

Hij rilde. Een kou kroop op uit die doodsche verlatenheid en deed hem beven in den killen nevel; soms loeide een rukwind aan over de vlakte.

Alles leek doodsch—ellendig. Hoe was ’t mogelijk, dat hij nog kort geleden zoo betrekkelijk zorgeloos en gelukkig was?

Dat leek nu jaren geleden.

Hij dacht aan Hester; zij zat nu in de gezellige, goede smidse, hij zàg haar zitten op haar gewone plaats,—hij zag alles zoo duidelijk; al die sterke, rustig-blijmoedige menschen, dáár hoorde zij—niet bij hèm.... en hij had haar zoo noodig nu—kwam zij maar.

Toch ging hij niet verder,—te sterk was dat visioen van geluk en rust—dan dat hij den moed had binnen te gaan.—Wat deed hij er—met zijn ellende,—hij hóórde er niet, hij hoorde nèrgens...

Hij stond stil te staren; de kou trok zijn gezicht in scherpe lijnen.

Hij hoorde nergens—’t was immers waar...

Een wanhopig, bitter verlangen deed zijn oogen dof worden.

En hij keerde zich om, en ging terug naar zijn eigen huis.

Hester wachtte.

Zij waren er allemaal.—Tine, de handen gevouwen in den schoot, het strenge oude gelaat in kalme rust;—bij het kleine lampje in den hoek zat Berend te werken. Een enkelen keer zeiden de anderen iets, dat zijn aandacht trok; dan zag hij even op, en lachte of zei iets terug, maar meestal hoorde hij niets van wat gezegd werd.

Op dezen kouden avond brandde reeds vuur; het was de eerste avond die deed denken aan den winter...

Tine zat daar en zag allen om haar aan in volmaakte tevredenheid—en haar gedachten waren vrede en rust:

„Als nu de winter kwam, was Berends plaats niet meer leeg. God, hoe goed was ’t hem daar te zien zitten werken,—hem hier te weten waar hij hoorde, in hun aller midden...

Die verre vreemde landen—wat was daar toch, dat de menschen trok? dàt begreep zij niet.—Was ’t hier niet goed, en lief in het oude thuis?—en hij was dáár ook niet gelukkig geweest...

Al dat vreemde—àl wat niet van ’t oude was, het oude, vertrouwde—dat hoorde immers niet bij hen. Zie, Eli Bag, wat hij wilde, dat was goed en mooi,—maar ’t bracht hem geen geluk, hem niet en Hester niet,—was hij ’t maar nooit begonnen!

Je moet geen dingen veranderen, die eenmaal goed zijn zóó.—Waarom?

Nu moest Eli volhouden. Natuurlijk moest hij...

Zij luisterde plotseling op, naar wat Maarten vertelde, waar hij zat aan de andere zij van ’t vuur met Hester:—van Job Wirs, die gezegd had, smeden kan iedereen,—en hij had met een schuin oog gekeken naar ’t schoone stuk smeedwerk, dat gereed lag,—maar Brandt riep: je kan niet eens den hamer tillen, jij!

Toen werd Job Wirs woedend en hij liep naar den grootsten hamer en zwaaide hem op—en meteen vloog de hamer uit zijn handen—iedereen maakte dat hij weg kwam—maar Steven Wirs kreeg hem nog tegen zijn voet aan...

„Toen hadt je ons moeten hooren lachen—en de twee Wirsen bijna aan ’t vechten, allebei nijdig, Steven om z’n zeeren voet—en Job, omdat hij werd uitgelachen...”

Als een klaroen klonk Maartens schaterlach door de kamer, en de zachte, diepe lach van Berend... het goedhartige, wat geringschattende lachen om een mindere in kracht.

Hester trof dit plotseling, terwijl zij daar zat en dacht aan Eli.

Waarom was hij zoo laat...? zij wachtte hem al lang.

