Het beloofde land

Part 10

Chapter 104,244 wordsPublic domain

Grootmoeder zag het—en Maarten; zij zagen de strakheid van haar gelaat, de pijn in haar oogen, als zij zat, ledig peinzend, de handen werkeloos in den schoot; zij zat daar, alsof haar kracht gebroken was.

In deze dagen dacht zij veel terug aan de gelukkige Augustusavonden, als zij en Eli samen zaten onder de dennen, en elkaar zeiden de mooie dingen van hun toekomst, en van hun leven.

Meestal als zij bij Berend zat zwegen beiden.

Hij zat dan altijd als in een droom, en als zij hem plotseling iets vroeg, zag hij verwezen op.

„Ik—dacht aan wat anders,—” zei hij dan langzaam, pijnlijk teruggebracht tot de werkelijkheid.

En opnieuw dwaalde hij af.

„Overwonnen.”

Hij zag het altijd, hij wist, zóó moest het zijn; soms keek hij schuw naar den hoek van de werkplaats waar hij het kleine ontwerp in klei zorgvuldig behoedde tegen de blikken der menschen.

Eens hoorde Hester hem zeggen, onbewust hardop:

„O God, hoe heerlijk!”

Hester hield zich doodstil; blijkbaar was hij haar vergeten, ze zag hem voor zich uitzien met een smachtend en tegelijk zalig verlangen in zijn gezicht.

En vaag begon ze iets te doorgronden van dat gróóte verlangen, dat al zijn denken beheerschte, dat alles kon doen vergeten...

Onbemerkt sloop ze weg.

Maar de brieven van Foeko waren nog altijd niet gekomen.

Toen Maarten dien avond zijn deur sloot, zag hij Eli komen, en tegelijk Hester, die hem tegemoet ging.

En plotseling wekte Eli’s gezicht een toorn in hem, bitter en hevig als nooit te voren: àlles voor Eli, alles, en hij kon ’t niet eens waardeeren.

Zijn frissche leefkracht overwon zijn medelijden: met den heftigen, harden toorn van zijn sterke, gezonde natuur verweet hij Eli, dat hij met die liefde niet juichen kon in volle levensvreugde. En hij kon niet zien, hoe Eli’s ziel ging als een kind, tastend en angstig in het duister.

Hij zag hen samen naar binnen gaan; maar hij kón vanavond niet bij hen zitten, als zoovele avonden tevoren; zonder iets te zeggen liep hij den weg op.

Voorbij ’t dorp kwam hij den bode tegen.

„Goeien avond, Wouter, moet je nog ver?”

„Ja—en de wegen zijn slecht,” zei de man voortloopend.

Bij de smidse duwde hij een brief door Berends raam.

„Van je zoon, Berend!”

Berend hoorde het niet; hij liet het gordijn zakken, en stak met trillende handen de lamp aan.

Toen scheurde hij den brief open,—eindelijk—eindelijk!

Hoe ver ’t werk was en... met een bevenden ruk bracht hij het papier dichter bij de lamp... niet begrijpend.

„Dàt was niet waar! dàt...”

Even zat hij bewegingloos, met gesloten oogen, toen las hij opnieuw... die enkele zinnen...

„’t Werd me te eng, ik houd zoo van afwisseling, ik heb ’t noodig. In ’t begin voelde ik ervoor; ik geloof, als ik maar dóór had kunnen werken, zou ik ’t er goed afgebracht hebben, maar dàt kan ik niet. Dat heb ik nooit gekund, dat werken zooals u. Misschien zal ’t me later spijten; ik heb om u nog een poos doorgezet. Maar ik snak om te reizen, vreemde dingen te zien, andere landen, andere menschen. Ik kàn niet langer zitten in een duf atelier. Misschien word ik toch nooit iets, dan is mijn leven weg. Ik ga nu heen, ik zal wel zien, hoe ik door de wereld kom. Later zal ik u van me laten hooren. U moet ’t niet erg vinden: als ik een slecht werk gemaakt had zou u meer verdriet hebben...”

Hij las niet verder... hij hoorde al die kort-afgebroken zinnen klinken in zijn hoofd, hij zàg ’t den jongen zeggen, op zijn gejaagde, rustelooze manier,—zoo was hij altijd.

„Was hij blind geweest?”

Berend Ross stond onbewegelijk; in zijn gelaat spanden de spieren als ijzer; de sterke mond trok hoekig, in barsche lijn.

Hij zag wat hij nooit te voren had kunnen zien maar wat altijd bestaan had:

De onmacht van den jongen om te volbrengen wat van hem geëischt werd, wat de ijzeren volharding en onvermoeide arbeidskracht van den vader niet hadden kunnen volbrengen. Hij dacht nu, hoe hij nooit gevraagd had, of de jongen berekend was voor zijn taak; nooit vermoed, dat zijn wenschen niet die van zijn zoon konden zijn; voor ’t eerst zag hij, dat hij altijd had voortgeleefd in een droom en anderen had willen dwingen in zijn droom.

En hóe hij gefaald had.

Gefaald voor zich zelf—en nòg eens gefaald voor zijn zoon.

Eenmaal had hij gearbeid, al zijn kracht gegeven, zijn léven—en het was tot niets geworden.

En ten tweede male, waar een ander had uitgeleefd, was hij begonnen; alles had hij geofferd in den vasten moed te zullen slagen, en ten tweeden male was het lot sterker dan hij.

Hij had het niet gezien; de werkelijkheid had zich nooit bij hem kunnen doen gelden; hij had over het gewone leven heen geleefd.

De jongen—zijn zoon! En het gróóte werk—het werk, dat hij voor hem gedacht had, gezien had—maandenlang!—Foeko had kùnnen weggaan,—dáárvoor had hij hier gezeten en gewerkt—en gewacht op het heerlijke, dat gebeuren ging...

Het zou nu nooit meer komen tot hèm—hij zou ’t nooit meer zien in zijn leven—een ander zou ’t wrochten—hèm was ’t niet gegeven er iets toe bij te brengen.

Het geluk kwám nu nooit meer...

Hij zakte terug in zijn stoel, en greep het stuk werk, waaraan hij bezig was, alsof hij het vermorzelen zou in zijn sterke vuist.

En een oogenblik zat hij stil zoo.

Toen nam hij zijn mes en werkte door.

Het eenige, wat hij op dat oogenblik doen kon.

Tina Ross zat bij Hester en Eli.

Het was voor ’t eerst weer na dien dag, dat Eli ’s avonds gekomen was.

De oude vrouw keek lang naar beiden; zij praatten samen zachtjes en bij ’t schijnsel van ’t vuur zag zij, hoe Eli’s gelaat vervallen en mager was, met tè schitterende grijze oogen, en den fijnen, smartelijken mond.

„Gooi nog een blok op,” zei Tine, „de winter zet streng in.”

Eli knikte; hij zag den langen, kouden winter vóór zich—hoe zou hij ooit nog om komen!

Maar Hester legde haar hand op de zijne; zij voelde een droeve dankbaarheid, dat hij weer gekomen was, tenminste weer hier zat.

„Het ergste is nu toch voorbij,” zei ze tot zichzelf,—„nu moèt ’t vanzelf beter worden.”

Na een uur kwam Maarten terug; zwijgend stond hij een oogenblik in de deur, en zag naar hen.

Toen Hester gelukkig was, had hij zich moedig kunnen schikken, nu werd hij dikwijls bitter.

Maar Eli zag op, en stak haastig zijn hand uit, als naar een vriend,—en Maartens toorn verdween, en hij voelde de oude, trouwe toewijding voor hem, de oude genegenheid, die hij zelf niet begreep.

Maar Eli behield dien toover tot zijn dood op alle menschen, zelfs in schuld en ongeluk.

„Er is een brief gekomen voor Berend,” zei hij, „ik kwam den bode tegen.”

De oude vrouw schrikte.

„Een brief—hij heeft er niets van gezegd...”

Gedreven door een plotselingen angst stond zij op, en ging naar de werkplaats.

Ze zag hem zitten, zooals hij al de dagen te voren gezeten had, gebogen over zijn werk.