Zij zag rond in den kleinen kring—het schijnsel van het vuur flikkerde op de gezichten haar alle zoo dierbaar... Grootmoeder—Berend—Maarten.—En zij zag opeens Eli’s gelaat voor zich, zooals zij het had gezien den dag na Georg’s dood, en in haar ooren klonk na de diepe, rustige lach van Berend, de gezonde lach van een sterken man, die na al zijn levensleed nòg zoo lachen kon.

En tegelijk voelde zij voor ’t eerst, hoe verschillend Eli was van hen allen, van haarzelf—hoe ver hij van hen stond—dat hij eenzaam was en wanhopig... en heviger dan ooit te voren voelde zij hoe lief hij haar was.

Even kwam de pijn in haar op, dat haar liefde voor hem veranderd was,—langzaam, onmerkbaar door tal van kleinigheden,—dat ’t beeld dat zij nu van hem bewaarde verschilde van het vroegere...

Maar ’t ging weer onder in haar overvloeiende teederheid en verlangen naar hem.

Binnen was ’t stiller geworden; het vuur knetterde, Maarten wierp een blok bij en praatte nu zacht met Berend.

De klok sloeg negen.

Toen stond Hester op—en verliet het huis—en ging naar Eli.

XII.

Was ’t Hester? Wàs zij gekomen? Hij stond bevend op en zag naar haar met een vreemde weifeling in zijn oogen, waar zij stond in de deur, en hem aanzag met die buitengewone liefde in haar gezicht.

„Eli!”

In ’t halfduister van de slecht brandende lamp was haar stem als een roep in angst.

Hij was al bij haar; hij sprak niet, maar sloeg zijn beide armen om haar heen, en kuste haar, haar bijna verstikkend in hartstochtelijke ontroering.

„Hester—mijn schat—o Goddank...”

„Wat is er—wat is er, Eli?—ik was bang, dat er wat gebeurd was...”

„Niets—kom hier—kom alleen bij me—kind, je weet niet wat je hebt gedaan met hier te komen—ik kòn niet meer buiten je—ik mòest je hebben...”

Zij zat stil naast hem, op haar eigen rustige wijze—haar hoofd aan zijn borst, haar armen om zijn hals.

„Wat was er dan, Eli?”

„Ik wéét niet—niets dan ellende—altijd de laatste dagen—ik kan ’t niet meer uithouden...”

„Eli...”

„Neen stil—blijf zoo zitten—ik—ik was op weg naar je toe—toen ben ik weer teruggegaan...”

„Eli.”

Ze lichtte heftig haar hoofd op, en zag hem aan.

„Waarom?”

„Waarom—ik weet niet—ik kan geen reden geven voor wat ik voel... ik zag, toen ik daar alleen liep, op weg naar jullie—hoe anders ik was dan jullie allemaal—dat wist ik al lang—maar toen kreeg ik ’t gevoel, of ik niet bij jullie hoorde—ik had nu geen moed—om—me daar zoo verlaten te voelen.”

Ze knikte, als trachtend iets te begrijpen; ze was heel bleek.

„Ik heb ’t ook gevoeld—dat je zoo anders was—maar eigenlijk wist ik toen nòg beter, hoe veel ik van je houd—en daarom kwam ik naar je toe.”

Er was een stil verwijt in haar stem. Ditmaal voelde hij het.

„Als ik je altijd bij mij kon hebben—maar je bent niet alleen voor mij—je hoort dáár...”

„Eli—ik kan toch nooit méér van je houden—ik zou bereid zijn, om met je mee te gaan, van iedereen weg als dat moest—ik dacht, dat je dat nu al wist...”

Zij zag een verandering komen in zijn gezicht, één oogenblik van overheerschende vreugde, terwijl hij zich naar haar overboog en haar kuste.

„Het is—ik ben er niet aan gewend, dàt er iemand is, die zooveel van mij houdt,—dat klinkt misschien gek—maar dat is nooit gebeurd...”

„En ik heb toch al zooveel jaren van je gehouden”,—zei ze zacht—„maar dat wist je niet.”

Er was zoo’n rustige eenvoud in al haar zeggen dezen avond—of trof hem dat nu voor ’t eerst?—dat plotseling, in een weeke ontroering, hij behoefte gevoelde haar àlles te vertellen, toe te vertrouwen; àlles wat hij tot dusver tegen haar gezwegen had.