Hij hoorde haar komen, en zonder op te zien wees hij haar naar den brief, die op den grond gevallen was.

Zij las en zei geen woord; hij hoorde het papier ritselen tusschen haar handen, en zag, ofschoon hij haar niet aankeek en doorwerkte, dat zij den brief neerlegde en zitten ging.

En zoo zaten zij langen tijd, dicht bij elkaar en spraken niet. Zij zag den toorn trekken over zijn gelaat, en zijn handen trillen,—eindelijk legde hij moe het werk neer, en zat onbewegelijk.

Buiten werd de lucht helder; de maan kwam te voorschijn, en wierp een breede lichtstreep over den vloer.

De oude vrouw staarde naar buiten.

„Hij heeft niet kunnen volhouden,”—dacht zij bitter en streng,—en zij zag weer den harden dwang, dien Berend zich had opgelegd, terwille van dat kind,—zij zag hem in dien nacht, toen hij zich ongezien dacht, en één oogenblik zich durfde overgeven aan een waan van geluk,—en de jongen kon niet volhouden.

Hij kón niet...

Zij las weer den brief—de afgebroken, gejaagde zinnen, zeggend van ongedurig brandend verlangen... maar dezen keer wekte het iets anders in haar—een verteedering, waarin zich haar strengheid verloor—een medelijden met dat laatste kind uit haar geslacht, het kind van Berend, dat niet had kunnen dragen wat van hem geëischt werd, geboren met een andere natuur, die de hunne weerstreefde,—hij was gegaan, zijn vurig verlangen volgend, en daar was niemand geweest om hem te raden,—niemand die een woord van liefde tot hem zeide toen hij heenging.

Zij, de sterken, zij hadden een onrecht gedaan aan hem,—zij hadden niet gedacht aan hèm,—hij moest zich vreemd hebben gevoeld voor hen,—dat kìnd, dat zij nooit had gezien, nooit zien zou misschien, dat zij niet bereiken kon met haar troost,—dat alleen was...

Een beweging van Berend wekte haar uit haar peinzen; hij keek haar aan, en zij zag dat zelfbeschuldiging en zachtheid waren gekomen vóór zijn toorn.

„Ik heb ’t nooit begrepen,” zei hij alleen.

„Nee.”

Zij sloeg haar arm om hem heen, en drukte zijn hoofd aan haar borst; en hij hield haar kleine, bruine handen vast, en dacht in onbewust-kinderlijke zelfzucht: dat hij nu wist, waarvoor hij teruggekomen was—bij deze laatste smart zijn hoofd te kunnen leggen aan haar trouw hart.

Het was laat toen zij slapen ging. In de gang kwam zij Hester tegen, Eli was pas weg. Zij zag haar aan, voèlend den strijd van dit kleinkind, dat háár kracht had—en langzaam zei ze:

„Eli is zwak—hij kan niet alleen, hij heeft je noodig,—hij kan ’t niet helpen, dat hij niet is, als jij gedacht hadt.”

„Ik kan ’t ook niet helpen, ik heb hem lief—liever dan iemand!”

Hester brak af—en sloeg haar handen met een wanhopig gebaar samen.

„Dat ’s goéd,”—zei de oude vrouw kort.

Zij hoorde Hester heengaan; zij stond stil en zag uit over de maanlichte heide.

„Schuld—wat was schuld eigenlijk?—als je alles naging—overdacht, dan viel zooveel weg wat schuld leèk...”

Zij dacht aan Foeko—aan Berend—aan Hester...

„Ik heb nòg niet uitgeleefd,—’t is nòg noodig, dat ik leven blijf...”

Zal ooit een arm, eenzaam menschenkind, zwervend door vreemde landen, het weten: dat daar op aarde een plek is, waar hij veilig rusten kan?

Misschien zal het ééns tot hem komen,—geschreven in bevende letters door een oude hand, dat het huis zijner vaderen hem wacht.

Zàl hij het weten?

In den stormenden nacht beuken de golven het zwakke schip—en dreigen het te versplinteren met allen, die daar worstelen in doodsangst...

En ver zal daar zijn het oude huis, dat hem wacht.