„Hester—er is iets, wat ’t altijd zoo moeielijk voor me maakt...”

Even stokte hij—onbeholpen.

„Je weet wel, hoe mijn vader was...”

Zij zweeg en zag hem aan.

Hij ging nu door, gejaagd, moeilijk zijn woorden vindend—hortend, en onzeker.

„Van kind af—als jongen—en later, heb ik ’t nooit vergeten—afschuwelijk! en tòch moest ik er altijd aan denken. Begrijp je dat?—het was een angst...”

Hij hield even op, en streek met zijn hand over zijn voorhoofd.

„Ik was bang dat ik zou worden—net als hij... en daarom zocht ik zwaar werk, daarom kwam ik hier—en toen dacht ik, dat ’t hier wel over zou gaan.—Ja—dat heb ik toch gedacht.”

Hij stokte weer; haar hand lag koud op de zijne.

„Toen—met al die moeielijkheden—is ’t veel erger geworden,—ik ging er naar verlangen,—toen begon ik te drinken;—in zulke dagen, zie je, als ik nou gehad heb,—dàt is me te erg, dat kan ik niet uithouden, dan moet ik wat hebben, dat me opwekt—dan drink ik—en dan zou ik—ik hèb ’t niet gedaan—maar dan zou ik maar door willen drinken, tot ik er bij neerviel... En ik ben bang, dat ik ’t doen zal op een keer—tòch... nà alles...”

Hij brak af—staarde voor zich uit, verloren in zijn bittere gedachten. Na een poos keek hij op en zag naar Hester; zij zat gebukt, als onder een plotselingen last, en zag hem aan met zware, doffe oogen.

Toen begreep hij wat hij haar aangedaan had; zijn woorden waren een openbaring geweest van iets vreeselijks... de mogelijkheid van een onafzienbare ellende.

Hij sloeg zijn armen om haar heen, zelf ontsteld door de uitwerking van wat hij gezegd had.

„Hester,—ik heb ’t immers nooit gedaan,—liefje, ik zei ’t veel erger dan ’t was,—nu ik jou heb, zou ik immers nooit zoo kunnen worden.”

Hij meende het, het leek hem nu plotseling zelf onmogelijk, dat hij er ooit aan zou toegeven, als hij niet wilde. Het leek hem nu of de strijd en de verzoeking niet zoo groot waren als hij wel gedacht en zooeven gezegd had,—en hij verweet zich, het Hester te hebben gezegd; het zien van haar smart deed hem de zijne minder voelen, hergaf hem zijn veerkracht. Schijnbaar luchthartig wilde hij haar troosten.

„Liefje, kijk niet zoo bedroefd,—waar ben je nu bang voor? Ik zal ’t immers niet doen! O, Hester, wat doe je...”

Ze viel voorover in zijn armen met een doffe klacht, gewond in haar teerste, dierbaarste illusie, in wat zijzelf zoo onbevlekbaar hoog hield; gewond in wat was geweest het mooiste in haar leven.

En hij had ’t zelf gedaan.

Dat was ’t erge.

Had een ander hem beschuldigd van ’t grofste, ’t laagste, zij zou het nooit geloofd hebben, zij zou ’t vergeten als iets, te min om zich met hem te vereenigen.

Zij zou ’t vergeten geweest zijn, den eersten keer dat zij zijn gelaat gezien, zijn stem gehoord had.

Maar zijn eigen woorden, zijn eigen gebaar en oogen, toen hij dàt zei, kon zij nooit vergeten.

En ze zat stom en staarde in een duisternis van wanhoop.

„Kòn dat, kòn dat, Eli, was hij bang dat hij...?”

Eli zweeg, hij trachtte niet meer haar te overtuigen—hij hield haar stil in zijn armen, bewust iets te hebben gebroken in haar vertrouwend geluk.

Maar Hester kon dit niet lang dragen.

Na haar eerste wanhoop kwam terug haar sterke liefde, die immers alles dragen zou. Nu was dit gekomen.

En tegelijk het gewoon-menschelijke dat vroèg misleid te worden.

„Eli, ’t was niet waar, hé—niet zoo erg, als je zei,—dat meende je niet,—je zei ’t maar in je...?”

Ze haperde, ze kon geen woorden vinden om zijn zwakheid te verdedigen; zij had hem altijd zoo sterk gedacht.

En Eli voelde, dat zij rondtastte als een blinde, waar zij haar algeloof in hem verloor; hij zag in met pijnlijke helderheid, dat als hij eens vernietigde haar geloof in hem, hij haar leven zou gebroken hebben.

Hij zag dat zij nog altijd een antwoord van hem wachtte, haar oogen angstig naar de zijne, nog met dat iets gebukte in haar houding, alsof zij opnieuw een slag vreesde.

„Nee—’t is niet zóó erg—maar ik kan dien angst nooit heelemaal wegdenken, als ik me verlaten voel...”

„Zou je,”—vroeg ze zacht, „zou je ’t niet een beetje helpen, als je bedacht, hoeveel ik van je hou—wat je voor mij bent—dat ik alles voor je zou willen doen...?”

Ze zweeg, hulpeloos, smartelijk getroffen plotseling door haar eigen woorden.

Dat hàd hem immers niet geholpen—dat wist zij nu toch...

Hij zag haar aarzeling, den pijnlijken trek om haar mond; hij zag haar zoo liefde-bereid, zoo zacht en nederig, en zoo groot in haar zwijgende kracht.

En in een stillen eerbied nam hij haar in zijn armen, en hield haar aan zijn borst, en zei tot haar wat hij in dat oogenblik zelf waarachtig en eerlijk geloofde.

„Ik zal deze laatste dagen tot niets maken en nòg eens opnieuw met mijzelf beginnen,—ik weet nu dat ik ’t zal kunnen,—want vanavond ben je me zooveel nader gekomen... het zal nu wel beter gaan—ik heb weer moed.”

Zij geloofde hem; ze zei het hem herhaaldelijk, terwijl zij hem hartstochtelijk aan zich klemde. Nooit kon ze zijn bleek gelaat zien en zijn oogen, stralend in de hare, en niet gretig gelooven de woorden van zijn mond.

Een poos zaten zij stil, niet sprekend.

Buiten was de wind hevig geworden; in bulderende vlagen loeide hij om het huis.

Eli zag op, huiverend.

„Wat ’n weer! Dat dood-melancholieke van dien huilenden wind over ’t vlakke land.”

Hester lachte zacht; voor haar was ’t niet melancholiek, zij hield van dat geluid, dat hoorde bij ’t land, en de menschen, waarmee ze vertrouwd was van kind-af.

„Misschien zal ik ’t ook eens goed vinden, als ik hier zit met jou als mijn vrouw; dan zal mij niet veel meer hinderen.”

„Dat gebeurt immers—dat komt toch,—” zei ze met diezelfde vertrouwende rust.

En onwillekeurig werd hij ook rustig.

„O Hester, ’t zal zoo’n groot geluk zijn.”

Ze antwoordde niet, maar zag hem aan; haar oogen straalden.

Samen liepen ze terug naar de smidse.

De wind was bijna een storm geworden, met moeite tobden ze er tegen in.

„Kom je niet binnen?”

„Nee.”

Maar er was geen smart meer in zijn stem.

„Dag lieveling.” Hij kuste haar.

Maar half onbewust hield ze hem vast, toen hij weg wilde gaan.

Voor ’t eerst was een angst in haar voor hem, voor ’t eerst had zij het gevoel over hem te moeten waken.

„Wat is er?” lachte hij.

Zij liet hem plotseling los, en kuste hem snel en gleed naar binnen.

Maar Eli, toen hij alleen terugliep, was niet ongelukkig, maar zooals de laatste dagen.

Nieuwe moed deed hem de dingen lichter zien; voor ’t eerst dacht hij weer aan ’t werk, en zijn wanhoop was weer voorbij.