Hij weet het niet.

In het verre warme land schallen de krijgstrompetten,—de blanke wapens der wilde ruiterscharen flikkeren in de zon,—de grond trilt onder den zwaren hoefslag der paarden,—daar is de razende, blinde oorlogsdrift, die al het levende wegmaait en vernielt...

Maar van het slagveld klagen de smarten op in de weelde van den tropischen nacht...

En onbereikbaar ver zal daar zijn het oude huis op de doodsche hei; de sneeuwjacht stuift tegen de muren, maar binnen wacht de kamer in het zachte, trouwe schemerlicht van de lamp...

In een kast liggen versleten kinderkleertjes—een oud man bracht ze mee als zijn zachte herinnering, zijn hoopvolle troost...

Hij weet het niet.

Eens zal hij liggen op zijn doodbed; vreemd licht zal zijn gesloten oogen beschijnen,—vreemde handen zullen hem ter ruste leggen,—een vreemde stem zal een zacht woord van medelijden zeggen.

En ver zal daar zijn het oude huis, dat wacht.

Misschien zal hij het dàn weten; een oogenblik helderziend, als hij worstelt zijn laatsten strijd, dat, hoe hij moge getwijfeld hebben aan alles, daar één plek is geweest waar aan hem gedacht is met liefde altijd...

En hij zal zien dat er iets goèds, iets moois heeft bestaan ook voor hem—al wist hij het niet...

Dan zal hij lichter sterven.

XX.

Het werd het zonderlinge nu, dat het ging lijken alsof alles weer was teruggekeerd tot het oude, terwijl in waarheid alles veranderd was.

Berend Ross werkte; het was het zwak misleiden van zichzelf: doorgaan met den verachten arbeid; met opzet dwong hij zich zelf nog terug in den waan.

Er was nog iets: het besef van zijn schuld, dat weende in dit armzalige werk om den eenzamen knaap; en in dien droeven ootmoed arbeidde hij den ouden, verachten arbeid, die nu niet meer noodig was.

Het scheen Eli, als hij dit zag, wanneer hij zat op zijn oude plaats bij ’t vuur, Hester naast zich, of er niets veranderd was, behalve voor hemzelf.

Tusschen hem en Hester was nooit meer gesproken over dien bewusten dag, en hij dacht dat ze het bijna vergeten was; hij vermoedde niet, hoe ze angstvallig alles vermeed in hun gesprek wat er hem maar aan kon doen denken, altijd vreezend, dat Eli zou merken, hoe zij er nog onder gebukt ging.

Maar hij begreep ’t niet; ze leden elk alleen; hij dacht, dat het nog altijd niet tot haar was doorgedrongen, hoé hij werkelijk was, en het griefde hem:

„Zij zou nooit aan hem wennen... en wat kon hij ook eischen—wennen aan zijn gebreken?...”

In hem was niet meer de oude strijd tegen zijn kwaal; hij was te slap, te moe, te geknakt om te strijden, hij liet zich gaan; als de behoefte zich deed gevoelen, dan dronk hij.

Hij leed er onder, maar niet meer als vroeger; hij leed het nu als een zwakke, met bitterheid ziende dat hij zonk, maar zonder de vroegere hevige, diepe ellende van schaamte en vernedering.

Zijn lichamelijke zwakte den laatsten tijd droeg er toe bij, en verdoofde elken sterken prikkel; hij hoestte, had altijd ’s avonds koorts, en een voortdurende behoefte aan rust.

En rust was er niet in de slapelooze nachten, als hij lag te tobben met gloeiend hoofd.

Als hij dronk hàd hij rust... het waren de twee dingen, die altijd in een cirkel op elkaar werkten—om zijn lichaam rust te geven, dronk hij, en door zijn drinken werd hij hoe langer hoe meer uitgeput.

In het dorp kwam de gewone winternood van alle jaren, maar dezen keer weten zij het Eli in bitteren wrok; hij wist het, en zag menigen dag met starre oogen uit over het dorp en dacht aan het geld.