Hester lag lang te denken en sliep niet.

Wat is ’t, dat aansuist over de heide, dat zingt en klaagt in de toppen der pijnen,—dat zwelt,—en zinkt—en zich verheft—en dat eindigt nooit....?

Het is de wind.

Dat komt van verre—en zingt van zoo nabij—dat is in de dagen en in de nachten?

Niets dan de wind....

— — — — — — — — — — — — — —

Over de landen, over de bergen en zeeën vloog de wind.

En van de landen, de zeeën zijn klanken gestegen—duizenden.

Het lied van den vogel, die in de luchten stijgt—en jubelt om het zonnelicht, dat wijd uitstraalt over de wereld.

Het eerste stamelen van een kinderstem—een kinderlach—woorden van liefde, blijde woorden van alles hopende, alles verwachtende zaligheid.

Het zachte zingen der moeder aan de wieg van het kind—het slaapliedje zingend in trotsche blijdschap—slaapliedje zingend in smarten en angst.

Het liedje, waarmee de kleinste vogel zijn wijfje lokt—zingend van wonder, onbekend geluk—dat komt, dat kòmt—in den zachten stillen zomeravond.

Klanken, woorden van menschenverlangen, onbevredigd.

Klachten en tranen.

De smartkreet van het moederschepsel, dat zich haar jongen ziet ontroofd.

De triomfkreet van den sterke....

Honderden smarten van het kwetsbare menschenhart.

Van rusteloos trachten—en wanhopig mislukken.

Gebeden van berusting—van bukken onder ’t Lot.

De machtelooze klacht van een stervende—een eenzaam verlorene, mensch of dier op de groote aarde.

Vragen—eeuwige vragen.

— — — — — — — — — — — — — —

En de wind nam het alles in zich op, en droeg het voort als één groote Stem—het Eeuwig Lied van de duizenden klanken—door de Oneindigheid der Tijden.

Hoort! hoe het ruischt en zingt in de hooge pijnen—zoo zacht, nauw hoorbaar.

Maar altijd door.

Liedeke van rust, van zachten weemoed—van teeder geluk.

Maar dan—kan het aanzwellen, plotseling.

Het is een kreet van kracht, een hartstochtelijke stem van strijd en smart.

Hoort!

’t Is de storm! die uitbarst, en te pletter slaat, wat hem in den weg is; die de sidderende pijnen rukt uit hun eeuwenouden bodem, en neersmakt als riet.

Daartusschen klachten van eindeloos leed, die aangillen over de vlakte met geween en gejammer.

Hoort!

In den zwarten nacht dondert hij voort, en zweept de hooge wolkgebergten, en slaat neer op het oude bosch, dat de grijze eiken beven in hun wortels....

Eindelijk—in den morgen trekt hij terug; langzaam, met korte bulderende vlagen nog, woedt hij uit—en legt zich weer... Alleen in het bosch ruischt het en suizelt nog ongedurig—en de pijnen schudden trillend hun fiere kruinen, alsof een ruwe hand hen te forsch beroert.

Wat is het, dat klaagt en zingt in de hooge luchten?

Dat is in de dagen en in de nachten?—Dat zelfs niet rust in den stilsten nacht...?

’t Is de wind.

XIII.

De zomer was nu voorbij; het stille najaar kwam met korte, heldere dagen en lange sterrenavonden.

En het was alsof alles nu beter en helderder was in dezen tijd.

Het volk werkte opgewekt; de groote grief van Georg’s dood scheen vergeten en zij waren gewilliger, makkelijker te leiden dan lang te voren.

Eli zelf was beter na den avond, toen hij Hester zijn angst had toevertrouwd; zijn leed voelde hij verder van zich gaan, en het maakte hem rustiger, blij weer onder den prikkel van den arbeid. Jong vroolijk dikwijls in den dagelijkschen omgang met Hester en de Rossen.

Hester leek dien avond een booze droom toe, die zijzelf vergeten dacht: maar diep in haar was iets gebleven.

Het was zóó geborgen, zóó bezonken, dat het zelden zich openbaarde; maar het kon terugkomen, na dagen, weken,—plotseling, om een kleinigheid: een even kwellende angst als hij wat later kwam,—een snel getroffen opletten, als zij zijn naam hoorde noemen en niet wist in verband waarmee,—het scherp opmerken van een kleine verandering in zijn gezicht... En toch was het zoo zeldzaam, dat het feitelijk vergeten scheen.

De zorg voor het geld bleef bestaan; maar in dezen tijd kon het Eli niet verontrusten.

Eens vroeg Hester er naar; toen had zij zijn gezicht zien verduisteren, en hij zei, langzaam, terwijl hij uitzag in den heerlijken frisschen najaarsmorgen:

„Het geld—och, misschien komt alles immers nog terecht. Heb je ooit zulke heerlijke dagen gekend, als deze prachtige Octoberdagen—ze zijn als een bad na dien heeten zomer... en ik weet niet hoe ’t komt, maar ik ben tegenwoordig zoo gelukkig, zoo rustig ook. En dat wou ik zoo graag vasthouden, zoo lang mogelijk, daarom denk ik daar maar niet aan. Zie je, ik wil ’t niet zelf moedwillig verkorten, ’t lijkt me haast zonde toe, en dat moet jij ook niet doen,—als ’t komt zal ’t vroeg genoeg zijn...”

Hester vroeg toen nooit meer; in dit was haar voelen wijzer dan haar verstand, dat sprak tot haar van geluk laten leven, waar ’t zoo moeielijk geboren werd; van niet ingrijpen, maar làten geschieden, tot de tijd, die komen moest, gekomen zou zijn.

En zoo bleef het. Het was alsof in de menschen ook alles rustig wachtte evenals de natuur.

Want nóg was de ruwe herfst, met zijn kouden wind en geeselende regenvlagen niet daar. In de koele, blauwe lucht staken de boomen hun gele bladerkruinen,—de zon bestraalde de oude kastanje, die stond in gouden pracht, en om de huisjes der boeren wies de roode wingerd weelderig. En in die windstille zonnedagen, als de blauwe nevels zich weefden over het land, prijkte de roode en goudgele najaarsheerlijkheid onverstoord.

„Het is mooier dan van den zomer”, zei Eli dikwijls, want het was alles zoo koel en rustig en schoon, en telkens als hij dat zag, werd hij ook rustig.

Maar Hester dacht terug aan dien blijden vroegzomer, toen alles jong geluk was voor haar, en nog geen zorg om Eli was gekomen, en zij behield dièn tijd als het dierbaarst in haar herinnering.

Tusschen Berend en Eli was een vriendschap ontstaan, een zonderlinge sympathie van den zwijgenden, rustigen werker voor Eli, een intuïtief begrijpen van dat rusteloos strijden en dien moeielijken arbeid, dat smartvol falen van een eerlijken, goeden wil; Berend begreep dit beter dan iemand anders.

Eli voelde dit; hij zat dikwijls bij Berend, en zag zijn werken aan—en langzaam aan vertelde Berend iets van zijn illusies, van Foeko, zijn zoon... Foeko die nu werkte om den grooten prijs te behalen, waarvoor het onderwerp was: „Overwonnen.”

Hij wachtte elken nieuwen brief weer met brandend ongeduld; in den laatsten schreef Foeko:

„Is ’t niet prachtig, vader? Ik heb ’t in mijn hoofd, ik zie ’t. Wàt een onderwerp! Een man in de kracht van zijn leven, en de bittere uitdrukking van het overwonnen zijn moet gebeiteld liggen in den kop.—En ik denk, dat ik ’t zal kunnen;—maar vader, geef me meer geld, ik heb ’t zoo noodig; dit leven van bekrompenheid en halve armoede drukt me, ’t ontneemt me elke bezieling...”

De vader dacht lang over dien brief.

„Ja, ’t was waar, hij zou ’t volbrengen—hij kon ’t—o goddank, dat ’t hem nog gegeven was iets bij te brengen aan ’t kunstwerk van zijn zoon...”