’s Nachts, als hij wakker lag, zag hij zijn heele leven, en het was als vroeger; niets waaraan hij zich kon vasthouden, niet één groote heerlijkheid, die stralen kon over zijn leven—behalve Hester; maar Hester had hij niet kunnen behouden, eindelijk zou toch de teleurstelling om hem sterker zijn dan haar liefde...

Wéér deed hij haar onrecht, onwetend als altijd: zij was zijn eenige troost, het eenig lichtpunt; maar hij voelde in háár liefde slechts haar behoefte tot opzien in hem, en niet de onuitputtelijke teederheid en opoffering waartoe zij in staat was.

Wat zou gebeuren, als hij het geld niet had...?

Langzamerhand, toen de weken voorbij gingen, werd dit zijn eenige gedachte; zóó was al het vroegere in hem gedood, dat hij zelfs geen pijn meer voelde om den arbeid, om het leege, doodsche leven.

Maar het bewerkte stuk hei vermeed hij.

Eéns nog had hij het gezien. Op een mistigen, kouden dag was hij suffend voortgeloopen, en stond er plotseling voor.

Dit was vreeselijk geweest; met zware smartoogen zag hij het aan... Hij dacht nu niet aan dien laatsten dag, hij dacht alleen: hier was hij vroeger alle dagen—hier was alles toen nog goed—nu was ’t voor altijd weg...

Een nevel kwam voor zijn oogen. Hij keerde zich om, en liep met sleepende voeten naar huis.

Sinds had hij het niet meer gezien.

Adam kwam dikwijls bij hem, maar bij hem sprak Eli niet van het geld; de oude had iets, alsof hij al afgestorven was van alle wereldsche zaken.

Maar Adam dacht er wel aan, hij had het alles overwogen, terwijl hij eenzaam zwierf over de hei, of ’s avonds stil zat te luisteren naar den wind, en eindelijk begon hij erover tegen Eli.

„Eli, je tobt alle dagen over dat geld; waarom denk je niet aan wat ’t meest voor de hand ligt?—je moet het aan je moeder gaan vragen.”

Eli zag hem stom aan, niet begrijpend,—„zijn moeder...”

Adam steunde zijn hoofd in beide handen—en langzaam, eentonig praatte hij voort.

„Ik heb erover gedacht—ik weet wel, dat je nooit naar haar toe bent geweest meer—ik weet wel wat je allemaal zal zeggen...”

Maar Eli vloekte plotseling driftig op;—„als ik ’r nóódig heb, dán naar haar toegaan—naar hààr...”

Hij stokte—ondragelijke schaamte en vernedering joegen het bloed gloeiend door zijn lichaam.

Adam zag hem even aan, met een snellen, scherpen oogopslag; rustig zei hij:

„Je begrijpt ’t niet,—je komt met een rècht—èn een plicht,—ze heeft als moeder veel aan je goed te maken, dàt is jouw rècht—en je plicht? het is je moèder—je zal in je grooten nood naar hàar gaan en niet naar vréemden,—en ze zal je dànkbaar zijn... ’t Is veel jaren geleden,—ze zal geleerd hebben te hopen, dat je haar nòg eens noodig zal hebben, dat zij je dan helpen zal waar een vreemde ’t niet kan,—dàt moet je haar geven,—’t is je moeder,—en ’t is ’t éénige wat je ’r geven kàn...”

Eli zat stil.

„Een plicht—èn een recht, was ’t dat?”

Hij zag naar Adam, die daar rustig zei de harde, heldere woorden:

„Zou hij in dit zijn trots onderbrengen en gaan? gaan—vrágen...? God, ’t was èrger dan naar Michiel; hij kòn ’t niet zien zooals Adam het zei..... ’t was laag—laag, nu te gaan.”

En tegelijk dacht hij met een pijn van herinnering: „Zij zoù ’t doen—zooals zij later altijd alles had willen inwilligen voor hem—in haar schuldgevoel, in haar hongerig verlangen naar zijn liefde...”

Hij stond op en schudde zijn schouders, alsof Adam’s bijzijn hem hinderde, en met een korten groet ging hij heen.

Maar thuis, dien avond en nacht, peinsde hij ’t uit.

Vragen—eenmaal dat van haar vragen—het eene, dat beteekende: opnieuw kunnen leven, verlost van dit ellendig bestaan.

Voor ’t eerst, in ’t besef van de mogelijkheid eraan te kùnnen ontsnappen, voelde hij al de zwaarte, de ondragelijkheid van dezen toestand; voelde hij tegelijk, met bitter erkennen van zijn zwakheid, dat, nu hij eenmaal die mogelijkheid van redding gezien had, hij ook zwichten zou.

Wat Adam gezegd had... naar zijn moeder, die hem had overgelaten aan een ellendige jeugd, die het eerst het donkere, droeve in zijn ziel gebracht had, die hem had kunnen achterlaten in een omgeving, die zij zelf ontvluchtte,—zijn moeder, die hij niet lief had, die hij verwaarloosd had al die jaren,—tot haár zou hij gaan en haar hulp vragen.

Het zou nòg een vernedering te meer zijn...

Meer àls hij het deed,—dan kon hij den termijn betalen,—dan kon hij zijn woord houden,—dan stond hij vrij tegenover ieder...

En hard opeens dacht hij nu:

„Wat zijn moeder voor hem zou doen—dat was dan iets afdoen van haar schuld aan hem.”

Maar Eli had Adam’s woorden niet begrepen—làter zou hij die begrijpen.

Iets daarvan kwam voor zijn geest:

„Hester—toekomst.”

Altijd Hester—met haar bleek, ernstig, trouw gezicht,—dàt behouden kunnen,—Hester, die in hem geloofde, die hem haar groote, zachte liefde gaf.

Hij kreunde als van lichamelijke pijn.

„Hester kon hij niet missen—dàn zou hij gaan...”

In den langen, donkeren nacht, terwijl de wind met korte, harde stooten loeide over de vlakte, lag hij—en vocht het uit.

Nog zei hij den volgenden dag niets aan Hester; maar zijn doffe neerslachtigheid was verdwenen,—hij kon weer denken met iets als van hoop aan de toekomst.

„Hij zou weggaan, hiervandaan,—hij zou schrijven aan Marten Bag,—en met Hester zou hij ergens anders opnieuw een leven beginnen.”

Deze gedachte was hem voor ’t eerst weer een prikkel; wèg te zijn van hier,—niets meer te zien van al deze menschen,—kunnen doen alsof dit alles nooit had bestaan,—misschien, als dàn alles goed ging, zou hij zijn kwaal ook te boven komen.

En voor ’t eerst weer als iets goèds, rees voor hem een visioen van een leven ver weg, rustig, ondergeschikt desnoods, maar zonder zorg van verantwoordelijkheid—met Hester...

Het stond voor hem als iets dat onnoemelijk ver nog was, als een punt haast niet te onderscheiden voor een afgematten zwerver; maar iets, dat er wàs—dat werkelijkheid kòn worden.

XXI.

En ’s avonds nog sprak hij er niet van, maar zij allen merkten een verandering bij hem—hij had zelfs weer belangstelling in Maartens werk en praatte met hen mee.

„Waar is Berend?” vroeg hij opeens.

„De laatste avonden blijft hij in zijn werkplaats... hij wil liever alleen zijn.”

Eli dacht plotseling terug aan dien avond, toen Berend bij hem aan het raam gezeten had, en hoorde zijn woorden:

„Eéns kom je er toch overheen, en je begint wat anders...”

Hij had hem nog niet alleen gesproken sinds zijn ongeluk.

— — — — — — — — — — — — — —

Berend Ross zat in zijn werkplaats, als zoovele dagen te voren wanneer hij alleen was, met diepe, stille oogen, starend in het ondoorgrondelijke.

„Daarbinnen zaten zij allen—de oude vrouw—en de jonge menschen—zij konden hem niet helpen.

„Alléén moest hij zijn—alléén...”

Hier zat hij nu, en de uren gingen.

Hij wist het niet...

Het kleine lampje knetterde met steeds lager brandend vlammetje...

Hij merkte het niet; hij was ver weg...

— — — — — — — — — — — — — —

„Lange reizen zijn het geweest—maar nu ben ik er...

Het is ’t oude atelier—ja, dat is ’t helle licht van den blauwen zuidelijken hemel... het oude bekende atelier—waarom ben ik hier zoo lang niet geweest?

Het was donker, lang donker—’t was moeielijk om hier weer te komen.

Maar nu ben ik er—het is als vroeger—als vroeger—ik zou zóó weer kunnen gaan arbeiden—o, nog ééns als vroeger!...

Ik heb nu niet meer te arbeiden—ik ben gekomen om te zien... ik heb immers verlangd, gesmacht, dagen en nachten, in onrust en angst.

Het werk van Foeko! Het gróóte werk.

Overwonnen.

Waar is ’t? waar is ’t nu?

Als ’t er niet was!... God, waarom zie ik het dan niet!!

Wat is er achter dat gordijn? is ’t daar?

Bàng, bàng als een kind...

’t Moèt—ik ben gekomen om het te zien...

Nu...

Dàt—dàt! Oh! Het éénig schoone, het heerlijkste!

Dàt deed mijn zoon?!

Mijn God is ’t waàr... ben ik werkelijk gekomen van ver, om dàt nog te mogen zien...?

Eindelijk—eìndelijk bereikt—berèikt...!

Zijn er ooit jaren geweest, dat ik hier zwoegde, en tobde, en gewanhoopt heb... wàs er een tijd, dat ik mijn eigen arbeid gaf aan dien van mijn kind?

Ik wéet ’t niet meer—er is niets gebleven van dat alles...

Hier is alleen de groote zaligheid, het heerlijke, het boven alles schoone, de belofte vervuld.

Zóó moest het zijn—niet zooals ik het gezien en gedacht heb in vele dagen en nachten—wat was mijn armzalige schepping bij dit:

Overwonnen.

Nu zie ik ’t gelaat van den man—ik zag ’t met een trek van bitterheid en toorn, van machteloozen opstand, overwonnen door het lot... dàt is het niet.

Hij heeft het beter gezien—beter dan ik.

Het is de machtige uitdrukking van zwijgend kunnen dragen—van sterke berusting in àl-begrijpen van menschelijke zwakheid en strijd... overwinnaar hij!

Zoo is het—zóó is het—mijn God, dat ik het nog heb mogen zien!

— — — — — — — — — — — — — —

De lamp brandt flauwer—de olie is op.

Eindelijk gaat het licht uit.

Naast zijn stoel, op den grond, ligt Berend Ross, en ziet het wonder, dat zijn zoon wrocht.

— — — — — — — — — — — — — —

Maarten ging dien avond met Eli mee; hij moest nog in ’t dorp zijn.

Buiten voor ’t raam van de werkplaats stond Eli stil.

„Het is er donker.”

Zij zagen elkaar aan... „en hij is niet naar bed!”

Zij gingen weer naar binnen, en staken licht aan...

„Daar,” zei Eli en wees...

Maarten knielde naast het roerlooze lichaam; een groote stilte viel op hen neer; eindelijk hief hij het hoofd op en keek Eli aan...

Toen namen zij hem op, en droegen hem weg van die plek, waar hij aan ’t eind geweest was van zijn levenstocht,—en legden hem neer in ’t oude bed, waar hij als knaap had gelegen.

„Eli—o wat is er?”

Eli wees stom op het bed; hij nam Hester in zijn armen, en stil tegen elkander geleund bleven ze zitten wachten...

Maar Maarten ging naar Tine Ross.

Toen hij bij haar binnenkwam was zij nog niet in bed, zij keerde zich heftig om, en zag hem aan.

Hij kwam naar haar toe met zijn grooten, langzamen stap, en nam haar hand.

„Grootmoeder...”

„Wat...?”

Ze wrong haar hand los, en bleef hem aanzien met harde, brandende oogen.

„Berend was...”

Haar gelaat zonk in; van ’t oogenblik af, dat hij binnenkwam had ze het gevoeld... ze duwde hem opzij, en liep naar de andere kamer.

Een oogenblik stond zij er stil op den drempel, en zag naar Eli en Hester met blinde oogen.